Home

Hof van Justitie EU 06-04-2000 ECLI:EU:C:2000:194

Hof van Justitie EU 06-04-2000 ECLI:EU:C:2000:194

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
6 april 2000

Conclusie van advocaat-generaal

N. Fennelly

van 6 april 2000(*)

1. De Commissie heeft krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld met betrekking tot het verzuim van de Helleense Republiek om uitvoering te geven aan twee bepalingen van richtlijn 90/675/EEG van de Raad van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht(1) (hierna: „richtlijn”). Het betreft de artikelen 3, sub ii, en 4 van de richtlijn.

2. Artikel 3, sub ii, van de richtlijn bepaalt, dat de douaneautoriteiten van de lidstaten de invoer van producten in de Gemeenschap slechts toestaan indien wordt aangetoond dat de kosten van de veterinaire controles zijn voldaan en dat, in voorkomend geval, een zekerheid is gesteld ter dekking van eventuele extra kosten. Artikel 4, lid 1, van de richtlijn bepaalt, dat alle uit derde landen afkomstige partijen producten worden onderworpen aan een controle van de documenten en een overeenstemmingscontrole, teneinde zich te vergewissen van hun oorsprong, hun verdere bestemming en het feit dat de erop voorkomende vermeldingen overeenstemmen met de relevante communautaire of nationale regelgeving. Artikel 4, leden 2 tot en met 6, bevat aanvullende regels voor de toepassing van lid 1. Krachtens artikel 4, lid 7, komen alle kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit artikel zonder schadeloosstelling van de kant van de lidstaat ten laste van de afzender, de geadresseerde of hun gemachtigde. Volgens artikel 32 moest de richtlijn uiterlijk op 31 december 1991 in nationaal recht zijn omgezet.

3. Buiten kijf staat, dat Griekenland het grootste deel van de richtlijn heeft omgezet bij presidentieel besluit nr. 420/93.(2) Dat besluit zegt evenwel niets over retributies voor keuringen overeenkomstig de artikelen 3, sub ii, en 4, lid 7, van de richtlijn. De Commissie vestigde in een aanmaningsbrief van 27 december 1996 de aandacht op dat hiaat. In hun antwoord van 14 maart 1997 stelden de Griekse autoriteiten, dat zij een ontwerp tot wijziging van dat besluit hadden opgesteld, waardoor de minister van Landbouw die retributies zou kunnen vaststellen bij ministerieel besluit. De Commissie ontving geen verdere informatie over de goedkeuring van dat ontwerp en zond Griekenland op 13 maart 1998 een met redenen omkleed advies, met het verzoek binnen twee maanden de nodige maatregelen te treffen om te voldoen aan de artikelen 3, sub ii, en 4 van de richtlijn. Griekenland heeft dat met redenen omkleed advies niet beantwoord.

4. Op 18 december 1998 verzocht de Commissie het Hof vast te stellen, dat de Helleense Republiek de krachtens het Verdrag en de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat de kosten van de veterinaire en administratieve controles ten laste komen van de afzender, de geadresseerde of hun gemachtigde.

5. Blijkens de memories van de Helleense Republiek heeft de Simvoulio tis Epikratias (Raad van State) het hiervoor genoemde ontwerp afgewezen, omdat het wetgevingstechnische gebreken vertoonde.(3) Volgens Griekenland bereidt het Ministerie van Landbouw een nieuw ontwerp voor als onderdeel van de omzetting van richtlijn 96/43/EG van de Raad van 26 juni 1996 tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG.(4) Dat ontwerpbesluit zal binnenkort voor onderzoek worden ingediend bij de Simvoulio tis Epikratias, en daarna worden goedgekeurd.

6. Uit een en ander blijkt, dat de Griekse autoriteiten nog niet hebben voldaan aan de krachtens de artikelen 3, sub ii, en 4 van de richtlijn op hen rustende verplichting om de kosten van veterinaire en administratieve controles af te wentelen op de afzender of de geadresseerde van producten uit derde landen, of hun gemachtigde. Moeilijkheden bij het vervullen van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen die het gevolg zijn van de eigen rechtsorde van een lidstaat kunnen na de omzettingstermijn geen verontschuldiging opleveren voor de niet-nakoming van die verplichtingen.(5)

Conclusie

7. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:

  1. vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat de kosten van veterinaire en administratieve controles van producten uit derde landen ten laste komen van de afzender, de geadresseerde of hun gemachtigde, zoals voorgeschreven in de artikelen 3, sub ii, en 4 van richtlijn 90/675/EEG van de Raad van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht, de krachtens het Verdrag en die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

  2. de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.