Hof van Justitie EU 28-04-1999 ECLI:EU:C:1999:209
Hof van Justitie EU 28-04-1999 ECLI:EU:C:1999:209
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 28 april 1999
Uitspraak
Arrest van het Hof (Eerste kamer)
28 april 1999(*)
In zaak C-250/98,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro, juridisch hoofdadviseur, en B. Mongin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Ud van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster, tegenFranse Republiek, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, onderdirecteur internationaal economisch recht en gemeenschapsrecht bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en A. de Bourgoing, chargé de mission bij deze directie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Joseph II 8B,
verweerster,
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaatgeneraal: D. Ruiz-Jarabo Colomer
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechterrapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 23 februari 1999,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juli 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van de richtlijnen 75/362/EEG, 77/452/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG en 80/154/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van respectievelijk de arts, de algemeen ziekenverpleger, de beoefenaar der tandheelkunde, de dierenarts en de verloskundige, alsmede van de richtlijnen 75/363/EEG, 78/1027/EEG en 80/155/EEG inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van respectievelijk de arts, de dierenarts en de verloskundige (PB L 341, blz. 19; hierna: „richtlijn”), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Bij artikel 18 van de richtlijn is een wijziging aangebracht in artikel 4 van richtlijn 78/1026/EEG van de Raad van 18 december 1978 inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van dierenarts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten (PB L 362, blz. 1), en bij artikel 19 van de richtlijn werd een lid toegevoegd aan artikel 1 van richtlijn 78/1027/EEG van de Raad van 18 december 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van dierenarts (PB L 362, blz. 7). Deze twee artikelen hebben betrekking op de voorwaarden voor onderlinge erkenning van de voor de uitoefening van het beroep van dierenarts noodzakelijke diploma's.
3 Ingevolge artikel 28 van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om uiterlijk op 8 mei 1991 aan de richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
4 Daar de Commissie geen kennisgeving van de omzetting in Frans recht van de artikelen 16 tot en met 20 van de richtlijn betreffende het beroep van dierenarts had ontvangen en over geen enkel ander gegeven beschikte waaruit zij kon opmaken dat de Franse Republiek aan deze verplichting had voldaan, maande zij deze staat bij brief van 11 oktober 1993 aan binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken.
5 De Franse regering antwoordde op 28 april 1994, dat de nodige maatregelen waren getroffen om wat het beroep van dierenarts betreft aan de richtlijn te voldoen en deelde de Commissie de tekst mee van het besluit van 26 februari 1991 waarbij de op de uitoefening van dat beroep toepasselijke regels werden gewijzigd.
6 Daar de Commissie van mening was, dat zij niet in kennis was gesteld van bepalingen die waren vastgesteld om aan de artikelen 18 en 19 van de richtlijn te voldoen, verzocht zij de Franse Republiek bij met redenen omkleed advies van 22 januari 1996 om de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na de kennisgeving van dit advies aan de verplichtingen op grond van de richtlijn te voldoen.
7 Bij brief van 29 juli 1996 antwoordde de Franse regering, dat zij binnenkort bij het parlement een wetsvoorstel zou indienen waarvan de inhoud door de Commissie was goedgekeurd, houdende wijziging van wet nr. 82-899 van 20 oktober 1982 betreffende de uitoefening van het beroep van dierenarts, ter omzetting in Frans recht van de artikelen 18 en 19 van de richtlijn.
8 Op 21 april 1997 werd de wetgevingsprocedure onderbroken door de ontbinding van het Franse parlement.
9 Daar de Commissie geen andere mededeling van de Franse Republiek ontving, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
10 De Franse regering betwist niet, dat de artikelen 18 en 19 van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn zijn omgezet. Zij deelt echter mee, dat een nieuw wetsontwerp tot omzetting van die bepalingen op korte termijn aan het parlement zal worden voorgelegd.
11 Daar de artikelen 18 en 19 van de richtlijn niet binnen de gestelde termijn zijn omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende, verstaat:
-
Door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van de richtlijnen 75/362/EEG, 77/452/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG en 80/154/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van respectievelijk de arts, de algemeen ziekenverpleger, de beoefenaar der tandheelkunde, de dierenarts en de verloskundige, alsmede van de richtlijnen 75/363/EEG, 78/1027/EEG en 80/155/EEG inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van respectievelijk de arts, de dierenarts en de verloskundige, is de Franse Republiek de krachtens richtlijn 89/594 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
-
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Jann
Edward
Sevón
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 28 april 1999.
De griffier
R. Grass
De president van de Eerste kamer
R Jann