Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 8 juli 1999.

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 8 juli 1999.

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 mei 1998, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans artikel 226 EG) verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door voor de registratie van luchtvaartuigen in België van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in die staat te verlangen, en hun de gevraagde vluchtvergunningen te weigeren, en door aldus op ongerechtvaardigde of buitensporige wijze het tijdelijk of permanent verrichten van diensten op het gebied van de luchtvaart, andere dan vervoer, te belemmeren, de krachtens de artikelen 6, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 12 EG, 43 EG en 49 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

2 Artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit van 15 maart 1954 tot regeling der luchtvaart (hierna: "koninklijk besluit") voorziet in een bijzondere regeling voor vreemdelingen waarbij de mogelijkheid van registratie van luchtvaartuigen in België wordt beperkt tot de "vreemdelingen die gemachtigd zijn hun woonplaats in België te vestigen of in België verblijf te houden en die er sedert ten minste één jaar ononderbroken verblijf houden" en tot de "vreemde rechtspersonen die in het koninkrijk sedert ten minste één jaar een bedrijfszetel, een agentschap of een bureau hebben".

3 Bij brief van 31 oktober 1995 vestigde de Commissie de aandacht van de Belgische regering op een aantal beperkingen die worden opgelegd aan communautaire ondernemers die op het Belgische grondgebied aan luchtfotografie willen doen, welke haars inziens in strijd zijn met artikel 59 van het Verdrag, alsmede op het probleem van de verenigbaarheid van artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit met de artikelen 6 en 52 van hetzelfde verdrag.

4 Bij brief van 9 februari 1996 antwoordden de Belgische autoriteiten, dat zij een besluit inzake de voorwaarden voor afgifte van vergunningen voor luchtvaartactiviteiten voorbereidden. Zij voegden daar in een schrijven van 27 augustus 1996 aan toe, dat een begin was gemaakt met de werkzaamheden en dat zij binnen afzienbare tijd een ontwerpbesluit aan de Commissie zouden voorleggen.

5 Omdat zij vaststelde dat het koninklijk besluit nog steeds niet was gewijzigd, zond de Commissie het Koninkrijk België op 19 juni 1997 een met redenen omkleed advies, waarbij zij het Koninkrijk België verzocht om binnen twee maanden na de kennisgeving ervan aan het advies te voldoen.

6 In zijn antwoord van 28 juli 1997 wees het Koninkrijk België erop, dat een aantal beperkingen op het vrij verrichten van luchtdiensten sedert 1996 in de praktijk niet meer worden opgelegd. Het verstrekte evenwel geen nieuwe inlichtingen over de beperkingen inzake de registratie van luchtvaartuigen in België.

7 Daar zij verder geen informatie ontving over de vaststelling van maatregelen tot wijziging van de betrokken bepalingen van het koninklijk besluit, stelde de Commissie het onderhavige beroep in.

8 Wegens de opmerkingen die de Belgische regering in haar verweerschrift had gemaakt, heeft de Commissie het voorwerp van haar beroepsschrift beperkt tot de onverenigbaarheid van het koninklijk besluit met de artikelen 6 en 52 van het Verdrag, en heeft zij afstand gedaan van het op artikel 59 gebaseerde onderdeel van haar beroep.

9 Volgens de Commissie zijn de betrokken bepalingen van het koninklijk besluit, volgens welke een in een andere lidstaat gevestigde persoon of vennootschap geen vliegtuigen kan laten registreren tijdens het eerste jaar van verblijf of vestiging in België, in strijd met de artikelen 6 en 52 van het Verdrag, omdat zij natuurlijke en rechtspersonen van andere lidstaten discrimineren en hun vestiging belemmeren.

10 De Belgische regering heeft de conclusies noch de argumenten van de Commissie betwist. Zij heeft verklaard, dat zij voornemens is artikel 3, § 3, 2_, sub c en d, van het koninklijk besluit aldus te wijzigen dat de bezwaren van de Commissie worden weggenomen, en dat in afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen de administratie zich ertoe heeft verbonden de betrokken bepalingen niet toe te passen op natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten.

11 Er zij aan herinnerd, dat volgens artikel 6 van het Verdrag elke discriminatie op grond van nationaliteit binnen de werkingssfeer van het Verdrag verboden is, en dat deze regel, wat de vrijheid van vestiging betreft, door artikel 52 van het Verdrag ten uitvoer is gelegd.

12 Zoals het Hof met betrekking tot de registratie van een vaartuig heeft geoordeeld (zie arrest van 25 juli 1991, Factortame e.a., C-221/89, Jurispr. blz. I-3905, punt 22), moet worden aangenomen, dat wanneer een luchtvaartuig een instrument is voor de uitoefening door een gemeenschapsonderdaan van een economische activiteit die gepaard gaat met een duurzame vestiging in een andere lidstaat, de registratie ervan niet los kan worden gezien van de uitoefening van het recht van vrije vestiging. Bijgevolg mogen de voorwaarden voor registratie van luchtvaartuigen geen discriminatie op grond van nationaliteit bevatten en de uitoefening van dat recht niet belemmeren.

13 Vaststaat, dat de betrokken bepalingen van het koninklijk besluit, doordat zij natuurlijke en rechtspersonen uit andere lidstaten dan het Koninkrijk België onderwerpen aan een bijzondere regeling volgens welke zij minstens één jaar in België moet verblijven of gevestigd zijn, om een luchtvaartuig in die staat te kunnen laten registreren, een discriminatie op grond van nationaliteit vormen, die de uitoefening van het recht van vrije vestiging van die personen belemmert.

14 Het door het Koninkrijk België gevoerde verweer dat de administratie de betrokken bepalingen sedert 1996 in de praktijk niet meer toepast, doet niets af aan die vaststelling. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, immers niet te beschouwen als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Verdrag oplegt (arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk, C-334/94, Jurispr. blz. I-1307, punt 30).

15 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door voor de registratie van luchtvaartuigen in België van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in die staat te verlangen, de krachtens de artikelen 6 en 52 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

16 Aangezien de Commissie heeft laten weten dat zij afstand doet van het op artikel 59 van het Verdrag gebaseerde onderdeel van haar beroep, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de aanvankelijk door de Commissie gestelde schending van dat artikel.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door voor de registratie van luchtvaartuigen in België van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in die staat te verlangen, is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 6 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 12 EG en 43 EG) op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2) Het Koninkrijk België wordt in de kosten verwezen.

1 Bepalingen van een lidstaat die natuurlijke en rechtspersonen uit andere lidstaten onderwerpen aan een bijzondere regeling volgens welke dezen minstens een jaar in de betrokken lidstaat moeten verblijven of gevestigd zijn om een luchtvaartuig in die staat te kunnen laten registreren, vormen een door artikel 6 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 12 EG) verboden discriminatie op grond van nationaliteit die in strijd met artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) de uitoefening van het recht van vrije vestiging van die personen belemmert.

2 Eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, kunnen niet worden beschouwd als een correcte uitvoering van de door het Verdrag aan de lidstaten opgelegde verplichtingen die een uit de onverenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht voortvloeiende niet-nakoming kunnen wegnemen.

1 Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Registratie van luchtvaartuigen in lidstaat - Vereiste van minimale verblijfs- of vestigingsperiode voor onderdanen van andere lidstaten - Ontoelaatbaarheid

[EG-Verdrag, art. 6 en 52 (thans, na wijziging, art. 12 EG en 43 EG)]

2 Lidstaten - Verplichtingen - Niet-nakoming - Handhaving van met gemeenschapsrecht onverenigbare nationale bepaling - Rechtvaardiging ontleend aan bestaan van administratieve praktijken waardoor toepassing van Verdrag wordt verzekerd - Ontoelaatbaarheid

Kosten

Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

In zaak C-203/98,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van die dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verzoekster,

tegen

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A. Snoecx, adjunct-adviseur bij de algemene directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,

verweerder,

betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door voor de registratie van luchtvaartuigen in België van communautaire ondernemers een verblijf of vestiging van één jaar in die staat te verlangen en hun de gevraagde vluchtvergunningen te weigeren, en door aldus op ongerechtvaardigde of buitensporige wijze het tijdelijk of permanent verrichten van diensten op het gebied van de luchtvaart, andere dan vervoer, te belemmeren, de krachtens de artikelen 6, 52 en 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 12 EG, 43 EG en 49 EG) op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE

(Vierde kamer),

samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, J. L. Murray en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: S. Alber

griffier: R. Grass

gezien het rapport van de rechter-rapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 maart 1999,

gezien de beschikking van 26 maart 1999 tot heropening van de mondelinge behandeling,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juni 1999,

het navolgende

Arrest