Hof van Justitie EU 25-05-2000 ECLI:EU:C:2000:291
Hof van Justitie EU 25-05-2000 ECLI:EU:C:2000:291
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 mei 2000
Conclusie van advocaat-generaal
A. Saggio
van 25 mei 2000(*)
1. Bij op 23 september 1999 ingeschreven en op 6 oktober 1999 aan verweerster betekend beroepschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof van Justitie krachtens artikel 181 EG-Verdrag (thans artikel 238 EG) gevraagd de naamloze vennootschap naar Italiaans recht Hitesys (hierna: „Hitesys”) te veroordelen tot terugbetaling van de voorschotten die zij reeds aan Hitesys had uitgekeerd voor de uitvoering van een onderzoeksproject, zoals voorzien in een contract dat door de Commissie eenzijdig werd ontbonden vanwege de niet-uitvoering door verweerster. Meer bepaald, heeft de Commissie verzocht Hitesys te veroordelen tot het terugbetalen van 132 500 euro in hoofdsom, vermeerderd met 61 032,8 euro aan interessen (à 8,25 %) voor de periode van 8 januari 1994 tot 8 september 1999, zijnde een totaalbedrag van 194 443,7 euro, waaraan de som van 30,364 euro aan interessen moet worden toegevoegd voor elke nieuwe dag vertraging tot het saldo volledig is voldaan. Tevens vordert de Commissie de verwijzing van Hitesys in de kosten.
I — De feiten
De tussen de partijen gesloten overeenkomst
2. Op 7 december 1993 sloot de Europese Economische Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, overeenkomst JOU2-CT93-0417 (hierna: „overeenkomst”) met een groep van vennootschappen, bestaande uit Irvin Elettronica SpA (hierna: „Irvin”), als coördinator, het Zentrum für Sonnenenergie — und Wasserstoff — Forschung (hierna: „ZSW”) en de University of Aston (hierna: „Aston”). Deze overeenkomst betrof de uitvoering van een in bijlage I bij de overeenkomst beschreven project voor onderzoek en technologische ontwikkeling, genaamd „Advanced biomass pyrolysis for electricity production using electron beam irradiation”, met financiële steun van de Gemeenschap, in het kader van het programma „Non-nuclear energy — JOULE II (1991-1994)”, vastgesteld bij beschikking van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 september 1991.(1)
3. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de overeenkomst moest dit project zijn voltooid binnen 18 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van ondertekening. Aangezien de overeenkomst in december 1993 werd ondertekend, trad zij in werking op 1 januari 1994, zodat de termijn voor uitvoering van de onderzoekswerkzaamheden op 30 juni 1995 afliep.
4. De verplichtingen van de Commissie worden genoemd in artikel 4 van de overeenkomst. Volgens deze bepaling verbond de Commissie zich ertoe, het project te financieren volgens een plan dat voorzag in een voorschot van 200 000 ECU en latere periodieke betalingen. Volgens artikel 5 moesten de op de eerste betaling volgende betalingen om de twaalf maanden vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst, dat wil zeggen vanaf 1 januari 1994, worden verricht nadat de coördinator een financieel verslag van de werkelijk gemaakte kosten en een technisch verslag betreffende de voortgang van de werkzaamheden had overgelegd. De Commissie verbond zich ertoe de betalingen binnen twee maanden na de goedkeuring van deze verslagen te verrichten. Ten slotte werd voorzien in een eventuele inhouding van 10 % op het totaalbedrag, die moest worden gerestitueerd nadat de Commissie alle in de overeenkomst genoemde verslagen, met name het eindverslag van alle kosten, had goedgekeurd. Artikel 4 bepaalt voorts dat alle betalingen gedaan moeten worden aan de coördinator, dat wil zeggen aan Irvin, die vervolgens de aan de overige vennootschappen van de groep (ZSW en Aston) toekomende bedragen diende over te maken.
5. Met betrekking tot de verplichtingen van de medecontractanten bepaalde artikel 1, lid 4, dat de coördinator de uitsluitende verantwoordelijkheid droeg voor de contacten tussen de Commissie en de contracterende vennootschappen. Bijgevolg was hij met name verplicht alle in de overeenkomst gespecifieerde stukken over te leggen. Zo moest Irvin vanaf de inwerkingtreding van de overeenkomst een halfjaarlijks verslag uitbrengen over de voortgang van de werkzaamheden, waarin rapport wordt uitgebracht van de verrichte activiteiten en de door alle contracterende vennootschappen behaalde resultaten. Bij deze documenten behoorde ook een technisch eindverslag betreffende het gehele project, uit te brengen binnen twee maanden na het einde van de overeenkomst. Voorts moesten ook de reeds genoemde financiële verslagen worden ingediend. Overeenkomstig artikel 5 van de overeenkomst moest Irvin immers na de inwerkingtreding van de overeenkomst om de twaalf maanden een financieel verslag indienen en binnen drie maanden na het einde van de overeenkomst een financieel eindverslag. De overige contracterende vennootschappen moesten hun verslagen indienen bij de coördinator, die deze bij de zijne diende te voegen.
6. De bijlagen, in het bijzonder bijlage I, betreffende het „work programme” en bijlage II, betreffende de algemene voorwaarden, maakten krachtens artikel 1, lid 2, integraal deel uit van de overeenkomst.
Artikel 8 van de algemene voorwaarden, getiteld „Termination of Contract” bepaalt in lid 1 dat de „Contractors”, dat wil zeggen de personen die de onderzoekswerkzaamheden moeten verrichten, de overeenkomst eenzijdig kunnen ontbinden, met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden jegens de Commissie, wanneer zij van mening zijn dat voortzetting van het onderzoeksproject om technische redenen of vanwege een wijziging in de exploitatiemogelijkheden ervan niet zinvol is. Volgens artikel 8, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden kan ook de Commissie de overeenkomst ontbinden, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedureregels. In dergelijke gevallen, en indien de Commissie instemt met de door de „Contractors” aangevoerde redenen voor de voortijdige ontbinding, hebben zij recht op vergoeding van de kosten. Indien deze instemming ontbreekt, hebben zij alleen recht op vergoeding van de kosten die zijn „geaccepteerd door de Commissie”.
Artikel 8, lid 2, sub d, regelt de ontbinding van de overeenkomst wegens niet-uitvoering. Volgens deze bepaling kan de Commissie, ingeval van niet-uitvoering van hun verplichtingen door een of meer contractanten, na hen schriftelijk te hebben aangemaand de door hen te verrichten onderzoekswerkzaamheden uit te voeren, de overeenkomst als ontbonden beschouwen, wanneer de niet-uitvoering een maand na de aanmaning nog steeds voortduurt, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door technische of economische redenen.
Artikel 8, lid 4, bepaalt verder dat wanneer de Commissie de overeenkomst ontbindt wegens niet-uitvoering door de contractanten, zij vergoeding kan eisen van de werkelijk gemaakte kosten, voor zover zij dit, gelet op de aard en het belang van de verrichte werkzaamheden, alsmede op de doelmatigheid ervan, in het kader van het programma, „fair” en „reasonable” acht. Dit bedrag kan vervolgens worden vermeerderd met moratoire interessen vanaf het moment van ontvangst van de betaling door de contractant, welke worden berekend volgens het tarief dat het Europees Fonds voor Monetaire Samenwerking toepast op transacties in ecu, verhoogd met twee procentpunten.
7. Ten slotte bevat artikel 12 van de algemene voorwaarden een arbitragebeding, uit hoofde waarvan het Hof van Justitie bij uitsluiting bevoegd is ten aanzien van elk geschil dat verband houdt met de overeenkomst, en is volgens artikel 11 van deze voorwaarden het Italiaanse recht van toepassing verklaard.
Het gedrag van de contractanten
8. Op 8 december 1993 besloot de Commissie, conform de overeenkomst Irvin een voorschot uit te betalen van 200 000 ECU (zie bijlage 2 van het verzoekschrift).
9. In 1994, slechts enkele maanden na de aanvang van de overeenkomst, stond Irvin aan de rand van een faillissement wegens grote financiële moeilijkheden vanwege het wegvallen van een vennoot, tevens hoofdaandeelhouder (de vennootschap Officine Galileo) als gevolg van de opheffing van de overheidsinstelling EFIM. Om die reden is de vennootschap nog in datzelfde jaar van structuur veranderd en omgezet in Hitesys. Hitesys is in de overeenkomst in de plaats getreden van Irvin, met als gevolg dat alle op Irvin rustende verplichtingen, met name met betrekking tot de coördinatie en de indiening van technische en financiële verslagen, werden overgedragen aan Hitesys. Bij schrijven van 19 augustus 1994 (zie bijlage 4 bij het verzoekschrift) is de Commissie akkoord gegaan met deze verandering van medecontractant.
10. Hitesys is de aan haar overgedragen verplichtingen evenwel niet nagekomen. In een op 21 februari 1995 aan Hitesys gericht faxbericht (zie bijlage 5 bij het verzoekschrift) beklaagde de Commissie zich erover dat het eerste verslag over de voortgang van de werkzaamheden uiterst ontoereikend was. Derhalve verzocht zij Hitesys alle activiteiten te staken en contact met haar op te nemen om te onderhandelen opdat de coördinatietaken betreffende het project en de verantwoordelijkheid over het beheer van de fondsen aan een andere vennootschap uit de groep van contractanten werden overgedragen. In hetzelfde faxbericht merkt de Commissie op dat zij, indien zij vóór 15 maart 1995 geen antwoord zou hebben ontvangen, terugbetaling van het voorschot zou vorderen en onmiddellijk met een andere vennootschap uit de groep zou overeenkomen om de functie van coördinator over te nemen.
11. Uiteindelijk heeft de Commissie bij brief van 27 juli 1995 (zie bijlage 6 bij het verzoekschrift) Hitesys verzocht om indiening van de documenten over de voortgang van de in de overeenkomst genoemde werkzaamheden, dat wil zeggen het tweede technische verslag betreffende de voortgang van de werkzaamheden in de periode tussen juni en december 1994, het technisch eindverslag en het financieel verslag voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1995. In dezelfde brief behield de Commissie zich het recht voor om na afloop van het onderzoek van deze stukken terugbetaling van het reeds overgemaakte voorschot te vorderen.
12. Bij brief van 3 september 1996 (zie bijlage 7 bij het verzoekschrift) heeft de Commissie verklaard dat uit het feit dat de gevraagde documenten niet waren verzonden en de diverse aanmaningen niet waren beantwoord, bleek dat Hitesys de in de overeenkomst voorziene taken niet had verricht, zodat zij de overeenkomst conform artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden als ontbonden beschouwde en terugbetaling eiste van het aan Hitesys overgemaakte voorschot ten bedrage van 132 500 ECU. Zoals blijkt uit bevel tot terugbetaling nr. 96005952 van de Commissie (zie bijlage 8 bij het verzoekschrift) komt dit bedrag overeen met het verschil tussen de door de Commissie aan de coördinator uitbetaalde bijdrage van 200 000 ECU en de bedragen van 55 000 ECU en 12 500 ECU die de coördinator heeft uitbetaald aan de andere tot de groep van contractanten behorende vennootschappen.
13. Aangezien de Commissie geen reactie van Hitesys ontving, zond zij haar op 17 juli 1997 een aanmaning (zie bijlage 9 bij het verzoekschrift). Bij brief van 25 september 1997 (zie bijlage 10 bij het verzoekschrift) deelde de vennootschap de Commissie mee, dat zij te kampen had met ernstige technische en financiële problemen, die zij had geërfd van Irvin, hetgeen haar belette voortgang te boeken met de overeengekomen onderzoekswerkzaamheden en resulteerde in „de onmogelijkheid om te komen tot bevredigende technische resultaten”. In dezelfde brief voerde Hitesys voorts aan, dat haar technici werkten aan een technisch-economisch verslag over de door Irvin behaalde resultaten, „om na te gaan wat de mogelijkheden waren voor voortzetting van het onderzoek”. Dit verslag zou vóór 31 oktober 1997 aan de Commissie worden toegezonden. Daarom vroeg zij de Commissie om af te zien van maatregelen tot terugvordering van het voorschot.
Op 17 december 1997 zond Hitesys de Commissie „een verslag over de kosten die de vennootschap voor de uitvoering van het programma had gemaakt” en sprak zij de hoop uit dat die documentatie „de fundamentele eerlijkheid” waarmee zij dat project had aangevat, ondanks haar economische en financiële problemen, „zou kunnen aantonen”.
14. Ondertussen kwamen de andere contracterende vennootschappen, zoals de Commissie in haar verzoekschrift verklaart, de op hen rustende verplichtingen na, door het eindrapport in te dienen, dat in februari 1997 door de Commissie werd aanvaard.
15. Bij brief van 6 februari 1998 (zie bijlage 12 bij het verzoekschrift) heeft de Commissie tegenover Hitesys bevestigd dat zij de bedragen terugvorderde, waarbij zij aanvoerde dat de overeenkomst op 30 juni 1995 was beëindigd en dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet was nagekomen, aangezien zij de vereiste verslagen niet binnen de in de overeenkomst gestelde termijnen had verstrekt en evenmin had gereageerd op de aanmaningsbrieven en -faxberichten. Bijgevolg wees de Commissie erop, dat zij geen van de door Hitesys in de bijlage bij haar brief van 17 december 1997 gedeclareerde kosten voor een eventuele vermindering van het teruggevorderde bedrag in aanmerking kon nemen.
16. Bij brief van 20 april 1998 (zie bijlage 13 bij het verzoekschrift) deed Hitesys de Commissie haar technische eindverslag toekomen, waarvan de tekst evenwel niet is voorgelegd.
17. Bij brief van 14 juli 1998 (zie bijlage 14 bij het verzoekschrift) bevestigde de Commissie wederom dat zij de bedragen terugvorderde, waarbij zij opnieuw stelde dat Hitesys de contractuele termijnen voor het indienen van de verslagen over haar eigen onderzoeksactiviteit niet in acht had genomen, en dat de haar op 20 april 1998 toegezonden stukken voor haar diensten geen aanleiding konden vormen om „het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit te wijzigen”.
Het procesverloop
18. Op 23 september 1999 is het beroepschrift van de Commissie ingeschreven door de griffier van het Hof. Op 6 oktober 1999 werd het betekend aan Hitesys, die evenwel geen verweerschrift heeft ingediend. Daarop heeft de Commissie bij brief van 10 januari 2000 het Hof verzocht, de in het beroepschrift uiteengezette conclusies toe te wijzen overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
De ontvankelijkheid
19. Het beroep is ontvankelijk. Het is immers op 6 oktober 1999 regelmatig via de post aan Hitesys betekend overeenkomstig artikel 94, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Bovendien heeft verzoekster bij brief van 10 januari 2000 verzocht om toewijzing van haar conclusies. Hieruit volgt dat het verzuim te wijten is aan Irvin-Hitesys en niet berust op een procedurefout. Bijgevolg gaat het hier om een verstekprocedure in de zin van artikel 94 van het reglement.
Ten gronde
20. Aangezien verweerster, zoals gezegd, verstek heeft laten gaan, verloopt deze procedure, nu aan de vereiste voorwaarden is voldaan, volgens de speciale procedurevoorschriften en met inachtneming van de voor deze procedure geldende speciale bewijsregels. Krachtens artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, kan de verzoeker, wanneer de verweerder verstek laat gaan, vorderen dat het Hof zijn conclusies toewijst. Indien de conclusies van de verzoeker „gegrond voorkomen”, heeft hij recht op een beslissing conform zijn verzoek. Uit de formulering van deze bepaling blijkt dat de beoordeling van de toereikendheid van de bewijzen betreffende de gegrondheid van de eis, die door de rechter in een dergelijke procedure moet worden verricht teneinde de argumenten van de verzoeker te kunnen aanvaarden, in beginsel minder streng is dan in de gewone procedure, waarin beide partijen aanwezig zijn en gebruik maken van hun procedurele rechten, aangezien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de rechter zich bij deze beoordeling kan beperken tot hetgeen uit de stukken blijkt, en over het algemeen niet hoeft te verzoeken om overlegging van alle stukken die als dienstig zouden kunnen worden beschouwd bij het nemen van de beslissing. Het in feite summiere karakter van deze beoordeling vindt zijn rechtvaardiging en zijn tegenwicht in de aan de niet aanwezige, in het ongelijk gestelde verweerder toegekende mogelijkheid om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen en in de daaropvolgende contradictoire procedure volledig gebruik te maken van zijn procedurele rechten, door eventueel zelf de stukken over te leggen die hij van belang acht voor de beslissing.
Derhalve dient te worden nagegaan of, in casu, rekening houdend met de door verzoekster ingediende stukken, het verzoek om terugbetaling van het voorschot gegrond „voorkomt”. Naar mijn mening dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, en wel om de volgende redenen.
21. In haar beroepschrift voert de Commissie aan, dat Hitesys de uit de onderzoeksovereenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de Commissie niet is nagekomen, en verklaart in die omstandigheden het initiatief te hebben genomen om de overeenkomst te ontbinden en restitutie van het voorschot te vorderen.
Volgens de algemene voorwaarden heeft de Commissie uitdrukkelijk het recht de overeenkomst eenzijdig te ontbinden, indien zij van mening is dat voortzetting van het project niet zinvol is, of wanneer een of meer contractanten hun verplichtingen niet nakomen. Artikel 8, lid 2, sub a en d, van de algemene voorwaarden bevat een dergelijke regeling, en bepaalt, zoals gezegd, dat in een dergelijk geval de Commissie, na de partijen tot uitvoering te hebben aangemaand, de overeenkomst als ontbonden kan beschouwen, wanneer de niet-uitvoering een maand na de ingebrekestelling nog voortduurt. De algemene voorwaarden bevatten een deels afwijkende regeling voor de ontbinding op initiatief van de „contractors”. Zij kunnen de overeenkomst eenzijdig ontbinden, met inachtneming jegens de Commissie van een opzegtermijn van twee maanden, wanneer zij van mening zijn dat voortzetting van de onderzoekswerkzaamheden om technische of economische redenen niet zinvol is. De overeenkomst kent dezelfde mogelijkheid toe aan de Commissie.
De gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst voor de eventuele betaling van de vóór de ontbinding verrichte onderzoekswerkzaamheden zijn zeer verschillend geregeld, al naar gelang het hierbij gaat om het geval bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2, sub a, dan wel om het geval bedoeld in artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden. In het eerstgenoemde geval hebben de contractanten namelijk recht op vergoeding van de kosten, indien de Commissie van mening is dat hun redenen gegrond zijn en zij de door hen gedeclareerde kosten „accepteert”. In het tweede geval daarentegen, waarin het dus gaat om een ontbinding wegens niet-uitvoering door een of meer „contractors”, kan de Commissie restitutie vorderen van de reeds door haar overgemaakte bedragen, voor zover zij dit „fair” en „reasonable” acht. Allereerst moet dus worden nagegaan, om welke van de twee gevallen het hier gaat.
22. Om dit aspect te verduidelijken, moet worden verwezen naar de correspondentie tussen Hitesys en de Commissie. Ik herinner eraan dat de termijn voor uitvoering van de door Irvin-Hitesys te verrichten onderzoekswerkzaamheden verstreek op 30 juni 1995 en dat de „coördinator” (dat wil zeggen Irvin-Hitesys) verplicht was een halfjaarlijks verslag uit te brengen over de voortgang van de werkzaamheden en de met de activiteiten van alle andere vennootschappen van de groep behaalde resultaten, alsmede periodieke verslagen over de met de voortgang van de werkzaamheden gepaard gaande kosten en het definitieve financiële en technische verslag.
Uit de correspondentie tussen de Commissie en Irvin-Hitesys blijkt, dat deze vennootschap de hierboven genoemde verplichtingen niet is nagekomen. Dit blijkt met name uit: a) het faxbericht van 21 februari 1995, waarin de Commissie de onbevredigende ontwikkeling van de werkzaamheden kritiseerde en Irvin-Hitesys opriep alle werkzaamheden te staken; b) de brief van 3 september 1996, waarin de Commissie verklaarde de overeenkomst als ontbonden te beschouwen en terugbetaling van het voorschot eiste; c) de brief van 17 juli 1997, waarin Irvin-Hitesys erkende dat zij de in de overeenkomst bedoelde werkzaamheden niet had kunnen voortzetten en dat het voor haar niet mogelijk was om bevredigende technische resultaten te behalen; d) de brief van 6 februari 1998, waarin de Commissie herhaalde, dat de overeenkomst op 30 juni 1995 was beëindigd, dat de vennootschap, door niet binnen de voorgeschreven termijnen de door de overeenkomst vereiste verslagen over te leggen, haar verplichtingen niet was nagekomen, en dat zij niet had gereageerd op de herhaalde aanmaningen van de Commissie.
23. Mijns inziens kan er geen serieuze twijfel over bestaan dat de handelwijze van Irvin-Hitesys, zoals die naar voren komt uit de hierboven beschreven correspondentie, nagenoeg geen andere conclusie toelaat dan dat Irvin-Hitesys vrijwel geen enkele verplichting uit de overeenkomst is nagekomen. Met name met betrekking tot de overlegging van technische verslagen en rapporten kan worden vastgesteld, dat Irvin-Hitesys het eerste rapport pas zes maanden na de contractueel vastgestelde termijn heeft ingediend (dit blijkt uit het faxbericht van de Commissie van 21 februari 1995), en dat zij op 27 juli 1995, toen de uiterste datum voor de uitvoering van het project reeds was verstreken, nog steeds geen technische verslagen over de periode van juni tot en met december 1994, geen definitief technisch verslag en geen financiële verslagen over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1995 had ingeleverd. Bovendien geeft Hitesys zelf — in de brief aan de Commissie van 17 juli 1997 — toe, dat het voor haar niet mogelijk was om bevredigende technische resultaten te behalen. Pas in december 1997, na nieuwe aanmaningen van de Commissie, zond Hitesys een verslag van de kosten die de vennootschap bij de uitvoering van het onderzoeksprogramma had gemaakt, en nog later, op 20 april 1998, het definitieve technische verslag.
24. Bovendien wordt, zoals de Commissie opmerkt, de schending van de contractuele verplichtingen nog verergerd door het feit dat Hitesys, hoewel zij zich bewust was van de vele vertragingen, niet tijdig heeft gevraagd om een verlenging van de contractuele termijnen, zoals dit wordt toegestaan door artikel 1, lid 7, van de algemene voorwaarden.
25. Op grond van de uit de stukken naar voren komende feitelijke gegevens moet volgens mij in redelijkheid worden aangenomen dat de Commissie de niet-uitvoering door Hitesys heeft vastgesteld met alle gevolgen die hier volgens de algemene voorwaarden uit voortvloeien. In haar faxbericht van 21 februari 1995 doet de Commissie geen beroep op artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden, betreffende de ontbinding door de opdrachtgever wegens niet-uitvoering, noch op artikel 8, lid 2, sub a, van de algemene voorwaarden, op grond waarvan de overeenkomst kan worden ontbonden om technische redenen en vanwege de onmogelijkheid van exploitatie van de resultaten van het onderzoek, doch sommeert zij Irvin-Hitesys eenvoudigweg en zonder meer om elke activiteit met betrekking tot de realisatie van het onderzoeksproject te staken. Hierbij dient voorts in aanmerking te worden genomen, dat de Commissie bij brief van 27 juli 1995 Hitesys duidelijk ervan in kennis heeft gesteld dat zij de overeenkomst per 30 juni 1995 als ontbonden beschouwde en restitutie eiste van het voorschot. Weliswaar eist de Commissie in deze brief ook dat Hitesys de technische en financiële verslagen overlegt, doch mijns inziens kan hieruit niet worden geconcludeerd dat hier geen sprake zou zijn van een ontbinding wegens niet-uitvoering, maar van een ontbinding wegens een van de andere in artikel 8, lid 1, van de algemene voorwaarden genoemde redenen. Het gaat immers om stukken die de Commissie in aanmerking kon nemen bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag waarvan zij de restitutie vordert. In dit verband wijs ik erop dat, volgens artikel 8, lid 4, van de algemene voorwaarden de Commissie bij haar beoordeling of zij het voorschot integraal, dan wel slechts gedeeltelijk terugvordert, rekening moet houden met „the nature and results of the work undertaken and its use” voor de communautaire programma's.
26. De talrijke tekortkomingen waarvan de handelwijze van Irvin-Hitesys getuigt, kunnen de ontbinding van de overeenkomst duidelijk rechtvaardigen. In haar beroepschrift wijst de Commissie in dit verband op het haars inziens wezenlijke karakter van de in de overeenkomst vastgelegde termijnen voor de indiening van de diverse verslagen. Zij leidt daaruit af, dat alleen al het overschrijden van die termijnen ertoe leidt dat de overeenkomst niet is uitgevoerd en een eenzijdige ontbinding ervan conform artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden rechtvaardigt. Dit standpunt kan niet worden aanvaard. In het Italiaanse recht wordt de termijn voor uitvoering als essentieel beschouwd wanneer de medecontractanten een verlenging van de termijn uitdrukkelijk hebben willen uitsluiten of wanneer dit impliciet voortvloeit uit de aard en het voorwerp van de overeenkomst.(2) In casu bevat de overeenkomst geen enkele aanwijzing van die strekking, terwijl ook overigens nergens uit blijkt dat het wezenlijke karakter van de voorgeschreven termijnen impliciet voortvloeit uit het in de overeenkomst bedoelde type activiteit. Tot staving van haar uitlegging van de overeenkomst beroept de Commissie zich in dit verband op het feit dat de overschrijding van het tijdschema „een gevaar kan opleveren voor de resultaten van de collaterale werkzaamheden op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, die volgens het technische verslag samenhangen met, en een aanvulling vormen op, het in bijlage I [van de overeenkomst] bedoelde project”. Deze verwijzing lijkt mij evenwel te algemeen om er het „essentiële” karakter van de termijn uit af te leiden, dat hoe dan ook dient te berusten op een duidelijke wil van de contractpartners.
27. In casu is de juridische grondslag voor de ontbinding te vinden in artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden, dat, zoals gezegd, een uitdrukkelijke ontbindingsclausule bevat, waarvan de strekking overeenkomt met artikel 1456 van het Italiaanse burgerlijk wetboek. Krachtens deze bepaling is de overeenkomst die een dergelijke clausule bevat van rechtswege ontbonden, wanneer de contractant die zich wél aan de bepalingen houdt de contractant die dit níet doet, meedeelt dat hij een beroep op deze clausule wil doen. Overeenkomstig artikel 1458 van het burgerlijk wetboek heeft deze ontbinding terugwerkende kracht tussen de partijen, zodat de oorzaak voor hetgeen reeds is betaald wegvalt en partijen verplicht zijn de reeds ontvangen betalingen te restitueren.(3) Nu de Commissie in casu (met de brief van 27 juli 1995, bevestigd door de brief van 3 september 1996) van haar recht uit hoofde van deze clausule gebruik heeft gemaakt, is de contractuele band met Hitesys verbroken, waarbij tegelijkertijd voor laatstgenoemde de verplichting is ontstaan het ontvangen voorschot te restitueren. In die omstandigheden kon de latere toezending van de technische en financiële verslagen door Hitesys de niet-uitvoering niet ongedaan maken, want wanneer een overeenkomst eenmaal is ontbonden, is het alsof zij nooit heeft bestaan.
28. Dan moet thans nog worden nagegaan, of de hierboven geconstateerde tekortkomingen kunnen worden gerechtvaardigd door technische of economische redenen. Artikel 8, lid 2, sub d, van de algemene voorwaarden sluit namelijk in dit soort gevallen het recht op eenzijdige ontbinding door de Commissie uit. Van dergelijke redenen is hier volgens mij geen sprake. De enige verklaring die Hitesys ter rechtvaardiging van haar traagheid aanvoert, is de slechte economische situatie van de groep waartoe zij behoort, doch het is duidelijk dat een dergelijke reden niet kan worden aangevoerd, aangezien deze in het algemeen samenhangt met de gedragingen van de betrokken vennootschap en derhalve niet tot nadeel mag strekken van de opdrachtgever en de andere bij de uitvoering van het onderzoeksproject betrokken personen.
29. Vanuit dezelfde invalshoek zijn, zoals de Commissie opmerkt, ook de door Hitesys in haar brieven van 25 september 1997 en 20 april 1998 aangevoerde rechtvaardigingsgronden (grote financiële moeilijkheden als gevolg van de opheffing van EFIM) om de reeds aangegeven redenen volkomen irrelevant. Bovendien brengen zij een bijkomende tekortkoming aan het licht, in de mate dat Hitesys, hoewel zij ingevolge artikel 1, lid 4, van de algemene voorwaarden de Commissie tijdig op de hoogte diende te stellen van elke gebeurtenis of omstandigheid die de uitvoering van de overeenkomst in gevaar kon brengen, hier in haar correspondentie pas vanaf september 1997 melding van maakt.
30. Daarom lijdt het mijns inziens geen twijfel, dat Hitesys haar verplichtingen niet is nagekomen, zodat de eenzijdige ontbinding door de Commissie van de overeenkomst gerechtvaardigd is. Op grond van de algemene voorwaarden heeft de Commissie in dit geval recht op de restitutie van het voorschot, die het voorwerp van het onderhavige geschil vormt.
Zoals wij hebben gezien, moet de Commissie ingevolge artikel 8, lid 4, eerste alinea, van de algemene voorwaarden haar vordering aanpassen door eventueel, rekening houdend met de aard en de resultaten van de verrichte arbeid, alsmede met de mogelijkheid deze te benutten en hun overeenstemming met de programma's van de Commissie, een geringer bedrag dan het betaalde voorschot terug te vorderen.
In casu vordert de Commissie terugbetaling van het gehele voorschot. In dit verband voert zij in het beroepschrift aan, dat het aan de hand van de ingediende stukken niet mogelijk was de betrokken „reeds verwezenlijkte projecten, de uitvoeringstermijnen en hun functionele samenhang met het communautaire project met zekerheid vast te stellen”. Een overeenkomstige opmerking werd door de Commissie gemaakt in haar brief aan Hitesys van 14 juli 1998 (zie bijlage 14 van het verzoekschrift).
Dit standpunt van de Commissie komt mij redelijk voor. Het is de reactie op de talrijke hierboven genoemde en onderzochte tekortkomingen van Hitesys. De vertraging met meer dan een jaar bij de gegevensverstrekking, plus het feit dat deze gegevens hoe dan ook ondeugdelijk waren, rechtvaardigen ruimschoots de handelwijze van de Commissie. Bovendien geeft Hitesys deze ondeugdelijkheid zelf toe, met name in haar brief van 25 september 1997, waarin zij toegeeft dat Irvin na de opheffing van EFIM „de onmogelijkheid om tot bevredigende technische resultaten te komen” had moeten constateren.
31. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door de Commissie ingestelde vordering tot terugbetaling in haar geheel toe te wijzen. Het door Hitesys reeds ontvangen voorschot dat zij aan de Commissie moet restitueren, dient te worden vermeerderd met de interessen op de als voorschot uitgekeerde som over de periode van8 januari 1994 (vermoedelijke datum van ontvangst van het voorschot door Hitesys) tot en met 8 september 1999, bepaald volgens de in artikel 8, lid 4, tweede alinea, van de algemene voorwaarden uiteengezette criteria, alsmede de interessen tot de dag van betaling.
32. Aangezien in overweging wordt gegeven de door de Commissie ingestelde vordering toe te wijzen, dient Hitesys krachtens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procedure overeenkomstig de vordering van de Commissie eveneens te worden verwezen in de kosten van de procedure.
Conclusie
33. Mitsdien geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
Hitesys SpA wordt in het kader van de financiering met betrekking tot overeenkomst JOU2-CT93-0417, veroordeeld tot betaling aan de Commissie van 132 500 euro in hoofdsom, vermeerderd met 61 032,8 euro aan interessen (à 8,25 %) over de periode van 8 januari 1994 tot en met 8 september 1999, zijnde een totaalbedrag van 194 443,7 euro, waaraan de som van 30,364 euro aan interessen moet worden toegevoegd voor elke nieuwe dag vertraging tot het saldo volledig is voldaan.
De vennootschap Hitesys SpA wordt verwezen in de kosten van de procedure. ”