Hof van Justitie EU 12-07-2001 ECLI:EU:C:2001:411
Hof van Justitie EU 12-07-2001 ECLI:EU:C:2001:411
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 12 juli 2001
Conclusie van advocaat-generaal
Antonio Tizzano
van 12 juli 2001(1)
I — Inleiding
1. Bij verzoekschrift van 7 oktober 1999 heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 230 EG verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/596/EG van de Commissie van 28 juli 1999 tot wijziging van beschikking 1999/187/EG(2) betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1995 hebben ingediend in verband met door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven [kennisgeving geschied onder nr. C( 1999) 2476] (PB L 226, biz. 26; hierna: „beschikking 1999/596” of „bestreden beschikking”).
2. Bij deze twee beschikkingen had de Commissie bepaalde financiële correcties aangebracht op de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten hadden ingediend voor de uitgaven van het begrotingsjaar 1995, op gronden daartoe aangegeven in het syntheseverslag nr. VI/6462/98 van 12 januari 1999 over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1995 (hierna: „syntheseverslag 1995”) en in de aanvulling op dit verslag van 7 juni 1999 (hierna: „aanvulling op het syntheseverslag 1995”). De Helleense Republiek verzoekt thans om nietigverklaring van sommige gedeelten van beschikking 1999/596, inzonderheid de gedeelten waarin wordt gesteld dat bepaalde bedragen verband houdende met de sectoren groenten en fruit en akkerbouwgewassen niet ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht. Zij concludeert eveneens tot nietigverklaring van de financiële correcties betreffende de sectoren olijfolie, katoen en rundvlees, welke correcties, althans voor een gedeelte, reeds waren aangebracht bij beschikking 1999/187 en vervolgens bij beschikking 1999/596 zijn aangevuld en gewijzigd.
3. Er zij overigens aan herinnerd dat het Hof bij beschikking van 8 maart 2001 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) het beroep van de Helleense regering kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard voorzover dat betrekking heeft op de financiële correcties ter zake van olijfolie, katoen en rundvlees, aangezien de in deze sectoren gedane uitgaven al definitief waren goedgekeurd bij beschikking 1999/187 en de bestreden beschikking in dit opzicht niets nieuws vermeldde. Derhalve resteren thans nog de middelen van beroep met betrekking tot de financiële correcties ter zake van de sectoren groenten en fruit en akkerbouwgewassen.
4. Ter zake van groenten en fruit bedragen die correcties 6 276 374 640 GRD (waarvan 278 157 985 GRD voor citrusvruchten en 5 998 216 655 GRD voor perziken en nectarines) wegens onregelmatigheden in het systeem van erkenning en bij het functioneren van telersverenigingen alsmede bij het uit de markt nemen van producten, en 816 097 399 GRD wegens onregelmatigheden bij de gratis uitreiking van uit de markt genomen producten.
5. Ter zake van akkerbouwgewassen belopen de in de bestreden beschikking bepaalde financiële correcties 2 281 284 896 GRD, welk bedrag het resultaat is van de toepassing van een forfaitair percentage van 2 % op de door de Helleense Republiek gedeclareerde uitgaven wegens tekortkomingen van de Griekse autoriteiten in het beheers- en controlesysteem, en 2 333 442 867 GRD, wat overeenkomt met de bedragen die door de verenigingen van landbouwcoöperaties (hierna: „VLC's”) bij de betaling van de steun aan de begunstigden zijn ingehouden.
II — Rechtskader
A — Algemene bepalingen
6. Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, biz. 13), preciseert in artikel 1, lid 2, sub b, dat het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (hierna: „EOGFL”), afdeling Garantie, met name de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert.
7. Artikel 1, lid 4, van deze verordening bepaalt:
„De uitgaven voor administratie- en personeelskosten van de lidstaten en van degenen die bijstand van het Fonds ontvangen, komen niet voor rekening van het Fonds.”
8. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 729/70 luidt:
„Op grond van artikel 1, lid 2, sub b, worden gefinancierd de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan.”
9. Dienaangaande dient terstond te worden gepreciseerd, dat ter zake van interventies die door de lidstaten worden aangemeld teneinde in aanmerking te komen voor goedkeuring in het kader van een EOGFL-begrotingsjaar, artikel 7, lid 1, laatste alinea, van verordening (EG) nr. 296/96(3) bepaalt:
„Voor het begrotingsjaar ‚n’ worden de uitgaven in aanmerking genomen die de lidstaten van 16 oktober van het jaar ‚n-1’ tot en met 15 oktober van het jaar ‚n’ overeenkomstig dit lid hebben gedaan.”
10. Artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1287/95 van de Raad van 22 mei 1995 (PB L 125, blz. 1), bepaalt:
„Na raadpleging van het Comité van het Fonds:
[...]
neemt de Commissie een besluit over de bedragen die moeten worden onttrokken aan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde communautaire financiering, wanneer zij constateert dat de desbetreffende uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn verricht.
Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen, doet de Commissie schriftelijk mededeling van de resultaten van de verificaties, en de betrokken lidstaat van zijn antwoorden, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over het daaraan te geven gevolg.
Indien overeenstemming uitblijft, kan de lidstaat vragen om inleiding van een procedure die de standpunten binnen vier maanden tot elkaar moet brengen; de resultaten daarvan worden neergelegd in een verslag dat aan de Commissie wordt overgemaakt en door deze instelling wordt bestudeerd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt genomen.
De Commissie bepaalt de te onttrekken bedragen met name aan de hand van de draagwijdte van de niet met de voorschriften strokende uitvoering. De Commissie houdt daarbij rekening met de aard en de ernst van de overtreding, alsmede met de voor de Gemeenschap ontstane financiële schade.
Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan vierentwintig maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan. Deze bepaling geldt echter niet voor de financiële gevolgen die moeten worden getrokken:
uit onregelmatigheden in de zin van artikel 8, lid 2,
in verband met nationale steunmaatregelen of inbreuken waartegen de procedure van artikel 93 of 169 van het Verdrag is ingeleid.”
11. Artikel 8, lid 1, van die verordening bepaalt:
„1. De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd,
onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures.”
12. Inzonderheid met betrekking tot artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd, dient de aandacht te worden gevestigd op na deze verordening vastgestelde bepalingen, die in casu van rechtstreeks belang zijn.
13. Dit geldt in het bijzonder voor artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1287/95, volgens hetwelk de verordening van toepassing is met ingang van het begrotingsjaar dat op 16 oktober 1995 begint, terwijl lid 2 van dat artikel bepaalt dat de weigeringen van financiering bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 niet de uitgaven kunnen betreffen die zijn aangegeven uit hoofde van een aan 16 oktober 1992 voorafgaand begrotingsjaar, zulks evenwel onverminderd de goedkeuringsbesluiten voor de aan de inwerkingtreding van verordening nr. 1287/95 voorafgaande begrotingsjaren.
14. Eveneens is in dit opzicht van belang artikel 8, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1663/95 van de Commissie van 7 juli 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad aangaande de procedure inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie (PB L 158, blz. 6), dat bepaalt:
„1. Indien de Commissie op grond van een onderzoek van mening is, dat bepaalde uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, stelt zij de betrokken lidstaat in kennis van haar bevindingen, van de correctiemaatregelen die moeten worden genomen om naleving in de toekomst te garanderen en van een raming van de uitgaven die zij op grond van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 729/70 kan voorstellen te onttrekken. De kennisgeving verwijst naar de onderhavige uitvoeringsbepalingen. De lidstaat geeft binnen twee maanden een antwoord en de Commissie kan haar positie wijzigen. In gegronde gevallen kan de Commissie toestemming verlenen tot een verlenging van deze antwoordtermijn.
Na afloop van de antwoordtermijn stelt de Commissie een bilaterale bespreking vast en beide partijen zullen proberen tot overeenstemming te komen omtrent de te nemen maatregelen. De Commissie doet vervolgens haar conclusies formeel aan de lidstaat toekomen, onder verwijzing naar beschikking 94/442/EG.
2. De besluiten als bedoeld in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 729/70 worden genomen na onderzoek van elk overeenkomstig beschikking 94/442/EG door het bemiddelingsorgaan opgesteld rapport.”
15. Krachtens artikel 10 is verordening nr. 1663/95 van toepassing met ingang van het begrotingsjaar dat op 16 oktober 1995 begint, dat wil zeggen het begrotingsjaar 1996.
16. Bij beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45), is een bemiddelingsorgaan opgericht dat overeenkomstig artikel 1 van deze beschikking inzonderheid tot taak heeft de uiteenlopende standpunten van de Commissie en de betrokken lidstaat nader tot elkaar te brengen (lid 1, sub b).
17. Ter zake van de financiële gevolgen in het kader van de goedkeuring van rekeningen door de afdeling „Garantie” van het EOGFL in geval van onvolkomenheden bij de door de lidstaten uitgevoerde controles, heeft een uit verschillende diensten samengestelde werkgroep van de Commissie een document uitgewerkt waarin de richtsnoeren zijn vastgelegd die in dergelijke gevallen moeten worden gevolgd. Het betreft het rapport Belle (document nr. VI/216/93 van 1 juni 1993; hierna: „rapport Belle”), dat door de Commissie zelf is goedgekeurd en vervolgens aan de lidstaten is meegedeeld in het kader van het beheerscomité van het EOGFL, dat dat rapport positief heeft beoordeeld. De richtsnoeren van het rapport Belle weerspiegelen het resultaat van een langdurige praktijk van de Commissie. Het Hof heeft de toepassing van forfaitaire financiële correcties toelaatbaar geacht en houdt daarmee rekening bij zijn eigen beoordelingen.(4)
18. Behalve de drie belangrijkste berekeningstechnieken stelt bijlage 2 bij het rapport Belle voor moeilijke gevallen drie categorieën forfaitaire financiële correcties voor:
2 % van de uitgaven: wanneer de onvolkomenheid minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles die niet onontbeerlijk zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen betreft, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het risico voor financieel verlies ten nadele van het EOGFL gering was.
5 % van de uitgaven: wanneer de onvolkomenheid belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles die van belang zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen betreft, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat er een belangrijk risico voor financieel verlies voor het EOGFL bestond.
10 % van de uitgaven: wanneer het controlesysteem in zijn geheel wezenlijke gebreken vertoont of wanneer de uitvoering van controles die onontbeerlijk zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen, te wensen overlaat, zodat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat er een groot risico bestond voor financieel verlies op ruime schaal voor het EOGFL.”
19. Verder wordt in het rapport Belle vermeld, dat het tevens mogelijk is de uitgave in het geheel niet in aanmerking te nemen en dat dus in buitengewone omstandigheden een hogere correctie nodig kan worden geacht.
20. Na de vaststelling van het rapport Belle werd artikel 5, lid 2, van verordening nr. 729/70 bij verordening nr. 1287/95 gewijzigd en ten aanzien van de bepaling sub c opnieuw geformuleerd als hierboven aangegeven.
B — Voorschriften voor de sector groenten en fruit
21. De sector groenten en fruit wordt geregeld bij verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB L 118, blz. 1).
22. Artikel 13 van die verordening, in de versie die het gevolg is van de wijzigingen aangebracht bij verordening (EEG) nr. 3284/83 van de Raad van 14 november 1983 (PB L 325, blz. 1), voorziet in de oprichting, op initiatief van de telers van groenten en fruit, van verenigingen van telers om de concentratie van het aanbod en de regulering van de prijzen in het stadium van de productie voor één of meer van de in verordening nr. 1035/72 genoemde producten te bevorderen en geschikte technische hulpmiddelen ter beschikking van de aangesloten telers te stellen voor de verpakking en commercialisatie van de betrokken producten.
23. Volgens artikel 13, lid 2, van deze verordening kunnen de lidstaten de betrokken verenigingen alleen erkennen wanneer zij voldoende waarborg bieden voor de duur en de doelmatigheid van hun optreden, met name voor de taken waarvoor zij zijn opgericht, en zij vanaf de datum van erkenning een specifieke boekhouding voeren voor de werkzaamheden waarvoor de erkenning plaatsvindt. Daaruit volgt dat een lidstaat de erkenning moet weigeren, of zelfs terugnemen, van iedere telersvereniging die bijvoorbeeld niet over de passende technische hulpmiddelen beschikt voor de verpakking en de commercialisatie van de betrokken producten.
24. Artikel 15 van verordening nr. 1035/72 bepaalt inzonderheid, dat de niet voor verkoop bestemde producten kunnen profiteren van maatregelen inzake het uit de markt nemen van producten — die aanleiding geven tot betaling van een vergoeding aan de telers door de verenigingen waarbij zij zijn aangesloten, welke vergoeding vervolgens wordt gecompenseerd door de overheidsinstanties van de lidstaten door financiële maatregelen die aan het EOGFL in rekening kunnen worden gesteld — wanneer zij aan de kwaliteitsnormen voldoen, zonder dat zij daarbij aan de afzetvoorschriften behoeven te beantwoorden. Krachtens lid 1, tweede tot en met vierde alinea, van dit artikel, in de versie van verordening (EEG) nr. 1154/78 van de Raad van 30 mei 1978 (PB L 144, blz. 5), geldt:
„[...]
In geval van toepassing van de afzetvoorschriften die dienen ter beperking van het aanbod van de in bijlage II bedoelde producten, kunnen de telersverenigingen besluiten de producten die wel aan de kwaliteitsnormen, maar niet aan voornoemde afzetvoorschriften beantwoorden, niet in de handel te brengen. In dat geval kennen de telersverenigingen of eventueel de groeperingen van deze verenigingen aan de aangesloten telers voor de niet in de handel gebrachte hoeveelheden een vergoeding toe die berekend is op basis van de bodemprijs. De uitvoeringsbepalingen van deze alinea worden voorzover nodig vastgesteld volgens de procedure van artikel 33.
De bestemming van de aldus uit de markt genomen producten moet door de telersvereniging op zodanige wijze worden geregeld, dat de normale afzet van de betrokken productie niet wordt gehinderd.
Voor de financiering van deze maatregelen wordt door de aangesloten telers een interventiefonds gevormd, dat van middelen wordt voorzien door heffingen op de te koop aangeboden hoeveelheden.”
25. Er zij aan herinnerd dat de voorschriften van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1035/72 ertoe strekken de hoeveelheid van de uit de markt te nemen producten en daarmee uiteindelijk de interventies van het EOGFL te beperken.
26. Artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1035/72, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 325/79 van de Raad van 19 februari 1979 (PB L 45, blz. 1), luidt:
„De lidstaten kennen aan de telersverenigingen die in het kader van de artikelen 15 en 15 bis interventiemaatregelen nemen, een financiële vergoeding toe op voorwaarde dat [...]”.
27. Artikel 21, leden 1 en 3, van verordening nr. 1035/72(5) luidt als volgt:
„1. De producten welke uit de markt zijn genomen in het kader van de artikelen 15 ter en 18 of zijn aangekocht overeenkomstig de artikelen 19 en 19 bis, worden afgezet door gebruikmaking van één van de volgende mogelijkheden:
voor alle producten:
gratis uitreiking aan instellingen en stichtingen van liefdadigheid en aan personen die door hun nationale wetgeving erkend worden als rechthebbenden op bijstand van overheidswege, met name in verband met de onvoldoende middelen voor de voorziening in hun levensonderhoud,
[...]
[...]
[...]
[...]
gratis uitreiking aan de kinderen in de scholen; de lidstaten dragen er zorg voor dat de uit dezen hoofde uitgereikte hoeveelheden komen bij de hoeveelheden die door de schoolkantines plegen te worden gekocht;
[...]
[...]
3. De gratis uitreikingen, bedoeld in lid 1, eerste alinea, sub a, eerste, zesde en zevende streepje, worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van de lidstaten [...]”
C — Voorschriften voor de sector akkerbouwgewassen
28. Met betrekking tot deze sector zij eraan herinnerd, dat bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 (PB L 355, blz. 1) een nieuw beheersen controlesysteem voor communautaire steun, genaamd „geïntegreerd beheers- en controlesysteem” (hierna: „GBCS”), door de overheidsinstanties van de lidstaten voor bepaalde communautaire steunregelingen, waaronder het EOGFL, is ingevoerd teneinde deze regelingen zowel doeltreffender als rendabeler te maken (zie derde overweging van de considerans). Artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 3508/92 bepaalt:
„1. Elke lidstaat voert een geïntegreerd beheers- en controlesysteem in, hierna ‚geïntegreerd systeem’ genoemd, dat van toepassing is op:
in de sector van de plantaardige productie:
de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 1765/92.”
29. Volgens artikel 2 van die verordening moet het GBCS in elke lidstaat met name omvatten een databank, een alfanumeriek systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond en de steunaanvragen van de producenten, en een geïntegreerd controlesysteem.
30. Artikel 7 van verordening nr. 3508/92 luidt:
„Het geïntegreerd controlesysteem heeft betrekking op alle ingediende steunaanvragen, met name wat betreft de administratieve controles, de controles ter plaatse en in voorkomend geval de verificaties met behulp van teledetectie met vliegtuigen of via satellieten.”
31. Artikel 8 van verordening nr. 3508/92 bepaalt:
„1. De lidstaat verricht een administratieve controle van de steunaanvragen.
2. Ter aanvulling van de administratieve controles worden steekproefsgewijze controles ter plaatse op de landbouwbedrijven verricht. Voor al deze controles stelt de lidstaat een steekproefprogramma op.
3. Elke lidstaat wijst een instantie aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de in de onderhavige verordening voorgeschreven controles.
4. De nationale instanties kunnen, onder nader vast te stellen voorwaarden, controles met behulp van teledetectie verrichten om de oppervlakte van de percelen landbouwgrond te bepalen, het gebruik ervan vast te stellen en de staat van de percelen te controleren.
5. [...].”
32. Met betrekking tot de controle van de steunaanvragen bepaalt artikel 6, leden 1 tot en met 4, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36):
„1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.
2. De in artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde administratieve controle omvat met name kruiscontroles betreffende de aangegeven percelen en dieren om elke onrechtmatige dubbele toekenning van steun voor hetzelfde kalenderjaar te voorkomen.
3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:
10 % van de steunaanvragen ‚dieren’ of van de deelnemingsverklaringen,
5 % van de steunaanvragen ‚oppervlakten’, welk percentage evenwel slechts 3 % is voor de steunaanvragen ‚oppervlakten’ boven het aantal van 700 000 per lidstaat en per kalenderjaar.
[...]
4. De aanvragen waarvoor controles ter plaatse worden verricht, worden door de bevoegde instantie met name aan de hand van een risicoanalyse en van een element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen bepaald. Bij de risicoanalyse wordt rekening gehouden met:
de steunbedragen,
het aantal percelen, de oppervlakte of het aantal dieren waarvoor de steun wordt aangevraagd,
de ontwikkeling ten opzichte van het voorgaande jaar,
de constateringen bij controles in de voorgaande jaren,
andere door de lidstaten te bepalen omstandigheden. ”
33. Artikel 12 van verordening nr. 3887/92 bepaalt:
„Van elk controlebezoek moet een verslag worden opgemaakt waarin met name de volgende gegevens worden vermeld: de redenen voor het bezoek, de aanwezige personen, het aantal bezochte percelen, de gemeten percelen, de gebruikte meettechnieken, het aantal en de soort van de dieren die aanwezig bleken te zijn en eventueel het identificatienummer van deze dieren.
Het bedrijfshoofd of diens vertegenwoordiger mag dit verslag ondertekenen, waarbij hij in voorkomend geval ten minste zijn aanwezigheid bij de controle bevestigt of waarbij hij zijn opmerkingen ter zake vermeldt.”
34. Zoals in artikel 19 bepaald, is verordening nr. 3887/92 van toepassing met ingang van 1 februari 1993.
35. Met betrekking tot het GBCS bepaalt artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3508/92:
„Het geïntegreerd systeem is van toepassing:
met ingang van 1 februari 1993 wat betreft de steunaanvragen, een alfanumeriek systeem voor de identificatie en registratie van runderen, alsmede het in artikel 7 bedoelde geïntegreerd controlesysteem;
uiterlijk met ingang van 1 januari 1996 voor wat de andere in artikel 2 bedoelde onderdelen betreft.”
36. Evenwel volgt uit de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92 dat het GBCS pas met ingang van uiterlijk 1 januari 1996 volledig van toepassing zal zijn en dat „het derhalve absoluut noodzakelijk is om, onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 729/70, de lidstaten te verplichten om in die tussentijd elke tekortkoming op het gebied van beheer en controle te voorkomen door de daartoe benodigde nationale maatregelen te nemen”.
37. Ten slotte is volgens artikel 1, punt 3, van verordening (EG) nr. 2466/96(6) de inwerkingtreding van het GBCS uitgesteld, voor wat betreft de in artikel 2 van verordening nr. 3508/92 genoemde onderdelen, tot 1 januari 1997.
38. Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3887/92 bepaalt:
„Voorzover in het kader van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3508/92 sommige onderdelen van het geïntegreerde systeem nog niet van toepassing zijn, neemt elke lidstaat de nodige maatregelen voor de toepassing van beheers- en controlemaatregelen die de inachtneming van de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken steun garanderen.”
39. Artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12) bepaalt:
„De in deze verordening bedoelde bedragen moeten volledig aan de begunstigden worden uitbetaald.”
III — Juridische analyse
A — Inleiding
40. Zoals ik al heb uiteengezet, gaat het in deze procedure, als gevolg van de beschikking van het Hof van 8 maart 2001 waarin het beroep van de Helleense Republiek gedeeltelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, alleen nog om de financiële correcties betreffende de sectoren groenten en fruit en akkerbouwgewassen. Ik wijs er eveneens op dat een groot deel van die correcties soortgelijke onregelmatigheden betreft als die welke door de Commissie in het kader van de goedkeuring van de uitgaven van het begrotingsjaar 1994 zijn vastgesteld en die tot soortgelijke financiële correcties hebben geleid als voor het begrotingsjaar 1995 zijn besloten; het beroep dat in dat geval eveneens door de Griekse regering op grond van artikel 230 CE was ingesteld, is door het Hof bij arrest van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie (C-247/98, Jurispr. blz. I-1), verworpen.
B — De financiële correcties in de sector groenten en fruit
41. Ik begin derhalve met de sector groenten en fruit en stel vast dat de in dit verband door de Griekse regering aangevoerde grieven in twee groepen kunnen worden verdeeld, één voor ieder type correctie: te weten enerzijds de grieven betreffende de onregelmatigheden in het systeem van erkenning en bij het functioneren van de telersverenigingen, en anderzijds de grieven betreffende de gratis uitreiking van uit de markt genomen producten.
1. De onregelmatigheden in het systeem van erkenning en bij het functioneren van de telersverenigingen
42. De door de Commissie in dit opzicht gevorderde correcties hielden verband met onregelmatigheden en tekortkomingen betreffende:
-
het systeem van erkenning van de telersverenigingen als bedoeld in artikel 13 van verordening nr. 1035/72 (zie punt 22 supra). Sommige van die verenigingen hadden met name wegens gebreken in de vereiste technische installaties voor de commercialisatie van de productie van hun leden niet mogen worden erkend en hadden bijgevolg geen financiële compensatie mogen krijgen voor het uit de markt nemen van hun producten;
-
het functioneren van die verenigingen, waarvan sommige hadden verzuimd regels vast te stellen voor de commercialisatie van de producten van hun leden of waren opgericht met als enig doel de uit de markt te nemen groenten en fruit te verzamelen, zonder zich enige inspanning te getroosten om de omvang van het aanbod aan de eisen van de markt aan te passen;
-
de technische voorzieningen en passende interventiefondsen, waarover die verenigingen konden beschikken.
43. Van mening dat deze onregelmatigheden in strijd waren met de artikelen 13 en 15 van verordening nr. 1035/72, stelde de Commissie in het syntheseverslag 1995 de toepassing voor van financiële correcties analoog aan die welke al waren vastgesteld voor het begrotingsjaar 1994, op de gronden daartoe aangegeven in het syntheseverslag nr. IV/7421/97 van 8 juni 1998 over de resultaten van de controles voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, over het begrotingsjaar 1994 (hierna: „syntheseverslag 1994”). Meer in het bijzonder stelde zij voor om voor het begrotingsjaar 1995 een forfaitaire correctie toe te passen van 10 % van het totale bedrag van de uitgaven wegens het uit de markt nemen van perziken, nectarines en citrusvruchten in alle departementen van Griekenland, met uitzondering van Pella, waar de situatie ernstiger was en waarvoor zij daarom een correctie voorstelde van 20 % van het totaal van die uitgaven. Gezien de later geboekte vooruitgang is overigens voor dit departement voorgesteld de financiële correctie van de gedeclareerde uitgaven voor het uit de markt nemen van perziken en nectarines al voor het begrotingsjaar 1996 tot 10 % te beperken.(7)
44. De Griekse regering heeft verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 1999/596 wat verschillende aspecten betreft van de onregelmatigheden die door de inspecteurs van de Commissie waren vastgesteld, en zij baseerde zich daarbij op een reeks van middelen die ik hierna ieder afzonderlijk zal onderzoeken.
a) Het niet in aanmerking nemen van de dankzij nieuwe administratieve maatregelen op het gebied van de erkenning van telersverenigingen geboekte vooruitgang
45. Om te beginnen stelt verzoekster dat de onderhavige financiële correctie (die, ik herhaal, analoog is aan die welke in 1994 is toegepast) berust op een onjuiste beoordeling van de feiten door de Commissie, die geen rekening heeft gehouden met de door de Helleense Republiek in de loop van het begrotingsjaar 1995(8) op dit gebied gerealiseerde vooruitgang. De Griekse overheidsinstanties hadden immers in 1994, zoals aan de Commissie bij brief nr. 421142 van 1 november 1994 meegedeeld, een reeks van administratieve maatregelen getroffen ter versterking van de controles op de erkenning van telersverenigingen, die met ingang van het begrotingsjaar 1995 al hun vruchten hadden afgeworpen, zodat al in de loop van dat jaar de regelmatigheid van de betalingen aan de begunstigden van de communautaire steun was gegarandeerd. De vooruitgang die door de maatregelen van 1994 is geboekt, is zelfs voor de Commissie aanleiding geweest om geen financiële correcties over de begrotingsjaren 1992 en 1993 toe te passen, ofschoon daarvoor toch dezelfde onregelmatigheden waren geconstateerd. Daarom heeft de Commissie ten onrechte de onderhavige financiële correcties voor de begrotingsjaren 1994 en 1995 gehandhaafd.
46. De Commissie brengt hiertegen in, dat de redenen om voor het begrotingsjaar 1994 financiële correcties toe te passen, ook voor het volgende begrotingsjaar onverminderd opgingen.(9) Volgens haar inspecteurs hebben de positieve gevolgen van de in 1994 getroffen maatregelen zich namelijk vanaf mei-juni 1995 geopenbaard, zodat deze wegens de verschuiving in de tijd tussen een verkoopseizoen en het begrotingsjaar in de loop waarvan de daarop betrekking hebbende financiële compensaties worden goedgekeurd, pas enige invloed hebben gehad vanaf de goedkeuring van de uitgaven voor het begrotingsjaar 1996, met name met betrekking tot perziken en nectarines. In casu vallen onder het begrotingsjaar 1995 daarom slechts de financiële compensaties die aan de telersverenigingen tot 15 oktober 1995 zijn verleend, terwijl de compensaties die betrekking hebben op het in de loop van de periode juli tot en met september 1994 uit de markt nemen, in het kader van het begrotingsjaar 1996 ten gunste van de lidstaten zijn goedgekeurd, omdat deze eerst vanaf november 1995 aan de telersverenigingen zijn verleend.(10) Tot slot betoogt de Commissie met betrekking tot het gestelde verschil in behandeling in vergelijking met de begrotingsjaren 1992 en 1993, dat de door haar voor die begrotingsjaren betoonde clementie voor de Helleense Republiek geen recht schept om verschoond te worden van financiële correcties voor de volgende jaren.
47. Ik moet er met name op wijzen dat de Griekse regering de resultaten van de door de inspecteurs van de Commissie uitgevoerde verificaties niet betwist, evenmin als zij dit heeft gedaan ter gelegenheid van die verificaties en later bij het bemiddelingsorgaan, waar de verschillen van mening met de diensten van de Commissie uitsluitend betrekking hadden op de vaststelling van het begrotingsjaar waarin met de als gevolg van de al genoemde maatregelen in 1994 geboekte vooruitgang rekening moest worden gehouden. De Griekse regering maakt evenmin bezwaar tegen de verschuiving in de tijd tussen een verkoopseizoen en het begrotingsjaar in het kader waarvan de goedkeuring van de daarbij behorende financiële interventies plaatsvindt. Uit het al genoemde eindverslag van het bemiddelingsorgaan van 4 januari 1999 volgt trouwens dat, anders dan in de andere lidstaten, de Helleense Republiek wegens de tardieve steunverzoeken van de Griekse producenten de financiële compensaties nooit heeft kunnen opvoeren bij het begrotingsjaar waarin het verkoopseizoen was gesitueerd.
48. Voorts staat vast dat de Commissie inderdaad rekening heeft gehouden met de door de Griekse regering genoemde vooruitgang, maar pas in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het begrotingsjaar 1996. Uit de genoemde documenten volgt namelijk duidelijk (zie voetnoot 7), dat juist wegens die vooruitgang de financiële correcties voor het begrotingsjaar 1996 voor het uit de markt nemen van perziken en nectarines in het departement Pella (het enige waarvoor al een voorstel voor financiële correctie voor het begrotingsjaar 1996 bestond) zijn verminderd van 20 naar 10 % van de door de Helleense Republiek gedeclareerde uitgaven.
49. Tot slot moet worden geconstateerd dat verzoekster zich heeft beperkt tot een beschrijving van de in 1994 getroffen maatregelen, zonder echter ook maar enig bewijs aan te voeren dat deze al positieve gevolgen hebben gehad in het kader van de interventies die voor het begrotingsjaar 1995 zijn goedgekeurd.
50. Wat het gestelde verschil in beoordeling in vergelijking met de financiële correcties voor de begrotingsjaren 1992 en 1993 betreft, merk ik op dat een eventueel betoonde clementie ten aanzien van onregelmatigheden die in de loop van een bepaald begrotingsjaar zijn gebleken, de Commissie niet belet zich in latere begrotingsjaren anders op te stellen. Zoals het Hof heeft opgemerkt: „Wanneer de Commissie in een voorgaand begrotingsjaar geen correcties heeft toegepast, maar de onregelmatigheden om billijkheidsredenen heeft geduld, geeft dit de betrokken lidstaat niet het recht om op grond van het rechts-zekerheids- of het vertrouwensbeginsel te verlangen, dat de Commissie hetzelfde doet ten aanzien van onregelmatigheden in het volgende begrotingsjaar.”(11) Wanneer bijgevolg de Commissie, gelet op de inspanningen van de Griekse instanties, de voorbehouden die zij voor die twee begrotingsjaren nochtans tot uitdrukking had gebracht, laat vallen, verkrijgt de Griekse staat daardoor geen rechten ten aanzien van latere begrotingsjaren. Het beginsel ter zake blijft immers steeds dat „enkel uitgaven die in overeenstemming met de gemeenschapsregels zijn verricht, ten laste van de gemeenschapsbegroting komen. Zodra de Commissie dus ontdekt, dat een lidstaat bij de betalingen de gemeenschapsregels heeft geschonden, is zij verplicht de ingediende rekeningen te corrigeren.”(12) In casu vormden de resultaten van de door de Commissie verrichte onderzoeken, die niet door de Helleense Republiek zijn betwist, voldoende rechtvaardiging voor de financiële correcties voor het begrotingsjaar 1995, zoals trouwens bevestigd in het reeds aangehaalde arrest van 11 januari 2001, Griekenland/Commissie, waarin het Hof analoge correcties voor het begrotingsjaar 1994 wegens dezelfde onregelmatigheden afdoende gerechtvaardigd heeft geacht (punt 46).
51. Het komt mij daarom voor dat de Griekse regering niet heeft aangetoond dat de door de Commissie vastgestelde correcties het gevolg zijn van een onjuiste beoordeling van de feiten, en dat dit middel van beroep daarom dient te worden afgewezen.
b) De beweerde schending van artikel 5, lid 2, sub c, vierde alinea, van verordening nr. 729/70
52. De Griekse regering herinnert eraan dat de Commissie krachtens artikel 5, lid 2, sub c, vierde alinea, van verordening nr. 729/70 verplicht is een besluit te nemen over de bedragen die aan de financiering door het EOGFL moeten worden onttrokken en daarbij met name rekening moet houden met de aard en de ernst van de overtreding van de communautaire regelgeving. Gezien deze parameters en gelet op de situatie die de Commissie bij de door haar uitgevoerde inspecties aantrof, is een financiële correctie van 10 % op alle door de Griekse regering voor groenten en fruit gedeclareerde uitgaven haars inziens willekeurig en overtrokken, omdat daarvoor een risico voor algemene verliezen voor het EOGFL wordt voorondersteld, terwijl de correctie in werkelijkheid was gebaseerd op de resultaten van inspecties ter plaatse, uitgevoerd op een steekproef van departementen die niet representatief is voor de algemene situatie.(13) Verzoekster preciseert dat deze steekproef niet alleen een bijzonder beperkte was (één departement op een totaal van 52 voor sinaasappels en 2 voor perziken en nectarines), doch vooral betrekking had op telersverenigingen waarmee de Griekse instanties al problemen hadden gehad, en waarvan het voor de hand lag dat zij nog ernstigere onregelmatigheden zouden veroorzaken: zouden de inspecties daarentegen in een willekeurig ander deel van het nationale grondgebied zijn uitgevoerd, dan zou men hebben kunnen constateren dat de communautaire voorschriften volledig in acht werden genomen.
53. De Commissie brengt hiertegen in dat de controles zijn uitgevoerd door middel van een volstrekt representatieve steekproef. Voor perziken en nectarines hebben zij betrekking gehad op telersverenigingen die 95 % van de totale productie van deze vruchten in Griekenland voor hun rekening nemen en 93,5 % van de financiële compensaties voor het uit de markt nemen; ten aanzien van citrusvruchten hadden de controles betrekking op een gebied waaraan de Helleense Republiek 74 % van de financiële compensaties heeft toegewezen. Wat ten slotte het beweerde gebrek aan objectiviteit van de inspecties betreft, wijst de Commissie erop dat zij betrekking hebben gehad op alle landbouwbedrijven in de geselecteerde departementen.
54. Ik wil er slechts aan herinneren dat de door de Commissie verschafte gegevens (die, ik herhaal, niet door de Griekse regering zijn betwist) overeenstemmen met de gegevens die tot grondslag hebben gediend voor een analoge financiële correctie van 10 % voor het begrotingsjaar 1994. In het al enige malen aangehaalde arrest van 11 januari 2001 heeft het Hof de Griekse regering, die op basis van dezelfde argumenten als in de onderhavige zaak tegen die correctie was opgekomen, erop gewezen dat, gelet op het door de Commissie verschafte cijfermateriaal, de representativiteit van de controles redelijkerwijs niet kon worden betwijfeld. Gelet op mijn overwegingen inzake de analogie van de betrokken situaties, zie ik geen enkele reden om hierover anders te denken.
55. Ik ben daarom van mening dat de grief van de Griekse regering inzake de objectiviteit en de beperkte omvang van de steekproef bij de gecontroleerde landbouwbedrijven ongegrond is. Het komt mij namelijk voor dat een uitbreiding van het geografisch bereik van de inspecties weinig zinvol zou zijn geweest, aangezien in de landbouwbedrijven van de 50 of 51 andere Griekse departementen de teelt van groenten en fruit en de daarmee verband houdende financiële compensaties slechts marginale betekenis hebben.
c) Het onregelmatig functioneren van de telersverenigingen
56. Ten aanzien van de bezwaren betreffende het onregelmatig functioneren van de telersverenigingen wijst de Griekse regering erop, dat de betrokken financiële correctie berust op een onjuiste beoordeling van de feiten, alsmede op misbruik van bevoegdheid. In werkelijkheid had de nationale administratie alle noodzakelijke instructies gegeven voor een correct en doeltreffend verloop van de controles, met name aangaande het functioneren van de telersverenigingen en de procedures voor het uit de markt nemen en de gratis uitreiking. Daartoe was zelfs een databank met gegevens over de leden van de telersverenigingen aangelegd, zodat hun activiteiten als producent en handelaar beter konden worden gecontroleerd. De Griekse regering preciseert bovendien dat deze maatregelen vanaf 1994 zijn toegepast en in 1995 zijn versterkt, zoals wordt bevestigd door de op alle niveaus geconstateerde verbeteringen ter gelegenheid van de door de Commissie in de loop van de zomer van 1995 uitgevoerde inspecties.
57. Het komt mij echter voor dat de Commissie ook in dit opzicht eenvoudigweg kan repliceren dat de door de Griekse regering aangevoerde en in de loop van de zomer van 1995 daadwerkelijk geconstateerde vooruitgang eerst zijn vruchten heeft afgeworpen met ingang van de financiële correcties voor het volgende begrotingsjaar, 1996, zoals de inspecteurs van de Commissie juist hebben vastgesteld. Deze grief van de Griekse regering dient mijns inziens daarom eveneens te worden afgewezen, aangezien de onderhavige procedure betrekking heeft op een beschikking over de goedkeuring van uitgaven voor het begrotingsjaar 1995.
d) Het ontbreken van technische voorzieningen en interventiefondsen bij de telersverenigingen
58. Zoals hierboven al gezegd, verzet de Griekse regering zich eveneens tegen het bezwaar betreffende de gebrekkige technische voorzieningen en interventiefondsen van de telersverenigingen, die volgens de Commissie niet beantwoorden aan de voorschriften van verordening nr. 1035/72. Ik wijs er evenwel op, dat de door de Commissie in dit opzicht voor het begrotingsjaar 1995 aangevoerde gronden dezelfde zijn als die welke voor het voorgaande begrotingsjaar zijn aangevoerd (het syntheseverslag 1995 verwijst zelfs naar dat van 1994) en dat verzoekster in dit opzicht precies dezelfde tegenwerpingen aanvoert als al waren aangevoerd en verworpen in de reeds aangehaalde zaak Griekenland/Commissie.(14) Aangezien in casu geen enkel nieuw element is aangevoerd, bestaat er geen grond om af te wijken van de beoordeling door het Hof in de genoemde zaak en om thans voor het begrotingsjaar 1995 de vorderingen toe te wijzen die indertijd ter zake van het vorige begrotingsjaar zijn verworpen.
2. De gratis uitreiking van uit de markt genomen producten
59. Ik kom nu tot de argumenten van de Helleense Republiek betreffende de tweede categorie van de financiële correcties in de sector groenten en fruit, die zijn gebaseerd op onregelmatigheden bij de gratis uitreiking van uit de markt genomen producten. Ik moet er evenwel op wijzen dat noch de processtukken noch de gang van zaken ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen bevatten voor het antwoord op de vraag, of die financiële correcties zijn toegepast in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1995 dan wel voor het volgende begrotingsjaar. Mocht de tweede hypothese opgaan, dan zou de grief van de Helleense Republiek ambtshalve moeten worden verworpen, aangezien het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van een beschikking die uitsluitend betrekking heeft op het begrotingsjaar 1995; aangezien evenwel niet is uitgesloten dat de andere hypothese opgaat, acht ik het gewenst de inhoud van de door verzoekster aangedragen argumenten te onderzoeken.
60. Van de verschillende onregelmatigheden die uit het syntheseverslag 1995 naar voren komen, hebben enige betrekking op de gratis uitreiking van uit de markt genomen groenten en fruit, met name in verband met het feit dat sommige begunstigden niet aan de bij artikel 21 van verordening nr. 1035/72 gestelde voorwaarden voldeden. Van deze onregelmatigheden zal ik enkel die onderzoeken die zijn vastgesteld bij de gratis uitreiking aan kinderrijke gezinnen en schoolkinderen, aangezien de Helleense Republiek uitsluitend ten aanzien van die onregelmatigheden grieven formuleert.
61. Ter zake van de gratis uitreiking aan kinderrijke gezinnen stelt de Commissie, dat de Griekse autoriteiten zich te genereus hebben gedragen bij de toepassing van artikel 21, lid 1, sub a, eerste streepje, van verordening nr. 1035/72. Ofschoon deze bepaling er immers toe strekt de kring van begunstigden van de betrokken hulp te beperken tot personen die „rechthebbenden [zijn] op bijstand van overheidswege, met name in verband met de onvoldoende middelen voor de voorziening in hun levensonderhoud”, was de gratis uitreiking volgens de alstoen van toepassing zijnde wettelijke regeling toegestaan ten gunste van alle „kinderrijke gezinnen”, dat wil zeggen gezinnen met minstens vier kinderen (drie in het geval van eenoudergezinnen), onafhankelijk van het niveau van hun inkomsten.
62. Bij de gratis uitreikingen aan schoolkinderen werd daarentegen voorbijgegaan aan artikel 21, lid 1, sub a, zesde streepje, van verordening nr. 1035/72, dat ter vermijding van marktverstoringen voorschrijft dat in dat geval de hoeveelheden groenten en fruit niet in de plaats komen van, maar komen bij de hoeveelheden die de scholen normaliter kopen.(15) Inzonderheid maakt de Commissie bezwaar tegen het feit dat het in de scholen uitgereikt fruit voornamelijk thuis werd geconsumeerd en niet ter plaatse, omdat de scholen slechts bij uitzondering over een kantine beschikten; als gevolg daarvan kwam dit fruit in de plaats van het fruit dat de gezinnen van de kinderen anders van de handel zouden hebben gekocht.
a) De gratis uitreiking aan kinderrijke gezinnen: argumenten van partijen en beoordeling
63. De Helleense Republiek reageert op de ter zake door de Commissie gemaakte opmerkingen met een verwijzing naar twee circulaires van het ministerie van Landbouw van 18 januari 1996 respectievelijk 11 december 1996, die naar haar zeggen een reeds bestaande praktijk codificeerden en op grond waarvan het was toegestaan de gratis uit te reiken hoeveelheden tot een minimum te verminderen door deze met name te beperken tot personen die in het bezit waren van een verklaring waaruit bleek dat zij gerechtigd waren tot bijstand van overheidswege.
64. De Commissie brengt daartegen evenwel nogmaals in, dat de in 1996 door de Griekse instanties getroffen corrigerende maatregelen geen enkele invloed hebben gehad op de uitgaven waarvan de goedkeuring aan de orde is in de, op het begrotingsjaar 1995 betrekking hebbende, bestreden beschikking. Zij voegt daaraan voorts toe, dat in casu de financiële correctie eveneens berust op het feit dat de bij vier verenigingen van kinderrijke gezinnen uitgevoerde controles hebben aangetoond dat in enkele gevallen, die door de Griekse regering als volstrekt op zichzelf staande worden beschouwd, het fruit was uitgereikt aan gezinnen waarvan de kinderen reeds volwassen waren en zelfs hun eigen gezin hadden gesticht of althans reeds een beroep uitoefenden.
65. Gelet op hetgeen ik hierboven al enige malen heb opgemerkt, is het mijns inziens niet nodig terug te komen op de eerste vaststelling van de Commissie. Aangaande vervolgens de reeds genoemde onregelmatigheden die bij enige verenigingen van kinderrijke gezinnen zijn geconstateerd, wijs ik erop dat zelfs indien deze op zichzelf stonden, zoals de Griekse regering betoogt, de correctie tegen het forfaitaire percentage van 10 % hoe dan ook gerechtvaardigd zou zijn, en zulks te meer omdat zij eveneens, en zelfs voornamelijk, is gebaseerd op het feit dat alle kinderrijke gezinnen hebben geprofiteerd van de gratis uitreiking van fruit; ook dit wordt niet door de Griekse regering betwist.
b) De gratis uitreiking aan schoolkinderen: argumenten van partijen en beoordeling
66. Ten aanzien van dit onderwerp voert de Griekse regering drie soorten argumenten aan ter betwisting van de rechtmatigheid van de financiële correctie ter zake van de interventies verband houdende met de gratis uitreiking van groenten en fruit aan schoolkinderen. Om te beginnen is aan die uitreiking de voorkeur gegeven boven het vernietigen van fruit, te weten om dezelfde redenen die de communautaire wetgever, toen hij verordening nr. 1035/72 door verordening nr. 2200/96(16) verving, ertoe hebben bewogen de voorwaarde van „bijkomendheid”, die ik hierboven al meer in details heb behandeld (punt 62), te schrappen. In de tweede plaats kan in een land als Griekenland, waar zeer weinig scholen over kantines beschikken, het beginsel van „bijkomendheid” moeilijk worden toegepast. Tot slot hebben, zoals het bemiddelingsorgaan zelf in zijn eindverslag heeft erkend, de in 1994 in de sector groenten en fruit getroffen maatregelen het controlesysteem van de communautaire steun aanzienlijk verbeterd, en zijn de positieve gevolgen daarvan al in de loop van 1995 aan de dag getreden.
67. De Commissie verdedigt de bestreden beschikking door zowel naar de exacte tekst van artikel 21, lid 1, sub a, zesde streepje, van verordening nr. 1035/72 te verwijzen, als naar het feit dat de Griekse autoriteiten ter gelegenheid van de in 1996 uitgevoerde inspectie nog steeds niet in staat waren duidelijk aan te geven welke maatregelen waren getroffen om de inachtneming van dit voorschrift te verzekeren.
68. Ik meen mij ook op dit punt te moeten aansluiten bij de zienswijze van de Commissie. De tekst van artikel 21, lid 1, sub a, zesde streepje, van verordening nr. 1035/72 is immers heel duidelijk, hetgeen eveneens geldt voor de redenen die de communautaire wetgever, in ieder geval tot de inwerkingtreding van verordening nr. 2200/96, ertoe hebben gebracht de inachtneming van het beginsel van „bijkomendheid” verplicht te stellen. Zo discutabel als de vernietiging van fruit ook mag zijn, vooral in het geval van een land dat niet over schoolkantines beschikt, ik moet er toch op wijzen dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op de rechtsgrondslag van dit artikel van verordening nr. 1035/72, maar op de vraag of het door de Griekse instanties is geschonden. Wat voorts het feit betreft dat het bemiddelingsorgaan zou hebben erkend dat in 1995 belangrijke verbeteringen op het controlestelsel zijn aangebracht, beperk ik mij ertoe erop te wijzen dat dit orgaan zich in werkelijkheid niet over de betrokken onregelmatigheden heeft uitgelaten, maar over de onregelmatigheden in het erkenningssysteem en bij het functioneren van de telersverenigingen, die ik hierboven al heb onderzocht.
C — De financiële correcties in de sector akkerbouwgewassen
69. Verzoekster voert vervolgens verschillende grieven aan betreffende de financiële correctie in verband met de tekortkomingen in het door Griekenland toegepaste beheers- en controlesysteem van de landbouwuitgaven en in verband met de inhouding van administratieve kosten voor het beheer van de communautaire steun.
1. De tekortkomingen in het beheers- en controlesysteem
a) Opmerkingen van het EOGFL
70. Zoals blijkt uit het syntheseverslag 1995, hebben door de Commissie uitgevoerde controles een reeks van gebreken en tekortkomingen van het supra (zie punt 28) al uitvoerig beschreven GBCS aan het licht gebracht, waardoor dit systeem niet strookt met de door de verordeningen nrs. 729/70, 3508/92 en 3887/92 opgelegde verplichtingen. Deze gebreken en tekortkomingen betreffen volgens de gegevens in het syntheseverslag 1995(17) met name:
-
wat de administratieve controles betreft:
-
het interne controlesysteem. Er is vastgesteld dat het bevoegde betalingsorgaan Didagep een minimaal toezicht uitoefent op de regionale bestuursinstanties van het ministerie van Landbouw, die op hun beurt onvoldoende controle uitoefenen op de landbouwingenieurs die belast zijn met de administratieve controles en de controles ter plaatse en die bij de lokale diensten werkzaam zijn, inzonderheid omdat de administratie geen toegang heeft tot de databanken van het geïntegreerde systeem. In Alexandroupolis bijvoorbeeld, een van de plaatsen waar de Commissie verificaties heeft verricht, waren de regionale bestuursinstantie van het ministerie van Landbouw en de agronomen zelfs niet in staat om het aantal in 1994 ter plaatse verrichte controles te noemen;
-
het toezicht op de verenigingen van landbouwcoöperaties (VLC's), die zeer grote bevoegdheden hebben in het kader van het beheer van de communautaire steun. De regionale administratie kon geen toezicht uitoefenen op de werkzaamheden van die verenigingen, onder meer omdat zij niet beschikte over de noodzakelijke instrumenten, zoals een computer, om toegang te krijgen tot de databanken van de VLC's;
-
de controles door middel van vergelijking van de gegevens in de steunaanvragen, die in 1994 bovendien pas zijn verricht na uitbetaling van de communautaire steun;
-
-
wat de controles ter plaatse betreft:
-
het percentage controles ter plaatse en de voor de uitvoering van die controles toegepaste methoden. Wederom in Alexandroupolis bijvoorbeeld konden de lokale autoriteiten niet uitleggen welke methode was gevolgd voor de keuze van de steekproef voor de te controleren landbouwbedrijven, terwijl een analyse van de controleverslagen aan het licht heeft gebracht dat die selectie niet bevredigend was en dat zelfs was verzuimd de aanvragen voor bepaalde soorten gewassen aan welke controle dan ook te onderwerpen. Reden hiervoor was ook het ontbreken van een voorafgaande risicoanalyse die nodig is om „aan de hand van een [...] element inzake hun representativiteit voor de ingediende steunaanvragen” te bepalen welke aanvragen moeten worden gecontroleerd (artikel 6, lid 4, van verordening nr. 3887/92);
-
de verhoging van het minimumpercentage van de controles ter plaatse door de Griekse autoriteiten, waarom het EOGFL overeenkomstig artikel 6, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 had verzocht (van 5 tot 10 %), omdat onvoldoende vooruitgang was geboekt bij de invoering van het GBCS, wat was gebleken bij in 1993 en 1994 uitgevoerde controles. Dit percentage bedroeg slechts 9,3 % en er werd zelfs vastgesteld dat de ambtenaren van de regionale bestuursinstantie van Alexandroupolis niet eens op de hoogte waren gebracht van de noodzaak om dit percentage te verhogen;
-
de kwaliteit van de verslagen over de verrichte controles. Die documenten, die in sommige gevallen niet eens waren opgesteld, bevatten vaak zelfs noch een datum, noch de redenen voor de controles of exacte informatie over de resultaten van de metingen van de landbouwpercelen en het aantal gemeten percelen.
-
71. Het syntheseverslag 1995 zet uiteen dat sommige van deze tekortkomingen (inzonderheid de tekortkomingen die betrekking hebben op het toezicht op de VLC's door de regionale bestuursinstanties, op de selectie van de te controleren landbouwbedrijven en op de verslagen over de uitgevoerde controles) onderdelen betreffen van het systeem van controle van de bevoegdheid van de lidstaten die niet alleen onmisbaar zijn voor een doeltreffend beheer van de steun, maar eveneens rechtstreeks toepasselijk. Ofschoon de uiterste termijn voor de invoering van het GBCS in zijn geheel dus was verlengd tot 1 januari 1997(18), werden deze tekortkomingen onaanvaardbaar geacht. Voorts wordt in het syntheseverslag 1995 beklemtoond, dat die tekortkomingen niet waren beperkt tot de gebieden waarin de diensten van de Commissie onderzoeken hadden verricht, maar zich uitstrekten tot het gehele nationale systeem.
72. Om de ernst van de vastgestelde onregelmatigheden te matigen, houdt het syntheseverslag 1995 rekening met de moeilijkheden waarmee de Helleense Republiek te kampen had, inzonderheid dat in 1994, dat wil zeggen het in casu aan de orde zijnde jaar van het verkoopseizoen, de invoering van het GBCS zich nog in een overgangsperiode bevond; dat die lidstaat alstoen te maken heeft gehad met bijzondere problemen omdat er nog geen kadaster bestond; dat het percentage van de controles ter plaatse nochtans was verhoogd van 5 tot 9,3 %, dat wil zeggen tot een percentage dat in de buurt lag van de door de diensten van de Commissie gewenste drempel van, zoals bekend, 10 %; dat het negatief effect van de geconstateerde tekortkomingen in ieder geval daardoor werd verminderd dat in Griekenland een zogenoemde sociale controle bestaat, die daarop berust dat de steunaanvragen aan het gemeentehuis worden gepubliceerd; en dat de controles van de Commissie geen ernstige problemen hadden aangetoond.
73. Rekening houdende met al deze elementen, die overigens door de Griekse autoriteiten niet werden betwist, alsmede met het feit dat het niet mogelijk was het geleden nadeel nauwkeurig te kwantificeren, werd derhalve in het syntheseverslag 1995 voorgesteld een forfaitaire financiële correctie van 2 % toe te passen, hetgeen het laagste in het rapport Belle genoemde percentage is (zie hiervoor punt 17 supra). In zijn eindverslag van 25 februari 1999 heeft het bemiddelingsorgaan dit voorstel aanvaard.
b) Argumenten van partijen
74. De Griekse regering betoogt dat de financiële correctie had moeten uitkomen op minder dan 2 % en dat het meerdere in werkelijkheid berust op een onjuiste beoordeling van de feiten alsmede op misbruik door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid. Verzoekster voert hiervoor de volgende argumenten aan.
75. Als ik haar standpunt goed heb begrepen, is zij allereerst van mening dat de financiële correctie verband houdende met de tekortkomingen en gebreken in het Griekse controlesysteem niet gerechtvaardigd is, omdat het seizoen 1994/1995 een overgangsseizoen was. Daarom kon men niet verlangen dat de Helleense Republiek het GBCS al volledig in werking had gesteld en zulks a fortiori omdat zij daarvoor tot 1 januari 1997 de tijd had.
76. In de tweede plaats verwijst verzoekster naar een aantal omstandigheden die moeten aantonen dat in Griekenland een betrouwbaar controlesysteem bestaat. Inzonderheid beklemtoont zij dat in de loop van het betrokken begrotingsjaar de steekproef van de landbouwbedrijven die ter plaatse moesten worden gecontroleerd, door de regionale bestuursinstanties van het ministerie van Landbouw was geselecteerd op grond van gedetailleerde instructies van de centrale administratie waarin de risicocriteria overeenkomstig verordening nr. 3887/92 waren gedefinieerd; dat zelfs wanneer een stelsel van controles via vergelijking tekortkomingen vertoonde (die trouwens te wijten waren aan de ingewikkeldheid van het geïntegreerde systeem zelf), dit nochtans was georganiseerd; dat het ministerie van Landbouw dankzij de samenwerking met de VLC's een voldoende mate van toezicht kon uitoefenen.
77. Tot slot stelt de Helleense Republiek dat de Commissie op grond van een reeks van omstandigheden minder streng over de geconstateerde tekortkomingen had moeten oordelen. Die omstandigheden zijn: de bijzondere problemen waarmee de Griekse instanties te kampen hebben gehad wegens speciale situaties, zoals het grote aantal producenten (ongeveer 300 000) en het — als gevolg van de aanzienlijke versnippering — nog grotere aantal aangegeven oppervlakten; het reeds genoemde ontbreken van een kadaster gedurende de betrokken periode; de verhoging van het percentage controles ter plaatse van 5 naar 9,3 %, die bevredigend moet worden geacht wanneer er rekening mee wordt gehouden dat zij heeft plaatsgehad op een moment waarop het oorspronkelijk vastgesteld percentage(19) al was bereikt; het feit dat de controles van de Commissie geen „ernstige problemen” te zien hebben gegeven (zoals blijkt uit het genoemde syntheseverslag 1995); de inspanningen van de Griekse autoriteiten om zowel te voldoen aan de vereisten van het GBCS als aan de verzoeken van de met de controles belaste functionarissen van de Commissie, welke inspanningen een belangrijke verbetering van de situatie hebben opgeleverd.
78. De Commissie repliceert om te beginnen, dat verzoeksters argumenten ten overstaan van het Hof niet veel meer dan een herhaling zijn van de argumenten die het bemiddelingsorgaan al heeft onderzocht en ten aanzien waarvan het heeft geoordeeld dat daarop niet een negatief advies ter zake van het voorstel van een financiële correctie van 2 % kon worden gebaseerd. Verder, zo vervolgt de Commissie, rechtvaardigden het aantal en de aard van de tekortkomingen in het Griekse controlesysteem op zichzelf al de toepassing van een financiële correctie van 5 %; de diensten van de Commissie hebben deze nochtans tot 2 % beperkt, juist om rekening te houden met het feit dat de goedkeuring van de uitgaven voor het begrotingsjaar 1995 toch wel vooruitgang ten aanzien van het aantal controles ter plaatse had aangetoond en dat in de praktijk geen ernstige problemen bij de betaling waren geconstateerd. Tot slot merkt de Commissie op dat de betrokken financiële correcties niet hun verklaring vinden in het feit dat het GBCS niet is toegepast, maar in de tekortkomingen in het Griekse controlesysteem als zodanig en in de ondoeltreffendheid van het beheer van de communautaire steun door de nationale instanties.
c) Beoordeling
i) Inleiding
79. Bij wijze van inleiding dient de aandacht te worden gevestigd op enkele wezenlijke elementen van de onderhavige regeling. Om te beginnen is van algemene bekendheid dat het EOGFL enkel interventies financiert die volgens de communautaire regels in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten plaatsvinden(20) en dat het doel van de procedure van goedkeuring van de rekeningen juist hierin bestaat te verzekeren dat de financiële middelen die ter beschikking van de lidstaten worden gesteld, met inachtneming van de in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten geldende voorschriften worden aangewend.
80. In de tweede plaats komt het mij nuttig voor eraan te herinneren, dat artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70 de lidstaten de verplichting oplegt, de noodzakelijke maatregelen te treffen om te verzekeren dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en volgens de voorschriften worden uitgevoerd. Deze bepaling, die voor de betrokken sector de bij artikel 5 EG-Ver drag (thans artikel 10 EG) opgelegde welbekende verplichting weergeeft, definieert volgens de rechtspraak van het Hof de beginselen waaraan de Gemeenschap en de lidstaten zich moeten houden bij de uitvoering van de uit de middelen van het EOGFL gefinancierde communautaire landbouwinterventiemaatregelen en bij de bestrijding van bedrog en onregelmatigheden.(21)
81. Ik herinner er voorts aan dat het aan de Commissie staat om een schending van de regels van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten te bewijzen(22) en dat, wanneer zij weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen als gevolg van een dergelijke schending, zij gehouden is de beschikking waarbij het ontbreken van controles dan wel gebreken in de door de betrokken lidstaat verrichte controles worden vastgesteld, te motiveren.(23) Evenwel behoeft zij niet „de ontoereikendheid van de door de lidstaten verrichte controles [...] volledig [...] aan te tonen; zij moet enkel een bewijs leveren voor de ernstige en redelijke twijfel die zij omtrent de door de nationale autoriteiten verrichte controles koestert”.(24) Deze verlichting van de bewijslast kan hierdoor worden verklaard, dat de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat zijn controles en cijfers deugdelijk zijn en, in voorkomend geval, de verklaringen van de Commissie onjuist zijn.(25) Ik herinner er ten slotte aan dat, nog steeds volgens de rechtspraak van het Hof, een lidstaat waarvan de controles als onbestaand of ontoereikend zijn aangemerkt door de Commissie, de bevindingen van de Commissie niet kan ontkrachten zonder bij zijn argumentatie het bewijs te leveren van het bestaan van een betrouwbaar en operationeel controlesysteem.(26)
82. Hiermee kom ik nu tot het onderzoek van de hierboven weergegeven argumenten van de Griekse regering.
ii) De onregelmatigheden van het controlesysteem
83. Zoals gezegd, betwist verzoekster met name de financiële correctie wegens de tekortkomingen van het Griekse GBCS vóór 1 januari 1997. Ik moet er echter op wijzen dat, zoals de Commissie in casu heeft gepreciseerd en zoals ook duidelijk volgt uit het syntheseverslag 1995, de bij de bestreden beschikking opgelegde financiële correctie geenszins is gebaseerd op de voortdurende onvolkomenheid van het GBCS. Zij is integendeel gebaseerd op algemene tekortkomingen die afbreuk doen aan het gehele Griekse controlesysteem en het beheer van de communautaire steun door de nationale instanties ondoeltreffend maken. De grieven van de Griekse regering in dit opzicht kunnen derhalve niet worden aanvaard.
84. Evenwel dient men zich nog af te vragen, of de financiële correctie van 2 % niet buitensporig zwaar is gezien de „onbeduidendheid” van de onregelmatigheden die zijn geconstateerd toen het GBCS zich nog in een invoeringsfase bevond. Een dergelijke conclusie kan echter reeds van de hand worden gewezen met de opmerking dat de verplichting van de lidstaten om een doeltreffend controlesysteem in te richten en te beheren teneinde onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen, niet voortvloeit uit verordening nr. 3508/92. Deze bevat bepalingen die slechts beogen dit systeem te versterken, zodat de lidstaten, in afwachting van de volledige inwerkingstelling van het GBCS, nochtans verplicht waren een adequaat niveau van controle van de interventies van het EOGFL te waarborgen. Ten bewijze hiervan wijs ik erop, dat volgens de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het GBCS, waarin oorspronkelijk was bepaald dat het GBCS uiterlijk op 1 januari 1996 volledig van toepassing zou zijn, „het derhalve absoluut noodzakelijk is om [...] de lidstaten te verplichten om in die tussentijd elke tekortkoming op het gebied van beheer en controle te voorkomen door de daartoe benodigde nationale maatregelen te nemen” (cursivering van mij), terwijl artikel 17, lid 1, van die verordening bepaalt dat, „[v]oorzover [...] sommige onderdelen van het geïntegreerde systeem nog niet van toepassing zijn, [...] elke lidstaat de nodige maatregelen [neemt] voor de toepassing van beheers- en controlemaatregelen die de inachtneming van de voorwaarden voor de toekenning van de betrokken steun garanderen” (cursivering van mij). Hoewel de lidstaten in de loop van de periode 1994/1995 dus niet verplicht waren het GBCS volledig toe te passen, lag het wel op hun weg er reeds toen zeer bijzondere aandacht aan te besteden dat hun controlesystemen niettemin van voldoende hoog niveau waren om de inachtneming van de communautaire voorschriften ter zake van de interventies van het EOGFL te waarborgen. De betrokken correctie wordt daarom juist gerechtvaardigd door de tekortkomingen in het Griekse controlesysteem, welke tekortkomingen in 1994/1995 nog zowel op algemeen administratief niveau als op plaatselijk niveau bestonden, en die van invloed waren op essentiële aspecten van die controle, aangezien zij betrekking hadden op het toezicht op de VLC's (die een gewichtige rol spelen bij het beheer en bij de betaling van de communautaire steun) door de regionale bestuursinstanties van het ministerie van Landbouw, de selectie van de te controleren landbouwbedrijven, alsmede de door de Griekse ambtenaren betreffende die controles opgestelde verslagen. Vervolgens komt het feit dat de Commissie de betrokken gebreken nog in 1994/1995 heeft moeten constateren, mij in dit verband zeer ernstig voor.
85. Onder deze omstandigheden ben ik van mening dat de financiële correctie van 2 % niet buitensporig zwaar is, temeer daar dit percentage het laagste is van de forfaitaire percentages die in het rapport Belle worden genoemd en door de Commissie gewoonlijk worden toegepast bij gebreken en onregelmatigheden als hier beschreven.
iii) De pretense betrouwbaarheid van het controlesysteem
86. Ofschoon de Commissie heeft bewezen dat het controlesysteem talloze gebreken vertoont, betoogt de Griekse regering, zoals gezegd, dat dit systeem betrouwbaar was. Ik merk evenwel op dat de Griekse autoriteiten niet in staat zijn geweest de onjuistheid van de constateringen van de Commissie aan te tonen en dat zij evenmin de feitelijke conclusies hebben bestreden waartoe de functionarissen van de Commissie op grond van hun in Griekenland uitgevoerde inspecties zijn gekomen. Aangezien de Griekse regering zich daarom tot loze beweringen heeft beperkt, zonder aan het Hof enig concreet bewijs te verschaffen (zoals zij dit trouwens evenmin heeft gedaan bij de bemiddelingspoging voor het bemiddelingsorgaan), heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om „gedetailleerd en volledig” bewijs te leveren van de onjuistheid van de vaststellingen van de Commissie.
iv) De verzachtende omstandigheden
87. Aangaande de pretense verzachtende omstandigheden die volgens de Griekse regering niet dan wel onvoldoende door de Commissie in aanmerking zijn genomen, beperk ik mij tot de opmerking dat deze, zoals hierboven gezegd (zie punt 72), met zoveel woorden zijn vermeld in het syntheseverslag 1995 en ten grondslag liggen aan de vaststelling van de financiële correcties op het minimale forfaitaire percentage van 2 %, dat normaliter wordt gebruikt, zoals in het rapport Belle te lezen valt, juist „wanneer de onvolkomenheid minder belangrijke onderdelen van het controlesysteem of de uitvoering van controles die niet onontbeerlijk zijn om zich van de rechtmatigheid van de uitgaven te kunnen vergewissen betreft” (cursivering van mij).
88. Mitsdien ben ik van mening dat de grieven van verzoekster met betrekking tot de financiële correcties wegens tekortkomingen in het Griekse beheers- en controlesysteem moeten worden afgewezen.
2. De inhouding van administratieve kosten bij het beheer van steunmaatregelen
89. In de motivering van de financiële correctie met betrekking tot de door de VLC's verrichte inhoudingen verwijst het syntheseverslag 1995 naar de gedetailleerde uiteenzetting over diezelfde kwestie in het syntheseverslag van het voorafgaande jaar. Daaruit volgt dat de VLC's in Griekenland verplicht betrokken zijn bij het beheer en bij de betaling van de compensatoire steun voor akkerbouwgewassen, aangezien zij belast zijn met de geautomatiseerde verwerking van de aanvragen alsmede met de uitkering van de betalingen aan alle begunstigden, ongeacht of zij lid zijn van de VLC's of niet. Op grond van een nationale overeenkomst houden de VLC's ongeveer 2 % van het steunbedrag in om hun kosten te dekken, hetgeen in strijd is met de artikelen 1, lid 4, van verordening nr. 729/70 en 15, lid 3, van verordening nr. 1765/92, volgens welke de steun volledig aan de begunstigden moet worden betaald. Blijkens de aanvulling op het syntheseverslag 1995 heeft het bemiddelingsorgaan vastgesteld, dat het diezelfde kwestie al in het kader van voorafgaande procedures had onderzocht en dat de onderhavige zaak geen nieuw gezichtspunt opleverde.
90. De Griekse regering stelt dat de bestreden beschikking is gebaseerd op een onjuiste beoordeling van de aard van de door de VLC's gedane inhoudingen en voert dezelfde middelen aan als die welke het Hof in zijn reeds enige malen aangehaald arrest van 11 januari 2001 in het kader van de goedkeuring van rekeningen over het begrotingsjaar 1994 heeft verworpen.(27) Zoals ik reeds heb aangetoond, is de Griekse regering evenwel niet in staat geweest om in casu nieuwe elementen, feitelijk of rechtens, of andere dan al door het Hof in de genoemde zaak onderzocht, te verschaffen. Wederom bestaat derhalve geen grond om van de redenering van het Hof ter zake(28) af te wijken, zodat ik voorstel de grieven van de Griekse regering op dit punt eveneens te verwerpen.
D — De onbevoegdheid ratione temporis van de Commissie
91. Het laatste middel van de Griekse regering is gebaseerd op artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70, zoals gewijzigd, dat, zoals reeds gezegd (zie punt 10), onder meer luidt: „Financiering kan niet worden geweigerd voor uitgaven die meer dan vierentwintig maanden vóór de schriftelijke mededeling door de Commissie van de resultaten van die verificaties aan de betrokken lidstaat zijn gedaan.” Volgens de Griekse regering druist de bestreden beschikking tegen deze bepaling in, aangezien zij financiële correcties heeft opgelegd voor uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de schriftelijke mededeling van de resultaten van de verificaties zijn gedaan.
92. De Commissie voert hiertegen evenwel, zij het eerst in het kader van haar repliek, aan dat de betrokken mededelingen worden geregeld bij artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95, waarin de toepassingsmodaliteiten van het genoemde artikel 5 van verordening nr. 729/70 zijn vastgelegd (zie punt 14 supra). Volgens haar artikel 10 is verordening nr. 1663/95 eerst met ingang van het begrotingsjaar 1996 van toepassing en kan zij derhalve geen betrekking hebben op het begrotingsjaar 1995 dat het voorwerp van de bestreden beschikking is. Wat dit laatste begrotingsjaar betreft wijst de Commissie er hoe dan ook op dat zij aan de Griekse autoriteiten een brief heeft gezonden waarin de resultaten van de door haar diensten in januari 1996 uitgevoerde verificaties en de daaruit voortvloeiende conclusies zijn vermeld (brief van 8 juli 1996, nr. VI/27548). In die brief was gepreciseerd dat de eventuele financiële consequenties van de in het kader van de uitgevoerde verificaties gedane vaststellingen zouden worden geëvalueerd na het antwoord van de Griekse autoriteiten; daaruit volgt dat de in de bestreden beschikking in aanmerking genomen uitgaven aan de Griekse autoriteiten zijn meegedeeld vóór de afloop van de in artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70 genoemde termijn van 24 maanden.
93. Voor de beoordeling van de gegrondheid van de grief van de Griekse regering dient derhalve vooraf te worden vastgesteld, of een weigering van financiering in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het begrotingsjaar 1995 onder de in artikel 5, lid 2, sub c, genoemde verplichtingen valt. In dit verband herinner ik eraan, dat de huidige tekst van die bepaling is ingevoerd bij verordening nr. 1287/95, die volgens artikel 2, lid 1, daarvan met ingang van het begrotingsjaar 1996 van toepassing is. Lid 2 van het zojuist geciteerde artikel bepaalt zijnerzijds, dat de in artikel 5, lid 2, sub c, genoemde weigeringen van financiering geen betrekking kunnen hebben op uitgaven die zijn gedeclareerd voor een aan 16 oktober 1992 voorafgaand begrotingsjaar, „zulks evenwel onverminderd de goedkeuringsbesluiten voor de aan de inwerkingtreding van [...] verordening [nr. 1287/95] voorafgaande begrotingsjaren”. In het kader van de uitlegging van deze laatste zin preciseerde het Hof in een recent arrest, dat de procedure voor de toepassing van financiële correcties in de zin van artikel 5 van verordening nr. 729/70 eveneens van toepassing kan zijn op begrotingsjaren na 16 oktober 1992 (en uiteraard vóór dat van 1996) waarvoor vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1287/95 geen goedkeuringsbesluit was vastgesteld.(29) Aangezien de bestreden beschikking is gedateerd 28 juli 1999, moest de Commissie in casu voor de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1995 de procedure volgen van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70.(30)
94. Zoals ik al heb vermeld, bracht de Commissie bovendien hiertegen in dat de modaliteiten betreffende de „schriftelijke mededelingen” waarvan hier sprake is, worden geregeld bij artikel 8 van verordening nr. 1663/95 en ongetwijfeld eerst met ingang van het begrotingsjaar 1996 van gelding zijn. Zij zegt echter niets wat rechtstreeks betrekking heeft op de toepassing in casu van artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 en beperkt zich tot de opmerking dat zij in feite tijdig heeft voldaan aan de in die bepaling vervatte verplichting; uiteraard laat zij zich evenmin uit over de in dit verband genoemde beschikking van het Hof, aangezien deze eerst later is gegeven. Aan haar beknopte opmerkingen over deze vraag meen ik echter te kunnen ontlenen dat de Commissie ook de temporele gelding van de in artikel 5, lid 2, sub c, vastgestelde mededelingsverplichting niet betwist, doch alleen uitsluit dat de modaliteiten van de uitvoering daarvan, zoals geregeld bij artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95, vóór het begrotingsjaar 1996 van toepassing kunnen zijn. Anders gezegd, de verplichting van een schriftelijke mededeling geldt vóór dat begrotingsjaar, maar de daarbijbehorende uitvoeringsmodaliteiten behoeven tot dat tijdstip niet te voldoen aan de meer gedetailleerde eisen van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1663/95.
95. Zoals gezegd, ik ontleen deze argumentatie slechts op indirecte wijze aan de memorie van de Commissie; het komt mij evenwel voor dat deze, ongeacht of zij nu al dan niet beantwoordt aan de werkelijke overtuigingen van verweerster, in de lijn ligt van de verwarrende ontwikkeling van de hierboven genoemde regeling en vooral gemakkelijk verenigbaar is met het genoemde arrest van het Hof.
96. Wanneer dit zo is, en daarvan ga ik uit, moet worden vastgesteld of de Commissie in casu haar verplichting is nagekomen om de Helleense Republiek in de destijds voorgeschreven vorm de resultaten mee te delen van de verificaties die ten behoeve van de goedkeuring van de rekeningen van het begrotingsjaar 1995 zijn uitgevoerd. Zoals ik zojuist heb gezegd, verwijst de Commissie in dit verband naar haar brief van 8 juli 1996 waarin zij de resultaten van de in januari 1996 uitgevoerde controles meedeelt. Bij nauwkeurig onderzoek blijkt echter dat die brief slechts gedeeltelijk voldoet aan de informatieplicht van artikel 5, lid 2, sub c, vijfde alinea, van verordening nr. 729/70, aangezien hij slechts betrekking heeft op de sector groenten en fruit, maar niet op die van akkerbouwgewassen; bovendien rapporteert hij verificatieresultaten die slechts voor een deel betrekking hebben op gevallen van onregelmatigheden die voor de goedkeuring van de uitgaven van het begrotingsjaar 1995 relevant zijn, terwijl hij bovendien melding maakt van onregelmatigheden die slechts gedeeltelijk samenvallen met de onregelmatigheden die hebben geleid tot de toepassing op de sector groenten en fruit van de financiële correcties die in de in casu bestreden beschikking zijn genoemd (zo wordt bijvoorbeeld geen melding gemaakt van onregelmatigheden bij de gratis uitreiking aan schoolkinderen).
97. Wanneer men trouwens nauwkeurig het dossier van de procedure onderzoekt, dat helaas niet bijdraagt aan een eenvoudige en duidelijke verificatie, komt men tot de ontdekking dat op dit omstreden punt nog andere correspondentie tussen de Griekse autoriteiten en de diensten van de Commissie heeft plaatsgehad. Ik verwijs bijvoorbeeld naar een brief van 8 maart 1996, waarvan melding wordt gemaakt in het eindverslag van het bemiddelingsorgaan dat betrekking heeft op de sector akkerbouwgewassen (punt 8), waarin de diensten van de Commissie de beweegredenen hebben uiteengezet voor het voorstel tot vermindering met een bedrag dat overeenkomt met de door de VLC's ingehouden bedragen bij de verlening van de steun aan de begunstigden. Voorts heeft de Commissie ter zake van akkerbouwgewassen een kopie van een brief van 24 juli 1995, nr. VI/28405, aan haar memorie toegevoegd, waarin zij aan de Griekse autoriteiten de „gedetailleerde opmerkingen” van het EOFGL heeft meegedeeld inzake de resultaten van de verificaties die de diensten van de Commissie in april 1995 hadden uitgevoerd teneinde zich te overtuigen van de regelmatigheid van het Griekse beheersen controlesysteem van de communautaire steun.
98. Ten aanzien van de sector groenten en fruit heeft de Griekse regering zelf bij haar beroep een kopie van een brief van de Commissie van 3 december 1995 (nr. VI/74155) gevoegd, die een reeks van nauwkeurige opmerkingen bevat zowel met betrekking tot citrusvruchten als met betrekking tot perziken en nectarines. Deze opmerkingen, die grotendeels samenvallen met de opmerkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de in casu uitgevoerde bestreden correcties, bevatten eveneens een verslag betreffende de resultaten van de door de diensten van de Commissie in de loop van augustus 1995 uitgevoerde verificaties. In diezelfde brief van 3 december 1995 is bovendien sprake van een eerdere brief van 21 augustus 1995 (nr. 31631), waarin de kwestie van de onregelmatigheden in de sector groenten en fruit in het algemeen en van perziken en nectarines in het bijzonder al aan de orde werd gesteld. Tot slot wordt in mededeling nr. VI/25315 van de Commissie van 24 juni 1998, die is gehecht aan de memorie van verweerster, verwezen naar eerdere mededelingen van de Commissie van 3 juli (nr. VI/26774) en 6 augustus 1997 (nr. VT/31882), kort na een serie in Griekenland uitgevoerde verificaties.
99. Dit zijn weliswaar indirecte en fragmentarische aanwijzingen, maar wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande documentatie kan ik hieraan niet voorbijgaan. Alles bijeengenomen echter leiden die aanwijzingen, evenals de ter terechtzitting verschafte gegevens en voorts de betrouwbare conclusies die volgens de op dit gebied normaliter gevolgde praktijk zijn toegestaan, tot de overtuiging dat naar alle waarschijnlijkheid de in artikel 5, lid 2, sub c, van verordening nr. 729/70 genoemde verplichting in casu in wezen is in acht genomen, ook al geschiedde dit in de in die bepaling voorziene vereenvoudigde vorm, zodat de in dit verband door de Griekse regering aangevoerde grief ongegrond is.
100. Concluderend ben ik van mening dat geen van de door de Griekse regering aangevoerde argumenten voor de nietigverklaring van beschikking 199/596 kan worden aanvaard, zodat het onderhavige beroep dient te worden verworpen.
IV — Kosten
101. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien de Commissie een dergelijke vordering heeft ingesteld en gelet op hetgeen ik zojuist heb gezegd ter zake van de uitkomst van het beroep, meen ik dat die vordering moet worden toegewezen.
V — Conclusie
102. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
Het beroep te verwerpen.
De Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.”