Hof van Justitie EU 25-04-2002 ECLI:EU:C:2002:257
Hof van Justitie EU 25-04-2002 ECLI:EU:C:2002:257
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 25 april 2002
Conclusie van advocaat-generaal
P. Léger
van 25 april 2002(1)
1. Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen dat de Republiek Finland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG(2). Zij verwijt deze lidstaat, de speciale beschermingszones(3) die overeenkomstig de genoemde bepalingen hadden moeten worden aangewezen, niet binnen de daarvoor gestelde termijn volledig en definitief te hebben aangewezen.
I — Het juridisch kader
2. Krachtens artikel 1, lid 1, eerste volzin, heeft de vogelrichtlijn „betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is”.
3. Volgens artikel 2 van de vogelrichtlijn nemen „de lidstaten [...] alle nodige maatregelen om de populatie van de in artikel 1 bedoelde soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen”.
4. Artikel 4 van de vogelrichtlijn betreft speciale beschermingsmaatregelen voor in het bijzonder de in bijlage I vermelde soorten alsmede voor de trekvogelsoorten die niet in die bijlage zijn vermeld.
5. Dit artikel bepaalt het volgende:
„1. Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten.
In dat verband wordt gelet op:
soorten die dreigen uit te sterven;
soorten die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen van het leefgebied;
soorten die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen;
andere soorten die vanwege de specifieke kenmerken van hun leefgebied speciale aandacht verdienen.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de tendensen en de schommelingen van het populatiepeil.
De lidstaten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, behoeven.
2. De lidstaten nemen soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het gebied van bescherming in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, ten aanzien van hun broed-, rui- en overwinteringsgebieden en rustplaatsen in hun trekzones. Met het oog hierop besteden de lidstaten zelf bijzondere aandacht aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.
3. De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens, zodat zij de geëigende initiatieven kan nemen voor de coördinatie die nodig is om te bereiken dat de zones bedoeld in lid 1, enerzijds, en in lid 2, anderzijds, een samenhangend geheel vormen dat voldoet aan de eisen inzake bescherming van de soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is.”
II — De procedure
A — Precontentieuze fase
6. Bij schrijven van 10 juli 1998 wees de Commissie de Republiek Finland erop, dat zij zich niet had gehouden aan de verplichtingen voorzien in artikel 4, leden 1, 2 en 3, van de vogelrichtlijn, en maande zij deze lidstaat aan haar opmerkingen dienaangaande te maken, in overeenstemming met artikel 169 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 226 EG). In dit schrijven benadrukte de Commissie dat de door de Finse autoriteiten toegezonden lijst van SBZ's kennelijk onvolledig was en niet voldeed aan de vereisten van de vogelrichtlijn. De Commissie noemde verschillende voorbeelden, zoals de venen van Kemihaara, die volgens haar gezien de in artikel 4 van de vogelrichtlijn genoemde criteria als SBZ aangewezen had moeten worden.
7. In antwoord op deze aanmaningsbrief heeft de Finse regering op 9 oktober 1998 de Commissie meegedeeld dat de Finse ministerraad op 20 augustus 1998 een besluit had genomen inzake het Finse Natura 2000-project(4), overeenkomstig richtlijn 92/43/EEG(5). Dat besluit bevatte een lijst van 439 gebieden met een totale oppervlakte van ongeveer 2,81 miljoen hectare, die als SBZ waren aangewezen overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn. Zij voegde eraan toe dat het besluit van de ministerraad, dat bij brief van 3 september 1998 voorlopig aan de Commissie was meegedeeld, ter kennis van de Commissie zou worden gebracht na het verstrijken van de in het Finse recht voorziene termijn voor het instellen van beroep tegen besluiten van de ministerraad, dat wil zeggen op zijn vroegst in november 1998. De brief preciseerde bovendien dat de venen van Kemihaara niet waren opgenomen in het voorgestelde Natura 2000-programma.
8. Op 15 december 1998 heeft de Finse regering de Commissie meegedeeld dat binnen de termijn ongeveer 850 beroepen waren ingesteld bij de Korkein hallinto-orkeus(6) (Finland), waarin op 610 verschillende punten wijzigingen werden geëist. Dientengevolge behield de Finse regering zich de mogelijkheid voor om de aan de Commissie toegezonden lijst van tot het Natura 2000-netwerk behorende gebieden te wijzigen overeenkomstig de uitspraak van de Korkein hallinto-orkeus op deze beroepen. Zij wees er bijgevolg op dat het Finse voorstel geen betrekking had op de gebieden waarop de bij de Korkein hallinto-orkeus aanhangige beroepen betrekking hadden. Met andere woorden, de door de vogelrichtlijn voorziene SBZ's konden geen deel kunnen uitmaken van het Natura 2000-netwerk totdat de Korkein hallinto-orkeus zou hebben beslist op de bij hem aanhangige beroepen.
9. Bij brief van 17 december 1998 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij uiteenzette dat haar noch de volledige lijst van SBZ's noch de benodigde geografische gegevens waren verstrekt. Zij heeft de Republiek Finland verzocht om aan het met redenen omkleed advies te voldoen binnen twee maanden na ontvangst. Volgens de Commissie had de Finse regering, gelet op de beschikbare wetenschappelijke gegevens, tenminste 91 gebieden die in het BirdLife-rapport(7) van 1997 als belangwekkend voor het behoud van de vogelstand op mondiaal of Europees niveau waren gepresenteerd(8), als SBZ moeten aanwijzen. De Republiek Finland had evenwel slechts 12 van de in dat rapport genoemde gebieden als SBZ aangewezen. De Commissie benadrukte opnieuw dat de venen van Kemihaara niet als SBZ waren aangewezen, hoewel dat gebied in het IBA-voorstel 1997 was opgenomen.
10. Op 23 december 1998 heeft de Finse regering het besluit van de ministerraad opnieuw aan de Commissie meegedeeld. Zij herhaalde de op 15 december 1998 in haar antwoord op de aanmaningsbrief uiteengezette argumenten en handhaafde het standpunt dat zij daarin had uitgedrukt.
11. In antwoord op het met redenen omkleed advies van de Commissie preciseerde de Finse regering op 11 februari 1999 dat de ten behoeve van het Natura 2000-netwerk voorgestelde SBZ's op basis van wetenschappelijke criteria waren geselecteerd. Zij bevestigde bovendien dat het besluit van de ministerraad nog altijd niet definitief was en pas van kracht zou worden wanneer alle beroepen bij de Korkein hallinto-orkeus zouden zijn beoordeeld.
12. Van mening dat uit dit antwoord niet kon worden afgeleid dat de Republiek Finland de verplichtingen uit de litigieuze bepalingen van de vogelrichtlijn was nagekomen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
B — Conclusies van partijen
13. Het beroep van de Commissie is op 15 juni 2000 ter griffie van het Hof ingeschreven.
14. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
-
vast te stellen dat de Republiek Finland, door de SBZ's niet volledig en definitief aan te wijzen, de op haar als lidstaat van de Europese Gemeenschap rustende verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn niet is nagekomen;
-
de Republiek Finland in de kosten te verwijzen.
15. De Finse regering erkent dat zij de definitieve lijst van SBZ's niet binnen de in het met reden omklede advies gestelde termijn heeft overgelegd. Zij betwist evenwel dat die vertraging de verwezenlijking van de doelstellingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn en de voortzetting van de werkzaamheden van de Commissie heeft geschaad. Zij concludeert dat het het Hof behage:
-
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voorzover de Commissie zich baseert op het in 2000 gepubliceerde boek Important Bird Areas in Europe om het bestaan van een inbreuk aan te tonen;
-
de stellingen van de Commissie inzake de aanwijzing van de venen van Kemihaara niet-ontvankelijk te verklaren;
-
het beroep van de Commissie te verwerpen wat het gestelde ontoereikende aantal SBZ's betreft;
-
de Commissie in de kosten te verwijzen.
III — De middelen van de Commissie en de argumenten van de Republiek Finland
A — Eerste middel: het niet-definitieve karakter van de door de Finse regering gestelde lijst van SBZ's (schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn)
1. Argumenten van de Commissie
16. De Commissie merkt op dat de lijst die de Finse autoriteiten haar op 23 december 1998 hebben toegezonden, niet definitief is, aangezien zij kan worden gewijzigd als gevolg van de momenteel bij de Korkein hallinto-orkeus aanhangige beroepen. Daardoor heeft de Republiek Finland artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn geschonden. Bovendien preciseert de Commissie dat, omdat haar in strijd met artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn geen lijst van de Finse SBZ's is gezonden, zij niet de in artikel 4, lid 3, van dezelfde richtlijn voorziene maatregelen heeft kunnen treffen om een samenhangend netwerk te vormen(9).
2. De argumenten van de Republiek Finland
17. De Republiek Finland erkent dat zij bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn geen definitieve lijst van SBZ's had overgelegd. Niettemin betwist zij dat die vertraging de verwezenlijking van de doelstellingen van de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn en de voortzetting van de werkzaamheden van de Commissie heeft geschaad. De Finse autoriteiten geven aan dat zij de Commissie bij brief van 18 december 1998, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, de gegevens hebben verstrekt over alle door hen op basis van de habitatrichtlijn voorgestelde gebieden en over alle op basis van de vogelrichtlijn aangewezen SBZ's. Die gegevens, die zijn meegedeeld op het formulier dat is voorgeschreven in beschikking 97/266/EG(10), voldoen derhalve aan de vereisten van artikel 4, lid 3, van de vogelrichtlijn.
B — Tweede middel: onvolledigheid van de door de Finse regering vastgestelde lijst van SBZ's (schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn)
1. Argumenten van de Commissie
18. De Commissie verwijt de Republiek Finland, geen volledige lijst van SBZ's te hebben opgemaakt. Daartoe baseert zij zich op het BirdLife-rapport 1997. Dat rapport, dat is opgesteld in samenwerking met de Finse directie voor het leefmilieu en ten behoeve van de IBA-lijst 2000, telde in Finland 96 gebieden die in aanmerking kwamen voor opname op de lijst van Finse SBZ's. De Republiek Finland heeft evenwel slechts 69 gebieden aangewezen. Er ontbreken er dus 27, waarvan de kwalitatieve waarde wetenschappelijk is aangetoond.
19. De Commissie noemt de venen van Kemihaara, die als gebied van internationaal belang zijn geklasseerd. Die venen hebben ornithologische waarde omdat zij één van de meest geschikte gebieden in Finland zijn voor de instandhouding van 22 in bijlage I van de vogelrichtlijn opgesomde soorten die daar nesten bouwen(11). Dat dit gebied niet wordt vermeld onder de door de Republiek Finland voorgestelde SBZ's, bewijst volgens de Commissie dat er bij de aanwijzing van de SBZ's geen rekening is gehouden met wetenschappelijke criteria.
20. Zij merkt op dat het BirdLife-rapport 1997, wat de lijst van Finse SBZ's betreft, is bevestigd door het recente boek over de IBA's in Europa(12). Gelet op de Europese dimensie van de IBA-inventarisatie en de wetenschappelijke waarde ervan, had de Republiek Finland, zo zij die inventarisatie wilde betwisten, wetenschappelijke bewijzen moeten aandragen. Ondanks de verzoeken in die zin van de Commissie hebben de Finse autoriteiten evenwel nooit enig element naar voren gebracht op grond waarvan kan worden nagegaan of zij zich bij hun keuze hebben gebaseerd op wetenschappelijke gegevens.
2. De argumenten van de Republiek Finland
21. De Republiek Finland betwist het tweede middel met drie argumenten.
22. In de eerste plaats voert zij aan dat zij zich bij het opstellen van de lijst van Finse SBZ's heeft gebaseerd op de wetenschappelijke criteria van de vogelrichtlijn. Zij wijst er in dat verband op, dat zij de Commissie volledig heeft geïnformeerd over de criteria op basis waarvan zij die SBZ's heeft gekozen, waarbij zij het in beschikking 97/266 voorziene formulier heeft gebruikt. Bovendien preciseert zij dat de Korkein hallinto-oikeus in de zomer van 2000 uitspraak heeft gedaan op alle beroepen die tegen het besluit van de ministerraad waren ingesteld. De Korkein hallinto-oikeus heeft geoordeeld dat de criteria voor de keuze en de afbakening van de SBZ's van ecologische aard waren, zoals de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn vereisen. Zij is tot deze conclusie gekomen na grondig onderzoek van elk beroep en na te hebben geverifieerd dat het besluit van de ministerraad, wat elk gebied en de afbakening daarvan betreft, berustte op juiste feiten en op studies over de ecologische waarde van de gebieden, studies die gebaseerd zijn op betrouwbare wetenschappelijke kennis. Na afloop van dat onderzoek heeft de Korkein hallinto-oikeus:
-
de beroepen toegewezen ten aangezien van 50 gebieden, waaronder 18 in het besluit van de ministerraad vermelde SBZ's;
-
de zaak opnieuw naar de ministerraad verwezen voor 14 andere SBZ's opdat deze die gebieden, naargelang van het geval, zou vergroten dan wel verkleinen, en
-
de zaak opnieuw naar de ministerraad verwezen voor 4 gebieden die niet in Natura 2000 waren genoemd. Het betreft hier de venen van Kemihaara en het Karunki-meer, genoemd in het verzoekschrift van de Commissie, en de gebieden Peuralamminneva en Korpoo Långviken.
23. In de tweede plaats erkent de Republiek Finland de bewijswaarde van het BirdLife-rapport 1997 niet. Noch artikel 4 van de vogelrichtlijn, noch de rechtspraak van het Hof kent bewijswaarde toe aan een dergelijk rapport. Bovendien kan dat rapport niet als definitief aangemerkt worden voordat het op internationaal niveau is goedgekeurd. Het is evenwel pas na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn definitief geworden. Dientengevolge kan de Commissie zich in de onderhavige niet-nakomingsprocedure niet beroepen op een niet-officieel document.
Wat hier ook van zij, volgens de Republiek Finland leent het IBA-voorstel 1997 zich niet voor een beoordeling van de Finse vogelfauna. Haars inziens levert een vergelijking van de Finse SBZ's met de in dat rapport geïnventariseerde gebieden dan ook onvoldoende bewijs op, dat de lijst van Finse SBZ's niet voldoet aan de vereisten van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn. Zij behoefde dus niet uitdrukkelijk te motiveren waarom de lijst van SBZ's verschilde van de lijst van in het BirdLife-rapport 1997 genoemde gebieden. Bij gebreke van ander geldig wetenschappelijk materiaal kan de volledigheid van het Finse voorstel worden beoordeeld aan de hand van het cartogram IBA 89(13).
24. In de derde plaats stelt de Finse regering dat blijkens het arrest van 19 mei 1998, Commissie/Nederland(14), een lidstaat slechts het verwijt kan treffen artikel 4 van de vogelrichtlijn te hebben geschonden, indien wordt aangetoond dat hij gebieden als SBZ heeft aangewezen waarvan het aantal en de oppervlakte duidelijk lager is dan het aantal en de oppervlakte van de gebieden die het meest geschikt worden beschouwd voor de instandhouding van de soorten in kwestie. De Finse regering beweert, meer gebieden met een grotere totale oppervlakte als SBZ aangewezen te hebben dan waarin het cartogram IBA 1989 of het IBA-voorstel 1997 voorzien. Volgens haar volgt uit het voorgaande dat het tweede middel verworpen moet worden, omdat de Commissie niet het bewijs heeft geleverd dat overeenkomstig het arrest Commissie/Nederland aan het Hof moet worden verschaft.
IV — Beoordeling
A — Eerste middel: het niet-definitieve karakter van de door de Finse regering opgestelde lijst van SBZ's (schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn)
25. Volgens vaste rechtspraak moet „het bestaan van een inbreuk [...] worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn”(15).
26. Artikel 4, lid 1, van de vogelrichtlijn verplicht de lidstaten, de gebieden die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van de in bijlage I van die richtlijn genoemde soorten, als SBZ aan te wijzen. Artikel 4, lid 2, van de vogelrichtlijn voorziet in een gelijkluidende verplichting met betrekking tot geregeld voorkomende trekvogels die niet in die bijlage zijn vermeld. Daartoe preciseert artikel 4, lid 2, van de vogelrichtlijn dat de lidstaten bijzondere aandacht moeten besteden aan de bescherming van watergebieden en in het bijzonder aan de watergebieden van internationale betekenis.
27. Uit de stukken in het dossier blijkt dat bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn de lijst van SBZ's in de zin van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn nog niet definitief was vastgesteld door de Finse autoriteiten. De Republiek Finland betwist dit niet.
28. De Republiek Finland bestrijdt echter de gestelde schending van artikel 4, lid 3, van de vogelrichtlijn. Volgens haar heeft de Commissie niet het bewijs geleverd dat zij ten gevolge van de niet-nakoming van de verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn door de betrokken lidstaat niet de in artikel 4, lid 3, van die richtlijn voorziene maatregelen heeft kunnen treffen om een samenhangend netwerk te vormen.
29. Deze grief behoeft niet te worden onderzocht, omdat deze volgens mij op onregelmatige wijze aan het Hof is voorgelegd.
30. Volgens artikel 19 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie en artikel 38, lid 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet het verzoekschrift waarbij een zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt, het onderwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten, alsook de conclusies van de verzoeker.
31. Volgens de rechtspraak van het Hof behoort de Commissie in elk krachtens artikel 169 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 226 EG) ingediend verzoekschrift nauwkeurig de grieven aan te geven waarover zij een uitspraak van het Hof verlangt, evenals de juridische en feitelijke gronden waarop die grieven berusten(16). Het Hof heeft ook geoordeeld dat gelet op artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering de gegrondheid van een beroep uitsluitend moet worden onderzocht in het licht van de vorderingen van het inleidend verzoekschrift(17). Aangezien elk artikel 169-beroep (thans, na wijziging, artikel 226 EG) wordt voorafgegaan door een precontentieuze procedure, kan de Commissie naar het oordeel van het Hof immers daarin aanleiding vinden om bepaalde in de ingebrekestelling of het met redenen omkleed advies aangevoerde grieven in te trekken(18).
32. In het onderhavige geval heeft de Commissie in de aanmaningsbrief(19) en het met redenen omklede advies(20) de Republiek Finland uitdrukkelijk schending van artikel 4, lid 3, van de vogelrichtlijn verweten, maar heeft zij niet in die zin geconcludeerd in het op 15 juni 2000 ter griffie van het Hof neergelegde verzoekschrift. Zij heeft schending van die bepaling slechts terloops vermeld in de motivering van het verzoekschrift, zonder dit echter juridisch of feitelijk te onderbouwen. Ik leid daaruit af dat de Commissie ervan heeft afgezien deze grief aan het Hof voor te leggen.
33. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de Republiek Finland de verplichtingen niet is nagekomen die voortvloeien uit artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn, door de in de vogelrichtlijn voorziene SBZ's niet vóór het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn definitief aan te wijzen.
B — Tweede middel: onvolledigheid van de door de Finse regering vastgestelde lijst van SBZ's (schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn)
34. Volgens vaste rechtspraak dient de Commissie in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 169 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 226 EG) het gestelde verzuim aan te tonen en het Hof de gegevens te verschaffen die dit nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van dat verzuim(21).
35. Uit de arresten van het Hof volgt eveneens dat „de lidstaten ten aanzien van de keuze van de SBZ's weliswaar over een zekere beoordelingsmarge [beschikken], doch [dat] voor de aanwijzing van die zones [...] bepaalde in de richtlijn aangegeven ornithologische criteria [gelden]”(22). Onder de criteria waarmee rekening gehouden moet worden, vallen de aanwezigheid van de in bijlage I genoemde vogelsoorten en de aanduiding van een leefgebied als watergebied(23). Daaruit volgt dat de lidstaten verplicht zijn alle gebieden die volgens ornithologische criteria het meest geschikt lijken voor de instandhouding van de betrokken soorten, als SBZ aan te wijzen(24).
36. Wat de relevante wetenschappelijke criteria betreft waarmee de lidstaten bij deze selectie rekening moeten houden, wijs ik erop dat de vogelrichtlijn aan geen enkele wetenschappelijke bron in het bijzonder juridische waarde toekent. Het staat de lidstaten dus vrij om alle wetenschappelijke bewijzen over te leggen voor de selectie van op hun grondgebied gelegen gebieden die voldoen aan de vereisten van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn(25).
37. Tot slot behoren de lidstaten, aldus het Hof, in een geest van loyale samenwerking overeenkomstig de uit artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) voor iedere lidstaat voortvloeiende verplichting, de vervulling van de algemene taak van de Commissie, te weten toezien op de toepassing van de bepalingen van het Verdrag en de bepalingen die de instellingen krachtens het Verdrag vaststellen, voor haar te vergemakkelijken(26).
38. Aan de hand van deze beginselen moet beoordeeld worden of de Republiek Finland de verplichting van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn niet is nagekomen, door de Commissie niet binnen de in het met redenen omklede advies genoemde termijn de volledige lijst van SBZ's te verschaffen.
39. De Commissie verwijt de Republiek Finland dat zij niet alle gebieden in aanmerking heeft genomen die op grond van ornithologische criteria en betrouwbare wetenschappelijke studies het meest geschikt lijken voor de instandhouding van de betrokken soorten. Haar grief heeft dus betrekking op de kwalitatieve waarde van de door die staat gekozen gebieden. Zij noemt bij wijze van voorbeeld de venen van Kemihaara, die zowel in het BirdLife-rapport 1997 als in het boek IBA 2000 zijn geklasseerd als gebieden die als SBZ zouden moeten worden aangewezen.
40. Het enkele feit dat dit gebied voorkomt in het BirdLife-rapport 1997, bewijst niet dat het noodzakelijkerwijs door de Republiek Finland als SBZ aangewezen moet worden. De bewijskracht van dit rapport is dus niet onweerlegbaar(27). Naar in de loop van de procedure evenwel is gebleken, en dit wordt niet betwist, is dit rapport opgesteld door een internationaal orgaan waarbij ornithologische verenigingen zijn aangesloten, in samenwerking met de Finse directie voor het leefmilieu en met vogelbeschermingsexperts. Er kan dus niet alle wetenschappelijke waarde aan ontzegd worden.
41. Bovendien geeft de Finse regering zelf aan dat het gebied van de venen van Kemihaara, dat niet voorkwam op de door de ministerraad op 20 augustus 1998 vastgestelde lijst van Finse SBZ's, onderwerp is geweest van een specifieke beslissing van de Korkein hallinto-oikeus(28). Deze rechterlijke instantie heeft immers de zaak opnieuw naar de ministerraad verwezen voor 4 gebieden, waaronder de venen van Kemihaara, die niet in Natura 2000 waren begrepen(29).
42. Bovendien bestrijdt de Republiek Finland weliswaar de bewijskracht van het rapport, maar stelt zij noch de wetenschappelijke waarde ervan ter discussie, noch voert zij andersluidende wetenschappelijke gegevens aan. Ook merk ik op dat volgens de Finse autoriteiten alle wetenschappelijk bewijs aan de Korkein hallinto-oikeus is voorgelegd in het kader van de naar nationaal recht ingestelde beroepen. Dat bewijs is echter niet aan de Commissie of aan het Hof overgelegd(30). Dientengevolge hebben de Finse autoriteiten de Commissie niet in staat gesteld na te gaan of is voldaan aan de verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn.
43. Tot slot erkent de Finse regering, ook al betwist zij de tweede tegen haar aangevoerde grief, dat de voorgestelde lijst van SBZ's wijziging kan ondergaan als gevolg van de bij de Korkein hallinto-oikeus ingestelde beroepen tegen het besluit van de ministerraad. Met andere woorden, op die lijst staande gebieden kunnen van de definitief vast te stellen lijst van Finse SBZ's geschrapt worden of daaraan toegevoegd kunnen worden. De door de Finse autoriteiten voorgestelde lijst van SBZ's aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn kan derhalve niet als volledig worden aangemerkt.
44. Uit het voorgaande volgt dat de Republiek Finland de verplichtingen van artikel 4, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn niet is nagekomen, door de in de vogelrichtlijn voorziene SBZ's niet vóór het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn volledig te hebben aangewezen.
V — Kosten
45. Krachtens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dat is gevorderd. Aangezien de Republiek Finland in het ongelijk moet worden gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VI — Conclusie
46. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
-
Vast te stellen dat de Republiek Finland, door de speciale beschermingszones niet volledig en definitief te hebben aangewezen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar als lidstaat van de Europese Gemeenschap rusten krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
-
de Republiek Finland in de kosten te verwijzen.