Home

Hof van Justitie EU 10-05-2001 ECLI:EU:C:2001:268

Hof van Justitie EU 10-05-2001 ECLI:EU:C:2001:268

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
10 mei 2001

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vierde kamer)

10 mei 2001(*)

In zaak C-285/00,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Mongin als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster, tegen

Franse Republiek, vertegenwoordigd door J.-F. Dobelle en C. Bergeot-Nunes als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: A. La Pergola, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur) en C. W. A. Timmermans, rechters,

advocaatgeneraal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: R. Grass,

gezien het rapport van de rechterrapporteur,

gehoord de conclusie van de advocaatgeneraal ter terechtzitting van 22 februari 2001,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 juli 2000, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 226 EG verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door geen specifieke regeling vast te stellen betreffende de erkenning van de diploma's die toegang geven tot het beroep van psycholoog en strekkende tot uitvoering, voor dat beroep, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), niet heeft voldaan aan de ingevolge die richtlijn op haar rustende verplichtingen.

2 Bij richtlijn 89/48 is een algemeen stelsel in het leven geroepen van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. Deze richtlijn is van toepassing op gereglementeerde beroepen, dat wil zeggen beroepen waartoe de toegang of waarvan de uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma.

3 Volgens artikel 12 van voornoemde richtlijn treffen de lidstaten de nodige maatregelen om binnen twee jaar na de kennisgeving aan deze richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

4 Bij aanmaningsbrief van 17 september 1997 leidde de Commissie de procedure wegens niet-nakoming in, stellende in de eerste plaats dat richtlijn 89/48 niet was uitgevoerd voor wat betreft het beroep van psycholoog, en in de tweede plaats dat de beginselen van deze richtlijn niet werden toegepast op verzoeken om erkenning van in een andere lidstaat verworven diploma's van psycholoog.

5 Bij brief van 26 juni 1998 reageerde de Franse Republiek op de aanmaningsbrief. Zij betoogde, dat het door de Commissie als voorbeeld aangehaalde individuele geval van niet-toepassing van de beginselen van richtlijn 89/48 inmiddels tot het verleden behoorde en dat zij de procedure was gestart om de nationale regeling in overeenstemming met het gemeenschapsrecht te brengen.

6 Bij gebreke van nauwkeurige informatie omtrent een wetsvoorstel tot uitvoering van richtlijn 89/48 voor wat betreft het beroep van psycholoog en van een tijdschema voor de vaststelling van een dergelijke wet, richtte de Commissie op 15 oktober 1998 een met redenen omkleed advies tot de Franse Republiek waarin zij deze lidstaat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van dat advies de nodige maatregelen vast te stellen om zich ernaar te voegen.

7 Aangezien de Commissie geen enkele informatie van de Franse regering ontving waaruit zij kon opmaken, dat Frankrijk definitief de nodige maatregelen had vastgesteld en in werking doen treden om te voldoen aan de uit richtlijn 89/48 voortvloeiende verplichtingen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

8 In haar verweerschrift erkent de Franse regering, dat zij voornoemde richtlijn niet naar behoren heeft uitgevoerd voor wat betreft het beroep van psycholoog, dat in Frankrijk tot de gereglementeerde beroepen behoort. Zij betoogt evenwel, dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 5 september 2000 een voorstel voor een machtigingswet heeft aangenomen dat er met name toe strekt te verzekeren, dat richtlijn 89/48 wordt uitgevoerd.

9 Gelet hierop moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.

10 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door geen specifieke regeling vast te stellen betreffende de erkenning van de diploma's die toegang geven tot het beroep van psycholoog en strekkende tot uitvoering, voor dat beroep, van richtlijn 89/48, niet heeft voldaan aan de ingevolge die richtlijn op haar rustende verplichtingen.

Kosten

11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

rechtdoende, verstaat:

  1. Door geen specifieke regeling vast te stellen betreffende de erkenning van de diploma's die toegang geven tot het beroep van psycholoog en strekkende tot uitvoering, voor dat beroep, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, heeft de Franse Republiek niet heeft voldaan aan de ingevolge die richtlijn op haar rustende verplichtingen.

  2. De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.

La Pergola

Edward

Timmermans

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 mei 2001.

De griffier

R. Grass

De president van de Vierde kamer

A. La Pergola