Home

Hof van Justitie EU 16-10-2003 ECLI:EU:C:2003:553

Hof van Justitie EU 16-10-2003 ECLI:EU:C:2003:553

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 oktober 2003

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede kamer)

16 oktober 2003(*)

In zaak C-489/01,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Tufvesson als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster, tegen

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door G. Amodeo als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerder,

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric (rapporteur), rechters,

advocaatgeneraal: J. Mischo,

griffier: R. Grass,

gezien het rapport van de rechterrapporteur,

gelet op de beslissing, de advocaatgeneraal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 17 december 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, voor het grondgebied van Gibraltar niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake beleggerscompensatiestelsels (PB L 84, blz. 22; hierna: „richtlijn”), althans haar die maatregelen niet ter kennis te brengen, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 15 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen.

2 Volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn ziet iedere lidstaat erop toe dat op zijn grondgebied een of meer beleggerscompensatiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend.

3 Artikel 15, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 26 september 1998 aan deze richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.

4 Overeenkomstig de procedure van artikel 226, eerste alinea, EG heeft de Commissie, na het Verenigd Koninkrijk in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken, deze lidstaat bij brief van 2 februari 2001 een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de richtlijn te voldoen.

5 In zijn verweer voor het Hof heeft het Verenigd Koninkrijk toegegeven dat, hoewel de richtlijn ook voor Gibraltar geldt, er voor dit grondgebied nog geen uitvoering aan is gegeven. De wetgeving die de maatregelen moet bevatten om aan de richtlijn uitvoering te geven voor dit grondgebied, is in voorbereiding.

6 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of verplichtingen niet zijn nagekomen, worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie onder meer arresten van 11 september 2001, Commissie/Duitsland, C-71/99, Jurispr. blz. I-5811, punt 29, en 11 oktober 2001, Commissie/Oostenrijk, C-110/00, Jurispr. blz. I-7545, punt 13).

7 In casu is aan de richtlijn voor het grondgebied van Gibraltar geen uitvoering gegeven binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Derhalve moet het beroep van de Commissie gegrond worden geacht.

8 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Verenigd Koninkrijk, door voor Gibraltar niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan de richtlijn, de krachtens artikel 15 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

9 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover zulks is gevorderd. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in het ongelijk is gesteld, dient heiovereenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

rechtdoende, verstaat:

  1. Door voor het grondgebied van Gibraltar niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake beleggerscompensatiestelsels, heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland niet voldaan aan de krachtens artikel 15 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen.

  2. Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt in de kosten verwezen.

Schintgen

Skouris

Colneric

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 oktober 2003.

De griffier

R. Grass

De president

V. Skouris