Home

Hof van Justitie EU 05-11-2002 ECLI:EU:C:2002:634

Hof van Justitie EU 05-11-2002 ECLI:EU:C:2002:634

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
5 november 2002

Uitspraak

Beschikking van het Hof (Vierde kamer)

5 november 2002(1)

In zaak C-204/01,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk), in het aldaar aanhangige geding tussen

Tilmann Klett

en

Bundesministerin für Bildung, Wissenschaft und Kultur,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 12 EG, 39 EG, 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB nr. L 233, biz. 1), zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, biz. 21, en PB 1995,L 1, biz. 1), evenals van de artikelen 3 en 9 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, biz. 1), zoals gewijzigd bij de genoemde Toetredingsakte,

geeft

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans (rapporteur), kamerpresident, D. A. O. Edward en S. von Bahr, rechters,

advocaat-generaal: A. Tizzano,

griffier: R. Grass,

na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,

na de in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun opmerkingen dienaangaande in te dienen,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

1 Bij beschikking van 25 april 2001, ingekomen bij het Hof op 16 mei daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgerichtshof op grond van artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 12 EG, 39 EG, 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB nr. L 233, blz. 1), zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 1994, C 241, blz. 21, en PB 1995, L 1, blz. 1; hierna: „Toetredingsakte”), evenals van de artikelen 3 en 9 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1), zoals gewijzigd bij genoemde Toetredingsakte (hierna: „richtlijn 93/16”).

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Klett, een Duits onderdaan die in Duitsland een einddiploma in de algemene geneeskunde heeft behaald, en de Bundesministerin für Bildung, Wissenschaft und Kultur (federale minister voor onderwijs, wetenschap en cultuur) in verband met haar besluit, hem niet toe te laten tot de Oostenrijkse postdoctorale opleiding tot beoefenaar der tandheelkunde.

Rechtskader

3 Artikel 1 van richtlijn 78/686, zoals gewijzigd door de Toetredingsakte (hierna: „richtlijn 78/686”) luidt:

„Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde zoals deze zijn omschreven in artikel 5 van richtlijn 78/687/EEG en die worden uitgeoefend onder de volgende titels:

[...]”

4 Artikel 2 van richtlijn 78/686 luidt:

„Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan de onderdanen van de lidstaten overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG afgegeven en in artikel 3 van deze richtlijn vermelde diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.”

5 Artikel 19 ter van richtlijn 78/686 luidt:

„Vanaf het tijdstip waarop Oostenrijk de noodzakelijke maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de staten waarop deze richtlijn van toepassing is, voor de uitoefening van de werkzaamheden bedoeld in artikel 1 van deze richtlijn, de diploma's, certificaten en andere titels van arts die in Oostenrijk zijn uitgereikt aan personen die vóór 1 januari 1994 een begin hebben gemaakt met hun universitaire opleiding en die vergezeld gaan van een door de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten afgegeven attest waaruit blijkt dat deze personen zich gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren tijdens de vijf jaar voorafgaande aan de afgifte van het attest in Oostenrijk daadwerkelijk, op regelmatige wijze en als hoofdbezigheid hebben gewijd aan de in artikel 5 van richtlijn 78/687/EEG bedoelde werkzaamheden, en dat deze werkzaamheden mogen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van het diploma, het certificaat of de titel, bedoeld in artikel 3, onder m.

Van de in de eerste alinea gestelde eis van drie jaar praktijkervaring zijn vrijgesteld personen die met goed gevolg studies van ten minste drie jaar hebben gevolgd welke door de bevoegde autoriteiten zijn erkend als gelijkwaardig aan de in artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG bedoelde opleiding.”

6 Artikel 1, lid 2, van de Toetredingsakte luidt:

„De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.”

7 In artikel 7 van de Toetredingsakte wordt bepaald:

„De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.”

8 Artikel 1 van richtlijn 93/16 luidt:

„Deze richtlijn is van toepassing op de door onderdanen van de lidstaten, als zelfstandige of in loondienst, uitgeoefende werkzaamheden van arts.”

9 Artikel 2 van richtlijn 93/16 luidt als volgt:

„Elke lidstaat erkent de door de overige lidstaten aan onderdanen van lidstaten overeenkomstig artikel 23 afgegeven en in artikel 3 vermelde diploma's, certificaten en andere titels, door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van arts, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem zelf uitgereikte diploma's, certificaten en andere titels.”

Het geschil in het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

10 Klett, Duits onderdaan, heeft in Duitsland medicijnen gestudeerd en ontving op 14 februari 1974 van het Bayrische Staatsministerium des Inneren (ministerie van Binnenlandse Zaken van de deelstaat Beieren) het diploma van een met gunstig gevolg afgelegd staatsexamen voor arts. Op 2 juli 1975 verleende dat ministerie hem de toelating als arts en daarmee de bevoegdheid om het beroep van arts zelfstandig uit te oefenen. Bovendien heeft hij op 10 september 1980 aan de universiteit van Hamburg (Duitsland) de titel van doctor in de medicijnen behaald.

11 Op 29 maart 1995 heeft Klett toelating gevraagd tot de opleiding tot specialist in de tandheelkunde aan de universiteit van Graz (Oostenrijk). Hem is op verscheidene manieren meegedeeld dat hij niet tot deze opleiding werd toegelaten, echter zonder dat een formeel besluit werd genomen. Klett heeft twee achtereenvolgende beroepen wegens nalaten ingesteld. Deze beroepen zijn verworpen op grond dat er geen sprake was van een verzuim bij de administratieve autoriteit die door Klett als verweerster was aangewezen. Na een derde beroep heeft het Verwaltungsgerichtshof bij beschikking van 30 januari 2001 de bevoegde administratieve autoriteit bevolen, het uitgebleven besluit binnen een week te nemen en hem er een kopie van te verstrekken, ofwel mee te delen waarom er geen sprake was van schending van de verplichting om een beslissing te nemen.

12 Op 6 februari 2001 heeft de bevoegde administratieve autoriteit een expliciet besluit genomen. Het verzoek van Klett werd afgewezen op grond dat hij naar Oostenrijks recht een door een Oostenrijkse universiteit verleende titel van doctor in de algemene geneeskunde moest bezitten om tot de opleiding tot beoefenaar der tandheelkunde te worden toegelaten. In dit besluit werd verwezen naar artikel 19 ter van richtlijn 78/686 en naar een brief van het directoraatgeneraal voor de interne markt van de Commissie van 10 oktober 2000, waarin werd meegedeeld dat genoemde bepaling geen rechten verleent aan artsen uit andere lidstaten die een artsendiploma bezitten van een lidstaat waar een specifieke opleiding voor het beroep van tandarts bestaat en waar dit een op zichzelf staand beroep is.

13 Klett is bij het Verwaltungsgerichtshof in beroep gegaan tegen het besluit van 6 februari 2001, waarbij hij onder meer de door de administratieve autoriteit gegeven uitlegging van artikel 19 ter van richtlijn 78/686 betwist.

14 Van oordeel dat voor de oplossing van het bij hem aanhangige geschil de uitlegging van bepaalde gemeenschapsvoorschriften, met name van de artikelen 12 EG en 39 EG, 19 ter van richtlijn 78/686 alsmede van de artikelen 3 en 9 van richtlijn 93/16 noodzakelijk is, heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moeten artikel 19 ter van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten [...], de artikelen 12 EG en 39 EG, alsook artikel 1 juncto de artikelen 3 en 9 van richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels, aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een regeling die voor de toegang tot de in artikel 19 ter van richtlijn 78/686/EEG bedoelde opleiding tot specialist in de tandheelkunde als voorwaarde stelt dat aan een nationale universiteit het doctoraat in de algemene geneeskunde is behaald?”

De prejudiciële vraag

Bij het Hof ingediende opmerkingen

15 Klett is van mening dat artikel 19 ter van richtlijn 78/686 niet impliceert dat een aanvrager een studie geneeskunde in Oostenrijk moet hebben gevolgd om overeenkomstig genoemde bepaling de specialistenopleiding in de tandheelkunde te kunnen volgen. De bepaling houdt volgens hem slechts een specifieke regeling in voor de erkenning van Oostenrijkse diploma's door andere lidstaten en zegt niets over de toelating van niet-Oostenrijkse onderdanen uit andere lidstaten tot die opleiding of over de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde in Oostenrijk. Daarom is artikel 19 ter niet op hem van toepassing en kan het de afwijzing van zijn verzoek niet dragen.

16 Bovendien stelt Klett dat de artikelen 1, 2, 3 en 9 van richtlijn 93/16 zich verzetten tegen een nationale regeling die voor toelating tot de specialistenopleiding in de tandheelkunde vereist dat de titel van arts aan een universiteit in de desbetreffende lidstaat is behaald.

17 Klett betoogt eveneens dat genoemde opleiding, waaraan in Oostenrijk een vergoeding is verbonden, onder artikel 39 EG valt aangezien de deelnemers aan deze opleiding volgens's Hofs rechtspraak zijn te beschouwen als werknemers in de zin van deze bepaling. De in het hoofdgeding gelaakte discriminatie van artsen die hun diploma in een andere lidstaat hebben behaald, is derhalve niet gerechtvaardigd en als zodanig op grond van bovengenoemde bepaling verboden.

18 Tot slot stelt Klett dat de gelaakte discriminatie, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de deelnemers aan de specialistenopleiding in de tandheelkunde in Oostenrijk geen werknemers in de zin van artikel 39 EG zijn, in strijd is met artikel 12 EG. Deze bepaling is van toepassing op het geschil in het hoofdgeding, omdat toegang tot een beroepsopleiding volgens het arrest van 13 februari 1985, Gravier (293/83, Jurispr. blz. 593, punt 25) onder de werkingssfeer van het EG-Verdrag valt.

19 Volgens de Oostenrijkse regering is artikel 19 ter van richtlijn 78/686 een overgangsbepaling, bedoeld om het voor medische specialisten in de tand-, monden kaakheelkunde die in Oostenrijk volgens de vóór 1 januari 1994 geldende bepalingen zijn opgeleid, mogelijk te maken de fundamentele vrijheden in de andere lidstaten uit te oefenen. Bovendien maakt de bepaling een uitzondering voor genoemde artsen die hun opleiding zijn begonnen in Oostenrijk voordat de nieuwe tandheelkundeopleiding in het leven werd geroepen.

20 Zij is ook van mening dat artikel 19 ter van richtlijn 78/686 niet de mogelijkheid opent voor artsen die een diploma in de algemene geneeskunde in een andere lidstaat hebben verkregen, om in Oostenrijk te worden toegelaten tot de specialistenopleiding in de tandheelkunde, die overigens zal verdwijnen, en zo de voorschriften inzake de specialistenopleiding in de tandheelkunde van de lidstaat van herkomst te omzeilen. Zij voegt eraan toe dat een andere uitlegging van dit artikel in strijd zou zijn met het voorwerp en het doel van de gemeenschapsbepalingen inzake de tandartsenopleiding, die bedoeld zijn om afzonderlijke opleidingen voor tandartsen en voor huisartsen op te zetten.

21 Met betrekking tot de artikelen 12 EG en 39 EG stelt de Oostenrijkse regering dat richtlijn 78/686 een bijzondere regeling voor de huidige situatie in Oostenrijk vormt. Bovendien heeft artikel 19 ter van genoemde richtlijn, aangezien deze bepaling in de Toetredingsakte staat, de rang van bepaling van primair recht. Aangezien Klett niet onder richtlijn 78/686 valt, zou hij, zelfs indien de opleiding als een arbeidsverhouding was te beschouwen, geen beroep kunnen doen op artikel 39 EG in geval van een voorgenomen onzelfstandige uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde. Aangezien artikel 19 ter van toepassing is op het hoofdgeding, kan bovendien artikel 12 EG, dat slechts aan de orde is wanneer het gemeenschapsrecht geen specifieke non-discriminatieregel kent, niet door Klett worden ingeroepen.

22 De Italiaanse regering betoogt dat de artikelen 19, 19 bis en 19 ter van richtlijn 78/686 zijn bedoeld om het vrije verkeer van gemeenschapsonderdanen te regelen, die hun medische opleiding onder de vroeger in Italië, Spanje en Oostenrijk geldende regeling waren begonnen; deze opleiding gaf toegang tot de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, bedoeld in richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, biz. 10), zoals gewijzigd bij de Toetredingsakte (hierna: „richtlijn 78/687”). Bovendien lijkt Klett, die in Duitsland een artsendiploma heeft behaald, hoewel hij zijn opleiding voor 1 januari 1994 is begonnen, niet te behoren tot een categorie personen waarvan de rechten door het genoemde artikel 19 ter moeten worden beschermd.

23 Overigens wijst de Italiaanse regering erop dat het Hof met betrekking tot de werkingssfeer van artikel 19 van richtlijn 78/686 heeft geoordeeld, dat het de lidstaten niet vrijstaat om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen die met geen enkele door de richtlijnen 78/686 en 78/687 voorziene categorie overeenkomt (arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië,C-14/93, Jurispr. blz. I-1319, punt 24). Zij voegt hier nog aan toe dat aangezien het een gebied betreft dat geheel is geregeld door een adequate gemeenschapsregeling, te weten artikel 19 ter van richtlijn 78/686, de toepasselijkheid van de artikelen 12 EG en 39 EG en van de bepalingen van richtlijn 93/16 is uitgesloten.

24 De Commissie stelt dat in het hoofdgeding moet worden onderzocht of ingevolge artikel 19 ter van richtlijn 78/686 slechts toelating tot de specialistenopleiding in de tandheelkunde moet worden verleend aan artsen aan wie de titel van doctor in de medicijnen is verleend door een Oostenrijkse universiteit. Indien dit zo is, staat deze bepaling niet in de weg aan afwijzing van het verzoek van Klett. Volgens de Commissie is artikel 19 ter meer dan slechts een bepaling over de erkenning van de specialistenopleiding in de tandheelkunde door andere lidstaten; het geeft vooral een omschrijving van een bijzondere categorie van beoefenaars der tandheelkunde. Aangezien artikel 19 ter voor de afbakening van deze categorie expliciet verwijst naar „in Oostenrijk” afgegeven certificaten, bevat dit artikel een bijzondere regeling ten gunste van een strikt begrensde categorie van beoefenaars der tandheelkunde.

25 Aangezien het gaat om een uitzondering die deze categorie begunstigt ten opzichte van de categorieën die onder de algemene regel vallen, moet de regeling strikt worden uitgelegd. Zoals blijkt uit de formulering en de innerlijke samenhang, is artikel 19 ter van richtlijn 78/686 bedoeld om voor studenten die in Oostenrijk algemene geneeskunde studeren en die volgens het systeem van vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie deze studie zijn gaan volgen om tandarts te worden, deze mogelijkheid open te laten. Deze bepaling geeft niet aan dat er een mogelijkheid moet worden opengelaten voor artsen van alle lidstaten om toegang te krijgen tot een specialistenopleiding in de tandheelkunde die korter duurt dan normaal. Bovendien betoogt de Commissie dat het op grond van deze uitlegging van artikel 19 ter als lex specialis niet nodig is, verder in te gaan op andere bepalingen van gemeenschapsrecht.

Antwoord van het Hof

26 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19 ter van richtlijn 78/686 aldus moet worden uitgelegd dat de houder van een titel van doctor in de algemene geneeskunde die hem niet door een Oostenrijkse universiteit is verleend, kan worden toegelaten tot de in die lidstaat verstrekte specialistenopleiding tandheelkunde.

27 Aangezien het antwoord op deze vraag duidelijk uit de rechtspraak is af te leiden (zie onder meer arresten van 28 april 1988, LAISA en CPC España/Raad, 31/86 en 35/86, Jurispr. blz. 2285; 1 juni 1995, Commissie/Italië, C-40/93, Jurispr. blz. I-1319, en 29 november 2001, Commissie/Italië, C-202/99, Jurispr. blz. I-9319), heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter in kennis gesteld van zijn voornemen, te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.

28 Alleen Klett heeft binnen de gestelde termijn opmerkingen ingediend. Hij betwijfelde onder meer de geschiktheid van deze procedure, aangezien de in het bovenstaande punt aangehaalde rechtspraak naar zijn mening niet van toepassing is op het onderhavige geschil.

29 Het Hof merkt op dat het diploma van beoefenaar van de tandheelkunde in Oostenrijk vóór 1 januari 1998 slechts werd verleend aan houders van de titel van doctor in de algemene geneeskunde, die een postdoctorale specialisatie in de tandheelkunde hadden voltooid.

30 Bij de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Europese Unie diende deze lidstaat ingevolge de richtlijnen 78/686 en 78/687 de voorwaarden van de specialistenopleiding in de tandheelkunde aan te passen aan de Europese norm door invoering van een nieuw systeem, losstaand van de opleiding voor artsen. Volgens gegevens in de opmerkingen van de Oostenrijkse regering is deze nieuwe opleiding van start gegaan op 1 augustus 1998 en is de specialistenopleiding in de tandheelkunde voor gediplomeerde artsen aan het einde van het academisch jaar 2000/2001 in Oostenrijk stopgezet.

31 Volgens de richtlijnen 78/686 en 78/687 moet de beoefenaar der tandheelkunde, om zijn werkzaamheden te mogen uitoefenen, in het bezit zijn van één van de in artikel 2 van de richtlijn 78/686 bedoelde titels (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 21). Artikel 19 ter van richtlijn 78/686 vormt een uitzondering op artikel 2 ervan en moet dus, als uitzonderingsbepaling, strikt worden uitgelegd (zie arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 23, en de daarin aangehaalde rechtspraak).

32 In dit verband moet worden opgemerkt dat in artikel 19 ter van de richtlijn 78/686 een speciale regeling is gecreëerd voor artsen die de oude opleiding tot specialist in de tandheelkunde reeds waren begonnen of hadden voltooid, om ervoor te zorgen dat deze artsen, voorzover zij de opleiding nog niet hadden afgerond, deze konden voltooien en hun beroep, indien zij de opleiding bijna of geheel hadden voltooid, in de andere lidstaten zouden kunnen uitoefenen (zie in deze zin, met betrekking tot artikel 19 van richtlijn 78/686, dat overeenkomt met artikel 19 ter, arrest van 29 november 2001, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 52).

33 Bovendien hebben de lidstaten niet de vrijheid om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen, die met geen door de richtlijnen 78/686 en 78/687 voorziene categorie overeenkomt (zie onder meer, met betrekking tot artikel 19 van richtlijn 78/686, arrest van 1 juni 1995, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 24).

34 Uit bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 19 ter van richtlijn 78/686 een onderdaan van een andere lidstaat dan de Republiek Oostenrijk waar hij zijn studie algemene geneeskunde heeft voltooid, niet de mogelijkheid biedt om te worden toegelaten tot de postdoctorale opleiding tot specialist in de tandheelkunde in Oostenrijk, welke opleiding moest worden gestaakt en die slechts openbleef om degenen die hieraan reeds waren begonnen, in staat te stellen deze te voltooien. Indien dit anders was, zou in strijd met de richtlijnen 78/686 en 78/687 een nieuwe categorie van beoefenaars der tandheelkunde ontstaan.

35 Artikel 19 ter van richtlijn 78/686 voorziet in het kader van de tijdelijke specifieke voor de Republiek Oostenrijk bij haar toetreding tot de Europese Unie gecreëerde regeling, slechts in de erkenning van een basisartsendiploma gecombineerd met een diploma ter afronding van een specialistenopleiding in de tandheelkunde ten behoeve van de uitoefening van de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde in de andere lidstaten. Indien de communautaire wetgever de mogelijkheid van onderlinge erkenning van een dergelijke opleiding in algemene zin had willen openlaten, zou hij de onderlinge erkenning van de kwalificatie van de beroepsbeoefenaars die deze opleiding hebben genoten, niet in de vorm van een tijdelijke afwijkende maatregel hebben gegoten (zie in deze zin, met betrekking tot artikel 19 van richtlijn 78/686, arrest van 29 november 2001, Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 39).

36 Gezien het bovenstaande is een uitspraak over de uitlegging van de artikelen 12 EG en 39 EG en van de artikelen 3 en 9 van richtlijn 93/16 niet meer nodig, aangezien artikel 19 ter van richtlijn 78/686 een lex specialis met de rang van primair recht is.

37 Zoals bepaald in artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de toetreding van het de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie (PB 1994, C 241, biz. 9), zijn de voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Toetredingsakte en maken deze er een integrerend deel van uit.

38 De toelatingsvoorwaarden betreffen de toepassing van het volledige, op de toetredingsdatum geldende gemeenschapsrecht op de nieuwe lidstaten en vormen het voornaamste onderwerp van de Toetredingsakte van de drie in het vorige punt genoemde lidstaten (zie in deze zin, met betrekking tot de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, arrest LAISA en CPC España/Raad, reeds aangehaald, punten 9 en 10).

39 Op grond van artikel 29 van de Toetredingsakte vinden ten aanzien van de in bijlage I genoemde besluiten de aanpassingen plaats die in die bijlage zijn omschreven. Het in bijlage I, deel XI, D, van de Toetredingsakte opgenomen artikel 19 ter van richtlijn 78/686 is bijgevolg het onderwerp van het akkoord tussen de lidstaten en de kandidaat-lidstaat geweest. Het is dus geen handeling van de Raad, doch een bepaling van primair recht, die volgens artikel 7 van de Toetredingsakte, en tenzij hierin anders is bepaald, uitsluitend kan worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien voor herziening van de oorspronkelijke verdragen (zie in deze zin arrest LAISA en CPC España/Raad, reeds aangehaald, punt 12).

40 Deze uitlegging dringt zich des te sterker op omdat de Toetredingsakte de resultaten van de toetredingsonderhandelingen bekrachtigt en die resultaten een samenhangend pakket van maatregelen vormen ter oplossing van de moeilijkheden die de toetreding zowel voor de Gemeenschap als voor de kandidaatlidstaat meebrengt (zie in deze zin arrest LAISA en CPC España/Raad, reeds aangehaald, punt 12).

41 Derhalve moet artikel 19 ter van richtlijn 78/686 aldus worden uitgelegd, dat de houder van een titel van doctor in de algemene geneeskunde die hem niet door een Oostenrijkse universiteit is verleend, niet kan worden toegelaten tot de in die lidstaat verstrekte specialistenopleiding tandheelkunde.

Kosten

42 De kosten door de Oostenrijkse en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)

beschikt:

Artikel 19 tervan richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een titel van doctor in de algemene geneeskunde die hem niet door een Oostenrijkse universiteit is verleend, niet kan worden toegelaten tot de in die lidstaat verstrekte specialistenopleiding tandheelkunde.

Luxemburg, 5 november 2002

De griffier

R. Grass

De president van de Vierde kamer

C. W. A. Timmermans