Home

Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 28 oktober 2004.

Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 28 oktober 2004.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
28 oktober 2004

Conclusie van advocaat-generaal

J. Kokott

van 28 oktober 2004(1)

I — Inleiding

1. Verzoekster in het hoofdgeding, García Blanco, heeft in het verleden in Spanje een speciale werkloosheidsuitkering ontvangen. Gedurende deze periode betaalde het Instituto Nacional de Empleo (nationaal arbeidsbureau; hierna: „INEM”) namens haar premies of bijdragen aan het wettelijk stelsel van de ouderdomsverzekering. Toen zij de leeftijd van 65 jaar had bereikt, verzocht García Blanco om een wettelijk ouderdomspensioen. De strijdvraag in het hoofdgeding is of de pensioenbijdragen die werden betaald gedurende de periode waarin zij de speciale werkloosheidsuitkering ontving, bij de berekening van de wachttijd voor het wettelijk ouderdomspensioen in aanmerking moeten worden genomen, en of er anders sprake is van discriminatie van migrerende werknemers op grond van hun nationaliteit.

2. In dit verband legt de Juzgado de lo Social n° 3 de Orense (Spanje) (hierna eveneens: „verwijzende rechter”) aan het Hof twee vragen voor met betrekking tot de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: „verordening nr. 1408/71).(2) Inhoudelijk komen deze vragen overeen met de in de zaak Salgado Alonso (C-306/03) voorgelegde vragen.(3)

3. Tijdens de procedure voor het Hof is aan García Blanco evenwel het wettelijk ouderdomspensioen toegekend, zodat thans de vraag voorligt hoe hel verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden afgedaan.

II — Rechtskader

A — Gemeenschapsrecht

4. Het communautaire rechtskader van deze zaak wordt bepaald door verordening nr. 1408/71. In artikel 1, sub r, van de verordening wordt het begrip „tijdvakken van verzekering” gedefinieerd als volgt:

„de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van arbeid of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voorzover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend. De tijdvakken die zijn vervuld in een bijzonder stelsel voor ambtenaren worden als tijdvakken van verzekering beschouwd.”

5. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 luidt:

„Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”

6. In artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is met betrekking tot het in aanmerking nemen van tijdvakken van verzekering of van wonen het volgende bepaald:

„Indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen krachtens een stelsel dat geen bijzonder stelsel is in de zin van lid 2 of lid 3, afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering of van wonen, houdt het bevoegde orgaan van deze lidstaat, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wetgeving van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken, ongeacht of deze onder een algemeen dan wel onder een bijzonder stelsel, en onder een stelsel voor werknemers dan wel onder een stelsel voor zelfstandigen zijn vervuld. Daartoe houdt het bevoegde orgaan rekening met deze tijdvakken alsof deze krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving waren vervuld.”

7. Artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:

„Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden eerst is voldaan na toepassing van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, gelden de volgende regels:

  1. het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;

  2. het bevoegde orgaan stelt op basis van het sub a bedoelde theoretische bedrag vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgeving van alle betrokken lidstaten zijn vervuld.”

8. Met betrekking tot lijdvakken van verzekering of van wonen van minder dan een jaar bepaalt artikel 48 van verordening nr. 1408/71 hel volgende:

„1. Ongeacht artikel 46, lid 2, is hel orgaan van een lidstaat niet verplicht uilkeringen toe te kennen krachtens tijdvakken vervuld onder de door dit orgaan toegepaste wetgeving die in aanmerking dienen te worden genomen op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis indien:

  • de totale duur van de bedoelde lijdvakken minder dan één jaar bedraagt,

    en

  • uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uilkeringen krachtens die wetgeving bestaat.

2. Voor de toepassing van artikel 46, lid 2, met uitzondering van hel bepaalde onder b, houdt het bevoegde orgaan van elk deiandere betrokken lidstaten wel rekening met de in lid 1 bedoelde tijdvakken.

3. Ingeval toepassing van lid 1 ertoe zou leiden dat alle organen van de betrokken staten van hun verplichtingen worden ontheven, worden de uitkeringen uitsluitend toegekend op grond van de wetgeving van de laatste van die staten aan de voorwaarden waarvan is voldaan, alsof alle vervulde tijdvakken van verzekering en van wonen waarmede overeenkomstig artikel 45, leden 1 tot en met 4, rekening wordt gehouden, krachtens de wetgeving van deze staat waren vervuld.”

B — Nationale wettelijke regeling

9. Artikel 161, lid 1, sub b, van de nieuwe versie van de Spaanse algemene wet inzake de sociale zekerheid (Texto Refundido de la Ley General de la Seguridad Social(4); hierna: „TRLGSS”) bepaalt dat voor het ontstaan van een recht op ouderdomspensioen twee wachttijden moeten worden vervuld:

  • een algemene wachttijd van ten minste 15 jaar gedurende welke premies of bijdragen zijn betaald,

    en

  • een bijzondere wachttijd van 2 jaar gedurende welke premies of bijdragen zijn betaald, in de loop van de 15 jaar die onmiddellijk voorafgaan aan het intreden van het feit dat het recht op pensioen doet ontstaan.

10. Reeds voor het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd wordt aan werklozen die de leeftijd van 52 jaar hebben bereikt, overeenkomstig artikel 215, lid 1, punt 3, TRLGSS een speciaal type werkloosheidsuitkering („subsidio por desempleo”; hierna: „speciale werkloosheidsuitkering”) toegekend. Een van de voorwaarden is dat de betrokkene kan aantonen dat hij gedurende ten minste zes jaar premies of bijdragen heeft betaald aan de wettelijke werkloosheidsverzekering en bovendien, behalve aan het leeftij ds vereiste, voldoet aan alle voorwaarden voor de toekenning van een wettelijk ouderdomspensioen.

11. Volgens artikel 218, lid 2, TRLGSS dient het beheersorgaan van de wettelijke werkloosheidsverzekering (Organismo Gestor del Seguro de Desempleo) niet alleen de speciale werkloosheidsuitkering aan de verzekerde uit te betalen, maar ook namens de rechthebbende aan het stelsel van sociale zekerheid premies of bijdragen voor het wettelijk ouderdomspensioen te betalen voor elke kalendermaand waarin hij recht op die uitkering heeft.

12. De gevolgen van de voor de ontvangers van de speciale werkloosheidsuitkering betaalde pensioenpremies of -bijdragen worden in de achtentwintigste aanvullende bepaling van de TRLGSS(5) als volgt beperkt:

„Overeenkomstig artikel 218, lid 2, [TRLGSS] worden de door het beheersorgaan aan het stelsel van de ouderdomsverzekering betaalde premies of bijdragen in aanmerking genomen voor de berekening van het basisbedrag van het ouderdomspensioen en van het daarop van toepassing zijnde percentage. Deze premies of bijdragen blijven in elk geval zonder rechtsgevolgen voor het bewijs dat het in artikel 161, lid 1, sub b, [TRLGSS] vereiste minimumlijdvak van premie- of bijdragebetaling is vervuld, dat de verzekerde overeenkomstig artikel 215, lid 1, punt 3, moet leveren bij zijn aanvraag voor de uitkering voor personen van meer dan 52 jaar.”

13. In de administratieve praktijk echter worden de door het INEM namens de ontvangers van de speciale werkloosheidsuitkering betaalde premies of bijdragen voor de wettelijke pensioenverzekering wel in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71; dit vloeit voort uit een gezamenlijk rondschrijven van het Instituto Nacional de Seguridad Social (nationaal socialezekerheidsorgaan; hierna: „INSS”) en het INEM uit het jaar 1999.(6)

III — Feiten en procedure

Voorgeschiedenis

14. García Blanco, geboren op 9 oktober 1935 en overleden op 14 mei 2002(7), was tussen 1966 en 1984 als werkneemster werkzaam in Duitsland. Zij heeft een tijdvak van premie- of bijdragebetaling vervuld van 209 maanden (meer dan 17 jaar) onder de Duitse wettelijke pensioenverzekeringsregeling.

15. Van 1 juni 1984 tot 2 december 1984 heeft García Blanco in Spanje op grond van een overeenkomst tussen Duitsland en Spanje de premieafhankelijke wettelijke werkloosheidsuitkering ontvangen, die door het INEM aan haar werd uitbetaald. Gedurende die periode betaalde het INEM voor haar eveneens premies of bijdragen aan alle takken van de Spaanse wettelijke sociale zekerheid (waaronder de wettelijke ouderdomsverzekering), hetgeen een tijdvak van premie- of bijdragebetaling oplevert van 185 dagen (ongeveer zes maanden).

16. Vanaf 1989 heeft García Blanco de speciale werkloosheidsuitkering voor werknemers van meer dan 52 jaar ontvangen. In dat verband heeft het INEM overeenkomstig artikel 218, lid 2, TRLGSS gedurende een tijdvak van 4 080 dagen (ruim 11 jaar) premies of bijdragen voor haar aan het Spaanse wettelijke stelsel van de pensioenverzekering betaald.

17. Uit de stukken blijkt bovendien dat García Blanco na het overlijden van haar moeder, met wie zij samenwoonde, een wettelijk pensioen voor nagelaten betrekkingen heeft ontvangen met ingang van 1 december 1989.

Verzoek om wettelijk ouderdomspensioen

18. Toen zij in 2000 de leeftijd van 65 jaar had bereikt, verzocht García Blanco de Spaanse sociale zekerheid om een wettelijk ouderdomspensioen. Het INSS wees dit verzoek af bij beslissing van 27 april 2001. In de motivering van de beslissing voerde het INSS aan dat García Blanco in Spanje niet het vereiste minimumtijdvak van premie- of bijdragebetaling had vervuld. Volgens het INSS mag ingevolge de achtentwintigste aanvullende bepaling van de TRLGSS geen rekening worden gehouden met het tijdvak van 4 080 dagen waarin het INEM namens García Blanco, die de speciale werkloosheidsuitkering ontving, premies of bijdragen heeft betaald. Met het resterende tijdvak van 185 dagen, waarin zij in Spanje de wettelijke premieafhankelijke werkloosheidsuitkering ontving en premies of bijdragen voor haar zijn betaald aan het stelsel van de sociale zekerheid, mag overeenkomstig artikel 48, lid 1, van verordening nr. 1408/71 evenmin rekening worden gehouden, aangezien dit tijdvak minder dan een jaar bedraagt.

19. Tegen deze afwijzingsbeslissing heeft García Blanco bij de verwijzende rechter beroep ingesteld. Zij heeft zowel het INSS als de Tesorería General de la Seguridad Social (de algemene socialezekerheidskas; hierna: „TGSS”) in rechte betrokken, en voert ter ondersteuning van haar beroep in wezen aan dat niet alleen rekening moet worden gehouden met het aanvankelijke, in Spanje vervulde tijdvak van premie- of bijdragebetaling van 185 dagen, maar ook met de premies of -bijdragen die het INEM namens haar heeft betaald aan het stelsel van de wettelijke pensioenverzekering, toen zij de speciale werkloosheidsuitkering ontving; daardoor komt zij thans in Spanje aan een tijdvak van premie- of bijdragebetaling van in totaal 4 265 dagen (meer dan elf jaar en acht maanden).

Verzoek om een prejudiciële beslissing

20. Bij beschikking van 30 maart 2002 heeft de Juzgado de lo Social n° 3 de Orense de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Verzetten artikel 12 EG en de artikelen 39 EG tot en met 42 EG [...], alsmede artikel 45 van verordening [...] nr. 1408/71 [...] zich tegen een bepaling van nationaal recht krachtens welke de premies of bijdragen die het beheersorgaan van de werkloosheidsverzekering namens een werknemer aan het stelsel van de ouderdomsverzekering heeft betaald gedurende de periode waarin deze bepaalde werkloosheidsuitkeringen ontving, niet in aanmerking mogen worden genomen voor de berekening van de verschillende, bij de nationale wettelijke regeling ingevoerde wachttijden en voor hel ontstaan van het recht op de ouderdomsuilkering wanneer het voor deze werknemer, gelet op de langdurige werkloosheid die deze uitkeringen beogen te vergoeden, materialiter onmogelijk is andere premie- of bijdragebetalingen aan het stelsel van de ouderdomsverzekering aan te tonen dan die welke volgens de wet niet gelden, waardoor alleen de werknemers die hel recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, door deze nationale regeling worden geraakt en geen recht op het nationale ouderdomspensioen hebben, hoewel deze wachttijden overeenkomstig artikel 45 van genoemde verordening moeten worden geacht te zijn vervuld?

  2. Verzetten artikel 12 EG en de artikelen 39 EG lot en met 42 EG [...], alsmede artikel 48, lid 1, van verordening [...] nr. 1408/71 [...] zich tegen bepalingen van nationaal recht krachtens welke de premies of bijdragen die het beheersorgaan van de werkloosheidsverzekering namens een werknemer aan het stelsel van de ouderdomsverzekering heeft betaald gedurende de periode waarin deze bepaalde werkloosheidsuitkeringen ontving, niet in aanmerking mogen worden genomen voor de vaststelling dat ‚de totale duur van de tijdvakken van verzekering of wonen vervuld krachtens de wetgeving van deze lidstaat een jaar bedraagt’, wanneer het voor deze werknemer, gelet op de langdurige werkloosheid die deze uitkeringen beogen te vergoeden, materialiter onmogelijk is andere premie- of bijdragebetalingen aan het stelsel van de ouderdomsverzekering aan te tonen dan die welke tijdens de periode van werkloosheid zijn betaald, waardoor alleen de werknemers die het recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, door deze nationale regeling worden geraakt en geen recht op het nationale ouderdomspensioen hebben, hoewel het nationale beheersorgaan overeenkomstig artikel 48, lid 1, van genoemde verordening niet kan worden ontheven van de verplichting, nationale uitkeringen toe te kennen?”

Procedure na de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing

21. Bij brief van 8 april 2003 heeft het INSS aan het Hof meegedeeld dat bij beslissing van 3 april 2003 het wettelijke ouderdomspensioen waarop de ondertussen overleden García Blanco aanspraak had gemaakt, aan haar was toegekend. Deze beslissing bevatte voorts het verzoek om een keuze te maken tussen dit ouderdomspensioen en het reeds toegekende pensioen voor nagelaten betrekkingen(8), omdat beide niet met elkaar verenigbaar zijn, dat wil zeggen niet gelijktijdig kunnen worden uitbetaald. Dolores García Blanco, dochter en rechtverkrijgende van de verzekerde, heeft onverwijld gekozen voor het pensioen voor nagelaten betrekkingen.

22. Tegen deze achtergrond heeft de griffier van het Hof de verwijzende rechter bij brief van 10 april 2003 gevraagd of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing introk. Bij brief van 11 april 2003 heeft de verwijzende rechter geantwoord dat hij zijn verzoek handhaafde, met name omdat het antwoord van het Hof voor hem van nut kon zijn in andere bij hem aanhangige zaken.

23. Bij brieven van 7 juli en 18 september 2003 heeft de griffie van het Hof de verwijzende rechter verzocht te verduidelijken of het hoofdgeding nog bij hem aanhangig was. Daarbij heeft de griffie erop gewezen dat alleen in een voor een nationale rechterlijke instantie aanhangige procedure een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof kan worden gedaan. De griffie heeft de verwijzende rechter eraan herinnerd dat het hem vrij staat, het Hof dezelfde prejudiciële vragen te stellen in een ander geding dat hij moet beslechten. In zijn antwoord van 1 oktober 2003 heeft de verwijzende rechter echter bevestigd dat het hoofdgeding nog aanhangig was, met name omdat verzoekster geen afstand van instantie had gedaan en de verwerende partijen de aanvankelijke afwijzende pensioenbeslissing, die het voorwerp van het hoofdgeding is, niet uitdrukkelijk hadden herroepen.

24. Tijdens de procedure voor het Hof hebben García Blanco, de Commissie, het INSS en de TGSS — deze laatste twee gezamenlijk — schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. De Duitse regering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend en de Spaanse regering heeft haar opvatting mondeling uiteengezet.

IV — Beoordeling

25. Het verloop van de procedure doet mij betwijfelen of het Hof de aan hem voorgelegde prejudiciële vragen kan beantwoorden.

26. Het is weliswaar uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van hel geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het gemeenschapsrecht, is hel Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof kan enkel dan geen uitspraak doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt mei een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(9)

27. Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat het in uitzonderingsgevallen een onderzoek kan instellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter zich tot hem heeft gewend.(10) De geest van samenwerking waarin de prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, vereist immers, dat de nationale rechter oog heeft voor de aan het Hof opgedragen taak om bij te dragen aan een goede rechtsbedeling in de lidstaten, doch niet om adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken te formuleren.(11)

A — Aanvankelijke ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek

28. Aanvankelijk was het prejudiciële verzoek met name te verklaren door het feit dat García Blanco ten tijde van de indiening van haar pensioenaanvraag kennelijk slechts een van de twee door artikel 161, lid 1, sub b, TRLGSS vereiste wachttijden had vervuld: het door haar in Duitsland vervulde tijdvak van verzekering van meer dan zeventien jaar, waar ingevolge artikel 45, lid 1, van verordening nr. 1408/71 rekening mee moet worden gehouden, was voldoende voor de algemene wachttijd van vijftien jaar. Volgens de beschikbare inlichtingen scheen García Blanco echter niet de bijzondere wachttijd van 2 jaar premie- of bijdragebetaling te hebben vervuld in de loop van de 15 jaar die onmiddellijk voorafgingen aan het intreden van het feit dat haar recht op pensioen deed ontstaan. Om de vervulling van deze bijzondere wachttijd aan te tonen, zou García Blanco zich derhalve hebben moeten beroepen op de pensioenpremies die het INEM voor haar heeft betaald gedurende de tijd dat zij de speciale werkloosheidsuitkering ontving. Daartegen verzet de achtentwintigste aanvullende bepaling van de TRLGSS zich echter, volgens welke een dergelijk tijdvak van premie- of bijdragebetaling enkel de pensioenaanspraken kan verhogen, maar niet een recht op pensioen kan doen ontstaan.

29. Toen de prejudiciële vragen werden gesteld, was het bijgevolg in het hoofdgeding nog relevant, of de artikelen 45 en 48 van verordening nr. 1408/71 en de artikelen 39 EG tot en met 42 EG zich verzetten tegen een nationale bepaling als de achtentwintigste aanvullende bepaling van de TRLGSS. Derhalve was het prejudiciële verzoek op dat tijdstip zonder meer ontvankelijk.

B — Afdoening van het prejudiciële verzoek

30. Zoals echter tijdens de schriftelijke procedure en ter terechtzitting is gebleken, is de situatie van het hoofdgeding inmiddels op twee punten gewijzigd: ten eerste is aan García Blanco het wettelijk ouderdomspensioen waarom zij had verzocht, toegekend. En ten tweede heeft haar rechtverkrijgende besloten dit wettelijk ouderdomspensioen — hoewel dit thans is toegekend — niet op te eisen, maar in plaats daarvan een ander, hoger, pensioen te genieten waarop zij als nagelaten betrekking recht heeft.

31. Elke van deze twee wijzigingen van de feitelijke situatie heeft tot gevolg dat de prejudiciële vragen sedertdien niet meer relevant zijn voor de beslissing in het hoofdgeding. Ten eerste is namelijk door het inmiddels toegekende wettelijke ouderdomspensioen duidelijk geworden dat partijen niet meer strijden over de vraag of de wachttijden zijn vervuld. En ten tweede heeft verzoekster in het hoofdgeding, door te kiezen voor het pensioen voor nagelaten betrekkingen, laten blijken dat zij het wettelijk ouderdomspensioen, waarom zij aanvankelijk had verzocht, helemaal niet meer wenst te genieten.

32. Eventuele betalingsachterstanden lijken tussen partijen in het hoofdgeding evenmin een twistpunt te zijn. Zo hebben verweerders naar aanleiding van een desbetreffende opmerking van de vertegenwoordiger van verzoekster ter terechtzitting bevestigd, dat het wettelijk ouderdomspensioen aan Rosa García Blanco is toegekend vanaf de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar had bereikt en er derhalve niet over eventuele betalingsachterstanden wordt getwist.

33. Zelfs wanneer dus, zoals de verwijzende rechter herhaaldelijk heeft benadrukt, het hoofdgeding (formeel) nog bij hem aanhangig is en hij zijn prejudiciële verzoek niet intrekt, zijn in ieder geval de met de twee prejudiciële vragen opgeworpen vraagstukken van gemeenschapsrecht enkel nog van hypothetische aard. Hel prejudiciële verzoek is achterhaald.

34. Voorzover zich dezelfde rechtsvragen in andere procedures opnieuw zouden voordoen, staat het de verwijzende rechter vrij opnieuw een prejudicieel verzoek in te dienen. In het onderhavige geval zou een antwoord op de prejudiciële vragen echter geen bijdrage leveren aan de oplossing van het hoofdgeding, maar enkel een advies over een aspect van het gemeenschapsrecht vormen; het Hof is in de procedure krachtens artikel 234 EG niet bevoegd een dergelijk advies te geven.

C — Gevolgen voor het prejudiciële verzoek

35. Bijgevolg heeft het Hof in het onderhavige geval te maken met de eerder zeldzame situatie dat een prejudicieel verzoek weliswaar aanvankelijk ontvankelijk was, maar ten gevolge van gewijzigde feitelijke omstandigheden inmiddels achterhaald is.

36. Een eerste mogelijkheid voor het Hof om de situatie op te lossen, zou de ambtshalve doorhaling van de zaak in het register vormen.(12) De artikelen 77 en 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof(13) voorzien in een dergelijke doorhaling voor het geval dat partijen een minnelijke overeenstemming bereiken en voor het geval dat verzoeker afstand doet van instantie. Wanneer het Hof in het onderhavige geval deze bepalingen — of ten minste de gedachte die eraan ten grondslag ligt — zou willen toepassen, zou overeenkomstig artikel 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in ieder geval rekening moeten worden gehouden met het speciale karakter van de prejudiciële procedure, die een instrument is van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties van de lidstaten. Er zou derhalve een afstandsverklaring, vergelijkbaar met die van de artikelen 77 en 78 van het Reglement voor de procesvoering, door de verwijzende rechter als initiatiefnemer van het prejudiciële verzoek moeten worden gedaan. In het onderhavige geval heeft de nationale rechter echter jegens het Hof nooit verklaard dat hij zijn prejudiciële verzoek intrekt of dat het bij hem aanhangige hoofdgeding is afgedaan. De nationale rechter heeft integendeel meermaals desgevraagd bevestigd dat hij zijn verzoek handhaaft. Derhalve zou een doorhaling van de zaak in het register, in tegenstelling tot de in artikel 77 en 78 van het Reglement voor de procesvoering behandelde gevallen, geenszins het louter procedurele gevolg zijn van een voorafgaande verklaring aan het Hof.

37. In de tweede plaats zou het eveneens denkbaar zijn dat het Hof het prejudiciële verzoek niet-ontvankelijk verklaart of zichzelf onbevoegd verklaart. Deze oplossing zou echter onvoldoende recht doen aan de ontwikkeling van de feiten na de voorlegging van de prejudiciële vragen: de vragen waren niet vanaf het begin niet-ontvankelijk, maar zijn pas na het indienen van het prejudiciële verzoek zonder voorwerp geraakt. Dat zou in de beslissing van het Hof tot uitdrukking moeten komen.

38. Tegen deze achtergrond lijkt het mij dat een derde oplossing de voorkeur verdient. Het Hof zou moeten oordelen dat het prejudiciële verzoek niet meer behoeft te worden beantwoord. Op deze wijze is het Hof reeds te werk gegaan in de zaak Djabali(14), die duidelijke overeenkomsten vertoont met de onderhavige zaak. Ook in die zaak heeft het bevoegde overheidsorgaan om te beginnen aan de verzoekster een sociale uitkering geweigerd, om deze later aan haar toe te kennen, nadat tegen de afwijzingsbeslissing beroep was ingesteld en de nationale rechter in het kader daarvan een prejudicieel verzoek had ingediend bij het Hof.

39. Door te oordelen dat het prejudiciële verzoek niet meer behoeft te worden beantwoord, geeft het Hof te kennen dat de prejudiciële vragen niet vanaf het begin niet-ontvankelijk waren, maar dat op grond van ontwikkelingen tijdens de procedure de bevoegdheid van het Hof om de vragen te beantwoorden, is komen te vervallen.

V — Conclusie

40. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging op de door de Juzgado de lo Social n° 3 de Orense voorgelegde prejudiciële vragen te antwoorden als volgt:

„Het prejudiciële verzoek behoeft niet meer te worden beantwoord.”