Home

Conclusie van advocaat-generaal Léger van 3 mei 2005.

Conclusie van advocaat-generaal Léger van 3 mei 2005.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
3 mei 2005

Conclusie van advocaat-generaal

P. Léger

van 3 mei 2005(1)

1. Verzet het gemeenschapsrecht zich tegen een specifiek voor Jersey(2) geldende regeling die de afzet van op dat eiland geteelde aardappelen in het Verenigd Koninkrijk afhankelijk stelt van de vervulling van diverse formaliteiten?

2. Dat is in wezen de vraag die de Royal Court of Jersey stelt in deze zaak, waarin het Hof wordt verzocht de bijzondere status van dit eiland ten opzichte van de Europese Gemeenschap als gevolg van de toetreding van het Verenigd Koninkrijk te onderzoeken.

3. In het verlengde van het arrest van 16 juli 1998, Pereira Roque(3), betreffende de situatie van Jersey op het gebied van het vrije verkeer van personen, moet nu worden bepaald of de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen op het grondgebied van dit eiland van toepassing zijn bij de afzet van landbouwproducten zoals aardappelen en zo ja, onder welke voorwaarden. Gelet op de bijzondere status van Jersey ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt in deze zaak het Hof meer in het bijzonder gevraagd om opnieuw te onderzoeken, of de verdragsbepalingen op het gebied van het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op zuiver interne situaties van een lidstaat.

I — Rechtskader

A — De communautaire regeling betreffende de situatie van Jersey ten opzichte van de Gemeenschap

4. Een aantal bepalingen van primair en afgeleid gemeenschapsrecht heeft betrekking op de situatie van de Kanaaleilanden en het eiland Man(4), wat de toepasselijkheid van de communautaire regels op het grondgebied van deze eilanden betreft.

5. Zo bepaalt artikel 299, lid 4, EG weliswaar dat „[d]e bepalingen van dit Verdrag [...] van toepassing [zijn] op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd”, maar artikel 299, lid 6, sub c, EG bepaalt dat „de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing [zijn] voorzover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap [...]”.

6. De bij dit toetredingsverdrag voor deze eilanden getroffen regeling is vervat in Protocol nr. 3 betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man, dat is gehecht aan de Akten betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Gemeenschappen.(5)

7. Artikel 1, lid 1, van dit protocol bepaalt: „De communautaire regeling inzake douaneaangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen en met name die vervat in de Akte van toetreding, is ten aanzien van de Kanaaleilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden. In het bijzonder worden de douanerechten en de heffingen van gelijke werking tussen deze gebieden en de Gemeenschap in haar oorspronkelijke samenstelling en tussen deze gebieden en de nieuwe lidstaten geleidelijk verlaagd overeenkomstig het ritme bepaald in de artikelen 32 en 36 van de akte van toetreding”.

8. In artikel 1, lid 2, eerste alinea, van Protocol nr. 3 wordt gepreciseerd dat „[v]oor landbouwproducten en voor door verwerking daarvan verkregen producten, waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, [...] ten aanzien van derde landen de in de communautaire regeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen [gelden] die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast”. In de volgende alinea wordt toegevoegd dat „[t]evens [...] die bepalingen van de communautaire regeling en met name van de Akte van toetreding van toepassing [zijn] die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van de normale concurrentievoorwaarden in het handelsverkeer van deze producten mogelijk te maken”.

9. Artikel 1, lid 2, laatste alinea, van dit protocol luidt: „Op voorstel van de Commissie bepaalt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen onder welke voorwaarden de in de voorgaande alinea's bedoelde bepalingen op deze gebieden [de Kanaaleilanden en het eiland Man] van toepassing zijn”. Op deze grondslag en met dit doel is verordening (EEG) nr. 706/73 van de Raad van 12 maart 1973 betreffende de communautaire regeling voor de Kanaaleilanden en het eiland Man inzake het handelsverkeer in landbouwproducten vastgesteld.(6)

10. Artikel 1, lid 1, van deze verordening bepaalt: „De communautaire regeling voor het Verenigd Koninkrijk, betreffende het handelsverkeer in landbouwproducten welke vallen onder bijlage II van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap [(7)] alsmede in de goederen welke vallen onder verordening nr. 170/67/EEG [(8)] en verordening (EEG) nr. 1059/69 [(9)], is van toepassing op de eilanden, met uitzondering van de bepalingen betreffende de bij uitvoer door het Verenigd Koninkrijk toegekende restituties en compenserende bedragen”.

11. In artikel 1, lid 2, van verordening nr. 706/73 wordt gepreciseerd dat „[v]oor de toepassing van de in lid 1 bedoelde regeling [...] het Verenigd Koninkrijk en de eilanden als één lidstaat [worden] beschouwd”.

12. In artikel 3 van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1174/86(10), wordt hieraan toegevoegd dat „de communautaire regeling die van toepassing is in de volgende sectoren: [...] fytosanitaire wetgeving, afzet van zaaizaad en plantgoed, levensmiddelenwetgeving [...], kwaliteits- en afzetnormen, onder dezelfde voorwaarden als in het Verenigd Koninklijk [wordt] toegepast op de in artikel 1 bedoelde producten die op de eilanden worden ingevoerd of die van de eilanden naar de Gemeenschap worden uitgevoerd”.

B — De specifiek voor Jersey geldende plaatselijke regeling

13. Op 18 december 2001 is door de States of Jersey (het wetgevende orgaan van Jersey)(11) de wet houdende de afzetregeling voor de uitvoer van aardappelen vanuit Jersey (Jersey Potato Export Marketing Scheme Act 2001) vastgesteld.(12)

14. De bestreden regeling zou zijn vastgesteld naar aanleiding van klachten van landbouwers over de geringe winstmarges die zij behaalden met de teelt van aardappelen van de variëteit „Jersey Royal”, die het voornaamste product van de koude grond op het eiland zijn.(13) De verantwoordelijkheid voor deze situatie zou liggen bij de met de afzet van Jerseyaardappelen belaste organisaties, wier handelsbeleid op weinig transparante wijze zou worden vastgesteld en op grond van overwegingen die in wezen worden gedicteerd door hun onderlinge concurrentieverhoudingen, dat wil zeggen onder omstandigheden die grotendeels niet kunnen worden beïnvloed door de landbouwers(14). Tegen deze achtergrond is de bestreden regeling vastgesteld om de transparantie en de eerlijkheid van handelstransacties te bevorderen.

15. Het doel was een bijzondere regeling te treffen voor de „uitvoer” van Jerseyaardappelen naar naburige eilanden en het Verenigd Koninkrijk, waar, zoals ik zojuist heb aangegeven, bijna de gehele productie wordt afgezet. Volgens paragraaf 2 van de bestreden regeling, waarin de geografische werkingssfeer ervan wordt gedefinieerd, doelt de term „uitvoer” op de „verzending van aardappelen voor verkoop buiten het eiland, rechtstreeks dan wel via een andere plaats, naar een bestemming in het Verenigd Koninkrijk, de Bailiwick of Guernsey of het eiland Man voor consumptie aldaar”.

16. De kern van de bestreden regeling wordt gevormd door een dubbele verplichting, waarvan de niet-naleving een strafbaar feit oplevert.

17. Meer precies verplicht zij de producenten van Jerseyaardappelen die hun producten willen „uitvoeren” ertoe, zich te laten registreren bij de Jersey Potato Export Marketing Board (het orgaan dat bij de wet van 2001 is ingesteld om de betrokken regeling uit te voeren)(15) en daarmee een afzetovereenkomst te sluiten.(16)

18. De verplichting om een afzetovereenkomst met de PEMB te sluiten geldt ook voor de afzetorganisaties die de Jerseyaardappelen die zij van de producenten hebben ontvangen, willen „uitvoeren”.(17)

19. Niet-naleving van deze verplichtingen levert een strafbaar feit op. Eenieder die in strijd met de bestreden regeling Jerseyaardappelen verkoopt, te koop aanbiedt of probeert te kopen, wordt namelijk gestraft met een geldboete van ten hoogste 200 GBP en/of een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

20. Uit de bestreden regeling volgt verder dat, wanneer een producent van Jerseyaardappelen inbreuk maakt op de bepalingen van de met de PEMB gesloten afzetovereenkomst, de PEMB hem een sanctie kan opleggen en in geval van recidive de bevoegde autoriteiten van de States kan inlichten, teneinde zijn naam in het door de PEMB gehouden register te laten doorhalen, waardoor deze producent geen nieuwe afzetovereenkomst meer kan sluiten.

21. Naast deze sanctiebevoegdheden kan de PEMB krachtens de bestreden regeling alle bij haar geregistreerde producenten ertoe verplichten, een bijdrage te betalen aan een fonds dat dient om haar voornaamste kosten te dekken(18), zelfs indien de producent geen afzetovereenkomst heeft gesloten.

II — Het hoofdgeding

22. Deze bij de bestreden regeling ingevoerde nieuwe regeling voor de „uitvoer” van Jerseyaardappelen naar naburige eilanden en het Verenigd Koninkrijk had in beginsel op 1 maart 2002 in werking moeten treden.

23. De inwerkingtreding ervan is echter door de Royal Court of Jersey opgeschort in het kader van een gerechtelijke procedure („judicial review”), waarin de geldigheid van de bestreden regeling in het licht van met name het gemeenschapsrecht ter discussie is gesteld.

24. Deze procedure is tegen de States en de PEMB ingesteld door één van de vier afzetorganisaties die de „uitvoer” van Jerseyaardappelen naar het Verenigd Koninkrijk verzorgen (Jersey Produce Marketing Organisation Ltd).(19) Ter ondersteuning van deze vordering zijn een andere afzetorganisatie, die samen met JPMO ongeveer 80 % van deze „uitvoer” verzorgt (Top Produce Ltd)(20), alsmede de moedermaatschappij van laatstgenoemde, die ongeveer 12 tot 15 % van de Jerseyaardappelen produceert en uitvoert (Fairview Farm Ltd)(21), toegelaten tot interventie.

25. Enkele maanden na de opschorting van de inwerkingtreding van de betrokken nieuwe regeling hebben de States en de PEMB verzocht om opheffing van deze opschorting met ingang van 1 oktober 2002 (na het hoogtepunt van het aardappelseizoen). Dit verzoek is door de Royal Court of Jersey afgewezen, zodat de inwerkingtreding van deze regeling opgeschort blijft.

III — De prejudiciële vragen

26. Tegelijk met de opschorting van de inwerkingtreding van de bestreden nieuwe regeling heeft de Royal Court of Jersey de behandeling van de zaak over de geldigheid van de bestreden regeling geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Moet een wettelijke regeling als die over de uitvoer van aardappelen van Jersey naar het Verenigd Koninkrijk, worden aangemerkt als een met artikel 29 EG strijdige maatregel van gelijke werking als kwantitatieve uitvoerbeperkingen, omdat rechtstreeks van Jersey naar het Verenigd Koninkrijk verzonden aardappels via een andere lidstaat kunnen worden vervoerd, zonder evenwel het vrachtschip te verlaten?

  2. Moet een wettelijke regeling als die over de uitvoer van aardappelen van Jersey naar het Verenigd Koninkrijk, als onverenigbaar met de artikelen 23 EG, 25 EG, 28 EG en 29 EG worden aangemerkt, voorzover zij het handelsverkeer tussen dat eiland en het Verenigd Koninkrijk (met Guernsey en het eiland Man) kan beïnvloeden of in verband met dat handelsverkeer tot het opleggen van heffingen kan leiden?”

27. Met deze twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de afzet van uit Jersey afkomstige landbouwproducten (zoals aardappelen) in het Verenigd Koninkrijk, het baljuwschap Guernsey of het eiland Man afhankelijk wordt gesteld van de vervulling van diverse formaliteiten, zoals de registratie van producenten bij een plaatselijke openbare instelling, het sluiten van afzetovereenkomsten tussen deze instelling en de betrokken marktdeelnemers (op straffe van geldboetes) en eventuele bijdragen van producenten aan een fonds dat dient om de activiteiten van deze instelling te financieren.

IV — Beoordeling

28. Om deze vraag te beantwoorden moet eerst worden onderzocht of de communautaire bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op Jersey bij de afzet van landbouwproducten zoals aardappelen.

29. Alleen indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de vraag moeten worden gesteld of deze bepalingen, in het bijzonder de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG, kunnen worden toegepast op de situaties waarop de bestreden regeling doelt, dat wil zeggen de handel in goederen tussen Jersey en het Verenigd Koninklijk of tussen Jersey en de andere Kanaaleilanden en het eiland Man, gelet op de bijzondere status van deze eilanden ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk.

30. Alleen indien dat het geval is, moet worden onderzocht of deze verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen zich daadwerkelijk tegen de bestreden regeling verzetten.

A — Toepasselijkheid van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op Jersey wat de afzet van landbouwproducten zoals aardappelen betreft

31. Op grond van een regel die in het internationale publiekrecht algemeen is aanvaard(22), omvat de geografische werkingssfeer van het Verdrag in beginsel het grondgebied van de lidstaten van de Gemeenschap, waarvoor dit verdrag verbindend is. Om te bepalen of het Verdrag van toepassing is op een bepaald geografisch gebied, moet derhalve allereerst worden onderzocht of dat gebied deel uitmaakt van het grondgebied van één van de lidstaten, zoals dat door het nationale recht van die lidstaat wordt gedefinieerd.

32. Deze eerste exercitie is echter niet beslissend, omdat de territoriale werkingssfeer van het Verdrag niet precies samenvalt met het grondgebied van iedere lidstaat, zoals dat door zijn nationale recht wordt gedefinieerd. Dit volgt uit verscheidene bepalingen van het Verdrag en in het bijzonder uit artikel 299, lid 4, EG, volgens hetwelk „[d]e bepalingen van dit Verdrag [...] van toepassing [zijn] op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd”.

33. Dit is precies de situatie van Jersey. Evenals de andere Kanaaleilanden en het eiland Man maakt dit eiland namelijk geen deel uit van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk.(23) Hieruit volgt dat Jersey op nationaal niveau ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk in hoge mate autonoom is op het gebied van zowel wetgeving, bestuur als rechtspraak.(24) Op internationaal niveau is het echter sterk afhankelijk van het Verenigd Koninkrijk, omdat deze lidstaat de buitenlandse betrekkingen van Jersey behartigt.(25) Toen de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Gemeenschap werd overwogen, kon dus worden gevreesd dat het Verdrag krachtens artikel 299, lid 4, EG integraal van toepassing zou zijn op het Europese grondgebied dat wordt gevormd door Jersey en op de andere Kanaaleilanden en het eiland Man.(26)

34. Gelet op deze context is besloten een bijzondere regeling voor deze eilanden te treffen, teneinde rekening te houden met de bijzondere relatie die zij sinds lange tijd met het Verenigd Koninkrijk onderhielden.(27)

35. Bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der verdragen(28) is een precisering met die strekking ingevoerd. Artikel 299, lid 6, sub c, EG (dat zijn oorsprong heeft in deze Akte) bepaalt dat in afwijking van lid 4 van dit artikel „de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing [zijn] voorzover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Economische Gemeenschap [...]”.

36. Met andere woorden, op deze eilanden, Jersey inbegrepen, zijn de bepalingen van het Verdrag niet integraal van toepassing, maar slechts gedeeltelijk, en wel binnen de grenzen van de voor hen getroffen bijzondere regeling.

37. De leidende beginselen van deze bijzondere regeling zijn uiteengezet in Protocol nr. 3, dat is gehecht aan de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden. Daaruit blijkt dat de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen of diensten weliswaar niet van toepassing zijn op Jersey(29), maar dat dat niet geldt voor de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen.

38. Zoals bekend bepaalt artikel 1, lid 1, van Protocol nr. 3 immers: „De communautaire regeling inzake douaneaangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen en met name die vervat in de Akte van toetreding, is ten aanzien van de Kanaaleilanden [...] onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden. In het bijzonder worden de douanerechten en de heffingen van gelijke werking tussen deze gebieden en de Gemeenschap [...] geleidelijk verlaagd overeenkomstig het ritme bepaald in de artikelen 32 en 36 van de Akte van toetreding”.

39. Uit deze bepalingen volgt dat alle bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen van Titel I van het Derde deel van het Verdrag en van handelingen van afgeleid recht op Jersey van toepassing zijn. Dit geldt met name ook voor de in de artikelen 23 EG en 25 EG(30) (inzake in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking) en de artikelen 28 EG en 29 EG (inzake kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking) vastgelegde regels.

40. In aansluiting op deze algemene bepalingen met betrekking tot de toepasselijkheid van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen (ongeacht hun aard) bevat Protocol nr. 3 specifieke bepalingen voor bepaalde goederen, namelijk landbouwproducten en de door verwerking daarvan verkregen producten.

41. Zoals ik immers reeds heb aangegeven, bepaalt artikel 1, lid 2, eerste alinea, van dit protocol: „Voor landbouwproducten en voor door verwerking daarvan verkregen producten, waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de communautaire regeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast”.

42. Artikel 1, lid 2, tweede alinea, van dit protocol voegt daaraan toe: „Tevens zijn die bepalingen van de communautaire regeling en met name van de Akte van toetreding van toepassing die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van de normale concurrentievoorwaarden in het handelsverkeer van deze producten mogelijk te maken”.

43. Mijns inziens is artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3 van toepassing op landbouwproducten zoals aardappelen, zodat de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing is op Jersey bij de afzet van aardappelen die op zijn grondgebied zijn geproduceerd.

44. In tegenstelling namelijk tot wat JPMO stelt, is het amper van belang dat er voor aardappelen geen gemeenschappelijke marktordening bestaat.(31)

45. Artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3, bepaalt inderdaad dat de betrokken communautaire regeling, met name de regeling die ertoe dient het vrije verkeer van goederen te verzekeren, van toepassing is op de in de voorgaande alinea bedoelde producten. Die alinea verwijst naar „landbouwproducten en [...] door verwerking daarvan verkregen producten, waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat”.(32)

46. De formulering van deze bepaling zou dan ook de indruk kunnen wekken dat ten aanzien van landbouwproducten voor de toepassing op Jersey van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen als voorwaarde wordt gesteld dat voor deze landbouwproducten (evenals voor de door verwerking ervan verkregen producten) een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat.(33)

47. Volgens JPMO doelt de uitdrukking „speciale regeling van het handelsverkeer” ook op de gemeenschappelijke marktordening, zodat landbouwproducten waarvoor, net als aardappelen, een dergelijke maatregel niet bestaat, niet binnen de werkingssfeer van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen vallen. Daaruit zou volgen dat de afzet van Jerseyaardappelen niet is onderworpen aan de regeling inzake het vrije verkeer van goederen.

48. Ik onderschrijf deze beperkte uitlegging van artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3 niet en wel om de volgende redenen.

49. Allereerst wil ik erop wijzen dat een andere uitlegging van deze bepaling verdedigbaar is wanneer deze bepaling samen met artikel 1, lid 2, eerste alinea, van dit protocol wordt gelezen. De eerste alinea van dit artikel heeft immers betrekking op het handelsverkeer tussen de betrokken eilanden en derde landen, terwijl de tweede alinea eerder betrekking lijkt te hebben op het handelsverkeer binnen de Gemeenschap. Wat voor het eerste soort handelsverkeer geldt, geldt echter niet noodzakelijkerwijs voor de tweede soort.

50. Wellicht wil men met de in artikel 1, lid 2, eerste alinea, van Protocol nr. 3 gebezigde uitdrukking „speciale regeling van het handelsverkeer” namelijk enkel benadrukken dat dit artikel betrekking heeft op de handel — met derde landen — in bepaalde producten van de landbouwsector waarvoor specifieke mechanismen zijn ingesteld, zoals heffingen of andere invoermaatregelen, zoals bijvoorbeeld douanerechten (waarvan de hoogte in het algemeen overeenkomstig het gemeenschappelijk douanetarief wordt vastgelegd). De vermelding van het bestaan van een speciale regeling van het handelsverkeer past aldus moeiteloos binnen het kader van de regeling van artikel 1, lid 2, eerste alinea, van dit protocol, aangezien deze bepaling nu juist tot doel heeft de toepassing van de communautaire regeling inzake heffingen en andere invoermaatregelen uit te breiden tot de betrokken eilanden.

51. Het lijkt daarentegen moeilijk een verband te ontwaren tussen het bestaan van een „speciale regeling van het handelsverkeer”, in de zin van een specifieke regeling van het handelsverkeer met derde landen, en de doelstelling van artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3, aangezien die bepaling primair tot doel heeft de handel in producten binnen de Gemeenschap te regelen.

52. Daaruit leid ik af dat artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3 met zijn verwijzing naar de in de eerste alinea van deze bepaling bedoelde producten aldus kan worden opgevat, dat het eenvoudigweg doelt op landbouwproducten en de door de verwerking daarvan verkregen producten, ongeacht of zij al dan niet onder een „speciale regeling van het handelsverkeer” in de zin van een specifieke regeling voor het handelsverkeer met derde landen vallen.

53. Zo lijkt dit artikel van Protocol nr. 3 mijns inziens niet te betekenen, zulks in tegenstelling tot wat JPMO betoogt, dat ten aanzien van landbouwproducten zoals aardappelen voor de toepassing op Jersey van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen de voorwaarde wordt gesteld dat deze producten onder een gemeenschappelijke marktordening vallen.

54. Deze conclusie dringt zich te meer op wanneer men verordening nr. 706/73 leest, die is vastgesteld op basis van artikel 1, lid 2, derde alinea, van Protocol nr. 3 teneinde te preciseren onder welke voorwaarden op het grondgebied van de betrokken eilanden de krachtens de voorgaande alinea's op deze gebieden toepasselijke communautaire regeling ten uitvoer wordt gebracht.

55. Ik herinner aan de inhoud van artikel 1, lid 1, van deze verordening: „De communautaire regeling voor het Verenigd Koninkrijk, betreffende het handelsverkeer in landbouwproducten welke vallen onder bijlage II van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap alsmede in de goederen welke vallen onder verordening nr. 170/67/EEG en verordening (EEG) nr. 1059/69, is van toepassing op de eilanden, met uitzondering van de bepalingen betreffende de bij uitvoer door het Verenigd Koninkrijk toegekende restituties en compenserende bedragen”.

56. Dit artikel betreft zowel de handel in deze producten of deze goederen binnen de Gemeenschap als het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen.

57. Niets in de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 706/73 wekt de indruk dat landbouwproducten zoals aardappelen zouden ontkomen aan de toepassing (op het grondgebied van de betrokken eilanden) van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen, op grond dat deze producten niet onder een gemeenschappelijke marktordening vallen. Wat dat betreft is de redactie van deze verordening duidelijk bevredigender dan die van Protocol nr. 3, waarvan sommige bepalingen dermate onduidelijk waren dat de daarin aangebrachte verduidelijkingen zeker gerechtvaardigd waren.

58. Zoals de Commissie terecht benadrukt, is de enige voorwaarde die in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 706/73 wordt gesteld voor de toepassing op landbouwproducten van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen, dat deze producten vallen onder bijlage II van het EEG-Verdrag (thans bijlage I EG).(34)

59. Aardappelen voldoen, zoals gezegd, aan deze voorwaarde.(35) Daaruit volgt dat de bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen op Jersey van toepassing zijn ter regeling van de afzet van aldaar geproduceerde aardappelen.

60. Wat dat betreft is het van weinig belang dat een groot deel van het gemeenschappelijke landbouwbeleid niet van toepassing is op Jersey(36), ondanks het traditionele verband tussen enerzijds de werking en de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor landbouwproducten en anderzijds de totstandbrenging van een gemeenschappelijk landbouwbeleid.(37)

61. De bijzondere situatie waarin Jersey zich met betrekking tot het gemeenschappelijke landbouwbeleid bevindt, vloeit immers voort uit de bewoordingen van Protocol nr. 3 en verordening nr. 706/73, waaruit ook volgt, zoals zojuist is gebleken, dat de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van goederen op dit grondgebied van toepassing is ter regeling van de afzet van aldaar geproduceerde aardappelen.

62. Indien ten aanzien van dit handelsverkeer de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen niet hoefden te worden nageleefd enkel omdat Jersey niet geheel binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijke landbouwbeleid valt, zou dit er dus op neerkomen dat aan sommige bepalingen van Protocol nr. 3 en verordening nr. 706/73 hun nuttig effect wordt ontnomen, waarmee zowel de algemene opzet van deze handelingen als de wil van de gemeenschapswetgever zou worden miskend.

63. Ik trek hieruit de conclusie dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op Jersey van toepassing zijn en de afzet regelen van aardappelen die op het grondgebied van dit eiland zijn geproduceerd.

64. Nu dit als beginsel is geformuleerd, moet worden onderzocht of voornoemde regels van toepassing kunnen zijn op de bijzondere situaties die onder de bestreden regeling vallen.

B — Toepasselijkheid van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op de situaties die onder de bestreden regeling vallen

65. Voordat de specifieke vraag wordt onderzocht of de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op de situaties die onder de bestreden regeling vallen, wil ik enkele inleidende opmerkingen maken over, ten eerste, de status van de Kanaaleilanden en het eiland Man ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot de uitvoering van de communautaire regeling inzake het vrije verkeer van landbouwproducten en, ten tweede, de concrete situaties die moeten worden geacht onder de bestreden regeling te vallen.

1) Inleidende opmerkingen

66. Zoals ik zojuist heb uiteengezet, volgt mijns inziens uit artikel 1, lid 2, tweede alinea, van Protocol nr. 3, juncto artikel 1, lid 1, van verordening nr. 706/73 dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op Jersey van toepassing zijn ter regeling van de afzet van aardappelen die op het grondgebied van dit eiland zijn geproduceerd.

67. Zoals gezegd, preciseert artikel 1, lid 2, van deze verordening dat „[v]oor de toepassing van de in lid 1 bedoelde regeling het Verenigd Koninkrijk en de eilanden als één lidstaat [worden] beschouwd”.

68. Daaruit volgt dat Jersey, voor de toepassing van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op landbouwproducten zoals aardappelen, moet worden beschouwd als een integraal onderdeel van het Verenigd Koninkrijk. Hetzelfde geldt voor de andere Kanaaleilanden en het eiland Man. Voor de toepassing van de communautaire regeling op dit gebied kunnen de betrekkingen tussen deze eilanden en het Verenigd Koninkrijk dan ook niet worden gelijkgesteld met die welke bestaan tussen een derde land en een lidstaat of tussen twee lidstaten.(38)

69. In deze omstandigheden kan men zich afvragen, of de situaties die onder de bestreden afzetregeling voor Jerseyaardappelen vallen, niet moeten worden beschouwd als zuiver interne situaties van één enkele lidstaat, namelijk het Verenigd Koninkrijk.

70. Zoals ik reeds heb aangegeven, voorziet de bestreden regeling immers in een bijzondere regeling voor de „uitvoer” van Jerseyaardappelen naar het Verenigd Koninkrijk (waar bijna de gehele productie wordt afgezet). Volgens artikel 2 van de bestreden regeling omvat de term „uitvoer”„de verzending van aardappelen voor verkoop buiten het eiland, rechtstreeks dan wel via een andere plaats, naar een bestemming in het Verenigd Koninkrijk, de Bailiwick of Guernsey of het eiland Man voor consumptie aldaar”.

71. Het staat vast dat de bestreden regeling ingevolge voornoemd artikel 2 van toepassing is wanneer aardappelen per ferry van Jersey naar het Verenigd Koninkrijk worden verzonden, hetzij rechtstreeks, hetzij via de haven van een andere lidstaat (zoals de Franse haven Caen) zonder deze ferry te verlaten. Hetzelfde geldt voor aardappelen die al dan niet rechtstreeks van Jersey worden verzonden naar de eilanden van het baljuwschap Guernsey of het eiland Man.

72. Afgezien van deze gevallen hebben partijen in het hoofdgeding sterk uiteenlopende uitleggingen bepleit van de territoriale werkingssfeer van de bestreden regeling.(39) Het is echter vaste rechtspraak dat in het kader van de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties in de prejudiciële procedure het alleen aan de nationale rechters en niet aan het Hof staat om het nationale recht uit te leggen.(40)

73. Overeenkomstig de uitlegging van artikel 2 van de bestreden regeling die de verwijzende rechter hanteert, ga ik er derhalve van uit dat deze regeling niet van toepassing is op de situatie waarin aardappelen eerst voor verwerking (zoals reiniging, verpakking of opzakking) naar Frankrijk worden gezonden en vervolgens worden doorvervoerd naar het Verenigd Koninkrijk om daar te worden verkocht en geconsumeerd.(41)

74. Hoewel de verwijzende rechter zich niet uitdrukkelijk over deze situatie heeft uitgesproken, ga ik er ook van uit dat de bestreden regeling evenmin van toepassing is op de situatie waarin aardappelen worden verkocht aan een in Frankrijk of een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer en vervolgens door deze (in oorspronkelijke staat of na te zijn verwerkt) worden doorverkocht om te worden geconsumeerd in het Verenigd Koninkrijk.

75. De verwijzende rechter heeft zich immers aangesloten bij de door de States bepleite uitlegging dat de uitdrukking „rechtstreeks dan wel via een andere plaats” uitsluitend betrekking heeft op de zeeroute die wordt gevolgd om de aardappelen naar buiten het eiland te verzenden.(42) Hij leidt daaruit af, zoals ik zojuist heb aangegeven, dat de bestreden regeling niet van toepassing is op de situatie waarin aardappelen naar Frankrijk worden verzonden om daar te worden verwerkt en vervolgens verder worden vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk om daar te worden verkocht en geconsumeerd. Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor het geval dat aardappelen worden verkocht aan een in Frankrijk of een andere lidstaat gevestigde marktdeelnemer en vervolgens door deze (in oorspronkelijke staat of na te zijn verwerkt) worden doorverkocht om te worden geconsumeerd in het Verenigd Koninkrijk, omdat een dergelijke transactie, net als de hiervoor genoemde transactie, het beperkte kader waarbinnen volgens de verwijzende rechter de betrokken uitdrukldng valt, namelijk het kader van louter goederenvervoer, overschrijdt.

76. Nu de territoriale reikwijdte van de bestreden regeling aldus is afgebakend, moet worden vastgesteld of bepaalde verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing kunnen zijn op afzetmaatregelen voor aardappelen, die onder deze bestreden regeling vallen.

77. Mijn onderzoek zal betrekking hebben op zowel de artikelen 23 EG en 25 EG als artikel 29 EG. De verwijzende rechter noemt ook artikel 28 EG, maar ik zal dat artikel buiten beschouwing laten, omdat het hoe dan ook niet relevant is, aangezien de bestreden regeling uitsluitend geldt voor de verzending van aardappelen naar buiten het eiland Jersey en niet op het binnenbrengen van aardappelen op het grondgebied van dit eiland.

2) Toepasselijkheid van de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG op de situaties die onder de bestreden regeling vallen

78. Vooraf wijs ik erop dat de vraag of de artikelen 23 EG en 25 EG van toepassing zijn op de situaties die onder de bestreden regeling vallen, enkel van belang is met betrekking tot de eventuele bijdrage aan de PEMB en niet met betrekking tot de geldboetes die ertoe dienen de naleving van de bij de bestreden afzetregeling opgelegde verplichtingen te verzekeren, want deze sancties moeten veeleer worden aangemerkt als maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 29 EG.

79. Wat de eventuele bijdrage aan de PEMB betreft, beschik ik ten aanzien van dit aspect van de bestreden regeling over weinig informatie. Onder voorbehoud van het onderzoek dat de nationale rechter op dit punt zal moeten verrichten, ga ik ervan uit dat de hoogte van de bestreden bijdrage, zoals de Commissie stelt, wordt berekend aan de hand van de hoeveelheid aardappelen die in het voorgaande jaar door de betrokken producent (naar het Verenigd Koninkrijk, het baljuwschap Guernsey of het eiland Man) is verzonden, dan wel op basis van de oppervlakte die deze in dezelfde periode voor de aardappelteelt heeft gebruikt.(43)

80. Dat is het kader waarbinnen de vraag rijst of de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG van toepassing zijn op de situaties die onder de bestreden regeling vallen. Ik zal bij mijn onderzoek van deze vraag beginnen bij de bewoordingen van de artikelen 23 EG, 25 EG, 28 EG en 29 EG en vervolgens de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof op dit terrein nalopen, om de grote lijnen ervan te schetsen en de draagwijdte en de grenzen ervan af te bakenen ten opzichte van de situaties die onder de bestreden regeling vallen.

a) De bewoordingen van de artikelen 23 EG, 25 EG, 28 EG en 29 EG en hoe daarmee rekening is gehouden in de traditionele rechtspraak van het Hof betreffende de territoriale werkingssfeer van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen

81. Bij lezing van de artikelen 23 EG, 25 EG, 28 EG en 29 EG, die in het verlengde liggen van artikel 3, lid 1, sub a, EG, lijkt het duidelijk dat de enige (tarifaire of non-tarifaire) belemmeringen van het vrije verkeer van goederen die in deze artikelen worden verboden, de belemmeringen zijn die betrekking hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten en niet die welke betrekking hebben op het handelsverkeer tussen de verschillende delen van het grondgebied van één enkele lidstaat.(44)

82. Het Hof heeft bij herhaling aan deze evidentie herinnerd met betrekking tot nationale regelingen die de afzet van goederen op dubbele wijze beïnvloeden: zowel in het handelsverkeer met andere lidstaten als in de handel binnen de lidstaat die de regeling heeft vastgesteld.(45)

83. Ten aanzien van deze regelingen, die in strijd met de artikelen 28 EG of 29 EG zijn verklaard, maakte het Hof weloverwogen onderscheid tussen het handelsverkeer tussen de lidstaten (dat onder de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen valt) en de handel binnen de betrokken lidstaat (die niet onder deze verdragsregels valt).(46) Het Hof verklaarde daarbij dat een nationale regeling niet aan het verbod van artikel 28 EG kan ontsnappen op grond dat deze regeling ook de handel in goederen binnen de betrokken lidstaat beïnvloedt.(47)

84. Uit deze rechtspraak volgt dat, om te bepalen of een nationale maatregel binnen de werkingssfeer van de artikelen 28 EG of 29 EG valt, moet worden onderzocht of deze maatregel het handelsverkeer tussen lidstaten kan beïnvloeden. Indien een dergelijke maatregel alleen het handelsverkeer binnen één enkele lidstaat beïnvloedt en niet het handelsverkeer tussen verschillende lidstaten, valt deze maatregel derhalve niet onder de in de artikelen 28 EG en 29 EG vastgelegde verdragsregels.

85. Deze rechtspraak is toegepast op de vergelijkbare situatie waarin plaatselijke regelingen, die op slechts een deel van het grondgebied van een lidstaat van toepassing zijn, de handel in goederen tussen dat deel van het nationale grondgebied en de andere lidstaten, alsook het handelsverkeer tussen dat deel van het nationale grondgebied en de overige delen van het grondgebied van dezelfde lidstaat beïnvloeden.(48)

86. Om de artikelen 28 EG of 29 EG van toepassing te doen zijn, moeten de betrokken goederen dus overgaan van het grondgebied van één lidstaat (of een deel ervan) naar het grondgebied van een andere lidstaat (of een deel ervan), dat wil zeggen dat de goederen die het grondgebied, of een deel ervan, van een lidstaat worden binnengebracht afkomstig zijn uit een andere lidstaat (of een deel ervan) en dat goederen van nationale of plaatselijke herkomst bestemd zijn voor een andere lidstaat (of een deel ervan). Wanneer de uit een lidstaat afkomstige producten alleen overgaan van één regio naar een andere regio van dezelfde lidstaat, is niet voldaan aan de fundamentele voorwaarde voor de toepassing van de artikelen 28 EG of 29 EG, zodat geen van beide artikelen van toepassing is. Deze fundamentele voorwaarde hangt samen met de overschrijding van een grens van de ene lidstaat naar een andere, dat wil zeggen de overschrijding van een grens die ik „een grens tussen staten” zal noemen, waar dan ook, of dat nu aan de grens van het nationale grondgebied of van een deel daarvan is.(49)

87. Het streven van het Hof om de toepassing van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen, zoals artikel 28 EG, te beperken tot enkel het handelsverkeer tussen lidstaten, is ook tot uitdrukking gebracht in het kader van de toetsing van verschillende nationale regelingen die producten van nationale oorsprong (die geen deel hadden uitgemaakt van het handelsverkeer tussen lidstaten) onderwierpen aan een minder gunstige afzetregeling dan die welke gold voor uit andere lidstaten ingevoerde producten.(50) Deze nationale regelingen leverden bijzondere problemen op, omdat er een situatie van „omgekeerde discriminatie” uit voortvloeide.

88. Gelet op deze problemen benadrukte het Hof dat artikel 28 EG „tot doel [heeft] belemmeringen van de invoer van goederen op te heffen, en niet om nationale goederen in alle gevallen dezelfde behandeling te waarborgen als ingevoerde of wederingevoerde goederen”.(51) Het trok daaruit de conclusie dat „[o]ngelijke behandeling van goederen [...] niet onder het verbod van dit artikel [valt], wanneer zulks de invoer niet belemmert, noch de verkoop van de ingevoerde of wederingevoerde goederen bemoeilijkt”.(52)

89. Uit al deze ontwikkelingen in de rechtspraak volgt dat de artikelen 28 EG en 29 EG niet van toepassing zijn op de handel in goederen in zuiver interne situaties van een lidstaat. Gelet op deze rechtspraak had men kunnen verwachten dat hetzelfde zou gelden voor de toepassing van de artikelen 23 EG en 25 EG, aangezien de formulering van deze artikelen, zoals wij hebben gezien, evenals die van de artikelen 28 EG en 29 EG, naar de betrekkingen tussen lidstaten verwijst.

90. Het Hof heeft echter anders besloten. Dat volgt uit het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, en de arresten van 14 september 1995, Simitzi(53), en 9 september 2004, Carbonati Apuani.(54) Deze arresten wijken in belangrijke mate af van de traditionele rechtspraak van het Hof betreffende de territoriale werkingssfeer van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen. Voordat ik de draagwijdte en de grenzen van deze nieuwe lijn in de rechtspraak ten aanzien van situaties die onder de bestreden regeling vallen, zal onderzoeken, zal ik eerst de verschillende stadia ervan schetsen.

b) De ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof betreffende de territoriale werkingssfeer van de artikelen 23 EG en 25 EG

91. In de lijn van het arrest van 16 juli 1992, Legros e.a.(55), verklaarde het Hof in het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, dat het zogenoemde „octroi de mer” waarin de Franse regeling voorzag, een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 25 EG vormde.

92. Deze heffing werd toegepast in de Franse overzeese departementen en werd gelegd op goederen die in dat deel van het Franse grondgebied werden binnengebracht, ongeacht de herkomst ervan, zodat zij zowel op uit andere lidstaten afkomstige producten als op uit andere delen van het grondgebied van dezelfde lidstaat afkomstige producten werd toegepast.

93. In het arrest Legros e.a., reeds aangehaald, benadrukte het Hof enkel dat „[e]en heffing die aan een regionale grens wegens het binnenbrengen van producten in een regio van een lidstaat wordt toegepast, [...] een minstens even ernstige belemmering voor het vrije verkeer van goederen [vormt] als een heffing die bij de nationale grens wordt toegepast wegens het binnenbrengen van producten in een lidstaat als geheel”.(56) Dienaangaande gaf het Hof slechts aan dat „[d]e omstandigheid dat een dergelijke heffing ook op goederen uit andere delen van de betrokken lidstaat wordt gelegd, [...] er niet aan af[doet], dat zij afbreuk doet aan de eenheid van het communautaire douanegebied”.(57)Deze overwegingen liggen in de lijn van de zojuist uiteengezette rechtspraak.(58)

94. Deze overwegingen zijn nadien echter, in punt 29 van het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, nader uitgewerkt, waarmee een totaal andere richting is ingeslagen dan de richting die tot dusver was gevolgd. Het Hof benadrukte namelijk dat „[h]et beginsel zelf van de douane-unie, die zich [...] over het gehele goederenverkeer uitstrekt, [...] immers [vereist] dat het vrije verkeer van goederen binnen de unie over de gehele lijn is verzekerd en niet alleen in de handel tussen de lidstaten”, en preciseerde: „Dat in de artikelen [...] [23 EG en 25 EG] alleen de handel tussen de lidstaten uitdrukkelijk wordt vermeld, heeft hiermee te maken, dat aan het bestaan van heffingen met de kenmerken van een douanerecht binnen de staten zelf nooit is gedacht”. Het Hof trok hieruit de conclusie dat „[d]e afwezigheid van zulke heffingen [...] een onontbeerlijke voorwaarde [is] voor de verwezenlijking van een douane-unie die het gehele goederenverkeer omvat, zodat zij ingevolge de artikelen [...] [23 EG en 25 EG] verboden zijn”.

95. In hetzelfde arrest voegde het Hof aan dit hoofdargument twee andere argumenten toe.

96. Allereerst onderstreepte het Hof dat het octroi de mer werd gelegd op alle producten die in het betrokken overzeese departement werden binnengebracht, ongeacht hun herkomst, zodat deze maatregel van toepassing was op een situatie die niet kon worden beschouwd als een zuiver interne situatie van een lidstaat. Dienaangaande overwoog het Hof dat „het onlogisch [ware] het octroi de mer wel als een heffing van gelijke werking te beschouwen wanneer het wordt geheven over uit andere lidstaten afkomstige producten, en niet wanneer het wordt geheven over producten uit het Franse moederland”.(59)

97. Bovendien gaf het Hof hoe dan ook aan, dat het in de praktijk zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zou zijn om een onderscheid te maken tussen nationale producten en producten uit andere lidstaten, zonder diverse verificaties uit te voeren die het vrije verkeer van goederen juist zouden belemmeren.(60)

98. Gelet op deze reeks argumenten verklaarde het Hof in het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, dat het bestreden octroi de mer een heffing van gelijke werking als een invoerrecht was, „niet alleen voorzover zij wordt gelegd op goederen die uit andere lidstaten naar die regio worden gebracht, maar ook voorzover zij wordt gelegd op goederen die uit een ander deel van het grondgebied van die staat in die regio worden binnengebracht”.(61)

99. Deze rechtspraak betreffende de invoer van goederen is in de arresten Simitzi en Carbonati Apuani, reeds aangehaald, toegepast op de uitvoer van goederen.

100. De zaak Simitzi, reeds aangehaald, had betrekking op een gemeentelijke heffing op goederen die de Dedokanesos werden binnengebracht (ongeacht hun herkomst) of uit dat deel van het Griekse grondgebied werden verzonden (ongeacht hun bestemming). Overeenkomstig het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, verklaarde het Hof dat deze heffing een heffing van gelijke werking als een invoerrecht en een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht was, met name omdat zij door een lidstaat werd gelegd op goederen die in een regio van zijn grondgebied werden binnengebracht en uitsluitend uit andere regio's van diezelfde staat afkomstig waren, alsmede op goederen die vanuit een bepaalde regio uitsluitend naar andere regio's van diezelfde staat werden gebracht.(62)

101. De reeds genoemde zaak Carbonati Apuani betrof een gemeentelijke heffing op marmer dat op het grondgebied van deze gemeente (de gemeente Carrara) was gewonnen, die werd toegepast wanneer het marmer dat deel van het Italiaanse grondgebied verliet. Het Hof verklaarde dat een dergelijke heffing een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht in de zin van artikel 23 EG was, ook al werd zij ook toegepast op goederen waarvan de eindbestemming binnen het grondgebied van die lidstaat was gelegen.(63) Het Hof herhaalde twee van de in het voornoemde arrest Lancry e.a. uiteengezette argumenten en werkte deze nader uit met betrekking tot, ten eerste, de vereisten van de douane-unie en, ten tweede, de omstandigheid dat de betrokken maatregel niet werd toegepast op een zuiver interne situatie van een lidstaat.

102. Het eerste argument — dat het hoofdargument blijft — werkte het Hof aldus uit dat het benadrukte dat de artikelen 23 EG e.v. moeten worden gelezen in het licht van artikel 14, lid 2, EG, dat de interne markt omschrijft als „een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag”. Aangezien in deze bepaling geen enkel onderscheid wordt gemaakt tussen de grenzen tussen de lidstaten en de grenzen binnen één lidstaat, leidde het Hof hieruit in de lijn van het genoemde arrest Lancry e.a. af dat „de afwezigheid van heffingen met de kenmerken van een douanerecht of een heffing van gelijke werking zowel tussen de lidstaten als binnen één lidstaat een onontbeerlijke voorwaarde [vormt] voor de verwezenlijking van een douane-unie waarin het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd”.(64)

103. Met betrekking tot het tweede argument stelde het Hof vast, dat de bestreden heffing werd toegepast op alle marmer van Carrara dat het grondgebied van deze gemeente verliet, zonder dat een onderscheid werd gemaakt tussen het marmer waarvan de eindbestemming in Italië was gelegen, en het marmer dat voor andere lidstaten was bestemd. Het Hof trok hieruit de conclusie, dat deze heffing door haar aard en draagwijdte de handel tussen de lidstaten beïnvloedde.

104. Nu de stand van de rechtspraak is uiteengezet, zal ik de draagwijdte en de grenzen ervan ten aanzien van de onder de bestreden regeling vallende situaties onderzoeken.

c) De draagwijdte en de grenzen van voornoemde arresten Lancry e.a., Simitzi en Carbonati Apuani

105. Indien men de arresten Lancry e.a., Simitzi en Carbonati Apuani leest, lijkt het onomstreden, dat de artikelen 23 EG en 25 EG van toepassing zijn op situaties als díe welke onder de in het hoofdgeding aan de orde gestelde regeling vallen. Volgens deze rechtspraak kan een heffing immers worden getroffen door het in deze artikelen gestelde verbod wanneer deze heffing wordt opgelegd wegens de overschrijding van een grens, of dit nu een grens tussen lidstaten is (in het kader van het handelsverkeer tussen verschillende lidstaten) of een grens binnen één lidstaat (in het kader van het handelsverkeer binnen één enkele lidstaat).(65) Gesteld dus dat de eventuele bijdrage aan de PEMB wordt geheven wegens de verzending van aardappelen naar buiten Jersey (naar het Verenigd Koninkrijk, het baljuwschap Guernsey of het eiland Man), dan is deze maatregel wellicht een heffing van gelijke werking als een uitvoerrecht.

106. Men moet echter in gedachten houden dat het geenszins vanzelfsprekend is dat deze rechtspraak van toepassing is op de situaties die onder de bestreden regeling vallen. Mijns inziens zijn namelijk twee van de drie argumenten waarop het Hof zich in het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, heeft gebaseerd, irrelevant voor de situatie in het hoofdgeding, zodat deze moeten worden verworpen. Het resterende argument lijkt mij bijzonder zwak. Dat hoop ik aan te tonen door elk van deze argumenten te onderzoeken, teneinde ze volledig te doorgronden en zo te vermijden dat bij de toepassing van het gemeenschapsrecht wordt uitgegaan van een verkeerde zienswijze of een „vergissing”.(66)

107. Allereerst moet worden vastgesteld dat, anders dan het geval was in de arresten Lancry e.a., Simitzi en Carbonati Apuani, de bestreden regeling van toepassing is op situaties die moeten worden geacht in alle opzichten tot de interne sfeer van een lidstaat beperkt te zijn.

108. Deze regeling geldt immers uitsluitend voor de handel in aardappelen tussen enerzijds Jersey en anderzijds het Verenigd Koninkrijk, de eilanden van het baljuwschap Guernsey en het eiland Man. Zoals bekend, moeten voor de toepassing van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen, wat landbouwproducten zoals aardappelen betreft,.het Verenigd Koninkrijk en al deze eilanden worden beschouwd als één enkele lidstaat.

109. Wat dat betreft is het van weinig belang of de aardappelen in het kader van het onder de bestreden regeling vallende handelsverkeer rechtstreeks naar het Verenigd Koninkrijk (of het baljuwschap Guernsey of het eiland Man) of indirect via de haven van een andere lidstaat (zonder dat deze goederen in deze staat op enigerlei wijze worden verwerkt of verkocht) worden vervoerd. Mijns inziens kan de betrokken handelstransactie namelijk niet vanwege de mogelijkheid van loutere doorvoer van de goederen via een andere lidstaat als handel tussen lidstaten in de zin van de artikelen 23 EG en 25 EG worden aangemerkt. Met andere woorden, dit mogelijke buitenlandse element is niet voldoende om situaties die onder de bestreden regeling vallen, anders te kwalificeren dan als zuiver interne situaties van een lidstaat, namelijk het Verenigd Koninkrijk.

110. Aangezien de onderhavige regeling uitsluitend geldt voor de handel in aardappelen binnen het Verenigd Koninkrijk en niet voor het handelsverkeer met andere lidstaten, zou het op zijn minst verrassend zijn om de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen op dit geval van toepassing te achten. In ieder geval kan een — zij het gedeeltelijke — beïnvloeding van de intracommunautaire handel niet worden aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat de artikelen 23 EG en 25 EG van toepassing zijn. Ook al heeft het Hof dit argument aanvaard in de arresten Lancry e.a. (punt 30) en Carbonati Apuani (punt 26), reeds aangehaald, in het hoofdgeding is het niet relevant.

111. Dienaangaande wil ik benadrukken dat de onderhavige zaak niet de problemen opwerpt die in deze eerdere zaken waren ontstaan door de aanwezigheid van „omgekeerde discriminatie”.

112. Zoals wij weten, is met name sprake van een situatie van omgekeerde discriminatie wanneer uit een lidstaat afkomstige producten (krachtens een nationale regeling) in het handelsverkeer binnen deze ene lidstaat worden onderworpen aan een minder gunstige regeling dan die welke (krachtens de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen) geldt voor uit andere lidstaten ingevoerde producten of producten die daarnaar worden uitgevoerd. Zoals gezegd, heeft het Hof als beginsel geformuleerd dat de verdragsregels op het gebied van het vrije verkeer van goederen geen oplossing beogen te bieden voor problemen die aan de aanwezigheid van omgekeerde discriminatie zijn gerelateerd, omdat dit zuiver interne situaties beïnvloedt die naar hun aard zijn uitgesloten van de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht.(67)

113. In het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald (punt 30) is het Hof duidelijk afgeweken van deze vaste rechtspraak, aangezien het daar onderstreepte dat het onlogisch zou zijn om het octroi de mer te kwalificeren als een heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van de artikelen 23 EG en 25 EG wanneer deze maatregel uit andere lidstaten afkomstige goederen treft, en deze kwalificatie te verwerpen wanneer de heffing wordt gelegd op goederen die afkomstig zijn uit een ander deel van de betrokken lidstaat. Deze zienswijze lijkt het streven van het Hof tot uiting te brengen om niet bij te dragen tot het ontstaan van omgekeerde discriminatie, in die zin dat na de uitspraak van zijn arrest (in het geval dat het arrest dergelijke verschillende kwalificaties zou hebben bevat) nationale producten ongunstiger zouden worden behandeld dan uit andere lidstaten ingevoerde producten. Het Hof heeft deze zienswijze ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat het octroi de mer een heffing van gelijke werking als een invoerrecht was, zelfs indien deze maatregel werd toegepast op goederen die een deel van het grondgebied van een lidstaat worden binnengebracht vanuit een ander deel van dezelfde lidstaat. Dit argument lijkt niet te zijn overgenomen in het arrest Carbonati Apuani, reeds aangehaald, hoewel dit arrest wel verwijst naar het arrest Guimont van 5 december 2000.(68)

114. In de onderhavige zaak is er geen enkele reden voor het Hof om zich op dergelijke overwegingen te baseren.

115. Hoewel Jerseyaardappelen bij de afzet ervan in het Verenigd Koninkrijk en de daartoe behorende eilandgebieden (het baljuwschap Guernsey en het eiland Man) onderworpen zijn aan een minder gunstige regeling dan die voor aardappelen die worden uitgevoerd naar andere lidstaten, is dit verschil in behandeling immers uitsluitend het gevolg van de bestreden regeling, omdat overeenkomstig artikel 2 daarvan de afzetregeling waarin zij voorziet enkel van toepassing is op het handelsverkeer tussen verschillende gebieden die deel uitmaken van dezelfde lidstaat, en niet op het handelsverkeer met andere lidstaten. De afzet van Jerseyaardappelen in andere lidstaten dan het Verenigd Koninkrijk valt derhalve als zodanig niet onder de dwingende regeling waarin de bestreden regeling voorziet, zonder dat het Hof een uitspraak in die zin hoeft te doen op basis van de regels inzake het vrije verkeer van goederen. Het is dus uitgesloten dat het Hof door middel van het in deze zaak te wijzen arrest bijdraagt tot het ontstaan van omgekeerde discriminatie, welke alleen al bestaat op grond van de bestreden regeling.

116. Aangezien het gemeenschapsrecht geen verband houdt met deze discriminerende situatie, is er geen enkele reden voor het Hof om er aandacht aan te schenken en om dus de werkingssfeer van de artikelen 23 EG en 25 EG uit te breiden tot zuiver interne situaties van een lidstaat, zoals die in het hoofdgeding, op grond dat het onlogisch zou zijn om deze laatste anders te behandelen dan situaties die een verband vertonen met de uitvoer van goederen naar andere lidstaten. Men kan zich weliswaar afvragen wat precies de logica van de bestreden regeling is, maar het staat noch aan het gemeenschapsrecht noch aan het Hof om de daaruit voortvloeiende discriminerende situatie te verhelpen. Alleen de plaatselijke wetgevende of rechtsprekende autoriteiten zijn bevoegd om dit te verhelpen door de maatregelen vast te stellen die zij daarvoor geschikt achten, bijvoorbeeld door de bestreden regeling ter discussie te stellen.

117. Ook het argument dat het in de praktijk zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is om de herkomst of de bestemming van goederen te bepalen en de toepassing van de artikelen 23 EG en 25 EG op die basis te beperken tot het handelsverkeer tussen lidstaten, met uitsluiting van de handel binnen een lidstaat, lijkt niet relevant in de situatie van het hoofdgeding. Hoewel het bijzonder moeilijk kan zijn om bepaalde producten te onderscheiden naar herkomst of bestemming wanneer de betrokken nationale regeling zonder onderscheid op hen van toepassing is (ongetwijfeld vanwege deze praktische moeilijkheden), kan ik mij amper voorstellen dat dit ook opgaat wanneer nu juist is bepaald dat de betrokken regeling, zoals die in het hoofdgeding, enkel van toepassing is op producten die afkomstig zijn uit een gebied dat wordt beschouwd als een deel van het grondgebied van een lidstaat, en bestemd zijn om te worden verkocht en geconsumeerd in andere delen van het grondgebied van diezelfde lidstaat. In de onderhavige zaak moet dit argument (dat in punt 31 van het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, is uiteengezet) dus worden verworpen, temeer omdat het niet is overgenomen in het arrest Carbonati Apuani, reeds aangehaald.

118. Het resterende argument, dat is ontleend aan de vereisten van de douane-unie en de interne markt en dat het hoofdargument blijft, volstaat mijns inziens niet om te rechtvaardigen dat de artikelen 23 EG en 25 EG worden toegepast op situaties, zoals die welke onder de bestreden regeling vallen, die zuiver interne situaties van een lidstaat zijn.

119. Inderdaad kan het, zoals advocaatgeneraal Tesauro heeft opgemerkt in zijn conclusie in voornoemde zaak Lanciy e.a., paradoxaal lijken dat in een binnenmarkt handelsbelemmeringen tussen twee lidstaten (bijvoorbeeld tussen de Republiek Portugal en het Koninkrijk Denemarken) verboden zijn, terwijl de handelsbelemmeringen binnen één enkele lidstaat (bijvoorbeeld tussen Napels en Capri) buiten beschouwing blijven.(69) Op het eerste gezicht lijkt het integratieproces van de lidstaten van de Gemeenschap, dat ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van de opbouw van Europa, immers moeilijk verenigbaar met de vaststelling binnen de lidstaten van maatregelen die strekken tot versnippering of fragmentering van dit of gene nationale grondgebied, waarbinnen het vrije verkeer van goederen niet verzekerd zou zijn.

120. Wat de omvang van dit fenomeen echter ook moge zijn, het blijft een feit dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen, met inbegrip van de in de artikelen 23 EG en 25 EG vastgelegde regels, mijns inziens niet bedoeld zijn om dit te verhinderen.

121. De redenering waarmee het Hof tot de tegengestelde conclusie komt, lijkt mij weinig overtuigend en op zijn minst zwak te noemen.

122. Allereerst kan ik mij moeilijk vinden in de gedachte, zoals het Hof deze heeft verwoord in de arresten Lanciy e.a. (punt 29) en Carbonati Apuani (punt 22), reeds aangehaald, dat het beginsel zelf van de douaneunie, zoals dit volgt uit artikel 23 EG, vereist dat het vrije verkeer van goederen over de gehele lijn wordt verzekerd, niet alleen in het kader van de handel tussen lidstaten, maar — in ruimere zin — op het gehele grondgebied van de douane-unie.

123. Zoals advocaatgeneraal Poiares Maduro in zijn conclusie in de zaak Carbonati Apuani, reeds aangehaald, immers heeft onderstreept(70), „[vormt] [a]rtikel 23 EG [...] slechts de uitdrukking van de wil van de staten die de Gemeenschap hebben opgericht, om voortaan het gebruik dat de lidstaten van deze Gemeenschap van hun bevoegdheid op douanegebied zullen maken, te beperken”, of dat nu gebeurt in het kader van hun wederzijdse betrekkingen of in het kader van hun betrekkingen met derde landen, gelet op de vaststelling van een gemeenschappelijk douanetarief.

124. Deze wil komt tot uiting, wat het interne onderdeel van de douane-unie betreft, in het verbod van douanerechten en invoer- of uitvoerheffingen van gelijke werking. Zoals het Hof betrekkelijk vroeg heeft duidelijk gemaakt, „[vindt] dit verbod zijn rechtvaardiging [...] in de belemmeringen welke geldelijke lasten wegens grensoverschrijding — al mogen zij gering zijn — voor het goederenverkeer opleveren”.(71) Met het gebruik van de uitdrukking „grensoverschrijding” heeft het Hof niets anders bedoeld dan de overschrijding van grenzen tussen staten, of deze zich nu aan de grens van een nationaal grondgebied of van een deel daarvan bevinden.

125. Douanewerkzaamheden vinden immers altijd in dit kader plaats, zodat de beperking van de bevoegdheid van de lidstaten, waarin artikel 23 EG op dit terrein voorziet, met het oog op de instelling van een douane-unie, noodzakelijkerwijs uitsluitend wordt gedefinieerd aan de hand van de overschrijding van een grens tussen staten. Bovendien is dit de enige analyse die overeenstemt met de bewoordingen van de artikelen 3, lid 1, sub a, EG, 23 EG en 25 EG. Deze analyse is ook de enige die verenigbaar is met de talrijke ontwikkelingen in de rechtspraak die, zoals ik hierboven heb beschreven, de toepassing van de regels inzake het vrije verkeer van goederen hebben beperkt tot het handelsverkeer tussen lidstaten, met uitsluiting van het handelsverkeer binnen één enkele lidstaat.

126. Mijns inziens kunnen de overwegingen in het arrest Carbonati Apuani, reeds aangehaald, naar aanleiding van de bewoordingen van artikel 14, lid 2, EG, er niet aan afdoen dat de redenering die het Hof sinds het arrest Lancry e.a., reeds aangehaald, met betrekking tot de vereisten van de douaneunie heeft gevolgd, zwak is.

127. Ik herinner eraan dat dit artikel, dat bij de Europese Akte in het Verdrag is opgenomen, de interne markt definieert als „een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit Verdrag”.(72)

128. Op het eerste gezicht kan deze formulering weliswaar de indruk wekken dat de totstandbrenging van de interne markt aanvullende vereisten oplegt, naast die welke ten grondslag hebben gelegen aan de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt, aangezien de verwezenlijking van een interne markt impliceert dat er vooruitgang wordt geboekt in het integratieproces van de lidstaten van de Gemeenschap.(73)

129. Met de omschrijving van de interne markt als „een ruimte zonder binnengrenzen” hebben de opstellers van de Europese Akte echter niet het kader ter discussie willen stellen zoals dit door het EEG-Verdrag duidelijk was vastgelegd voor de toepassing van de regels inzake het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal en zoals dit reeds in de rechtspraak van het Hof was belicht.(74)

130. Ik wil er namelijk op wijzen dat artikel 14, lid 2, EG voor de verwezenlijking van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden uitdrukkelijk verwijst naar de bepalingen van dit Verdrag. Deze precisering, die tijdens de onderhandelingen over de Europese Akte is toegevoegd, kwam tegemoet aan het streven om de werkingssfeer van de verdragsregels inzake het vrije verkeer van niet alleen personen, maar ook van goederen, diensten en kapitaal niet uit te breiden.(75)

131. Zoals wij hebben gezien, hebben de bewoordingen van artikel 3, lid 1, sub a, EG en de artikelen 23 EG, 25 EG, 28 EG en 29 EG, wat het vrije verkeer van goederen betreft, uitsluitend betrekking op de handel in goederen tussen de lidstaten en niet op de handel in goederen binnen één enkele lidstaat. Ik concludeer hieruit dat artikel 14, lid 2, EG de territoriale werkingssfeer van de artikelen 23 EG en 25 EG niet uitbreidt tot het zuiver interne handelsverkeer van een lidstaat.

132. Deze conclusie dringt zich temeer op wanneer men artikel 3, lid 1, sub c, EG leest. Dit artikel bepaalt immers: „[...] het optreden van de Gemeenschap [omvat] onder de voorwaarden en volgens het tijdschema waarin dit Verdrag voorziet [...] een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lidstaten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal”.(76)

133. Deze definitie van de interne markt, die reeds vóór de Europese Akte bestond, is bij de Europese Akte niet gewijzigd om haar in overeenstemming te brengen met de definitie die bij deze Akte in het Verdrag werd opgenomen. Het begrip „interne markt” in de zin van artikel 14, lid 2, EG kan dus niet radicaal verschillen van het begrip in artikel 3, lid 1, sub c, EG.

134. Hieruit volgt dat de uitdrukking „ruimte zonder binnengrenzen” in artikel 14, lid 2, EG niets anders betekent dan een ruimte waarbinnen belemmeringen voor de handel tussen lidstaten verboden zijn. Onder „binnengrenzen” moeten derhalve „grenzen tussen staten” (in het kader van het handelsverkeer tussen lidstaten binnen de Gemeenschap) worden begrepen(77) en niet grenzen binnen een staat (in het kader van het handelsverkeer binnen één enkele lidstaat), in tegenstelling tot buitengrenzen (in het kader van het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen).(78)

135. In werkelijkheid hebben de opstellers van de Europese Akte, door de interne markt te definiëren als een „ruimte zonder binnengrenzen”, voor alles geprobeerd de opbouw van Europa een nieuw elan te geven, zodat de betekenis van deze uitdrukking meer politiek dan juridisch van aard is. Dat volgt uit een lezing van het Witboek over de voltooiing van de interne markt, dat door de Commissie is opgesteld ter voorbereiding van de Europese Raad van Milaan van 28 en 29 juni 1985 en dat een beslissende invloed heeft gehad op alle onderhandelingen over de Europese Akte.(79)

136. In dat document is namelijk een uitgebreide lijst opgenomen van maatregelen die tot doel hadden het Europese integratieproces weer op gang te brengen door allerlei „barrières” af te schaffen, of die nu van „materiële”, „technische” of „fiscale” aard waren.

137. Wat de materiële barrières betreft, was het de bedoeling om voor goederen en personen de controles aan de zogenaamde „binnengrenzen”, dat wil zeggen bij de douaneposten aan de grenzen tussen verschillende lidstaten, af te schaffen.(80) Niets in dit Witboek duidt erop dat de totstandbrenging van de interne markt ook de opheffing van eventuele tarifaire belemmeringen van het vrije verkeer van goederen binnen elke afzonderlijke lidstaat vereist.

138. Wat de andere soorten belemmeringen van het handelsverkeer binnen de Gemeenschap betreft, die werden beschreven als „technische belemmeringen en fiscale barrières”, was het de bedoeling deze in aanzienlijke mate te verminderen door middel van een uitgebreid programma van harmonisatie en onderlinge aanpassing van nationale wetgevingen, waarvan de uitvoering uiterlijk 31 december 1992, met uitzondering van bepaalde gebieden, moest worden vergemakkelijkt door een vereenvoudiging van de procedure voor de vaststelling van de betrokken communautaire maatregelen. Tegen deze achtergrond is bij de Europese Akte artikel 100 A (thans, na wijziging, artikel 95 EG) in het EEG-Verdrag ingevoegd, om, zoals lid 1 van dit artikel preciseert, in overeenstemming met de in artikel 8 A van het EEG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 14 EG) genoemde doelstellingen de totstandbrenging en de werking van de interne markt te verwezenlijken.

139. De Europese Akte heeft daarmee een nauw verband gelegd tussen enerzijds de totstandbrenging van de interne markt en anderzijds de vaststelling van maatregelen tot harmonisatie of onderlinge aanpassing van nationale wetgevingen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de totstandbrenging van de interne markt in de zin van artikel 14, lid 2, EG betekent dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn geworden op zuiver interne situaties van een lidstaat.

140. Hoewel het Hof heeft verklaard dat „voor een beroep op artikel 100 A van het Verdrag als rechtsgrondslag niet [is] vereist, dat in elke situatie die valt onder een op deze grondslag gebaseerde handeling een daadwerkelijk verband met het vrije verkeer tussen lidstaten bestaat”(81), zodat een dergelijke handeling van toepassing kan zijn op zuiver interne situaties van een lidstaat, kan immers niet hetzelfde gelden voor de toepassing van verdragsregels zoals de artikelen 23 EG en 25 EG. Want ook al dragen de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal op belangrijke wijze bij tot de integratie van de lidstaten in de Gemeenschap, dit geldt nog sterker voor de maatregelen tot harmonisatie of onderlinge aanpassing van nationale wetgevingen, zodat de vaststelling daarvan in het algemeen een beslissende stap in het Europese integratieproces vormt.

141. Uit de voorgaande overweging volgt mijns inziens dat het van wezenlijk belang is dat de arresten Lancry e.a., Simitzi, en Carbonati Apuani, reeds aangehaald, niet worden toegepast op situaties die onder de bestreden regeling vallen, en dat derhalve de toepassing van de artikelen 23 EG en 25 EG op dergelijke situaties, die, zoals gezegd, zuiver interne situaties van één enkele lidstaat zijn, wordt uitgesloten.

142. Dezelfde conclusie dringt zich op met betrekking tot artikel 29 EG. In tegenstelling tot wat de Commissie stelt(82), kunnen de arresten Lancry e.a. en Simitzi naar mijn mening niet worden toegepast op het gebied van non-tarifaire belemmeringen van de goederenhandel. Een dergelijke toepassing zou zijn gebaseerd op argumenten die even ontoereikend zijn als die welke het Hof ertoe hebben gebracht, de toepassing van de artikelen 23 EG en 25 EG op zuiver interne situaties van een lidstaat te aanvaarden.

143. Zeker, punt 23 van het arrest Carbonati Apuani, reeds aangehaald(83) (wekt wellicht de indruk dat het Hof stilzwijgend heeft aanvaard dat alle verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op zuiver interne situaties van een lidstaat.(84)

144. Het staat echter geenszins vast dat daaruit een dermate algemene conclusie moet worden getrokken. Mijns inziens bevestigt het arrest Carbonati Apuani de arresten Legros, Lancry e.a. en Simitzi, reeds aangehaald, enkel wat de tarifaire belemmeringen van het handelsverkeer betreft. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat het Hof met dat arrest zijn traditionele rechtspraak op het gebied van non-tarifaire belemmeringen van het handelsverkeer, dat wil zeggen op een ander gebied dan waarop het hoofdgeding in de betrokken zaak betrekking had, ter discussie heeft willen stellen. Om aan dat arrest een draagwijdte toe te kennen die het kader van het betrokken geding overschrijdt, is voor mij des te moeilijker voorstelbaar omdat dit er uiteindelijk toe zou kunnen leiden dat alle verdragsregels inzake het vrije verkeer (of dat nu goederen, personen, diensten of kapitaal betreft) van toepassing zijn op nationale regelingen die uitsluitend betrekking hebben op zuiver interne situaties van een lidstaat. Het is zeer waarschijnlijk dat het Hof niet de bedoeling heeft gehad om met dat arrest een dergelijke algemene koerswijziging in de rechtspraak te bewerkstelligen.(85)

145. Ik concludeer hieruit dat de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG niet van toepassing zijn op situaties die onder de bestreden regeling vallen.

146. Derhalve moet op de onderhavige prejudiciële vragen worden geantwoord dat de verdragsregels inzake het vrije verkeer van goederen weliswaar op Jersey van toepassing zijn op de handel binnen de Gemeenschap in landbouwproducten zoals aardappelen, maar dat de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG niet kunnen worden toegepast op situaties, zoals die in het hoofdgeding, die uitsluitend betrekking hebben op de handel in die producten tussen enerzijds Jersey en anderzijds het Verenigd Koninkrijk, het baljuwschap Guernsey of het eiland Man, aangezien deze gebieden moeten worden beschouwd als delen van één enkele lidstaat.

V — Conclusie

147. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van de Royal Court of Jersey te beantwoorden als volgt:

„De bepalingen van het EG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen zijn weliswaar op Jersey van toepassing op de handel binnen de Gemeenschap in landbouwproducten zoals aardappelen, maar de artikelen 23 EG, 25 EG en 29 EG kunnen niet worden toegepast op situaties, zoals die in het hoofdgeding, die uitsluitend betrekking hebben op de handel in die producten tussen enerzijds Jersey en anderzijds het Verenigd Koninkrijk, het baljuwschap Guernsey of het eiland Man, aangezien deze gebieden moeten worden beschouwd als delen van één enkele lidstaat.”