Home

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 17 februari 2004.

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 17 februari 2004.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
17 februari 2004

Conclusie van advocaat-generaal

D. Ruiz-Jarabo Colomer

van 17 februari 2004(1)

1. Het in civiele en strafzaken bevoegde Landgericht Düsseldorf (Duitsland) heeft aan het Hof twee prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de uitlegging van artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht(2), alsmede van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1768/95 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers.(3)

Het Landgericht wenst te vernemen of de houder van een beschermd kweekproduct informatie kan verlangen van een zaadverwerkend bedrijf (loonwerker), teneinde de identiteit te controleren van de landbouwers die een beroep doen op de in lid 1 van artikel 14 voorziene uitzondering(4), ongeacht ofer enigerlei aanwijzing is dat teeltmateriaal van een onder zijn kwekersrecht vallend ras is verwerkt. Voor het geval het bestaan van dergelijke aanwijzingen is vereist, wenst het eveneens te vernemen of de van de onderneming verlangde informatie betrekking heeft op alle landbouwers die zaadgoed van een bepaald ras hebben verwerkt of enkel op de landbouwers ten aanzien waarvan aanwijzingen bestaan dat zij het zaadgoed hebben laten conditioneren.

I — De feiten van het hoofdgeding

2. Saatgut-Treuhandverwaltungsgesellschaft mbH (hierna: „STV”), verzoekster in het hoofdgeding, is een vereniging van houders van kwekersrechten en exclusieve licenties op kwekersrechten. Zij is ingeschreven als vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en treedt op als vertegenwoordigster van haar leden en van de leden van het Bundesverband Deutscher Pflanzenzüchter e.V., dat op zijn beurt vennoot van verzoekster is. Verzoekster maakt namens hen jegens verweerster, Brangewitz GmbH (hierna: „Brangewitz”), bepaalde rechten op informatie geldend betreffende de verwerking voor vermeerderingsdoeleinden van uit een oogst verkregen zaadgoed.

De gewenste informatie heeft betrekking op het verkoopseizoen 1997/1998, ter zake van 492 kweekproducten; het verkoopseizoen 1998/1999, ter zake van 517 kweekproducten; het verkoopseizoen 1999/2000, ter zake van nog eens 574 kweekproducten. In alle gevallen is sprake van rassen die worden beschermd door het nationale recht of door de communautaire regelgeving.

3. Op 19 juni 2000 verstuurde Brangewitz een reclamefolder waarin zij landbouwers aanbood op hun eigen bedrijf met haar mobiele machines zaadgoed te verwerken, met name het zeven ter verkrijging van de grootst mogelijke korrel en het beitsen. De diensten „ziften, schoonmaken, sorteren en beitsen” werden aangeboden voor een bedrag van 7,90 DM per ton.

4. Verzoekster heeft in het hoofdgeding een groot aantal verklaringen overgelegd van klanten van Brangewitz die gebruik hebben gemaakt van de afwijkingsregeling ten gunste van landbouwers, alsmede door dit bedrijf verzonden documenten en leveringsbonnen. Op de rekeningen is het schoonmaken, sorteren en beitsen van ieder ras, bijvoorbeeld gerst, berekend naar gelang van de hoeveelheid. Sommige rekeningen bevatten informatie over de behandelde rassen.

In die verklaringen gaven de landbouwers die uit eerdere oogsten verkregen zaadgoed van beschermde rassen hadden gebruikt voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, overeenkomstig de toelichting in een door het Bundesverband Deutscher Pflanzenzüchter uitgegeven adviesbrochure voor de verkoopseizoenen 1997/1998, 1998/1999 en 1999/2000, die iedere landbouwer tegelijk met de formulieren was toegezonden, aan dat de conditionering door een derde had plaatsgevonden.

5. STV is ervan overtuigd dat Brangewitz zich bezighoudt met het verwerken van zaadgoed, aangezien niet alleen haar eigen medewerkers zich rechtstreeks met deze activiteit bezighouden, maar zij bovendien haar machines aan landbouwers verhuurt zodat deze de betrokken handelingen zelf in hun bedrijf kunnen verrichten. Uit de overgelegde formulieren waarop de landbouwers aangeven dat zij gebruik hebben gemaakt van de afwijkingsregeling, de facturen en de leveringsbonnen blijkt dat verweerster materiaal voor vermeerderingsdoeleinden heeft verwerkt van ten minste 71 kweekproducten, waarvan de kwekersrechten toebehoren aan de leden van verzoekster. Dientengevolge is Brangewitz volgens STV verplicht om informatie te verstrekken over de door haar verrichte diensten.

II — De prejudiciële vragen

6. Om de omvang te kunnen bepalen van de informatieplicht die rust op degenen die ten behoeve van landbouwers het teeltmateriaal verwerken dat op hun bedrijf uit beschermde rassen is verkregen, heeft de Zivilkammer van het Landgericht Düsseldorf de volgende prejudiciële vragen gesteld:

  1. Moeten [artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94 en artikel 9 van verordening nr. 1768/95] aldus worden uitgelegd dat de houder van een ingevolge verordening nr. 2100/94 beschermd kweekproduct van de [...] loonwerker informatie kan verlangen, ongeacht of er aanwijzingen zijn dat [...] de loonwerker het beschermde kweekproduct heeft verwerkt?

  2. Indien er sprake is van aanwijzingen voor de onder 1 genoemde feiten: Moet de [...] loonwerker krachtens artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94, juncto artikel 9 van verordening nr. 1768/95, informatie verstrekken met betrekking tot alle landbouwers voor wie hij de beschermde kweekproducten in kwestie [...] heeft verwerkt, of enkel met betrekking tot landbouwers ten aanzien van wie de houder over aanwijzingen beschikt dat [...] de loonwerker de beschermde kweekproducten in kwestie heeft verwerkt?”

III — De communautaire wetgeving

7. Artikel 14 van verordening nr. 2100/94, waarvan de verwijzende rechter een uitlegging wenst te vernemen, luidt als volgt:

„Afwijking van het communautaire kwekersrecht

  1. Onverminderd artikel 13, lid 2, worden landbouwers met het oog op de bescherming van de landbouwproductie gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op hun eigen bedrijf het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een ras, hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd, dat onder een communautair kwekersrecht valt.

  2. Lid 1 is alleen van toepassing op landbouwgewassen van:

    1. Voedergewassen: [...]

    2. Granen: [...]

    3. Aardappelen: [...]

    4. Olie- en vezelhoudende gewassen: [...]

  3. Om uitvoering te geven aan de in lid 1 bedoelde afwijking en om de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer te beschermen, worden voor de inwerkingtreding van deze verordening in krachtens artikel 114 op te stellen uitvoeringsbepalingen voorwaarden vastgelegd aan de hand van de volgende criteria:

    • [...]

      • relevante informatie wordt aan de houders, op hun verzoek, verstrekt door landbouwers en loonwerkers; [...].”

8. Artikel 9 van verordening nr. 1768/95, die door de Commissie is vastgesteld ter uitvoering van de in artikel 14 van verordening nr. 2100/94 voorziene afwijking ten gunste van landbouwers, luidt als volgt:

„Door de loonwerker te verstrekken informatie

  1. De bijzonderheden betreffende de relevante informatie die overeenkomstig artikel 14, lid 3, zesde streepje, van de basisverordening door de loonwerker aan de houder moet worden verstrekt, kunnen worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken loonwerker.

  2. Wanneer geen dergelijke overeenkomst is gesloten of wanneer ze niet van toepassing is, moet de loonwerker, onverminderd uit andere bepalingen van het gemeenschapsrecht of uit de wetgeving van de lidstaten voortvloeiende verplichtingen tot het verstrekken van informatie, aan de houder op diens verzoek een verklaring afgeven die alle relevante informatie bevat. De volgende gegevens worden als relevant beschouwd:

    1. de naam van de loonwerker, zijn huisadres en het adres van zijn bedrijf;

    2. het feit of de loonwerker een dienst, bestaande in de verwerking van het oogstproduct van een of meer rassen van de houder voor aanplanting, heeft verricht, indien aan de loonwerker werd meegedeeld welk ras of welke rassen het betrof, of indien dit anderszins aan de loonwerker bekend was;

    3. indien de loonwerker een dergelijke dienst heeft verricht, de hoeveelheid oogstproduct van het ras of de rassen in kwestie die door de loonwerker voor aanplanting is verwerkt, en de totale hoeveelheid die deze verwerking heeft opgeleverd;

    4. de data waarop en de plaatsen waar de onder c) bedoelde verwerking heeft plaatsgevonden;

      en

    5. de naam en het adres van de persoon of personen voor wie hij de onder c) bedoelde dienst inzake verwerking heeft verricht, alsmede de respectieve hoeveelheden.

    [...].”

IV — De procedure voor het Hof

9. Partijen in het hoofdgeding, de Duitse en de Nederlandse regering, alsook de Commissie hebben binnen de in artikel 23 van 's Hofs Statuut voorziene termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.

De vertegenwoordigers van verzoekster en verweerster, alsook de gemachtigde van de Commissie zijn ter terechtzitting van 8 januari 2004 verschenen om hun standpunten mondeling toe te lichten.

V — De eerste prejudiciële vraag

A — De ingediende opmerkingen

10. Volgens STV verlenen artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94 en artikel 9 van verordening nr. 1768/95 aan de houders een uitgebreid informatierecht met betrekking tot hun beschermde plantenrassen en verplichten deze bepalingen de loonwerkers om de houders op hun verzoek inlichtingen te verstrekken over de conditionering van beschermd materiaal, zonder dat de houder behoeft aan te tonen om welke concrete handeling het gaat. STV voegt daaraan toe dat het gebruik van het zaadgoed van de oogst die is verkregen door aanplanting van beschermde plantenrassen, in principe is verboden, hoewel het de landbouwers bij wijze van uitzondering is toegestaan onder bepaalde voorwaarden het zaadgoed van bepaalde landbouwgewassen te zaaien. Een van die voorwaarden is dat aan de houder de gegevens worden verstrekt waar hij om verzoekt. Wanneer niet aan deze verplichting wordt voldaan, wordt de conditionering, wat een louter voorbereidende handeling is, onrechtmatig. De kweker behoeft derhalve noch aan te tonen dat de landbouwer deze verplichting niet is nagekomen, noch te bewijzen dat de loonwerker in een concreet geval teeltmateriaal heeft verwerkt. STV stelt dat de door de loonwerkers verstrekte antwoorden zeer nuttig zijn voor de houders, zowel om te controleren of landbouwers waarvan niet vaststaat dat zij een ras van de houder hebben gekocht, van het voorrecht gebruikmaken, als om de juistheid van de informatie te toetsen van de landbouwers die gebruik hebben gemaakt van het genoemde voordeel.

Deze informatieplicht is volgens STV in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, omdat zij enkel betrekking heeft op de verwerkte hoeveelheden en op de personen of inrichtingen waarvoor de betrokken loonwerkers hebben gewerkt, terwijl laatstgenoemden deze gegevens kennen en verwerken om hun werkzaamheden te factureren.

11. Brangewitz voert aan dat de adressaat van een verzoek om informatie degene is die als dienstverrichter het zaadgoed zelf verwerkt, wanneer er aanwijzingen bestaan dat hij teeltmateriaal heeft verwerkt van een beschermd plantenras. De kwekers kunnen de genoemde loonwerkers volgens Brangewitz enkel om precieze gegevens verzoeken wanneer zij een steekproefsgewijze controle willen uitvoeren en het bestaan hebben aangetoond van een rechtsbetrekking met een bepaalde landbouwer. Brangewitz kan niet worden aangemerkt als loonwerker, omdat zij de werkzaamheden niet zelf uitvoert: zij bezit twee speciale landbouwmachines voor het reinigen van graan en het sorteren van zaadgoed. Deze machines worden verhuurd aan landbouwers, die voor eigen rekening en risico de genoemde handelingen verrichten. De facturering geschiedt op basis van de hoeveelheden graan die de landbouwers hebben verwerkt.

12. Volgens de Duitse regering is de enige formele voorwaarde die de communautaire regelgeving stelt aan de verplichting van de loonwerker om informatie te verstrekken, dat de kweker daarom verzoekt. De bepalingen waarvan de uitlegging in deze procedure aan de orde is, vereisen niet dat er bewijzen of aanwijzingen bestaan. Tussen de landbouwer en de kweker is een rechtsbetrekking ontstaan doordat de landbouwer zaadgoed heeft gekocht. De loonwerker die het oogstproduct verwerkt, is echter niet op een dergelijke wijze gebonden: zijn verplichting tot het verstrekken van informatie staat los van die van de landbouwer. Indien die verplichting afhankelijk was van het bestaan van aanwijzingen, zou dat betekenen dat de kweker zich in de eerste plaats zou moeten wenden tot de landbouwers, waardoor de verkrijging van bewijzen zou afhangen van hun goede wil. Volgens de Duitse regering is het niet onevenredig dat de houder alle loonwerkers om relevante informatie verzoekt, zonder dat er aanwijzingen zijn dat laatstgenoemden het oogstproduct hebben verwerkt dat is verkregen uit sommige beschermde soorten, aangezien ervan kan worden uitgegaan dat de loonwerker bij de uitoefening van zijn beroepsmatige activiteiten regelmatig materiaal van beschermde rassen verwerkt.

13. De Nederlandse regering en de Commissie stellen dat de houder het bestaan van dergelijke aanwijzingen moet aantonen.

B — Beantwoording van de eerste vraag

14. Teneinde de ontwikkeling van nieuwe plantenrassen te bevorderen, heeft de communautaire wetgever in 1994 besloten de bescherming van kwekers te verbeteren door primair een regeling van industriële eigendom in te voeren voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap.(5)

15. Volgens artikel 1 ervan wordt bij verordening nr. 2100/94 „een communautaire beschermingsregeling voor kweekproducten ingesteld als enige en uitsluitende vorm van communautaire bescherming van industriële eigendom met betrekking tot plantenrassen”. Sedert de inwerkingtreding daarvan hebben de lidstaten de bevoegdheid nationale beschermingsrechten te verlenen, met dien verstande dat artikel 92 dubbele bescherming verbiedt, zodat voor een ras waarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, geen nationaal kwekersrecht mag worden verleend, noch een octrooi. Rassen van alle botanische geslachten en soorten, met inbegrip van onder meer hybriden tussen geslachten of soorten, kunnen vallen onder de communautaire bescherming voor kweekproducten.

16. Om voor bescherming in aanmerking te komen, moeten de rassen onderscheidbaar, homogeen, bestendig en nieuw zijn, en moeten zij worden aangeduid met een eigen benaming. De aanspraak op een communautair kwekersrecht komt toe aan de kweker, zijnde de persoon die het ras heeft gekweekt of heeft ontdekt en ontwikkeld, of zijn rechtverkrijgende.

17. Ingevolge artikel 13 van verordening nr. 2100/94 is de houder van een communautair kwekersrecht bevoegd om met betrekking tot het beschermde ras de in lid 2 genoemde handelingen te verrichten, te weten a) het voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering), b) het conditioneren ten behoeve van de vermeerdering, c) het te koop aanbieden, d) het verkopen of op andere wijze in de handel brengen, e) het uitvoeren uit de Gemeenschap, f) het invoeren in de Gemeenschap, en g) het opslaan voor een van de hierboven genoemde doeleinden. De houder kan aan derden toestemming verlenen deze handelingen te verrichten en kan aan zijn toestemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

18. Artikel 14, lid 1, bevat een uitzondering op de rechten van de houder met het oog op de bescherming van de landbouwproductie, en staat aan landbouwers toe om voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op hun eigen bedrijf het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een ras, hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd, dat onder een communautair kwekersrecht valt.(6) Het landbouwersvoorrecht is alleen van toepassing op bepaalde landbouwgewassen die worden opgesomd in lid 2, en zijn verdeeld in vier groepen: voedergewassen, olie en vezelhoudende gewassen, granen en aardappelen.(7)

19. Zoals de meeste deelnemers aan de onderhavige procedure hebben benadrukt, is dit de derde maal dat een Duitse rechter het Hof om aanwijzingen verzoekt betreffende de afbakening van het recht van de kweker om te worden geïnformeerd over het gebruik dat de landbouwers voor vermeerderingsdoeleinden maken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting van een van zijn beschermde rassen. Het belang van de kweker bij het verkrijgen van deze informatie is gelegen in het feit dat de landbouwers, wanneer zij gebruik maken van de afwijkingsregeling, aan de kweker een billijke vergoeding moeten betalen als tegenprestatie voor het feit dat zij geen zaadgoed nodig hebben voor het nieuwe seizoen.

20. Die vergoeding is aanmerkelijk lager dan de prijs van het teeltmateriaal van hetzelfde ras. Dit is de reden dat de litigieuze verordeningen zowel aan de direct begunstigde als aan degene die zich beroepsmatig bezighoudt met het verwerken van het oogstproduct om dit later te zaaien, de verplichting opleggen om de houder te informeren over de gebruikte of verwerkte hoeveelheden, zodat hij met deze gegevens het bedrag kan berekenen dat hij moet innen.

Zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 71 van het arrest Schulin(8), verricht de landbouwer die geen billijke vergoeding aan de houder betaalt wanneer hij gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsregeling, een van de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde handelingen, zonder daartoe gerechtigd te zijn. Hij kan daarom door de houder in rechte worden aangesproken met het oog op beëindiging van de inbreuk en/of betaling van een passende vergoeding. Indien hij opzettelijk of uit onachtzaamheid handelt, is de landbouwer bovendien ten aanzien van de houder tot vergoeding van alle andere door de inbreuk veroorzaakte schade gehouden.

21. De zaak Schulin, de eerste van de reeks, betrof een geschil tussen STV en een landbouwer die had geweigerd het formulier in te vullen dat hem was toegezonden om te bepalen of hij in het verkoopseizoen 1997/1998 525 plantenrassen had gezaaid, waarvan er 180 onder de bescherming van de communautaire regelgeving vielen. Volgens verzoekster kon zij overeenkomstig artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94, juncto artikel 8 van verordening nr. 1768/95 die gegevens van alle landbouwers verlangen, louter, omdat zij tot deze beroepsgroep behoren, zonder dat zij behoefde aan te tonen dat er beschermde rassen waren aangeplant.

In mijn conclusie in die zaak heb ik gesteld dat de verplichting om aan de houder relevante informatie te verschaffen met betrekking tot het gebruik van het landbouwersvoorrecht, betrekking heeft op alle landbouwers die onder licentie het teeltmateriaal van een beschermd ras hebben verworven, zonder dat deze informatieplicht moet worden uitgebreid tot landbouwers die nooit dergelijk teeltmateriaal hebben gekocht, omdat het voor hen technisch onmogelijk is het oogstproduct te gebruiken.

22. Het Hof heeft dit voorstel in zijn arrest overgenomen door te oordelen dat de aangehaalde bepalingen de houders niet machtigen van elke landbouwer alle relevante informatie te verlangen. Het voegde daaraan toe, dat de houder over een aanwijzing moet beschikken dat de landbouwer waarvan hij de informatie verlangt, van de afwijkingsregeling gebruik heeft gemaakt of zal maken, en dat de aanschaf van teeltmateriaal als een dergelijke aanwijzing moet worden beschouwd. Bovendien heeft het Hof de mogelijkheid erkend dat de houders zich organiseren om via hun distributeurs naam en adres te achterhalen van de kopers van hun beschermde rassen.(9)

23. In de zaak Jäger(10), de tweede die met betrekking tot deze materie is voorgelegd aan het Hof, heeft STV een vordering ingesteld tegen een andere landbouwer, omdat deze had geweigerd een formulier in te vullen dat hem was toegezonden om na te gaan of hij gedurende het seizoen 1997/1998 voor vermeerderingsdoeleinden in zijn bedrijf het oogstproduct had gebruikt dat was verkregen door aanplanting van meer dan vijfhonderd plantenrassen. In deze zaak gaat het uitsluitend om de definitie van het begrip „organisatie van houders van kwekersrechten”, welke organisatie bevoegd is de rechten van de houders te behartigen, in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1768/95, aangezien de andere gestelde vraag identiek is aan die in de zaak Schulin. In werkelijkheid was dat een ingenieuze manoeuvre ter ontwijking van de moeilijkheid om te reageren op de conclusie van de advocaatgeneraal, die volgens de beschikking Emesa Sugar(11) op openbare en persoonlijke wijze deelneemt aan de totstandkoming van de beslissing van het Hof, die de discussie tussen partijen afsluit, zodat, gelet op het rechtspraakkarakter van zijn medewerking, zijn handelingen geen contradictoir debat behoeven. Aangezien in de zaak Jäger de mondelinge behandeling (op 3 oktober 2002) plaatsvond nadat ik conclusie had genomen in de zaak Schulin (op 22 maart 2002), maar vóórdat daarin arrest was gewezen (op 10 april 2003), slaagde verzoekster er tijdens de terechtzitting in om de niet met haar denkbeelden overeenstemmende inhoud van mijn conclusie te bekritiseren.(12)

24. Resteert derhalve de afbakening van het recht van de kweker om van loonwerkers informatie te verkrijgen ter identificatie van de landbouwers die hem een vergoeding moeten betalen, omdat zij in een bepaald seizoen gebruik hebben gemaakt van de afwijkingsregeling.

25. Teneinde de voorwaarden te preciseren waaronder de landbouwer daadwerkelijk gebruik mag maken van de afwijkingsregeling en tegelijkertijd de in geding zijnde rechtmatige belangen te beschermen, bevat artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94 criteria die de Commissie bij de vaststelling van uitvoeringsbepalingen, en met name van verordening nr. 1768/95, dient te hanteren. Het zesde streepje van de aangehaalde bepaling verplicht in gelijke mate zowel landbouwers als loonwerkers om aan de houder de relevante informatie te verstrekken. Dit vereiste is in artikel 8 van laatstgenoemde verordening uitgewerkt voor landbouwers, en in artikel 9 voor loonwerkers. Beide bepalingen zijn, behoudens de nodige aanpassingen, gelijkluidend geformuleerd, hetgeen sommige deelnemers aan deze prejudiciële procedure ertoe heeft gebracht met betrekking tot artikel 9 dezelfde uitlegging te bepleiten als die welke aan artikel 8 is gegeven in het arrest Schulin. Een dergelijke oplossing wijs ik beslist van de hand.

26. Volgens het tweede streepje van lid 3 van artikel 14 van verordening nr. 2100/94 mag het oogstproduct door de landbouwer zelf of via voor hem verrichte diensten worden verwerkt, onverminderd bepaalde beperkingen die kunnen worden opgelegd, met name om ervoor te zorgen dat het product vóór verwerking identiek is aan het product na verwerking.

27. Deze bepaling is aangevuld door artikel 13 van verordening nr. 1768/95, dat bepaalt dat het oogstproduct van een ras v/aarvoor een communautair kwekersrecht is verleend, niet zonder voorafgaande toestemming van de houder van het bedrijf waarop het is verkregen, mag worden weggevoerd om voor aanplanting te worden verwerkt.

Een dergelijke handeling is echter wél toegestaan wanneer de. landbouwer passende maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat het product na verwerking identiek is aan het product vóór verwerking, en erop toeziet dat de verwerking daadwerkelijk wordt uitgevoerd door een geregistreerde loonwerker, hetzij door een loonwerker die deze werkzaamheid aanmeldt bij het bevoegde lichaam, om vervolgens in een lijst van loonwerkers te worden opgenomen, en zich er jegens de landbouwer toe heeft verbonden eveneens passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het product na verwerking identiek is aan het product vóór verwerking. De bedoelde lijsten, die uiterlijk op 1 juli 1997 dienden te worden opgesteld, en de registers worden gepubliceerd of ter beschikking gesteld van de organisaties van houders, landbouwers en loonwerkers. De lidstaten kunnen met het oog op het opstellen van een lijst van loonwerkers, eisen inzake vakbekwaamheid vaststellen waaraan de loonwerkers moeten voldoen.

28. De informatieplicht van de loonwerker jegens de kweker is in zoverre beperkt dat artikel 13 van verordening nr. 1768/95 bepaalt, dat de verwerking geschiedt door een gespecialiseerd bedrijf dat ervoor zorgt dat het product na verwerking identiek is aan het product vóór verwerking; aan deze voorwaarden kunnen zowel ondernemingen voldoen die de handelingen verrichten in hun eigen inrichting als ondernemingen die de machines, het materiaal en het benodigde personeel naar het bedrijf van de landbouwer verplaatsen om de verwerking aldaar te doen plaatsvinden.

Een onderneming die zich beperkt tot de verhuur van machines aan een landbouwer, zodat die de verwerking in zijn bedrijf kan uitvoeren, kan daarentegen niet borg staan voor het verwerkte product, ook al factureert zij per verwerkte ton graan. De rechtsbetrekking tussen dit soort ondernemingen en de landbouwers is geen overeenkomst tot het verlenen van diensten, maar een huurovereenkomst.(13) Zij beschikken derhalve niet over de informatie die loonwerkers krachtens artikel 9 van verordening nr. 1768/95 moeten verstrekken aan de houders. Laatstgenoemden zouden zich bijgevolg tevergeefs tot dit soort ondernemingen wenden om de juistheid te verifiëren van de informatie bedoeld in artikel 15 van verordening nr. 1768/95.

29. Anderzijds behoeven enkel de loonwerkers die zaadgoed verwerken van een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde soorten, de kweker te informeren, want dat zijn de enige soorten waarop de afwijkingsregeling van toepassing is. Het overige teeltmateriaal is uitgesloten van verwerking voor vermeerderingsdoeleinden.

30. Afgezien van de gevallen waarin de landbouwer het zaadgoed direct in zijn bedrijf verwerkt met gehuurde machines, wat niet vaak zal voorkomen omdat daarvoor specifieke technische kennis noodzakelijk is, zijn de binnen de Gemeenschap gevestigde bedrijven die het oogstproduct van de in het vorige punt van deze conclusie bedoelde soorten verwerken voor latere aanplanting, verplicht de door de kwekers verlangde informatie te verstrekken.

31. Hoe dan ook staat het aan de nationale rechter om op basis van de door het Hof gegeven aanwijzingen en de overgelegde bewijzen vast te stellen of het een loonwerker betreft die is onderworpen aan de bepalingen van de verordeningen nrs. 2100/94 en 1768/95.

32. Ik ben mij ervan bewust dat deze uitlegging van artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94, juncto artikel 9 van verordening nr. 1768/95, verschilt van het voorstel in mijn conclusie in de zaak Schulin, dat is overgenomen door het Hof, ondanks het feit dat de bewoordingen van artikel 8 en artikel 9 van laatstgenoemde verordening bijna gelijkluidend zijn. Er zijn meerdere redenen die dit verschil verklaren. Deze nieuwe uitlegging wijkt eveneens af van de door de Commissie voorgestane oplossing, die, in het licht van de bewoordingen en het doel van de bepaling, op zijn minst verrassend te noemen is.

33. Artikel 8 van verordening nr. 1768/95 bepaalt de inhoud van de informatie die de landbouwer moet verstrekken. Zoals in de aangehaalde zaak Schulin is uiteengezet, is de kweker de belangrijkste directe begunstigde van de communautaire wetgeving inzake de bescherming van kwekersrechten, terwijl de landbouwers dankzij de bereikte vooruitgang eveneens begunstigden zijn, omdat zij toegang hebben tot teeltmateriaal van een betere kwaliteit. Wanneer de landbouwers zaadgoed aankopen van een beschermd ras, gaan zij, hoe beperkt ook, een rechtsbetrekking aan met de houder, en die betrekking wordt intensiever wanneer het materiaal tot een van de vier in lid 2 van artikel 14 van verordening nr. 2100/94 genoemde soorten behoort en de landbouwers het oogstproduct daarvan in een volgend seizoen zaaien, aangezien zij in een dergelijk geval een vergoeding moeten betalen aan de houder.

34. In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat een uitlegging van de communautaire wetgeving volgens welke alle landbouwers, louter omdat zij tot deze beroepsgroep behoren — zelfs degenen die nooit teeltmateriaal van een door een communautair kwekersrecht beschermd ras van een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde soorten hebben gekocht of aangeplant — op verzoek aan de houders alle relevante informatie moeten verstrekken, verder zou gaan dan noodzakelijk is voor de bescherming van de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer. De houder dient daartoe over een aanwijzing te beschikken dat de landbouwer van de afwijkingsregeling gebruik heeft gemaakt of zal maken, waarbij de aanschaf van zaadgoed als zodanig wordt beschouwd. Het is in ieder geval aan de kweker om zich zodanig te organiseren dat hij de identiteit kent van degenen die zijn beschermde rassen kopen.(14)

35. De onderhavige zaak betreft daarentegen artikel 9 van verordening nr. 1768/95, waarin is bepaald welke informatie de loonwerkers dienen te verstrekken, die zich ten opzichte van de houder in een geheel andere situatie bevinden dan de landbouwers.

36. In de eerste plaats ontstaat er geen rechtsbetrekking tussen de als zodanig handelende kweker en de loonwerker wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsregeling voor landbouwers, zoals voorzien in de communautaire wetgeving. Hoewel volgens artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2100/94 de toestemming van de houder is vereist, wordt het conditioneren van beschermd zaadgoed ten behoeve van de vermeerdering door de loonwerker uitgevoerd op het bedrijf van de landbouwer of in zijn eigen bedrijf; in beide gevallen is artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1768/95 toepasselijk, dat beide ondernemers verplicht passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat het product na verwerking identiek is aan het product vóór verwerking.

37. In de tweede plaats is het zeer waarschijnlijk dat loonwerkers, bij de uitoefening van hun beroep, teeltmateriaal van een beschermd ras zullen verwerken, terwijl het merendeel van de landbouwers binnen de Gemeenschap geen van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde soorten verbouwt, waardoor het onevenredig zou zijn hen te verplichten de door de kwekers toegezonden formulieren in te vullen. Aangezien er, wanneer zij geen overeenkomst hebben gesloten, tussen de loonwerker en de kweker geen enkele rechtsbetrekking bestaat, en landbouwers een beroep doen op dit soort bedrijven wanneer zij gebruik maken van de afwijkingsregeling, lijkt het logisch dat de houders zich bij hun zoektocht naar gegevens tot zowel de een als de ander kunnen wenden om hun rechten op een billijke vergoeding te doen gelden.

Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 15 van verordening nr. 1768/95, dat is gewijd aan het toezicht op loonwerkers. De houder kan van hen verlangen dat zij de juistheid van de informatie aantonen door overlegging van facturen, bewijsstukken aan de hand waarvan het materiaal kan worden geïdentificeerd of monsters van het verwerkte materiaal, of door het tonen van de verwerkings- of opslaginstallaties.

38. In de derde plaats is er een belangrijk verschil in de bewoordingen van artikel 8 en artikel 9 van verordening nr. 1768/95, dat naar mijn mening rechtvaardigt dat het Hof met betrekking tot loonwerkers afwijkt van de in het arrest Schulin gekozen oplossing met betrekking tot landbouwers en de informatieplicht. Wanneer de houder laatstgenoemden om informatie verzoekt, is de vraag volgens de verordening niet of zij materiaal hebben aangekocht dat onder zijn kwekersrecht valt, aangezien de bepaling ervan uitgaat dat hij dat reeds weet. Derhalve mag de houder landbouwers direct vragen of zij het oogstproduct hebben gebruikt als teeltmateriaal.

Wanneer daarentegen kwekers loonwerkers benaderen waarmee zij voorheen geen rechtsbetrekking onderhielden, dienen zij eerst na te gaan of de loonwerkers het zaadgoed van een of meer van hun rassen hebben verwerkt en vervolgens, wanneer dat het geval is, de hoeveelheden, de data, de plaatsen en de ontvangers van de dienst vast te stellen. Indien de wetgever had gewild dat de houder, voordat hij een loonwerker kan benaderen, moet beschikken over aanwijzingen dat deze beschermd materiaal heeft verwerkt in zijn bedrijf (bijvoorbeeld op basis van de gegevens die de landbouwer krachtens artikel 8, lid 2, sub d, van verordening nr. 1768/95 verplicht is te verstrekken), zou hij artikel 9 aldus hebben geformuleerd dat het bedrijf enkel de informatie waarover de houder beschikt, moet bevestigen. Dat is echter niet het geval, zoals duidelijk blijkt uit artikel 9, lid 2, sub b en e, van deze verordening.

39. In de vierde plaats regelt artikel 9, lid 2, sub b, van verordening nr. 1768/95, ondanks dat de loonwerker in de meeste gevallen voor een landbouwer werkt op basis van een overeenkomst tot het verrichten van diensten, het geval dat het de loonwerker niet bekend is tot welk ras het verwerkte teeltmateriaal behoort en hij dit wil onderzoeken, teneinde aan de desbetreffende verplichtingen te kunnen voldoen. Zodra echter wordt aangenomen dat hij niet weet of het om een beschermd ras gaat, lijkt het niet logisch om van de houder te eisen dat hij over aanwijzingen beschikt dat in dit bedrijf teeltmateriaal is verwerkt dat onder zijn kwekersrecht valt, teneinde om bevestiging van zijn vermoedens te kunnen verzoeken.

40. Ten slotte bepaalt artikel 8, lid 5, van verordening nr. 1768/95 dat het verzoek om informatie, in plaats van rechtstreeks aan de landbouwer, na diens voorafgaande toestemming, ook kan worden toegezonden aan een coöperatie waarvan hij lid is of aan een loonwerker die in recente verkoopseizoenen diensten voor hem heeft verricht, of aan een leverancier van zaadgoed. Deze dienen de informatie volgens lid 6 te verstrekken, voorzover zij daartoe door de landbouwer zijn gemachtigd.

Ik verschil van mening met Brangewitz wanneer zij deze bepaling aanvoert ter ondersteuning van haar stelling dat de houder de instemming van de landbouwer behoeft om de loonwerker te benaderen. Deze bepaling dient binnen het systeem enkel als vangnet: zij maakt het mogelijk dat andere bedrijven waarmee de landbouwer uit hoofde van zijn beroep in contact komt, namens hem de informatie verstrekken.

41. Datzelfde geldt voor artikel 9, lid 5, van verordening nr. 1768/95, krachtens hetwelk de houder, in plaats van de loonwerker zelf, ook organisaties van loonwerkers waarvan hij lid is of landbouwers waarvoor hij in recente verkoopseizoenen diensten heeft verricht, kan benaderen. Net als in het vorige geval moeten deze, om de informatie te kunnen verstrekken, zijn gemachtigd door de betrokken loonwerkers. Deze voorzorgsmaatregel treedt evenmin in de plaats van de zelfstandige hoofdverplichting die krachtens artikel 9, leden 2 en 3, van de aangehaalde verordening op de loonwerkers rust.

42. Derhalve moet artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening nr. 2100/94, juncto artikel 9 van verordening nr. 1768/95, aldus worden uitgelegd dat de houder van een kwekersrecht op een bepaald ras relevante informatie kan verlangen van een loonwerker die zaadgoed verwerkt dat tot een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde landbouwgewassen behoort, zonder dat er aanwijzingen bestaan dat de loonwerker het oogstproduct heeft verwerkt dat is verkregen door aanplanting van dit ras.

VI — De tweede prejudiciële vraag

43. Gezien het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag, lijkt het niet nodig de tweede vraag te bespreken, aangezien deze subsidiair is gesteld, louter voor het geval het noodzakelijk zou worden geacht dat er sprake is van voornoemde aanwijzingen dat zaadgoed is verwerkt dat onder het kwekersrecht van een kweker valt.

VII — Conclusie

44. Op grond van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging op de prejudiciële vragen van het Landgericht Düsseldorf te antwoorden als volgt:

„Artikel 14, lid 3, zesde streepje, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, juncto artikel 9 van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers, moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een kwekersrecht op een bepaald ras relevante informatie kan verlangen van een loonwerker die zaadgoed verwerkt dat tot een van de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 2100/94 genoemde landbouwgewassen behoort, zonder dat er aanwijzingen bestaan dat de loonwerker het oogstproduct heeft verwerkt dat is verkregen door aanplanting van dit ras.”