Home

Conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 7 september 2004.

Conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 7 september 2004.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
7 september 2004

Conclusie van advocaat-generaal

A. Tizzano

7 september 2004(1)

1. Deze zaak betreft een hogere voorziening, ingesteld door José Marti Peix SA ( hierna: „Peix” of „rekwirante”) tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 maart 2003, José Marti Peix/Commissie (T-125/01, Jurispr. biz. II-865, hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 19 maart 2001 waarbij de Commissie de bijstand voor een project tot oprichting van een gemengde visserijvennootschap heeft verminderd (hierna: „bestreden beschikking”)(2).

I — Rechtskader

A — De verordeningen (EEG) nrs. 4028/86 en 1956/91

2. Teneinde de communautaire visbestanden tegen overbevissing te beschermen, heeft de Commissie diverse maatregelen ter vermindering van de omvang van de communautaire vissersvloot genomen.

3. In de onderhavige zaak is in het bijzonder van belang de maatregel in de thans ingetrokken verordening (EEG) nr. 4028/86(3), die voorzag in het verlenen van bijstand aan door reders uit de Gemeenschap met onderdanen van derde landen opgerichte vennootschappen (zogenoemde „gemengde vennootschapen”) voor de exploitatie van de visbestanden van die landen met vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren en in een haven van de Gemeenschap zijn geregistreerd, maar definitief naar die landen zijn uitgevoerd (artikelen 21 bis en 21 ter, lid 2, van deze verordening).

4. Ten tijde van de feiten waren de voorwaarden en de modaliteiten voor de verlening van deze bijstand vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1956/91(4), die vervolgens ook is ingetrokken.

5. Volgens deze verordening moesten de verzoeken om bijstand bij de Commissie worden ingediend via de autoriteiten van de lidstaten, die advies over het plan voor een gemengde vennootschap moesten uitbrengen en de noodzakelijke bewijsstukken moesten bewaren (artikel 1 van verordening nr. 1956/91).

6. Deze bijstand kon in verschillende vormen worden verleend. In het bijzonder kon hij bestaan in een in twee gedeelten betaalbare kapitaalsubsidie: een eerste gedeelte van maximaal 80 % van de totale bijstand, en een tweede gedeelte voor het saldo (artikel 5 van verordening nr. 1956/91).

7. De ontvangers van de bijstand moesten gedurende drie opeenvolgende jaren om de twaalf maanden bij de Commissie een verslag indienen over de activiteit van de gemengde vennootschap, samen met een kopie van de jaarrekening en de officiële documenten betreffende hun visserijactiviteiten, aanvoer en overlading (artikel 6 van verordening nr. 1956/91).

B — Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95

8. Teneinde de financiële belangen van de Gemeenschappen op alle beleidsterreinen doeltreffend te beschermen (derde en vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2988/95), heeft de Raad verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95(5) vastgesteld, die een „algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het gemeenschapsrecht” bevat (artikel 1, lid 1).

9. Artikel 1, lid 2, luidt:

„Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uilgave.”

10. Artikel 3 van deze verordening bepaalt:

„1. De verjaringstermijn van de vervolging(6) bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De sectoriële regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.

Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma's loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten.

De verjaring van de vervolging(7) wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de sluiting vangl een nieuwe verjaringstermijn aan.

De verjaring treedt echter in ieder geval in na verloop van een termijn die het dubbele bedraagt van de verjaringstermijn indien de bevoegde autoriteit binnen deze termijn geen sanctie heeft opgelegd, behoudens in geval van schorsing van de administratieve procedure overeenkomstig artikel 6, lid 1.

2. Hel recht tol uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop het besluit definitief wordt.

De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld.

3. Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe Ie passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.”

II — Feiten en procesverloop

A — De aan het geding ten grondslag liggende feiten

11. In het bestreden arrest worden de aan het geding ten grondslag liggende feiten beschreven als volgt:

„11 In oktober 1991 heeft de vennootschap José Marti Peix, SA (hierna: verzoekster) door tussenkomst van de Spaanse autoriteiten de Commissie verzocht om communautaire financiële bijstand op basis van verordening nr. 4028/86 in het kader van een project tot oprichting van een Spaans-Angolese gemengde visserijvennootschap. Dit project voorzag met het oog op visserijactiviteiten in de overdracht van drie vaartuigen, de Pondal, de Periloja en de Sonia Rosal, aan de gemengde vennootschap die verzoekster had opgericht samen met de Portugese vennootschap Iberpesca — Sociedades de Pesca Ltda en een Angolese vennoot, Empromar N'Gunza.

12 Bij beschikking van 16 december 1991 (hierna: „toekenningsbeschikking”) heeft de Commissie aan het in het vorige punt bedoelde project (project SM/ESP/17/91; hierna: „project”) communautaire bijstand verleend ten bedrage van ten hoogste 1 349 550 ECU. [...]

13 In november 1992 is de gemengde vennootschap Ibermar Empresa de Pesca Ltda opgericht en ingeschreven te Luanda in Angola. In december 1992 zijn de drie vaartuigen van de gemengde vennootschap geregistreerd in de haven van Luanda.

[...]

15 Op 18 mei 1993 heeft de Commissie via de Spaanse autoriteiten een verzoek van 10 mei 1993 om betaling van de eerste tranche van de bijstand ontvangen. Bij dit verzoek was een reeks documenten en certificaten gevoegd met betrekking tot de oprichting van de gemengde vennootschap, de registratie van de vaartuigen in de haven van Luanda, de schrapping ervan uit het register van de Gemeenschap en de verkrijging van de vereiste visvergunningen.

16 Op 24 juni 1993 heeft de Commissie 80 % van de bijstand betaald.

17 Op 20 mei 1994 heeft verzoekster de Spaanse autoriteiten verzocht om betaling van het saldo van de bijstand. Bij dit verzoek was het eerste periodieke verslag over de activiteiten in de periode van 20 april 1993 tot en met 20 april 1994 gevoegd. Dit rapport vermeldt onder meer: „Wij hebben onze langetermijndoelstellingen moeten wijzigen wegens de schipbreuk van de Pondal op 20 juli 1993 ” [...].

18 De Commissie heeft op 7 september 1994 het in het vorige punt bedoelde verzoek ontvangen en op 14 september 1994 het saldo van de bijstand betaald.

19 Op 6 november 1995 heeft de Commissie het tweede periodieke verslag van 19 juni 1995 ontvangen over de activiteiten in de periode van 20 mei 1994 lot en met 20 mei 1995. In dit verslag werd melding gemaakt van de schipbreuk van de Pondal op 20 juli 1993 en werd gewezen op de moeilijkheden om dit vaartuig te vervangen ten gevolge van de terughoudendheid van de Angolese autoriteiten.

[...]

25 In september 1997 is het derde periodieke activiteitenverslag voor de periode van 20 mei 1995 tot en met 20 mei 1996 ingediend bij de Commissie. Hierin werd melding gemaakt van gedragingen van de Angolese vennoot die de normale voortzetting van de visserijactiviteit verhinderden. Blijkens het verslag was de laatste vis uil Angola aangevoerd in maart 1995 en hadden de communautaire vennoten wegens de moeilijkheden ten gevolge van die gedragingen besloten hun aandelen in de gemengde vennootschap aan de Angolese vennoot te verkopen en de voor het project bestemde vaartuigen af te kopen. Volgens het verslag waren de vaartuigen na de afkoop ervan door verzoekster overgebracht naar een haven in Nigeria, waar zij lol in 1996 herstellingen ondergingen.” [cursivering van mij].

B — De precontentieuze fase en de bestreden beschikking

12. Uit hel bestreden arrest blijkt eveneens dat de Commissie rekwirante en de Spaanse autoriteiten bij brief van 26 juli 1999 in kennis heeft gesteld van haar voornemen om de aanvankelijk aan hel project toegekende bijstand mei toepassing van artikel 44 van verordening nr. 4028/86 te verminderen. Dit voornemen berustte op hel feil dal „de gemengde vennootschap in strijd met de voorschriften van deze verordening en van verordening nr. 1956/91 de visbestanden van hel in de loekenningsbeschikking vermelde derde land niet gedurende drie jaar had geëxploiteerd”.(8)

13. Uit de documenten bleek immers dat de Pondal „zijn activiteiten had verricht van 20 april tot en met 20 juli 1993, de datum van zijn schipbreuk, dus gedurende drie maanden”, en dat de Periloja en de Sonia Rosal „hun activiteiten in de Angolese wateren voor rekening van de gemengde vennootschap hadden verricht tussen 20 april 1993 en 20 april 1994 en tussen 20 mei 1994 en 3 februari 1995, de datum waarop verzoekster haar aandelen in deze vennootschap had verkocht, dus gedurende 21 maanden in totaal”.(9)

14. Op 5 oktober 1999 heeft rekwirante bij de Commissie opmerkingen ingediend over deze brief, en nieuwe documenten overgelegd.

15. Uit de bijgevoegde documenten bleek dat „de Pondal schipbreuk had geleden op 13 januari 1993 en niet op 20 juli 1993, zoals verzoekster tot nu toe [...] had medegedeeld”.(10)

16. Op 19 maart 2001 heeft de Commissie de bestreden beschikking gegeven waarin zij:

  • eraan herinnerde dat zij „aan José Marti Peix SA [...] communautaire bijstand ten bedrage van 1 349 550 ECU had verleend voor de oprichting van een gemengde vennootschap” die de vaartuigen „Pondal”, „Periloja” en „Sonia Rosal” betrof (eerste overweging van de considerans);

  • vaststelde dat „het vaartuig Pondal [...] op 13 januari 1993 schipbreuk had geleden” (vierde overweging van de considerans);

  • van mening was dat de ontvanger, door de Commissie op de datum van het verzoek om uitbetaling van de eerste tranche van de bijstand niet in kennis te hebben gesteld van de schipbreuk en vervolgens in het eerste rapport te hebben vermeld dat deze gebeurtenis op 20 juli 1993 had plaatsgevonden, een ernstige onregelmatigheid had begaan (negende overweging van de considerans);

  • erop wees dat de Sonia Rosal en de Periloja „Angola hadden verlaten en in maart 1995 in het Angolese register waren doorgehaald”. Deze vaartuigen hadden „in 1995 en 1996 geen enkele activiteit verricht” en waren vervolgens „zonder voorafgaande toestemming van de Commissie op een onbekend tijdstip naar Kameroen” overgebracht (vijfde overweging van de considerans);

  • de verleende bijstand derhalve verminderde van 1 349 550 ECU tot 710 030 euro, en de ontvanger gelastte om het onverschuldigd betaalde bedrag van 639 520 euro binnen drie maanden aan de Commissie terug te belalen (artikelen 1 en 2).

C — Procesverloop voor het Gerecht en het bestreden arrest

17. Op 8 juni 2001 heeft Peix beroep ingesteld en het Gerecht verzocht om de beschikking tot vermindering van de bijstand nietig te verklaren. Uiteraard heeft de Commissie zich tegen dit verzoek verzet.

18. Blijkens het bestreden arrest heeft rekwirante tot staving van haar beroep vier middelen aangevoerd: i) verjaring van de in de beschikking gestelde feiten, ii) schending van de beginselen van zorgvuldigheid en behoorlijk bestuur, iii) onjuiste beoordeling en onjuiste uitlegging van verordening nr. 4028/86, en iv) schending van het evenredigheidsbeginsel.(11)

19. Voor deze zaak is vooral het eerste middel relevant, inhoudende dat „de feiten die aan de vermindering van de bijstand ten grondslag lagen, ten tijde van de vaststelling van de beschikking waren verjaard”.(12)

20. Wat dit middel betreft, heeft hel Gerecht om te beginnen geconstateerd dat in „artikel 3, [lid 1], van verordening nr. 2988/95 [...] de verjaringstermijn van de vervolging wordt vastgesteld ‚op vier jaar vanaf de datum waarop de [...] onregelmatigheid is begaan’” en dat het begrip onregelmatigheid „zowel betrekking heeft op de opzettelijke of uil nalatigheid begane onregelmatigheden die overeenkomstig artikel 5 van deze verordening lol een administratieve sanctie kunnen leiden, als op de onregelmatigheden die enkel kunnen leiden lol een administratieve maatregel als bedoeld in artikel 4 van de verordening”. Bijgevolg kwam hel Gerecht lot de slotsom dal „artikel 3 van deze verordening van toepassing is op de in deze zaak in geding zijn de onregelmatigheden”.(13)

21. Vervolgens heeft het Gerecht onderzocht of de feiten met betrekking tot de Pondal, de Periloja en de Sonia Rosal inderdaad waren verjaard.

22. Wal de Pondal betreft, heeft het Gerecht er in de eerste plaats aan herinnerd dat „de in de bestreden beschikking terecht vastgestelde onregelmatigheid erin bestaat dat verzoekster aanvankelijk het feit van de schipbreuk verborgen heeft gehouden en vervolgens een onjuiste datum daarvoor heeft meegedeeld”.(14)

23. Volgens het Gerecht moest dit gedrag „worden opgevat als een voortdurende onregelmatigheid in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95, aangezien zij een zelfde voorwerp hebben gehad, namelijk de niet-nakoming van verzoeksters verplichting tot informatie en loyale samenwerking met betrekking tot deze schipbreuk”.(15)

24. Bijgevolg was de verjaringstermijn ingegaan op de dag waarop de onregelmatigheid eindigde, namelijk op 5 oktober 1999, de dag waarop de Commissie voor het eerst werd ingelicht over de juiste datum van deze schipbreuk, namelijk 13 januari 1993.(16)

25. Op basis van die overwegingen kwam het Gerecht tot de slotsom dat „verzoekster dan ook niet [kan] stellen dat de in de bestreden beschikking met betrekking tot [de Pondal] vastgestelde feiten verjaard zijn”.(17)

26. Wat vervolgens de Periloja en de Sonia Rosal betreft, heeft het Gerecht om te beginnen de juistheid bevestigd „van de verklaring in de bestreden beschikking dat [deze vaartuigen] in strijd met de voorwaarde die is gesteld in de toekenningsbeschikking [...], niet gedurende drie jaar de Angolese wateren hebben geëxploiteerd”.(18)

27. Volgens het Gerecht vormde dit gedrag eveneens „een voortdurende onregelmatigheid in de zin van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95, die heeft geduurd tot 20 mei 1996, de datum waarop [...] de verplichte periode van drie jaar activiteit van deze vennootschap eindigde en waarop de onregelmatigheid definitief de in de bestreden beschikking omschreven vorm heeft aangenomen, namelijk het niet verrichten van activiteiten door de twee bedoelde vaartuigen in de Angolese wateren gedurende vijftien van de 36 maanden van de genoemde periode.” Ook in dit geval was de verjaringstermijn pas ingegaan „op de dag waarop de onregelmatigheid [werd beëindigd], namelijk op 20 mei 1996”.(19)

28. Het Gerecht heeft vervolgens geoordeeld dat de brief die de Commissie verzoekster op 26 juli 1999 had gezonden, waarin „zij haar meedeelde dat een procedure tot vermindering van de bijstand was ingeleid wegens onregelmatigheden die met name betrekking hadden op de activiteiten van de Periloja en de Sonia Rosal, [...] een handeling vormde die de verjaring [stuitte] in de zin van artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95”.(20)

29. Het heeft vervolgens beslist dat „zelfs indien op basis van een letterlijke lezing van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 wordt aangenomen dat de in dit artikel vastgestelde verjaringstermijn van vier jaar voor een voortdurende onregelmatigheid ingaat op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd, ook al heeft de bevoegde autoriteit, zoals in casu, pas later kennis gekregen van deze onregelmatigheid, [...] de verzending van de brief van 26 juli 1999, voordat de op 20 mei 1996 ingegane termijn van vier jaar was verstreken, die termijn heeft gestuit en tot gevolg heeft gehad dat op 26 juli 1999 een nieuwe termijn van vier jaar is ingegaan.” Dus waren „de feiten die de onregelmatigheid met belrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal vormen, [...] op het tijdstip van de vaststelling van de bestreden beschikking [...] niet verjaard”.(21)

30. Op de hierboven weergegeven gronden heeft het Gerecht het middel betreffende verjaring verworpen. Na de overige middelen eveneens ongegrond te hebben verklaard, heeft het Gerecht het beroep verworpen en rekwirante in de kosten verwezen.

D — Procesverloop voor het Hof

31. Bij verzoekschrift, neergelegd op 22 mei 2003, heeft Peix hogere voorziening ingesteld en hel Hof verzocht om de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren, hel bestreden arrest te vernietigen en de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedures voor hel Hof en voor hel Gerecht.

32. De Commissie heeft hiertegen verweer gevoerd in haar op artikel 115 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gebaseerde memorie van antwoord.

33. Vervolgens zijn partijen gehoord ter terechtzitting van 10 juni 2004.

III — Beoordeling

34. Tot slaving van de hogere voorziening voert Peix slechts één middel aan, namelijk schending van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 wegens onjuiste uitlegging van het begrip „voortdurende” onregelmatigheid.

35. In haar toelichting op dit middel heeft rekwirante de onregelmatigheid met betrekking tot de Pondal en die met betrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal apart behandeld. De Commissie heeft in haar memorie van antwoord hetzelfde gedaan. Voor alle duidelijkheid zal ik daarom in mijn bespreking deze weg ook volgen.

A — De voortduring van de onregelmatigheid met betrekking tot de Pondal

36. Rekwirante betoogt dat het Gerecht het recht heeft geschonden door de onregelmatigheid met betrekking tot de Pondal als voortdurend aan te merken. Volgens haar vormt het verschaffen van verkeerde informatie door de ontvanger van communautaire bijstand een eenmalige onregelmatigheid die eindigt op de datum waarop die informatie aan de Commissie is gezonden, en niet, zoals het Gerecht oordeelt, op de — latere — datum waarop de onnauwkeurigheid van de informatie door de Commissie zelf is ontdekt.

37. Volgens Peix is de uitlegging van het Gerecht niet alleen in strijd met 's Hofs rechtspraak - waarop ik nog zal terugkomen (zie punt 48 hierna) — maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel waarvoor de bepalingen betreffende verjaring nu juist een waarborg bieden. Immers, wanneer de verjaring enkel kon ingaan vanaf het tijdstip waarop de Commissie een onregelmatigheid ontdekt, zouden de door de wetgever gestelde termijnen oneindig worden verlengd, omdat er dan moet worden gewacht totdat de Commissie in actie komt om de juistheid van de verschafte informatie te verifiëren.

38. Voorts spreekt het Gerecht zichzelf in het bestreden arrest tegen, want in punt 94 heeft het voor de Periloja en de Sonia Rosal aanvaard dat de verjaring ook kan ingegaan wanneer de bevoegde autoriteit niet op de hoogte is van de door de marktdeelnemer begane onregelmatigheid.

39. Vanuit dat gezichtspunt is de beslissende datum volgens Peix 20 mei 1994, de datum waarop de Commissie in kennis is gesteld van de schipbreuk van de Pondal, en niet - zoals het Gerecht heeft bepaald — 5 oktober 1999, toen de Commissie de werkelijke datum van de gebeurtenis ontdekte.

40. Bijgevolg is de brief van 26 juli 1999 waarmee de Commissie haar meedeelde dat de procedure tot vermindering van de bijstand was ingeleid, verzonden na het verstrijken van de termijn van vier jaar en haars inziens dus nietig, evenals de latere beschikking tot vermindering van de bijstand, die op de via deze brief verkregen inlichtingen steunde.

41. De Commissie komt tot de tegenovergestelde slotsom: de door Peix gepleegde inbreuk op de verplichting om betrouwbare informatie te verschaffen is niet op 20 mei 1994 met de eerste onjuiste mededeling van de schipbreuk van de Pondal geëindigd maar heeft, zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld, tot 5 oktober 1999 voortgeduurd, dat wil zeggen tot het moment waarop rekwirante de werkelijke datum van deze schipbreuk heeft gemeld en de begane onregelmatigheid heeft beëindigd. Het Gerecht heeft, door deze onregelmatigheid als voortdurend te kwalificeren, het rechtszekerheidsbeginsel dus niet geschonden en is niet afgeweken van de rechtspraak van het Hof.

42. Wat de vermeende nietigheid van de brief van 26 juli 1999 betreft, stelt de Commissie om te beginnen dat dit middel niet-ontvankelijk is, omdat het voor het eerst in hogere voorziening naar voren is gebracht. Dit middel zou bovendien ongegrond zijn omdat de betrokken brief is verzonden vóór het verstrijken van de termijn van vier jaar, die pas op 5 oktober 1999 is ingegaan.

43. Voor de beoordeling van deze standpunten moet ik er om te beginnen aan herinneren dat volgens het bestreden arrest:

  • het door de Commissie op 18 mei 1993 ontvangen verzoek om betaling van de eerste tranche van de bijstand geen melding maakte van de schipbreuk van de Pondal, hoewel die al op 13 januari 1993 had plaatsgevonden;

  • het eerste door Peix op 20 mei 1994 ingediende periodieke verslag vermeldde dat „de schipbreuk van de Pondal [had plaatsgevonden] op 20 juli 1993 ”;

  • in hel tweede verslag van 19 juni 1995 opnieuw werd vermeld dat „de Pondal op 20 juli 1993 schipbreuk had geleden”;

  • Peix pas op 5 oktober 1999 documenten heeft overgelegd waaruit bleek dal de Pon dal op 13 januari 1993 en niet op 20 juli 1993 schipbreuk had geleden.(22)

44. Ik ben daarom van mening dat het Gerecht de schending door Peix van haar verplichting, als ontvanger van communautaire bijstand „de Commissie betrouwbare informatie (te) verstrekken die haar niet op een dwaalspoor kan brengen”, teneinde „controle van een passend gebruik van (aan de gemengde vennootschap uitgekeerde) gemeenschapsfondsen” mogelijk te maken(23), terecht heeft aangemerkt als een voortdurende onregelmatigheid.

45. Peix heeft immers door haar herhaalde handelen (opgave van een verkeerde datum van de schipbreuk) en vooral nalaten (nietvermelding van de dag waarop deze schipbreuk werkelijk had plaatsgevonden) inbreuk op deze verplichting gemaakt. Deze gedragingen begonnen reeds voordat de gemengde vennootschap haar visserijactiviteit in Angola aanvatte, en duurden voort tot 5 oktober 1999, dat wil zeggen totdat rekwirante de documenten overlegde waaruit de werkelijke datum van de schipbreuk bleek. Pas op die datum is dus de onregelmatigheid geëindigd en is de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 vastgestelde verjaringstermijn van vier jaar ingegaan.

46. De overige argumenten van rekwirante kunnen mijns inziens niets aan deze conclusie afdoen.

47. Om te beginnen lijkt mij het arrest Strawson(24) niet relevant.

48. In die zaak ging het om de vraag of een instantie die in 1997 een controle had verricht waarbij meerdere tussen 1993 en 1997 begane onregelmatigheden aan het licht waren gekomen, enkel sancties kon opleggen voor de onregelmatigheden die tijdens het controlejaar waren begaan, of ook voor die in eerdere jaren.

49. Op deze vraag heeft het Hof geantwoord dat de bevoegde instanties ook sancties mochten opleggen voor de onregelmatigheden „betreffende de jaren voorafgaand aan het jaar waarin die onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen, mits de verjaringstermijnen van verordening nr. 2988/95 worden nageleefd”(25).

50. Het Hof heeft dus slechts gepreciseerd dat de bevoegdheid van de autoriteiten om sancties op te leggen in de tijd is beperkt tot de genoemde verjaringstermijn van vier jaar. Het heeft echter geen uitspraak gedaan over het begrip „voortdurende” onregelmatigheid, waarom het hier gaat. Zoals de Commissie terecht beklemtoont, behoefde daarover in die zaak geen uitspraak te worden gedaan, omdat alle aan de betrokkenen verweten gedragingen tussen 1993 en 1997 (controlejaar) hadden plaatsgevonden, dus nog binnen de in verordening nr. 2988/95 bepaalde termijn van vier jaar.

51. Men kan evenmin tegenwerpen dat, door de verjaring te laten ingaan op de dag waarop een ontvanger van communautaire bijstand voldoet aan zijn verplichting tot het verschaffen van betrouwbare informatie en dus de begane onregelmatigheid beëindigt, de aan elke verjaringstermijn eigen „functie om de rechtszekerheid te waarborgen” zou worden aangetast(26).

52. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het stellen van de begindatum van de verjaringstermijn op het tijdstip waarop de onregelmatigheid is beëindigd, nog afgezien van de uitdrukkelijke bepaling in verordening nr. 2988/95, immers volledig in overeenstemming met die functie.

53. Naar mijn mening worden particulieren die een uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting hebben geschonden, door het betrokken beginsel enkel beschermd wanneer de schending is beëindigd, en niet wanneer de onwettige situatie nog voortduurt. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, moet de begunstigde dus beslissen of hij een onregelmatige situatie laat voortduren, waardoor hij het risico loopt dat de periode waarin de autoriteiten controle uitoefenen wordt verlengd, dan wel of hij de loyaliteits- en informatieverplichtingen nakomt, waardoor hij de zekerheid krijgt dat na vier jaar geen enkele sanctie meer tegen hem zal kunnen worden genomen.

54. Bovendien is dit beginsel, zoals bekend, bedoeld ter bescherming van particulieren, om te voorkomen dat „de Commissie eindeloos kan wachten met de uitoefening van haar bevoegdheden”.(27) Maar dit onderstelt uiteraard dat de Commissie in staat is gesteld om haar bevoegdheden uit te oefenen, iets dat onmogelijk is wanneer de ontvangers van communautaire bijstand, in strijd met hun nauwkeurige verplichting, informatie verstrekken die onbetrouwbaar is of die in elk geval de instellingen wat essentiële onderdelen van de gefinancierde projecten betreft kan misleiden.

55. Op de vermeende tegenstrijdigheid in het bestreden arrest, doordat voor de Periloja en de Sonia Rosal een andere benadering zou zijn gekozen, zal ik straks terugkomen; mijns inziens is daarvan echter geen sprake (zie punten 66 e.v. hierna).

56. Op grond van het voorgaande ben ik derhalve van mening dat het Gerecht artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 niet heeft geschonden door de feiten met betrekking tot de Pondal als „voortdurende” onregelmatigheid aan te merken en door de datum waarop de verjaringstermijn is ingegaan, vast te stellen op 5 oktober 1999, de datum waarop die onregelmatigheid is beëindigd.

57. Wat er ook zij van de ontvankelijkheid van het middel, kom ik dus tot de slotsom dat de grief van rekwirante betreffende de vermeende nietigheid van de brief van de Commissie van 26 juli 1999 duidelijk ongegrond is. Anders dan zij heeft betoogd, is deze brief niet verzonden na het verstrijken van de verjaringstermijn, maar nog zelfs voordat hij was ingegaan.

58. Het middel betreffende de Pondal moeten dus worden afgewezen.

B — De voortduring van de onregelmatigheid met betrekking tot de vaartuigen Periloja en Sonia Rosal

59. Volgens rekwirante heeft de onregelmatigheid met betrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal niet een voortdurend karakter gehad, zoals het Gerecht heeft beslist. De onregelmatigheid was eenmalig omdat ze met de terugtrekking van die vaartuigen uit de Angolese wateren in februari 1995 is geëindigd. Peix wijst bovendien op de tegenstrijdigheid in het bestreden arrest doordat het Gerecht in punt 94, anders dan met betrekking tot de Pondal, heeft erkend dat de verjaring ook kan beginnen wanneer de bevoegde autoriteit de door de betrokkene begane onregelmatigheid niet kent.

60. De Commissie heeft echter een andere mening. Volgens haar had de door Peix begane onregelmatigheid - overbrenging van de betrokken vaartuigen naar Kameroen zonder voorafgaande toestemming en zonder in 1995 en 1996 in Angolese wateren te zijn geëxploiteerd — een voortdurend karakter en betrof de gehele periode waarin die vaartuigen niet in Angola visten.

61. Ik moet bekennen dat het bestreden arrest mij op dit punt niet helemaal duidelijk is. De redenering van het Gerecht bij de vaststelling en de kwalificatie van de onregelmatigheden met betrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal is namelijk enigszins krom.

62. Immers,

  • in de eerste plaats concentreert het Gerecht zich slechts op één van de door de Commissie in de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken (vijfde overweging van considerans; zie boven, punt 16), namelijk het feit „dat de Periloja en de Sonia Rosal in strijd met de voorwaarde die is gesteld in de toekenningsbeschikking, [...] niet gedurende drie jaar de Angolese wateren hebben geëxploiteerd” (punt 88);

  • in de tweede plaats beklemtoont het Gerecht dat de aan het licht gekomen inbreuk een voortdurende onregelmatigheid vormt en dat deze onregelmatigheid pas op 20 mei 1996 is geëindigd, de datum waarop de periode van drie jaar verplichte activiteit in Angola verstreek (punt 91);

  • tenslotte stelt het Gerecht hypothetisch vast dat „zelfs indien[...] wordt aangenomen dat de in dit artikel vastgestelde verjaringstermijn van vier jaar voor een voortdurende onregelmatigheid ingaat op de dag waarop de onregelmatigheid is beëindigd, ook al heeft de bevoegde autoriteit, zoals in casu, pas later kennis gekregen van deze onregelmatigheid”(28), de termijn van vier jaar in elk geval niet is verstreken, omdat de verzending van de brief van 26 juli 1999 deze termijn heeft gestuit (punt 94).

63. Zoals reeds gezegd, keert rekwiranle zich niet legen de vaststelling van de onregelmatigheid door hel Gerecht (namelijk dat de vaartuigen niet gedurende de periode van drie jaar in de Angolese wateren waren geëxploiteerd), maar betwist zij enkel dat de onregelmatigheid als voortdurend is aangemerkt.

64. Deze grief kan naar mijn mening niet slagen. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld, is de onregelmatigheid in februari 1995 begonnen, toen de betrokken vaartuigen Angola verlieten, en heeft zonder twijfel geduurd lol mei 1996, toen de verplichte vispcriode in dat land verstreek. Peix heefl dus niet korte tijd een verplichting geschonden die op een bepaald moment bestond, doch bij voortduring nagelalen te voldoen aan een verplichting waaraan zij zich tot de genoemde datum diende te houden.

65. Ook de grief betreffende de tegenstrijdigheid in het bestreden arrest moet mijns inziens worden afgewezen. I-Iel Gerecht heeft naar mijn indruk in punt 94, weliswaar in een minder gelukkige formulering, enkel willen beklemtonen dat ook wanneer de begindatum van de verjaringstermijn op een voor rekwiranle gunstiger wijze werd berekend, dus uitgaande van een eerdere datum dan die waarop zij de feilen met betrekking lol de op Periloja en de Sonia Rosal aan de Commissie had meegedeeld en waarop de instelling dus daarmee bekend kon zijn, de verjaringstermijn in elk geval niet was verstreken omdat deze door een handeling van de Commissie was gestuit.

66. Het gaat dus om een volledig hypothetische overweging die geenszins in strijd met de overige passages van het arrest is waarin het Gerecht met betrekking tot de Pondal duidelijk zegt dat in geval van schending van de verplichting tot betrouwbare informatieverschaffing door de ontvanger van communautaire bijstand, de verjaring ingaat op het moment waarop hij de Commissie correct heeft ingelicht over het bestaan van feiten die van invloed zijn op wezenlijke onderdelen van het gefinancierde project.

67. Deze lezing wordt mijns inziens ook bevestigd door verschillende latere passages van het bestreden arrest.

68. In het gedeelte over de grief betreffende schending van het evenredigheidsbeginsel geeft het Gerecht namelijk zeer duidelijk aan dat Peix zich met betrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal heeft schuldig gemaakt aan „ernstige schendingen van verplichtingen die essentieel zijn voor de werking van het stelsel van communautaire financiële bijstand inzake visserij”, niet alleen omdat „de Angolese visbestanden [niet] gedurende drie jaar door die twee vaartuigen waren geëxploiteerd”, maar ook door het feit dat „verzoekster het feit dat deze vaartuigen de Angolese wateren hadden verlaten, ongeveer twee jaar verborgen [heeft] gehouden”.(29) Immers, „pas in het derde periodieke activiteitenverslag aan de Commissie van september 1997 heeft zij duidelijk vermeld dat de laatste aanvoer van vis uit Angola van maart 1995 dateerde [...] en dat de vaartuigen [...] naar een haven in Nigeria waren overgebracht waar zij tot in 1996 herstellingen ondergingen”.(30)

69. Hoewel zij indirect en in zuiver hypothetische bewoordingen gesteld zijn, ben ik dus van mening dat de gronden waarop het Gerecht de onregelmatigheid met betrekking tot de Periloja en de Sonia Rosal als „voortdurend” aanmerkt, niet in tegenspraak zijn met de passages van het bestreden arrest met betrekking tot de Pondal.

70. Om al deze redenen concludeer ik dus dat het middel ook ten aanzien van het gedeelte betreffende de Periloja en de Sonia Rosal moet afgewezen.

C — Slotopmerkingen

71. Aangezien ik het enige middel van Peix ongegrond acht, lijkt het mij niet noodzakelijk om nog de subsidiaire opmerkingen van de Commissie te bespreken, over de niettoepasselijkheid van de verjaringstermijn van artikel 3, van verordening nr. 2988/95 op de terugvordering van een onverschuldigde betaling, en over de stuiting van de verjaring door de brief van de Spaanse autoriteiten van 26 februari 1998.

72. Samenvattend concludeer ik dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

IV — Kosten

73. Gelet op artikel 69, lid 2, van het Reglement voor procesvoering, dal ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, en mijn conclusie dat de hogere voorziening moet worden afgewezen, ben ik van oordeel dat Peix in de kosten moet worden verwezen.

V — Conclusie

74. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof dus in overweging:

  • de hogere voorziening af te wijzen,

  • José Marti Peix SA te verwijzen in de kosten.