Conclusie van advocaat-generaal Stix-Hackl van 11 januari 2005.
Conclusie van advocaat-generaal Stix-Hackl van 11 januari 2005.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 11 januari 2005
Conclusie van advocaat-generaal
C. Stix-Hackl
van 11 januari 2005(1)
I — Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure gaat het om de uitlegging van de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking waarbij een partnerschap lot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds(2) (hierna: „overeenkomst”), in het bijzonder om de rechtstreekse werking en de betekenis van artikel 23 betreffende de arbeidsvoorwaarden. Het geschil in het hoofdgeding betreft een regeling van een sportbond waarin het aantal voetbalspelers uit derde landen bij bepaalde wedstrijden wordt beperkt.
II — Rechtskader
A — Gemeenschapsrecht
2. Artikel 23, lid 1, van de overeenkomst luidt als volgt:
„Met inachtneming van de in elke lidstaat geldende wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures zorgen de Gemeenschap en haar lidstaten ervoor dal onderdanen van Rusland die wettig tewerkgesteld zijn op het grondgebied van een lidstaat, niet op grond van nationaliteit worden gediscrimineerd ten opzichte van de onderdanen van deze lidstaat wat werkomstandigheden, beloning en ontslag betreft.”
B — Nationaal recht
3. De voetbalspelerslicentie is een door de Real Federación Española de Fútbol (Spaanse voetbalbond; hierna: „RFEF”) afgegeven document dat volgens artikel 129, lid 2, van het algemeen reglement van de RFEF toestemming verleent om deze sport als bondslid te beoefenen en als speler van een bepaalde club deel te nemen aan wedstrijden en officiële competities. Tot de officiële nationale competities behoren onder meer de Campeonatos Nacionales (landelijke kampioenschappen) van de Liga de Primera y Segunda División (eerste en tweede divisie), het Campeonato de España/Copa de S.M. el Rey (kampioenschap van Spanje/beker van Z.M. de Koning) en de Supercopa (superbeker). Om deel te nemen aan deze competities, moet de speler dus in het bezit zijn van een bondslicentie.
4. Artikel 173 van het algemeen reglement bepaalt:
„Onverminderd de uitzonderingen waarin dit reglement voorziet, moeten de voetballers voor de inschrijving en voor de verkrijging van de licentie als beroepsspeler voldoen aan het algemene vereiste dat zij de Spaanse nationaliteit of de nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte bezitten.”
Artikel 176 van hetzelfde reglement bepaalt:
„1. Clubs die zijn aangemeld voor officiële professionele competities op nationaal niveau kunnen buitenlandse spelers die geen gemeenschapsonderdaan zijn, inschrijven in een aantal dat wordt vastgesteld in de overeenkomsten tussen RFEF, de nationale liga voor beroepsvoetbal en de vereniging van Spaanse voetballers, waarin voorts wordt geregeld hoeveel voetballers van deze categorie gelijktijdig kunnen worden opgesteld.
2. Krachtens de overeenkomst van 28 mei 1999 tussen genoemde organisaties geldt vanaf het seizoen 2000/2001 tot en met het seizoen 2004/2005 de volgende regeling [...].
3. De voetballers die onder de in dit artikel voorziene regeling vallen, zijn lid van het verbond, met dezelfde rechten en verplichtingen en volgens dezelfde regels als de voetballers die onder de algemene regeling vallen.”
5. In het niet volledig geciteerde gedeelte van lid 2 van dit artikel wordt het aantal vergunningen per seizoen genoemd (in de eerste divisie, vijf in het seizoen 2000/2001, vier in elk van de daaropvolgende seizoenen en drie in het seizoen 2004/2005; in de tweede divisie, vier in het seizoen 2000/2001, drie in elk van de twee daaropvolgende seizoenen en twee in het laatste seizoen) alsmede het aantal niet-communautaire spelers dat gelijktijdig mag worden opgesteld (drie voor de eerste divisie in elk van de vijf seizoenen, in de tweede divisie drie voor elk van de eerste twee seizoenen en twee voor elk van de drie daaropvolgende seizoenen).
III — Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag
6. Igor Simutenkov, een Russisch onderdaan, is in het bezit van een verblijfstitel en een werkvergunning in het Koninkrijk Spanje. Hij is op grond van een arbeidsovereenkomst als beroepsvoetballer in dienst van Club Deportivo Tenerife en beschikt over een bondslicentie voor niet lol de Gemeenschap of de EER behorende spelers. In januari 2001 diende Simutenkov via zijn club bij de RFEF een aanvraag in om vervanging van zijn bondslicenlie door een licentie voor communautaire spelers. Hierbij beriep hij zich op de partnerschapsovereenkomst. De voetbalbond weigerde dit ingevolge de artikelen 173 en volgende van hel algemeen reglement van het verbond en het akkoord van 28 mei 1999 tussen RFEF en de Liga Nacional de Fútbol Profesional (nationale liga voor beroepsvoetbal).
7. Simutenkov stelde vervolgens bij de Juzgado de lo Social nr. 3 de Santa Cruz de Tenerife beroep in tegen de RFEF, waarin hij verzocht om bescherming van zijn fundamenteel recht om niet Ie worden gediscrimineerd op grond van zijn Russische nationaliteit.
8. De Juzgado de lo Social nr. 3 van Santa Cruz de Tenerife heeft hel beroep toegewezen bij vonnis van 19 april 2001. Hij achtle een discriminerende behandeling bewezen en stelde vast dal Simutenkov aanspraak had op dezelfde behandeling als een onderdaan van de Gemeenschap voor alles wal zijn werkomstandigheden aangaat. Het vonnis is niet in kracht van gewijsde gegaan in verband mei een bevoegdheidsincident.
9. De Tribunal Supremo heeft de Juzgado Central de lo Contencioso-Administralivo als bevoegde rechter aangewezen. Deze laatste verwierp bij vonnis van 22 oktober 2002 hel beroep van Simutenkov.
10. Simutenkov is hiertegen opgekomen bij de Audiencia Nacional (Sala de lo Contencioso-Administralivo), die op 4 maart 2003 heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor Ie leggen:
„Verzet artikel 23 van de [overeenkomst] zich erlegen dal een sporlbond op een beroepssporter van Russische nationaliteit die wettig is tewerkgesteld door een Spaanse voetbalclub, zoals die in hel hoofdgeding, een regel toepast volgens welke de clubs in competities op nationaal niveau slechts een beperkt aantal spelers mogen opstellen uit derde landen die niet behoren tot de Europese Economische Ruimte?”
IV — Beoordeling
11. Alvorens de onderhavige vraag te onderzoeken, dient eerst te worden vastgesteld of de betrokken bepaling van de overeenkomst rechtstreeks toepasselijk is, ook al is dit niet uitdrukkelijk door de verwijzende rechter gevraagd.
A — De rechtstreekse werking van artikel 23 van de overeenkomst
12. Volgens vaste rechtspraak moet een bepaling van een door de Gemeenschappen met een derde land gesloten overeenkomst worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn, wanneer zij een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting behelst, voor de uitvoering of werking waarvan geen verdere handeling vereist is.
13. Deze voorwaarde dient aan de hand van twee aspecten onderzocht te worden. Eerst moet de bepaling afzonderlijk worden onderzocht, op basis van de formulering ervan. Vervolgens moet de overeenkomst als zodanig worden bezien, dat wil zeggen het onderwerp en de aard ervan (of ook de doelstelling en context). Het Hof heeft voor deze aanpak gekozen met betrekking tot zowel associatieovereenkomsten(3) als samenwerkingsovereenkomsten(4).
1) Afzonderlijke beoordeling van de bepaling
14. Het beginpunt van de afzonderlijke beoordeling van artikel 23 van de overeenkomst is de formulering ervan. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de bepalingen van gemeenschapsrecht in meerdere talen opgesteld zijn en dat de verscheidene taalversies in gelijke mate authentiek zijn. De uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling vereist derhalve een vergelijking van alle taalversies.(5)
15. Wanneer men de verschillende versies van artikel 23, lid 1, van de overeenkomst met elkaar vergelijkt, dan blijkt dat de tekst en de betekenis ervan niet in alle taalversies overeenkomt. Uitgaande van de ten tijde van de ondertekening tien authentieke talen, tekent zich het volgende beeld af: met inbegrip van de Russische versie duiden zeven taalversies(6) op een verplichting, in de zin van „verzekeren” („stellen sicher”), en drie versies(7) op een inspanningsverplichting. Volgens de Griekse versie „spannen de Gemeenschappen en de lidstaten zich in”, in de Spaanse versie „zien zij erop dat” en volgens de Nederlandse versie „zorgen zij ervoor dat”.
16. Om de betekenis van artikel 23 van de overeenkomst vast te stellen, zou men de kleinste gemene deler van alle taalversies als uitgangspunt kunnen nemen, in welk geval men niet verder komt dan een inspanningsverplichting. Voor deze methode bestaan echter geen overtuigende argumenten en zij vindt evenmin steun in de rechtspraak van het Hof.
17. Een andere mogelijkheid zou zijn, de duidelijkste tekst op te sporen en atypische teksten(8) of versies die een vertaalfout bevatten(9), te elimineren. Een dergelijke handelwijze is weliswaar in beginsel mogelijk en komt ook voor in de rechtspraak van het Hof, maar geeft voor de constellatie in casu, waarin nu eenmaal niet slechts één tekst afwijkt van alle andere, geen overtuigend antwoord.
18. De taalversies laten prevaleren die in een verplichting voorzien, zou aansluiten bij een door de Commissie genoemde uitleggingsmethode, namelijk aan de inhoud van de meerderheid van de taalversies de doorslag te geven. Deze methode is ook in de rechtspraak van het Hof te vinden.(10) Daar staat tegenover dat volgens het Hof onder bepaalde omstandigheden juist één enkele taalversie boven de meerderheid dient te prevaleren.(11)
19. Dit pleit ervoor om terug te grijpen op een geheel andere methode, namelijk de originele tekst als uitgangspunt nemen, dat wil zeggen de versie van de overeenkomst die als uitgangspunt heeft gediend voor de vertaling in de andere talen. In het onderhavige geval is dat de tekst in de onderhandelingstaai, het Engels. Deze legt eenduidig een verplichting („shall ensure”) vast.
20. Gezien de taalverschillen lijkt het echter raadzaam de bedoeling van de verdragsluitende partijen en het doel van de uit te leggen bepaling te bezien.(12)
21. Ik merk hierbij op dat er niet altijd onderscheid wordt gemaakt tussen deze onderzoeksfase en de tweede fase(13), die erin bestaat het doel en de aard en andere aspecten van de overeenkomst te toetsen.
22. De bedoeling van de verdragspartijen is beslissend voor de uitlegging van artikel 23, lid 1, van de overeenkomst. Dat zij niet slechts een inspanningsverplichting maar een verdergaande duidelijke verplichting wilden vastleggen, blijkt uit de door de Commissie overgelegde documenten die voor de voorbereiding van de onderhandelingen dienden.
23. Dat artikel 23, lid 1, van de overeenkomst een verplichtingskarakter heeft, blijkt bovendien uit een vergelijking met soortgelijke overeenkomsten. Zo laat een vergelijking met artikel 24, lid 1, van de partnerschapsovereenkomst met Oekraïne(14) en artikel 23, lid 1, van de partnerschapsovereenkomst met Moldavië(15) zien dat deze parallelle bepalingen uitdrukkelijk de formule „bemühen sich ... sicher zu stellen” (zorgen ervoor) bevatten.
24. Dat artikel 23, lid 1, van de overeenkomst een verplichting inhoudt die verdergaat dan een inspanningsverplichting, vindt ook steun in het feit dat Rusland blijkens het onderhandelingsdossier een wens in die richting geuit heeft.
25. Echter, de beperking aan het begin van lid 1 („Met inachtneming van de in elke lidstaat geldende wettelijke regelingen, voorwaarden en procedures [...]”) zou tegen het verplichtingskarakter en daarmee tegen rechtstreekse werking van artikel 23 van de overeenkomst kunnen pleiten.
26. In verband met een vergelijkbare bepaling in associatieovereenkomsten („[v]olgens de in elke lidstaat geldende voorwaarden en modaliteiten”) heeft het Hof echter beslist dat dit niet betekent dat de lidstaten voorwaarden mogen verbinden aan het in die bepaling geformuleerde non-discriminatiebeginsel of de toepassing ervan op discretionaire wijze beperken. Bij een dergelijke uitlegging zou deze bepaling een dode letter worden en geen enkel nuttig effect meer hebben.(16)
27. Na de afzonderlijke analyse van artikel 23, lid 1, van de overeenkomst kan derhalve worden vastgesteld dat zowel de — Engelse — originele tekst, de meerderheid van de taalversies, alsook de bedoeling van de onderhandelingspartners pleiten voor een duidelijke verplichting van de Gemeenschap en de lidstaten en daarmee tevens voor rechtstreekse werking van deze bepaling.
2) Inhoud en oriëntatie van de overeenkomst
28. Zelfs indien de afzonderlijke analyse van een bepaling waarvan de rechtstreekse werking moet worden onderzocht, op rechtstreekse werking duidt, dient nog te worden bepaald of deze vaststelling door hel onderwerp en de aard (of ook de doelstelling en context) van de overeenkomst bevestigd wordt.
29. Met een beroep op artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake hel verdragenrecht van 23 mei 1969 heeft het Hof aangaande de uitlegging van verdragen verklaard dat „een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van hel verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van dat verdrag”(17).
30. Dat de tekst van een bepaling niet alleen doorslaggevend is, blijkt ook uit het feit dat het Hof een bepaling van een overeenkomst die zelfs letterlijk overeenstemt met een bepaling uit het EG-Verdrag, de ene keer uitlegt zoals die bepaling van het EG-Verdrag is uitgelegd en de andere keer niet.(18)
31. Wat betreft artikel 23, lid 1, van de overeenkomst, is de heersende opvatting in de literatuur dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Dit wordt gebaseerd op het feit ofwel dat artikel 27 van de overeenkomst in aanbevelingen van de Samenwerkingsraad voorziet(19), ofwel dat de overeenkomst slechts een beperkte doelstelling heeft(20).
32. Ik zal daarom thans ingaan op het onderwerp en de aard of het doel van de overeenkomst.
33. Daarbij kan enerzijds worden vastgesteld dat de overeenkomst in ieder geval in vergelijking met het eerder afgesloten handelsakkoord met de Russische Federatie een stap vooruit betekent. Anderzijds blijft de overeenkomst in verschillende opzichten achter bij de zogenoemde associatieovereenkomsten. Dat betreft in de eerste plaats de materiële inhoud, omdat de overeenkomst niet eens in een vrijhandelszone voorziet en juist met betrekking tot de vrijheid van verkeer achterblijft bij de bepalingen van de associatieovereenkomsten. Verder laten ook de institutionele bepalingen een reeks verschillen zien, zoals bij de geschillenbeslechting.
34. Daarbij komt nog dat de overeenkomst geen associatie, laat staan de toetreding van een niet tot de EU behorende verdragspartner nastreeft zoals bijvoorbeeld de overeenkomst met Slowakije, die ten grondslag lag aan de zaak Deutscher Handballbund tegen Kolpak.
35. Mijns inziens is voor de aanvaarding van rechtstreekse werking echter niet doorslaggevend dat deze overeenkomst uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid van toetreding.
36. Dat blijkt ook uit de — inmiddels gevestigde — rechtspraak met betrekking tot de samenwerkingsovereenkomsten met bijvoorbeeld Algerije en Marokko. Ten aanzien van Marokko heeft het Hof het volgende verklaard:
„[D]e overeenkomst [heeft] ten doel, een algemene samenwerking tussen de partijen bij de overeenkomst te bevorderen, met name op het gebied van de arbeidskrachten. Het feit dat de overeenkomst in hoofdzaak moet bijdragen tot de economische ontwikkeling van Marokko, en zich ertoe beperkt een samenwerking tussen de partijen tot stand te brengen zonder een associatie of een toekomstige toetreding van Marokko tot de Gemeenschappen na te streven, staat de rechtstreekse toepasselijkheid van sommige bepalingen ervan niet in de weg.”(21)
37. De overeenkomst met Rusland heeft op één punt evenwel iets gemeenschappelijks met de associatieovereenkomsten. Zo streeft ook de overeenkomst een „geleidelijke integratie” van de verdragspartner na. Dit was voor het Hof een van de doorslaggevende aspecten bij de beoordeling van de rechtstreekse werking van enkele bepalingen van associatieovereenkomsten.(22)
38. Uit de vaste rechtspraak van het Hof ten aanzien van samenwerkingsovereenkomsten kan bovendien worden afgeleid dat, wat de doelstelling van een overeenkomst betreft, het voldoende is wanneer de partijen bij de overeenkomst een algemene samenwerking, in het bijzonder op het gebied van de arbeid, bevorderen, om een in een dergelijke overeenkomst voorkomende regeling als rechtstreeks toepasselijk op de rechtspositie van particulieren te beschouwen.(23)
39. De doelstelling van de samenwerkingsovereenkomst met Algerije luidt:
„[H]et doel van de Overeenkomst [is] de algemene samenwerking tussen de partijen bij de overeenkomst te bevorderen, teneinde bij te dragen tot de economische en sociale ontwikkeling [...] en de versteviging van hun betrekkingen in de hand te werken. Die samenwerking moet gestalte krijgen op economisch, technisch en financieel gebied, op het gebied van de commerciële samenwerking en op dat van de arbeidskrachten.”
40. In de vergelijkbare bepaling van de overeenkomst, in concreto artikel 1, wordt als doelstelling van de partnerschap met Rusland genoemd: „de handel en investeringen en harmonische economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen op grond van de beginselen van de markteconomie en aldus hun duurzame ontwikkeling te stimuleren”; „de grondslag te leggen voor economische, sociale, financiële en culturele samenwerking die berust op de beginselen van wederzijds voordeel, wederzijdse verantwoordelijkheid en wederzijdse steun”; „een passend kader voor de geleidelijke integratie tussen Rusland en een uitgestrekter samenwerkingsgebied in Europa tot stand te brengen”; „de nodige voorwaarden te scheppen om in de toekomst een vrijhandelszone tussen de Gemeenschap en Rusland tot stand te brengen die wezenlijk alle goederenverkeer tussen beide zal omvatten, en de voorwaarden te scheppen om de vrijheid van vestiging van vennootschappen en vrij grensoverschrijdend diensten- en kapitaalverkeer tot stand te brengen”.
41. Een vergelijking van de doelstellingen van de overeenkomst met die van de samenwerkingsovereenkomsten leert derhalve dat hun doelstellingen op veel punten hetzelfde zijn.
42. Ten slotte verzet zich het verschil tussen het opschrift van het hoofdstuk waarin artikel 23, lid 1, van de overeenkomst staat („hoofdstuk I Arbeidsvoorwaarden”), en het overeenkomstige hoofdstuk in de associatieovereenkomsten („hoofdstuk I Verkeer van werknemers”) evenmin tegen rechtstreekse werking van artikel 23, lid 1.
43. Dat het deel waarin hoofdstuk I van de overeenkomst staat, „Titel IV Bepalingen inzake het handelsverkeer en de investeringen” luidt, betekent weliswaar een afwijking in de terminologie en eveneens een andere materiële inhoud dan de associatieovereenkomsten, maar zegt nog niets over de werking van de daarin voorkomende bepalingen.
44. Uit het bovenstaande blijkt dat het onderwerp en de aard of het doel en de context van de overeenkomst pleiten voor rechtstreekse werking van de litigieuze bepaling.
45. Nu moet nog onderzocht worden of de bepalingen van artikel 27 en artikel 48 van de overeenkomst zich verzetten tegen rechtstreekse werking van artikel 23.
46. Ook artikel 27 van de overeenkomst verzet zich niet tegen rechtstreekse werking van artikel 23. Het bepaalt dat de Samenwerkingsraad aanbevelingen doet voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 23 en 26.
47. Reeds blijkens de tekst van artikel 27, die enkel verwijst naar de vorm van de handeling, een aanbeveling, kan niet worden gesteld dat de uitvoering van artikel 23 afhankelijk is van een latere handeling. De rol die artikel 27 de Samenwerkingsraad toebedeelt, is dus een beperkte — bestaande in vergemakkelijking van de uitvoering — en kan in ieder geval niet aldus worden uitgelegd dat de rechtstreekse werking van het discriminatieverbod afhankelijk is van een voorwaarde zoals een latere handeling.(24)
48. Deze vaststelling is overigens in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof inzake de samenwerkingsovereenkomsten met Algerije en Marokko. Zo heeft het discriminatieverbod op het gebied van de sociale zekerheid volgens het Hof rechtstreekse werking, hoewel de Samenwerkingsraad zijn bevoegdheden niet heeft uitgeoefend, dus geen maatregelen heeft vastgesteld voor de uitvoering van de in de desbetreffende bepalingen van de overeenkomsten opgestelde beginselen.(25)
49. Artikel 48 van de overeenkomst verzet zich evenmin ertegen, een duidelijke verplichting te lezen in artikel 23, lid 1. Volgens artikel 48 worden de partijen „[v]oor de toepassing van deze titel [door] geen enkele bepaling van deze overeenkomst [belet] hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende toelating en verblijf, het verrichten van werk, arbeidsvoorwaarden, de vestiging van natuurlijke personen en hel verrichten van diensten toe te passen, mits zij dat niet op zodanige wijze doen dat de voor een parlij uit een specifieke bepaling van deze overeenkomst voortvloeiende voordelen teniet worden gedaan of beperkt”.
50. Artikel 48 van de overeenkomst komt bijna letterlijk overeen met artikel 59 van de associatieovereenkomst met Slowakije en artikel 58 van de associatieovereenkomst met Polen. Met betrekking tot deze twee bepalingen heeft hel Hof(26) vastgesteld dat zij zich niet verzetten tegen rechtstreekse werking.
3. Conclusie
51. Alle wezenlijke aspecten voor de beoordeling van de rechtstreekse werking van een bepaling van een overeenkomst tezamen genomen, moet artikel 23, lid 1, van de overeenkomst aldus worden uitgelegd dal de daarin verankerde verplichting van de Gemeenschap en de lidstaten om Russische staatsburgers die in een lidstaat reeds wettig zijn tewerkgesteld, niet op grond van nationaliteit te discrimineren ten opzichte van de onderdanen van die lidstaat wat de arbeidsvoorwaarden, beloning en ontslag betreft, rechtstreekse werking heeft.
B — De inhoud van artikel 23, lid 1, van de overeenkomst: draagwijdte van de verplichting
52. In het onderhavige geval gaat het erom of artikel 23, lid 1, van de overeenkomst zich verzet tegen een regeling als in het hoofdgeding aan de orde is. Hierbij moet worden uitgegaan van de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de inhoud van artikel 39 EG inzake het vrije verkeer, en moet worden onderzocht of artikel 23, lid 1, van de overeenkomst in ieder geval ten aanzien van een regeling als in het hoofdgeding dezelfde inhoud heeft.
53. In verband met de draagwijdte van het in artikel 23, lid 1, van de overeenkomst vastgestelde discriminatieverbod dient te worden beoordeeld of de in het hoofdgeding omstreden regeling een arbeidsvoorwaarde betreft. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen twee elementen: allereerst dient te worden onderzocht of er ook regelingen van sportbonden onder vallen, en vervolgens moet de draagwijdte worden beoordeeld van het discriminatieverbod in artikel 23, lid 1, van de overeenkomst.
54. Uitgangspunt voor de vaststelling van de normatieve inhoud van artikel 23, lid 1, vormt het arrest Deutscher Handballbund, dat een met dit artikel vergelijkbare regeling in een andere overeenkomst, namelijk artikel 38 van de associatieovereenkomst met Slowakije, betreft.
55. Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 38 van de associatieovereenkomst met Slowakije op regelingen van een sportbond heeft het Hof verklaard dat deze bepaling ook van toepassing is op een door een sportfederatie als de Deutsche Handballbund vastgestelde regel betreffende de voorwaarden waaronder beroepssporters een activiteit in loondienst kunnen verrichten.(27)
56. Artikel 23, lid 1, van de overeenkomst bevat op het wezenlijke punt bijna woordelijk dezelfde verplichting als artikel 38, lid 1, van de associatieovereenkomst met Slowakije, namelijk dat onderdanen van de verdragspartners die op het grondgebied van een lidstaat wettig zijn tewerkgesteld, niet op grond van nationaliteit worden gediscrimineerd ten opzichte van de nationale onderdanen wat betreft de arbeidsvoorwaarden, de beloning en het ontslag.
57. Evenals in de zaak Deutscher Handballbund zijn dus de voorwaarden vervuld om de beginselen die het Hof ten aanzien van artikel 39 EG heeft ontwikkeld in de zaak Bosman(28), ook op artikel 23, lid 1, van de overeenkomst te kunnen toepassen.
58. Met betrekking tot de vraag of de in het geding zijnde regeling een arbeidsvoorwaarde vormt, is in de onderhavige procedure betoogd dat de licenties de toegang tot de arbeidsmarkt regelen en niet kunnen worden beschouwd als arbeidsvoorwaarden. Dat bepalingen die de toegang tot de arbeidsmarkt regelen, niet vallen onder artikel 23, lid 1, van de overeenkomst, is niet in geschil.
59. Uit de rechtspraak van het Hof(29) blijkt echter duidelijk dal clausules als de onderhavige geen betrekking hebben op de indienstneming van beroepsspelers, waarvoor geen beperkingen gelden, maar op de mogelijkheid voor hun clubs om hen voor een officiële wedstrijd op te stellen, en in de tweede plaats dat de deelneming aan deze wedstrijden de essentie van hun activiteit als beroepsspeler vormt.
60. Voorzover een sporlregeling als die in het hoofdgeding rechtstreekse gevolgen heeft voor de wedstrijddeelname van een volgens de nationale bepalingen van de lidstaat van ontvangst reeds wettig tewerkgestelde Russische beroepsvoelballer, betreft zij een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 23, lid 1, van de overeenkomst.
61. De verschillen tussen de onderhavige sportregeling, in hel bijzonder wat het rechtskarakter betreft, en de regeling die in de zaak Deutscher Handballbund aan de orde was, doen hieraan niet af.
62. Nu moet nog worden onderzocht of de in het geding zijnde regeling tot een discriminatie leidt, die volgens artikel 23, lid 1, van de overeenkomst verboden is.
63. Uit de rechtspraak van het Hof(30) met betrekking tot artikel 39, lid 2, EG blijkt dat deze bepaling zich verzet legen de toepassing van regels van sportverenigingen volgens welke de clubs voor de door hen georganiseerde competitiewedstrijden slechts een beperkt aantal beroepsspelers mogen opstellen die onderdaan zijn van een andere lidstaat.
64. Artikel 23, lid 1, van de overeenkomst geeft Russische werknemers die op het grondgebied van een lidstaat wettig zijn tewerkgesteld, ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden een recht op gelijke behandeling, dat dezelfde omvang heeft als het in artikel 39, lid 2, EG in vergelijkbare bewoordingen erkende recht van de onderdanen van de lidstaten.
65. Voorts is de litigieuze regeling vergelijkbaar met de nationaliteitsclausules die het onderwerp waren van de zaken Bosman en Deutscher Handballbund.
66. Derhalve is ook de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van artikel 39, lid 2, EG van toepassing op artikel 23, lid 1, van de overeenkomst.
67. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat artikel 23, lid 1, van de overeenkomst zich verzet tegen toepassing van een regel als de onderhavige, aangezien deze tot gevolg heeft dat Simutenkov als Russisch staatsburger, hoewel hij wettig in een lidstaat is tewerkgesteld, in vergelijking met spelers die onderdaan zijn van een lidstaat of van een lidstaat van de EER, in beginsel slechts over een beperkte mogelijkheid beschikt om deel te nemen aan bepaalde wedstrijden, te weten de Campeonatos Nacionales de Liga de Primera y Segunda División, het Campeonato de España/Copa de S.M. el Rey en de Supercopa, die de essentie van zijn activiteit als beroepsspeler vormen.(31)
68. De litigieuze regeling heeft evenmin als de regelingen in de zaken Bosman en Deutscher Handballbund betrekking op specifieke wedstrijden tussen ploegen die hun land vertegenwoordigen, maar is wel toepasselijk op alle officiële wedstrijden tussen clubs en betreft derhalve de essentie van de activiteit van beroepssporters.(32)
69. Ten slotte wijs ik erop dat in de procedure niets is aangevoerd op grond waarvan de litigieuze regeling uitsluitend om sportieve redenen gerechtvaardigd beschouwd kan worden.
V — Conclusie
70. Gezien het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 23, lid 1, van de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een sportbond van een lidstaat op een beroepssporter van Russische nationaliteit die wettig is tewerkgesteld door een bij die bond aangesloten voetbalclub, een regel toepast volgens welke de clubs in competities op nationaal niveau slechts een beperkt aantal spelers mogen opstellen uit derde landen die geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.”