Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 16 februari 2005.
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 16 februari 2005.
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 16 februari 2005
Uitspraak
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer)
16 februari 2005(*)
In zaak T-142/03,
Fost Plus VZW, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door P. Wytinck en H. Viaene, advocaten,
verzoekster, tegenCommissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en M. Konstantidinis als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 1 van beschikking 2003/82/EG van de Commissie van 29 januari 2003 houdende bevestiging van de maatregelen waarvan door België kennis is gegeven op grond van artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 31, biz. 32),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
bij de beraadslaging samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, M. Jaeger en F. Dehousse, rechters,
griffier: H. Jung,
de navolgende
Beschikking
Het rechtskader en de feiten van het geding
1 Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 365, blz. 10) heeft tot doel de verschillende nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren, enerzijds om elk effect daarvan op het milieu te voorkomen of te beperken en aldus een hoog milieubeschermingsniveau te waarborgen en anderzijds om de werking van de interne markt te garanderen en handelsbelemmeringen, concurrentieverstoring en concurrentiebeperkingen binnen de Gemeenschap te voorkomen (artikel 1).
2 Daartoe bepaalt artikel 6, lid 1, van richtlijn 94/62:
„[...] de lidstaten [nemen] maatregelen zodat voor hun hele grondgebied de volgende taakstellingen kunnen worden verwezenlijkt:
uiterlijk vijf jaar na de uiterste datum voor omzetting van deze richtlijn wordt ten minste 50 en ten hoogste 65 gewichtsprocent van het verpakkingsafval teruggewonnen;
binnen deze algemene taakstelling en binnen hetzelfde tijdsbestek wordt ten minste 25 en ten hoogste 45 gewichtsprocent van al het in verpakkingsafval aanwezige verpakkingsmateriaal gerecycleerd met een minimum van 15 gewichtsprocent voor elk verpakkingsmateriaal;
[...]”
3 Deze richtlijn staat de lidstaten echter toe verder te gaan dan deze taakstellingen. Zo bepaalt artikel 6, lid 6:
„De lidstaten die programma's hebben of zullen vaststellen, die verder gaan dan de taakstelling van lid 1, [sub a en b], en die daartoe voorzien in passende capaciteiten voor recycling en terugwinning, mogen die taakstellingen blijven nastreven in het belang van een hoog milieubeschermingsniveau op voorwaarde dat die maatregelen geen verstoringen van de interne markt veroorzaken en de naleving van de richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijken. De lidstaten stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie bevestigt deze maatregelen, nadat zij zich, in samenwerking met de lidstaten, ervan heeft vergewist dat zij stroken met bovengenoemde overwegingen en geen willekeurig middel tot discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormen.”
4 Ten slotte voorzien artikel 16, lid 1, en artikel 21 van richtlijn 94/62 respectievelijk in de verplichting voor de lidstaten om kennis te geven van de maatregelen die zij voornemens zijn te nemen om aan deze richtlijn te voldoen en in de oprichting van een comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, dat wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie en advies uitbrengt over de door de Commissie voorgestelde ontwerpen van maatregelen.
5 In het Belgische federale systeem valt het vaststellen van de in artikel 6 van richtlijn 94/62 bedoelde taakstellingen van terugwinning en recycling van verpakkingsmateriaal en verpakkingsafval onder de exclusieve bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
6 Om een coherente en homogene implementatie en toepassing van richtlijn 94/62 te verzekeren hebben de drie Belgische gewesten op 30 mei 1996 een samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval gesloten (hierna: „samenwerkingsakkoord”). Dit akkoord is in elk van de drie gewesten bij de daartoe vereiste wetgevende handeling goedgekeurd, te weten bij een decreet van het Waalse Gewest van 16 januari 1997, bij een decreet van het Vlaamse Gewest van 21 januari 1997 en bij een ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 24 januari 1997.
7 Het samenwerkingsakkoord voorziet in de verplichting voor de marktdeelnemers, te weten de verpakkingsverantwoordelijken en de gebruikers van de verpakkingen, met inbegrip van de invoerders wanneer de producten niet in België werden verpakt, om hetzij zelf hetzij door sluiting van een overeenkomst met een derde (artikel 7) de verpakkingsmaterialen in het op de markt gebrachte verpakkingsafval terug te nemen en te recycleren of nuttig toe te passen (artikel 6). Dit akkoord voorziet ook in de oprichting van een Interregionale Verpakkingscommissie die erkenning verleent aan de organismen die zich ertoe verbinden in de plaats van de ondernemingen die de verpakte producten in de handel brengen, de verplichtingen van het samenwerkingsakkoord na te komen (hoofdstuk V van het samenwerkingsakkoord).
8 In artikel 3, § 2, van het samenwerkingsakkoord worden in gewichtspercentage uitgedrukte minimumdoelstellingen betreffende recyclage en nuttige toepassing van verpakkingsafval vastgesteld. Deze percentages moeten door de marktdeelnemers worden bereikt in elk van de drie gewesten en dit zowel voor verpakkingsafval van huishoudelijke oorsprong als voor verpakkingsafval van bedrijfsmatige oorsprong. Deze percentages zijn meestal hoger dan die waarin richtlijn 94/62 voorziet.
9 Artikel 30, § 2, van het samenwerkingsakkoord bepaalt dat, indien een verpakkingsverantwoordelijke of een erkend organisme de voor recyclage en nuttige toepassing vastgestelde percentages binnen de opgelegde termijnen niet bereikt, de leden van het secretariaat van de Interregionale Verpakkingscommissie een administratieve geldboete van 20 000 Belgische frank (BEF) (500 EUR) voor elke ton verpakkingsafval die niet nuttig werd toegepast, of 30 000 BEF (750 EUR) voor elke ton verpakkingsafval die niet werd gerecycleerd, kunnen opleggen.
10 Artikel 25, § 1, punt 3, van het samenwerkingsakkoord bepaalt: „[H]et beslissingsorgaan van de Interregionale Verpakkingscommissie [...] verleent, schorst of trekt de erkenning van het organisme in of wijzigt op elk ogenblik, na de vertegenwoordiger van het erkend organisme te hebben gehoord, om redenen van algemeen belang, de voorwaarden voor de uitvoering van de activiteit, zoals voorzien in de erkenning.”
11 Het samenwerkingsakkoord, dat de Belgische autoriteiten op 13 juli 1996 overeenkomstig artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 ter kennis van de Commissie hebben gebracht, is op 15 september 1999 door de Commissie bevestigd (beschikking 1999/652/EG houdende bevestiging van de maatregelen waarvan door België kennis is gegeven op grond van artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62; PB L 257, blz. 20).
12 Op 1 augustus 2001 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van een ontwerpherziening van het samenwerkingsakkoord (hierna: „herzien samenwerkingsakkoord”).
13 Dit ontwerp had tot doel, de bij artikel 3 van het samenwerkingsakkoord vastgelegde percentages voor recyclage en nuttige toepassing te verhogen voor de periode 2000-2003.
14 In het licht van de door België verstrekte informatie en van het resultaat van het overleg met de andere lidstaten in het kader van het bij artikel 21 van richtlijn 94/62 opgerichte comité, heeft de Commissie bij beschikking 2003/82/EG van 29 januari 2003 houdende bevestiging van de maatregelen waarvan door België kennis is gegeven op grond van artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB L 31, blz. 32; hierna: „bestreden beschikking”) de aangemelde maatregel bevestigd omdat:
-
er passende capaciteit voor terugwinning en recycling van het overeenkomstig de Belgische taakstellingen ingezamelde materiaal aanwezig was;
-
de maatregel geen verstoring van de interne markt veroorzaakte;
-
de maatregel de naleving van de richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijkte;
-
de maatregel geen willekeurig middel tot discriminatie inhield;
-
de maatregel geen verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormde (punt III van de bestreden beschikking).
15 De Commissie heeft evenwel opgemerkt dat er aanwijzingen van verzadiging van de markt voor ingezameld kringloopglas waren gemeld. Daarom heeft zij het Koninkrijk België ertoe aangespoord, de glasmarkt met bijzondere aandacht te volgen en zich ervan te vergewissen dat de inzameling in België niet resulteert in overschrijding van de capaciteit van de glasmarkt.
16 Verzoekster is een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht die, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord voor het inzamelen, het recycleren en de nuttige toepassing van huishoudelijk afval is erkend bij besluit S-C-99/31116 van de Interregionale Verpakkingscommissie van 23 december 1998 tot erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk FOST Plus als organisme voor verpakkingsafval (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999, blz. 10048; hierna: „erkenningsbesluit”). Zij neemt voor haar leden de uitvoering op zich van de terugnameplicht van de verpakkingsverantwoordelijken voor het huishoudelijk afval en neemt daartoe alle maatregelen die nodig zijn om de door het samenwerkingsakkoord opgelegde percentages voor nuttige toepassing te bereiken.
Procedure en conclusies van partijen
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2003, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
18 Bij op 10 juli 2003 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verweerster krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 6 oktober 2003 heeft verzoekster haar opmerkingen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend. Het Gerecht heeft partijen verzocht, bepaalde documenten over te leggen en vragen over de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen de documenten overgelegd en de vragen beantwoord.
19 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
-
artikel 1 van de bestreden beschikking nietig te verklaren;
-
verweerster te verwijzen in de kosten.
20 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
-
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
-
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
21 Artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat, indien een partij erom verzoekt, het Gerecht uitspraak doet over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Overeenkomstig lid 3 van hetzelfde artikel geschiedt de verdere behandeling mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door het onderzoek van de stukken van het dossier, de door partijen overgelegde documenten alsook de antwoorden van partijen op zijn vragen, om uitspraak te doen op het verzoek van verweerster zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Argumenten van partijen
22 Verweerster betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoekster niet individueel wordt geraakt door de bestreden beschikking.
23 Verzoekster is van mening dat haar beroep ontvankelijk is omdat zij enerzijds dooide bestreden beschikking rechtstreeks en individueel wordt geraakt (arresten Hof van 14 december 1962, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes e.a./Raad, 16/62 en 17/62, Jurispr. blz. 957, en 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 231) en anderzijds, subsidiair, niet over andere middelen beschikt om een doeltreffend beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking.
24 Met betrekking tot de vraag of de bestreden beschikking haar rechtstreeks raakt, betoogt verzoekster dat er geen twijfel over bestaat dat de Belgische autoriteiten het door de Commissie goedgekeurde herziene samenwerkingsakkoord willen implementeren. Dit voornemen van de Belgische autoriteiten blijkt volgens verzoekster uit de implementatie van het eerste, bij beschikking 1999/652 goedgekeurde, samenwerkingsakkoord, uit de voorstukken van de bestreden beschikking en uit de daartoe tussen het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest gesloten beginselakkoorden.
25 Betreffende de vraag of de bestreden beschikking haar individueel raakt, voert verzoekster in wezen vijf argumenten aan, waaruit blijkt dat zij een aantal bijzondere hoedanigheden bezit en in een feitelijke situatie verkeert die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
26 Ten eerste betoogt verzoekster dat zij het enige organisme is dat een erkenning vooi het inzamelen, recycleren en verwerken van huishoudelijk verpakkingsafval voor rekening van andere verpakkingsverantwoordelijken heeft gekregen. Bovendien legt deze erkenning aan haar alleen en niet aan eventuele andere verpakkingsverantwoordelijken enerzijds verschillende verplichtingen op, waaronder de verplichting om de kosten in rekening te brengen, verplichte ophalingen en de organisatie van openbare aanbestedingen, en anderzijds aansluitingsvoorwaarden voor de leden, verplichte verzekering en het stellen van waarborgen. Verzoekster is derhalve van mening dat deze erkenning en de daarbij horende specifieke verplichtingen aantonen dat zij bijzondere hoedanigheden heeft, vergeleken met eventuele andere verpakkingsverantwoordelijken.
27 Dienaangaande herinnert verzoekster eraan dat, zelfs al zou de bestreden beschikking een algemene strekking hebben en dus ook voor eventuele andere verpakkingsverantwoordelijken gelden, dit niet uitsluit dat zij ten aanzien van haar een andere strekking heeft (zie arrest Gerecht van 11 september 2002, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99, Jurispr. blz. II-3305, punt 84, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Ten tweede betoogt verzoekster dat zij de facto als enige onderneming instaat voor de betaling van de geldboeten wanneer de nieuwe normen die het Koninkrijk België ten vervolge op de bestreden beschikking heeft vastgesteld, niet worden nageleefd.
29 Dienaangaande herinnert zij eraan dat haar op grond van artikel 30, § 2, van het samenwerkingsakkoord een administratieve geldboete van 20 000 BEF (500 EUR) of 30 000 BEF (750 EUR) kan worden opgelegd voor elke ton verpakkingsafval die niet nuttig werd toegepast, respectievelijk niet werd gerecycleerd binnen de in het samenwerkingsakkoord gestelde termijnen.
30 Verzoekster stelt dat, aangezien de in België beschikbare capaciteit voor nuttige toepassing niet volstaat om de nieuwe, door de wetgever opgelegde, percentages te halen en haar marktaandeel voor huishoudelijk afval 93 % bedraagt, het voor de bevoegde autoriteiten veel makkelijker is om het overgrote deel van de potentiële boetes van haar te vorderen dan op zoek te gaan naar de ondernemingen die zelf aan hun verplichtingen inzake nuttige toepassing en recyclage proberen te voldoen. Zij is dus de enige onderneming aan dewelke de facto een boete zal worden opgelegd, hetgeen al volstaat om haar te individualiseren.
31 Bovendien betoogt verzoekster dat, anders dan bij ondernemingen die zelf instaan voor het beheer van hun verpakkingsafval en voor dewelke dit slechts een bijzaak is, de nuttige toepassing van verpakkingsafval haar hoofdactiviteit is. Het economische en financiële effect van de bestreden beschikking is voor haar derhalve veel zwaarder dan voor om het even welke andere verantwoordelijke voor huishoudelijke verpakking. Deze bijzondere economische en financiële situatie onderscheidt haar ook van andere verpakkingsverantwoordelijken voor huishoudelijk verpakkingsafval en is een element waarmee in de rechtspraak rekening wordt gehouden, met name in de arresten van het Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339), en 18 mei 1994, Codorniu/Raad (C-309/89, Jurispr. blz. I-1853).
32 Ten derde stelt verzoekster dat bij de vaststelling van de bestreden beschikking is uitgegaan van haar verplichtingen en van op haar betrekking hebbende gegevens, wat haar bijzonder individualiseert.
33 Verzoekster benadrukt dienaangaande dat het organiseren van openbare aanbestedingen voor de recyclage van glas één van de wezenlijke en doorslaggevende motieven voor het geven van de bestreden beschikking was (hoofdstuk II, sub b, van de bestreden beschikking). Deze openbare aanbestedingen mogen en moeten echter alleen door haar worden uitgeschreven, zoals blijkt uit het antwoord van de Belgische autoriteiten op de vragen van de Commissie in het kader van de procedure tot vaststelling van de bestreden beschikking. Bovendien vindt verzoekster dat, zelfs indien er al andere verpakkingsverantwoordelijken voor huishoudelijk verpakkingsafval zouden zijn, deze particulieren of ondernemingen zullen zijn die, aangezien zij niet onder de definitie van „aanbestedende entiteit” in de zin van de Europese richtlijnen inzake openbare aanbesteding vallen, geen dergelijke aanbesteding moeten organiseren, behalve indien zij daartoe op een andere wijze — zoals dat het geval is in verzoeksters erkenning — zouden verplicht zijn.
34 Verzoekster is ook van mening dat de bestreden beschikking specifiek op haar was gericht. Zij beroept zich daartoe op verscheidene uittreksels van documenten waaruit blijkt dat de verschillende Belgische wetgevers alleen met haar rekening hebben gehouden voor wat het huishoudelijk verpakkingsafval betreft. Bovendien blijkt volgens haar uit alle documenten van het dossier van de Commissie waartoe zij toegang heeft gekregen, dat de Commissie alleen over haar gegevens heeft verzameld.
35 Ten vierde is verzoekster van mening dat de Commissie, aangezien zij haar bijzondere situatie kende, haar bij de procedure tot vaststelling van de bestreden beschikking had moeten betrekken. Volgens verzoekster kan de Commissie, wanneer zij optreedt in het kader van artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62, niet louter vertrouwen op hetgeen de lidstaten haar meedelen. Op haar rust in het algemene kader van de beginselen van behoorlijk bestuur de plicht — ook al is deze niet uitdrukkelijk geformuleerd in richtlijn 94/62 — om in bepaalde omstandigheden minstens de belangrijkste getroffen ondernemingen te horen teneinde vast te stellen of de informatie waarop zij zich baseert, wel correct is. Verzoekster wijst erop dat dit in casu niet is gebeurd, terwijl de door de Commissie verzamelde gegevens alleen van haar kwamen, wat volgens haar aantoont dat zij voor de Commissie wel degelijk een bijzondere onderneming is die door de procedure individueel wordt geraakt.
36 Bovendien blijkt uit de eerste bladzijde en in het bijzonder uit de eerste voetnoot van het antwoord van het Koninkrijk België op de brief van de Commissie van 15 mei 2002 dat bepaalde door het Koninkrijk België ter ondersteuning van de aanmelding van de ontwerpherziening van het akkoord verstrekte gegevens over huishoudelijk verpakkingsafval afkomstig waren van verzoekster.
37 Zo wist de Commissie dat verzoekster een „essentiële speler” was die haar bepaalde waardevolle informatie kon verschaffen, maar heeft zij haar niettemin niet bevraagd. Bijgevolg vindt verzoekster dat zij de mogelijkheid moet krijgen, een beroep in te stellen.
38 Ten slotte blijkt ook uit de klacht die verzoekster op 10 juni 2003 bij de Commissie tegen deze beschikking heeft ingediend, dat zij van mening is dat de bestreden beschikking haar individueel raakt. In deze klacht betoogt verzoekster dat de lidstaten en de Commissie diverse fouten hebben begaan, zodat deze beschikking in strijd is met richtlijn 94/62.
39 Met betrekking tot het ontbreken van een doeltreffende voorziening in rechte stelt verzoekster dat het bestaan van een doeltreffende voorziening in rechte een beoordelingscriterium voor de toepassing van artikel 230, vierde alinea, EG moet zijn, en dat zij in casu niet over een dergelijke doeltreffende voorziening in rechte beschikt.
40 Voor haar stelling dat met het bestaan van een doeltreffende voorziening in rechte rekening moet worden gehouden, beroept verzoekster zich op het arrest van het Gerecht van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T-177/01, Jurispr. blz. II-2365), en zij verwondert zich over de door het Hof in zijn arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677), gebruikte afwijzingsgrond, gelet op de eerdere radicale wijzigingen in de rechtspraak van het Hof (arresten Hof van 17 oktober 1990, HAG GF, C-10/89, Jurispr. blz. I-3711, en 24 november 1993, Keek en Mithouard, C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097). Zij beroept zich ook op het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, dat volgens haar aantoont dat de Europese politieke leiders de werkingssfeer van het huidige artikel 230, vierde alinea, EG willen uitbreiden, en dat een leidraad vormt voor het Gerecht bij de uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG.
41 Volgens verzoekster vloeit het ontbreken van een doeltreffende voorziening in rechte in het onderhavige geval voort uit het feit dat in de Belgische rechtsorde tegen de wetgevende handelingen van de gewesten waarbij het samenwerkingsakkoord werd goedgekeurd, alleen een beroep bij het Belgische Arbitragehof kan worden ingesteld, en dus uitsluitend op grond van een schending van het gelijkheidsbeginsel, van de regels betreffende de bevoegdheidsverdeling en van de bepalingen van titel II van de Belgische Grondwet.
42 Verzoekster meent bijgevolg dat zij in de Belgische rechtsorde niet beschikt over een rechtsmiddel om op te komen tegen een eventuele schending van het Europees recht door de wetgevende handelingen van de gewesten ter uitvoering van het samenwerkingsakkoord of door de bestreden beschikking. Verzoekster kan de geldigheid van de bestreden beschikking derhalve alleen betwisten wanneer zij voor de rechter wordt gedaagd wegens niet-betaling van een geldboete opgelegd wegens schending van de gewestelijke wetgeving waarbij de nieuwe percentages voor de nuttige toepassing van verpakkingsafval zijn vastgesteld. Bovendien is alleen het Hof van Cassatie, in casu de hoogste rechter, verplicht het Hof een prejudiciële vraag te stellen. Dit impliceert echter dat gedurende ten minste vijf jaar deze boete boven het hoofd van verzoekster hangt en er voor haar rechtsonzekerheid bestaat omtrent de geldigheid van de percentages voor nuttige toepassing. Deze situatie is volgens verzoekster onverenigbaar met het vereiste van een doeltreffende bescherming in rechte.
Beoordeling door het Gerecht
43 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG kan „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken”.
44 Verzoekster vordert nietigverklaring van artikel 1 van de bestreden beschikking houdende bevestiging van de door het Koninkrijk België aangemelde maatregel waarbij normen inzake recyclage en nuttige toepassing van verpakkingsafval worden opgelegd die verder gaan dan de in artikel 6, lid 1, sub a en b, van richtlijn 94/62 genoemde taakstellingen.
45 Richtlijn 94/62, die tot doel heeft de nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren, is gericht tot alle lidstaten met het oog op de vaststelling door hun bevoegde organen van handelingen van algemene strekking voor alle betrokken marktdeelnemers. Artikel 6, lid 1, sub a en b, van de richtlijn legt de lidstaten de verplichting op dat uiterlijk op 30 juni 2001 ten minste 50 en ten hoogste 65 gewichtsprocent van het verpakkingsafval wordt teruggewonnen en dat binnen deze algemene taakstelling en binnen hetzelfde tijdsbestek ten minste 25 en ten hoogste 45 gewichtsprocent van al het in verpakkingsafval aanwezige verpakkingsmateriaal wordt gerecycleerd met een minimum van 15 gewichtsprocent voor elk verpakkingsmateriaal. Deze richtlijn stelt derhalve in abstracte en objectieve bewoordingen een algemene regeling inzake terugwinning van verpakking en verpakkingsafval vast.
46 Artikel 6, lid 6, van deze richtlijn bepaalt dat de Commissie het nastreven, door een lidstaat, van een hoger milieubeschermingsniveau kan bevestigen op voorwaarde dat de daartoe door de lidstaat genomen maatregelen geen verstoring van de interne markt veroorzaken, de naleving van de richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijken, geen willekeurige middelen tot discriminatie vormen en geen verkapte beperking van de handel tussen lidstaten zijn.
47 De door de Commissie krachtens artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 gegeven bevestigingsbeschikkingen vormen afwijkingen van de algemene regeling die hetzelfde algemene karakter hebben als de richtlijn aangezien zij in abstracte bewoordingen tot onbepaalde groepen personen zijn gericht en van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties (zie in die zin arrest Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C-213/91, Jurispr. blz. I-3177, punt 19; beschikking Gerecht van 11 juli 2000, Fédération nationale d'agriculture biologique des régions de France e.a./Raad, T-268/99, Jurispr. blz. II-2893, punten 37 en 38, bevestigd door beschikking Hofvan 10 mei 2001, Federation nationale d'agriculture biologique des régions de France e.a./Raad, C-345/00 P, Jurispr. blz. I-3811; beschikking van de president van het Gerecht van 28 november 2003, Schmoldt e.a./Commissie, T-264/03 R, Jurispr. blz. II-5089, punt 64). De bestreden beschikking moet derhalve als een handeling met algemene strekking worden aangemerkt.
48 Onderzocht dient evenwel te worden of verzoekster, niettegenstaande de algemene strekking van de bestreden beschikking, kan worden geacht rechtstreeks en individueel door de bestreden bepaling te worden geraakt. Het is immers vaste rechtspraak dat de algemene strekking van een bepaling niet als zodanig uitsluit dat sommige belanghebbende marktdeelnemers er rechtstreeks en individueel door worden geraakt (zie in die zin arrest Hofvan 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad, C-358/89, Jurispr. blz. I-2501, punten 13 en 14; arrest Codorniu/Raad, hierboven aangehaald in punt 31, punt 19; arrest Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punt 46; arrest Gerecht van 6 december 2001, Emesa Sugar/Raad, T-43/98, Jurispr. blz. II-3519, punt 47).
49 Met betrekking tot de vraag of verzoekster individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak sinds het arrest Plaumann/Commissie, hierboven aangehaald in punt 23, een natuurlijke of rechtspersoon slechts kan stellen door een niet tot hem gerichte handeling individueel te worden geraakt, indien de betrokken handeling hem raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arrest Hof van 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C-263/02 P, Jurispr. blz. II-3425, punt 45).
50 Verzoekster betoogt dienaangaande in de eerste plaats dat zij het enige voor nuttige toepassing van huishoudelijk verpakkingsafval erkend organisme is, en dat zij als gevolg van die erkenning de enige instantie is waarop diverse verplichtingen rusten.
51 Deze omstandigheid is echter niet van dien aard dat zij verzoekster individualiseert in de zin van de in punt 49 hierboven aangehaalde rechtspraak. Aangezien de bestreden beschikking de bevestiging inhoudt van de overschrijding door het Koninkrijk België van de in artikel 6, lid 1, sub a en b, van richtlijn 94/62 genoemde taakstellingen inzake terugwinning en recyclage, die gelden voor alle verpakkingsmateriaal en verpakkingsafval, worden ondernemingen die huishoudelijk verpakkingsafval verwerken en vooraf door de Belgische autoriteiten zijn erkend, door deze beschikking niet bijzonder geraakt.
52 De bestreden beschikking raakt verzoekster alleen in haar objectieve hoedanigheid van marktdeelnemer op het gebied van verpakking, op gelijke wijze als elke andere marktdeelnemer die zich feitelijk of potentieel in een identieke situatie bevindt (zie in die zin arrest Abertal e.a./Commissie, aangehaald in punt 47 hierboven, punt 20, en beschikking Gerecht van 6 mei 2003, DOW AgroSciences/Parlement en Raad, T-45/02, Jurispr. blz. II-1973, punt 43).
53 Ten tweede betoogt verzoekster, zakelijk weergegeven, dat zij de enige onderneming is die ten gevolge van de bestreden beschikking de facto een aanzienlijke geldboete zal moeten betalen.
54 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat artikel 30, § 2, van het samenwerkingsakkoord slechts voorziet in de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen en dat deze van toepassing is op alle verpakkingsverantwoordelijken of erkende organismen die de opgelegde percentages niet binnen de gestelde termijnen bereiken. De geldboete waarin artikel 30, § 2, van het samenwerkingsakkoord voorziet, is derhalve niet alleen van toepassing op verzoekster, wat deze overigens indirect erkent waar zij stelt dat „de impact van een boete voor [haar zelf] helemaal anders is dan voor een eventuele andere verpakkingsafvalverantwoordelijke”.
55 Vervolgens blijkt uit het feit dat verzoekster een aanzienlijk marktaandeel heeft op het gebied van de huishoudelijke verpakking, dat haar hoofdactiviteit bestaat uit het inzamelen en de nuttige toepassing van huishoudelijk verpakkingsafval en dat het bedrag en de waarschijnlijkheid van een eventuele boete derhalve groter zullen zijn dan voor de andere marktdeelnemers, niet dat zij door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt. Volgens de rechtspraak zijn de economische gevolgen die een verzoeker naar eigen zeggen van de omstreden bepaling ondervindt, zelfs al zou de auteur van de handeling hiervan op de hoogte zijn, immers op zichzelf niet voldoende om hem met betrekking tot een voorschrift van algemene strekking te individualiseren [zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 12 oktober 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, C-300/00 P(R), Jurispr. blz. I-8797, punten 39 en 41]. Bovendien erkent de rechtspraak dat het feit dat een handeling van algemene strekking voor de verschillende rechtssubjecten voor wie zij geldt, in concreto uiteenlopende gevolgen kan hebben, hen niet karakteriseert ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers, wanneer de toepassing van die handeling plaatsvindt op grond van een objectief bepaalde situatie (zie in die zin beschikkingen Hofvan 18 december 1997, Sveriges Betodlares Centralförening en Henrikson/Commíssie, C-409/96 P, Jurispr. biz. I-7531, punt 37, en Gerecht van 8 december 1998, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, T-39/98, Jurispr. blz. II-4207, punt 22, bevestigd door arrest Hof van 31 mei 2001, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, C-41/99 P, Jurispr. blz. I-4239). Zoals in punt 47 hierboven werd benadrukt, is de bestreden beschikking echter een handeling van algemene strekking, aangezien zij in abstracte bewoordingen is gericht tot onbepaalde groepen personen en van toepassing is op objectief bepaalde situaties.
56 Ten slotte moet met betrekking tot de aangevoerde arresten Les Verts/Parlement, punt 31 hierboven, en Codorniu/Raad, punt 31 hierboven, waaruit zou blijken dat het Hof een economisch en financieel criterium heeft gehanteerd om te bepalen of de verzoekers individueel waren geraakt, met nadruk worden gewezen op de verschillende context van de onderhavige zaak in vergelijking met de zaken die tot deze arresten hebben geleid.
57 Anders dan in het arrest Codorniu/Raad, punt 31 hierboven, waar een bepaling van algemene strekking de verzoekende vennootschap belette haar reeds lang ingeschreven en gebruikte merk te gebruiken, machtigt de erkenning van verzoekster deze laatste in casu slechts, de door de wetgevende handelingen van de gewesten opgelegde verplichtingen van de verpakkingsverantwoordelijken voor huishoudelijk afval met betrekking tot verpakkingsafval te vervullen (artikel 1, punt 22, van het samenwerkingsakkoord). Bovendien verleent deze machtiging, die slechts geldt voor een periode van vijfjaar vanaf 1 januari 1999 (artikel 10, § 4, van het samenwerkingsakkoord en artikel 24 van het erkenningsbesluit) en deel uitmaakt van de zowel aan verzoekster als aan de andere verpakkingsverantwoordelijken opgelegde verplichtingen, geen recht om een specifiek percentage inzake nuttige toepassing te hanteren. Artikel 25, § 1, punt 3, van het samenwerkingsakkoord preciseert immers dat het beslissingsorgaan van de Interregionale Verpakkingscommissie op elk ogenblik, om redenen van algemeen belang, de voorwaarden voor de uitvoering van de activiteit, zoals voorzien in de erkenning, kan wijzigen. Bijgevolg verschilt de situatie van verzoekster van die van de verzoekende partij in de zaak die tot het arrest Codorniu/Raad, punt 31 hierboven, heeft geleid, en kan verzoekster zich niet op deze rechtspraak beroepen.
58 De feiten in de onderhavige zaak verschillen ook van die welke aan de zaak Les Verts/Parlement, punt 31 hierboven, ten grondslag lagen. Het Gerecht wijst niet alleen op de fundamenteel verschillende context wat de betrokken partijen en instellingen betreft, maar merkt ook op dat de situatie van verzoekster niet verschilt van die van de andere verpakkingsverantwoordelijken met betrekking tot de bestreden beschikking. In de zaak Les Verts hadden bepaalde politieke groeperingen deelgenomen aan de vaststelling van een besluit van het Europees Parlement dat zowel betrekking had op hun eigen behandeling als op die van rivaliserende groeperingen die niet in het Parlement waren vertegenwoordigd. Zij waren per definitie identificeerbaar en derhalve individueel geraakt en zouden daardoor een grotere rechtsbescherming hebben genoten dan de niet-vertegenwoordigde rivaliserende politieke groeperingen (arrest Les Verts/Parlement, punt 31 hierboven, punt 36). In de onderhavige zaak waren de andere verpakkingsverantwoordelijken, net zoals verzoekster (zie punten 63 e.v. hieronder), echter niet betrokken bij de vaststelling van de beschikking, die zowel hun behandeling als die verzoekster betrof. De andere verpakkingsverantwoordelijken genieten in dit verband dus geen grotere rechtsbescherming dan verzoekster. Bijgevolg kan dit arrest geen steun bieden voor verzoeksters betoog dat zij door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt.
59 Ten derde beroept verzoekster zich ter ondersteuning van haar stelling dat zij individueel wordt geraakt, op het feit dat de Commissie de bestreden beschikking heeft gegrond op het bestaan van openbare aanbestedingen die alleen verzoekster organiseert, en van gegevens over huishoudelijk afval die van verzoekster afkomstig zijn en slechts op haar betrekking hebben.
60 Het Gerecht merkt dienaangaande allereerst op dat de Commissie, om het passende karakter van de aangemelde maatregelen te bepalen, in de bestreden beschikking inderdaad rekening heeft gehouden met het bestaan van openbare aanbestedingen (hoofdstuk II, sub a en b, van de bestreden beschikking), en dat verzoekster volgens het erkenningsbesluit de recyclageopdrachten moet plaatsen via aanbestedingsprocedures (artikelen 8 tot en met 11 van het erkenningsbesluit). Bovendien lijkt de Commissie de gegevens van verzoekster in aanmerking te hebben genomen voor de vaststelling van de bestreden beschikking.
61 Volgens de rechtspraak volstaat het feit dat de Commissie haar beschikking op het bestaan van eigen verplichtingen van verzoekster en op haar betreffende gegevens heeft gegrond, evenwel slechts dan om deze laatste te individualiseren wanneer de inaanmerkingneming van haar situatie voortvloeit uit de relevante regeling. Dit zou het geval zijn wanneer de Commissie volgens specifieke bepalingen verplicht zou zijn, rekening te houden met de gevolgen die de door haar voorgenomen handeling voor de situatie van bepaalde particulieren kan hebben, zodat deze omstandigheid deze laatsten kan individualiseren (zie in die zin arresten Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 21 en 28-31; 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punt 11, en 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punten 25-28; arresten Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punt 67, en 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T-47/00, Jurispr. blz. II-113, punt 41). Dit zou eveneens het geval zijn indien relevante bepalingen voorzien in een recht voor de belanghebbende om aan de precontentieuze procedure deel te nemen (zie in die zin arrest Gerecht van 26 september 2000, Büchel/Raad en Commissie, T-74/97 en T-75/97, Jurispr. blz. II-3067, punt 58).
62 Aangaande het bestaan van een specifieke situatie waarmee bij de vaststelling van de bestreden beschikking rekening moet worden gehouden, merkt het Gerecht op dat artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 enerzijds de lidstaten die een hoger milieubeschermingsniveau willen nastreven dan dat waarin lid 1, sub a en b, van deze richtlijn voorziet, verplicht de Commissie daarvan in kennis te stellen, en anderzijds de Commissie verplicht deze maatregelen te bevestigen, nadat zij zich, in samenwerking met de lidstaten, ervan heeft vergewist dat de lidstaten daartoe over passende capaciteit voor recycling en terugwinning beschikken en dat deze maatregelen geen verstoring van de interne markt veroorzaken, de naleving van de richtlijn door de andere lidstaten niet bemoeilijken en geen willekeurige middelen tot discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormen.
63 Deze verificatieverplichting van de Commissie impliceert alleen dat rekening wordt gehouden met de gegevens over recyclage en terugwinning van verpakkingsafval op het niveau van de staat en de verschillende staten en niet dat rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van een onderneming die actiefis op het gebied van recyclage en terugwinning van huishoudelijk verpakkingsafval. Artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 bepaalt overigens uitdrukkelijk dat deze verificatie plaatsvindt in samenwerking met de lidstaten. Dat impliceert dat de Commissie niet bevoegd is de marktdeelnemers rechtstreeks te raadplegen of bepaalde marktdeelnemers in het bijzonder te raadplegen.
64 Vaststaat derhalve dat artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 de Commissie niet de verplichting oplegt, rekening te houden met de bijzondere situatie van individuele ondernemingen, zoals verzoekster, wanneer zij maatregelen bevestigt die afwijken van de in artikel 6, lid 1, sub a en b, van deze richtlijn genoemde taakstellingen.
65 Bovendien leggen noch de artikelen 16 en 21 van richtlijn 94/62, die respectievelijk voorzien in een kennisgevingsprocedure en in de tussenkomst van een comité als kader waarin de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten plaatsvindt, noch de andere bepalingen van richtlijn 94/62 een dergelijke verplichting op aan de Commissie. Bijgevolg kan verzoekster niet op goede gronden stellen dat de Commissie bij het vaststellen van de bestreden beschikking rekening had moeten houden met haar bijzondere situatie.
66 Aangaande het bestaan van een recht om deel te nemen aan de procedure, blijkt uit wat voorafgaat, dat geen enkele procedureregel voorziet in de deelname van de betrokken ondernemingen aan de administratieve procedure. Verzoekster erkent dit overigens terloops wanneer zij stelt dat het recht om te worden gehoord, ook al wordt het in de richtlijn niet uitdrukkelijk genoemd, in acht moet worden genomen op grond van de verplichting tot behoorlijk bestuur.
67 Hoe dan ook, verzoekster toont niet aan dat zij de facto rechtstreeks heeft deelgenomen aan de procedure voor de Commissie. Daaruit volgt dat, zelfs indien een dergelijk recht bestond, in voorkomend geval op grond van de verplichting tot behoorlijk bestuur of op grond van een specifieke bepaling zoals in antidumpingzaken, verzoekster daar geen beroep op kon doen, daar zij dit recht niet heeft uitgeoefend (arrest Hof van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, Jurispr. blz. 849, punten 13-16, en arrest Gerecht van 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad, T-161/94, Jurispr. blz. II-695, punt 47).
68 Bijgevolg kan het feit dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met gegevens en verplichtingen van verzoekster, deze laatste niet individualiseren.
69 Ten vierde is verzoekster van mening dat, aangezien zij een van de informatiebronnen van de Commissie was en deze laatste op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht is om de door de lidstaten in het kader van de procedure van artikel 6, lid 6, van richtlijn 94/62 verstrekte informatie te verifiëren, de Commissie haar had moeten raadplegen om de waarachtigheid van de door de lidstaten verstrekte informatie te bepalen. Ook om die reden is verzoekster van mening dat zij door de bestreden beschikking individueel wordt geraakt.
70 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat verzoekster in casu geen recht had om aan de procedure deel te nemen (zie punt 66 hierboven), dat bovendien volgens de rechtspraak, behoudens uitdrukkelijke bepaling ter zake, noch het proces van totstandkoming van handelingen van algemene strekking, noch die handelingen van algemene strekking zelf als maatregelen van algemene strekking, op grond van een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht verlangen dat de belanghebbende personen bij de totstandkoming ervan worden betrokken, aangezien zij moeten worden geacht te zijn vertegenwoordigd door de politieke instanties die bevoegd zijn die handelingen vast te stellen (zie in die zin beschikkingen Gerecht van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punt 75; 15 september 1998, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, T-109/97, Jurispr. blz. II-3533, punt 60, bevestigd door beschikking Hof van 26 oktober 2000, Molkerei Großbraunshain en Bene Nahrungsmittel/Commissie, C-447/98 P, Jurispr. blz. I-9097, en 9 november 1999, CSR Pampryl/Commissie, Tl 14/99, Jurispr. blz. II-3331, punt 50).
71 De bestreden handeling is een handeling van algemene strekking (zie punt 47 hierboven) en de aangevoerde verplichting tot behoorlijk bestuur is een algemeen rechtsbeginsel. Volgens de hierboven aangehaalde rechtspraak vereist dit beginsel echter niet dat de belanghebbende personen bij de totstandkoming van een dergelijke handeling worden betrokken. Bijgevolg kan verzoekster, bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling van de wetgever, uit het beginsel van behoorlijk bestuur geen procedureel recht afleiden dat de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen, kan meebrengen.
72 Ten slotte betoogt verzoekster dat het feit dat zij een klacht heeft ingediend, aantoont dat zij individueel wordt geraakt. Het Gerecht merkt dienaangaande op dat deze klacht is ingediend op 10 juni 2003, meer dan vier maanden na de vaststelling van de bestreden beschikking en na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep krachtens artikel 230, vierde alinea, EG. Bovendien moet een dergelijke klacht, binnen de logica van een dergelijk betoog, op haar eigen merites worden beoordeeld, aangezien zij geen enkele band heeft met de onderhavige procedure in rechte. Naast het feit dat deze klacht geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de vaststelling van de bestreden beschikking, zegt het indienen van een klacht bij de Commissie na het geven van een beschikking nog niets over de hoedanigheid van de klager om krachtens artikel 230, vierde alinea, EG een beroep tot nietigverklaring van deze beschikking in te stellen. Bij gebreke van een bepaling die voorziet in de mogelijkheid om een dergelijke klacht in te dienen in het kader van een precontentieuze procedure, wordt bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep krachtens artikel 230, vierde alinea, EG geen rekening gehouden met een klacht die verzoekster na vaststelling van de bestreden beschikking bij de Commissie heeft ingediend. Bijgevolg is dit argument niet relevant.
73 Gelet op het voorgaande kan niet worden aangenomen dat verzoekster individueel is geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
74 Onderzocht dient evenwel nog te worden of, zoals verzoekster betoogt, deze conclusie niet ter discussie wordt gesteld door het vereiste van een doeltreffende bescherming in rechte.
75 Dienaangaande merkt het Gerecht op dat, zoals het Hof heeft vastgesteld in de arresten Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 40 hierboven (punt 40), en Commissie/Jégo-Quéré, punt 49 hierboven (punt 30), het EG-Verdrag bij de artikelen 230 EG en 241 EG alsmede bij artikel 234 EG een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures ter verzekering van het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen in het leven heeft geroepen en dit toezicht aan de communautaire rechter heeft opgedragen (zie in die zin ook arrest Les Verts/Parlement, punt 31 hierboven, punt 23). Volgens dit stelsel kunnen natuurlijke of rechtspersonen die wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen gemeenschapshandelingen van algemene strekking, naar gelang van het geval de ongeldigheid van dergelijke handelingen inroepen, hetzij incidenteel voor de communautaire rechter krachtens artikel 241 EG, hetzij voor de nationale rechter, die weliswaar niet bevoegd is om zelf de ongeldigheid van die handelingen vast te stellen (arrest Hof van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, Jurispr. blz. 4199, punt 20), maar daarover prejudiciële vragen kan stellen aan het Hof.
76 Naast het feit dat de lidstaten volgens het Hof moeten voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de eerbiediging van het recht op een doeltreffende bescherming in rechte kan verzekeren (arresten Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 40 hierboven, punt 41, en Commissie/Jégo-Quéré, punt 49 hierboven, punt 31), heeft het Hof ook geoordeeld dat de ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG niet aldus mogen worden uitgelegd dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou moeten worden verklaard, wanneer na een concreet onderzoek van de nationale procesregels door de gemeenschapsrechter blijkt dat deze regels een particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. Voor de gemeenschapsrechter staat echter geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring open, zelfs niet indien uit een concreet onderzoek, door deze rechter, van de nationale procesregels zou blijken dat deze regels de particulier niet toestaan om een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten (beschikking Hof van 12 december 2003, Bactria/Commissie, C-258/02 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 58). Onder een dergelijk stelsel zou de gemeenschapsrechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het wettigheidstoezicht op de gemeenschapshandelingen zou overschrijden (arresten Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 40 hierboven, punt 43, en Commissie/Jégo-Quéré, punt 49 hierboven, punten 33 en 34).
77 Ten slotte heeft het Hof (arresten Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 40 hierboven, punt 44, en Commissie/Jégo-Quéré, punt 49 hierboven, punt 36) met betrekking tot de in artikel 230, vierde alinea, EG gestelde voorwaarde van individueel belang in ieder geval duidelijk verklaard dat deze laatste voorwaarde weliswaar, gelet op de uiteenlopende situaties die een verzoeker kunnen individualiseren, moet worden uitgelegd in het licht van het beginsel van doeltreffende bescherming in rechte (zie in die zin arrest Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18), maar dat een dergelijke uitlegging deze voorwaarde, die uitdrukkelijk door het Verdrag wordt gesteld, niet tot een dode letter mag maken, omdat anders de grenzen van de door het Verdrag aan de communautaire rechter verleende bevoegdheden zouden worden overschreden.
78 Weliswaar is een ander stelsel van toezicht op de wettigheid van de gemeenschapshandelingen van algemene strekking denkbaar dan het stelsel dat in het oorspronkelijke Verdrag is vastgelegd en waarvan de beginselen sindsdien nooit zijn gewijzigd doch volgens het Hof is het in voorkomend geval de taak van de lidstaten om het thans geldende stelsel te herzien overeenkomstig artikel 48 EU (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, punt 40 hierboven, punt 45).
79 Verzoekster verwondert zich erover dat het Hof een dergelijke afwijzingsgrond gebruikt, gelet op de eerdere radicale wijzigingen in zijn rechtspraak. Zij is bovendien van mening dat het ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa een leidraad vormt bij de uitlegging van artikel 230, vierde alinea, EG.
80 Aangaande de eerdere radicale wijzigingen in de rechtspraak van het Hof op bepaalde gebieden kan worden volstaan met de vaststelling dat in casu een dergelijke wijziging niet heeft plaatsgevonden en dat het ingevolge artikel 225 EG en het Statuut van het Hof van Justitie niet de taak van het Gerecht is om zich uit te spreken over de juistheid van een beslissing van het Hof.
81 Met betrekking tot het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa moet worden opgemerkt dat dit verdrag nog niet in werking is getreden. Derhalve kan het Gerecht niet zijn gebonden door dat verdrag of door de wil van de Europese politieke leiders die aan de basis ligt van dit verdrag.
82 Bijgevolg kan verzoekster, gelet op de rechtspraak van het Hof, niet met succes aanvoeren dat zij over geen enkel rechtsmiddel beschikt wanneer het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk zou worden verklaard.
83 De vereiste van een doeltreffende bescherming in rechte kan derhalve, gelet op deze rechtspraak van het Hof, de conclusie dat verzoekster niet individueel wordt geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, niet ter discussie stellen. Aangezien verzoekster niet voldoet aan een van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 230, vierde alinea, EG, moet het onderhavige beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kosten
84 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
-
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
-
Verzoekster wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van verweerster.
Luxemburg, 16 februari 2005.
De griffier
H. Jung
De president van de Derde kamer
J. Azizi