Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 27 april 2006.
Conclusie van advocaat-generaal Kokott van 27 april 2006.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 27 april 2006
I — Inleiding
1. Het Tribunal des affaires de sécurité sociale de Longwy (Frankrijk; hierna ook: „verwijzende rechter”) stelt het Hof een vraag over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(2) in het licht van de artikelen 39 EG en 42 EG.
2. Deze vraag is gerezen in een geding tussen Nemec en de Caisse régionale d'assurance maladie du Nord-Est (regionale ziekenfonds voor het Noord-Oosten; hierna:
CRAM). De CRAM heeft vastgesteld dat Nemec recht heeft op een uitkering krachtens een Franse wet tot schadeloosstelling van gewezen asbestarbeiders. De CRAM heeft de uitkering overeenkomstig een administratieve circulaire berekend op grond van het laatste arbeidsloon dat Nemec in 1993/94 in Frankrijk had ontvangen. Nemec is van oordeel dat de berekening diende plaats te vinden op grond van het laatste arbeidsloon dat hij in 2003/04 in België had ontvangen en dat substantieel hoger was.
3. De verwijzende rechter vraagt zich af of het niet in aanmerking nemen van het laatste Belgische arbeidsloon van Nemec bij de berekening van zijn recht op uitkering, verenigbaar is met verordening nr. 1408/71 en het vrije verkeer van werknemers in de zin van de artikelen 39 EG en volgende.
II — Rechtskader
A — Gemeenschapsregeling
1. Primair recht
4. Artikel 39, leden 1 en 2, EG luidt als volgt:
„Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.
Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.”
5. Artikel 42 EG bepaalt het volgende:
„De Raad stelt volgens de procedure van artikel 251 de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen:
dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;
dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven, zullen worden betaald.
De Raad besluit tijdens de gehele procedure van artikel 251 met eenparigheid van stemmen.”
2. Verordening nr. 1408/71
6. Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 geeft onder meer de volgende definities:
„[…]
wordt onder „werknemer” en onder „zelfstandige” respectievelijk verstaan ieder:
die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers of zelfstandigen of tot een bijzonder stelsel voor ambtenaren;
[…]
worden ten aanzien van elke lidstaat onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis.
[…]
wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan:
het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, of
het orgaan dat aan de betrokkene prestaties verschuldigd is of zou zijn indien hij of een of meer van zijn gezinsleden woonden op het grondgebied van de lidstaat, waarop zich dit orgaan bevindt, of
[…]
worden onder „prestaties”, „uitkeringen”, „verstrekkingen”, „pensioenen” en „renten” verstaan alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen en renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of aanvullende uitkeringen, zulks behoudens het bepaalde in titel III, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten, en de terugstortingen van premies of bijdragen.”
7. Artikel 2 van de verordening, „Personele werkingssfeer”, bepaalt in lid 1:
„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.”
8. Volgens artikel 4 van de verordening omvat haar materiële werkingssfeer onder meer het volgende:
„1.[…]
uitkeringen bij ouderdom;
[…]
prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;
[…]”
9. Artikel 13 van de verordening bepaalt met betrekking tot de vaststelling van de toe te passen wettelijke regelingen onder meer het volgende:
„1.Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2.Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
is op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat;
[…]
is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”
10. Artikel 46, „Vaststelling van uitkeringen”, bepaalt in lid 2 onder meer:
„Wanneer aan de bij de wetgeving van een lidstaat voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden eerst is voldaan na toepassing van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, gelden de volgende regels:
het bevoegde orgaan berekent het the-oretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag.”
11. Artikel 47, „Aanvullende bepalingen ter berekening van de uitkeringen”, bepaalt in lid 1 onder meer het volgende:
„De berekening van het in artikel 46, lid 2, bedoelde theoretische bedrag en pro-ratabedrag vindt als volgt plaats:
[…]
het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde premie of bijdrage, stelt deze premie of bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van bedoelde lidstaat zijn vervuld.”
12. Artikel 57, lid 1, van de verordening bepaalt het volgende:
„Wanneer iemand die door een beroepsziekte is getroffen, onder de wetgeving van twee of meer lidstaten dusdanig werkzaamheden heeft verricht dat deze ziekte daardoor kan zijn ontstaan, worden de prestaties waarop de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen aanspraak kunnen maken, uitsluitend toegekend op grond van de in de laatste van deze staten bestaande wetgeving waarvan de voorwaarden zijn vervuld, eventueel met inachtneming van de leden 2 tot en met 5.”
13. Artikel 58, „Berekening van de uitkeringen”, bepaalt in lid 1 het volgende:
„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde verdienste, stelt deze gemiddelde verdienste uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken zijn genoten.”
14. Artikel 68, eveneens met het opschrift „Berekening van de uitkeringen”, bepaalt in lid 1 het volgende:
„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van het bedrag van het vroegere loon, houdt uitsluitend rekening met het loon dat betrokkene voor de laatste werkzaamheden welke hij op het grondgebied van die staat heeft uitgeoefend, heeft genoten. Indien de betrokkene evenwel laatstelijk niet ten minste vier weken werkzaamheden op dat grondgebied heeft uitgeoefend, wordt de uitkering berekend op basis van het loon dat ter plaatse waar de werkloze woont of verblijft met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die welke hij het laatst op het grondgebied van een andere lidstaat heeft uitgeoefend, gewoonlijk wordt verdiend.”
3. Verordening nr. 574/72
15. Artikel 15 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(3), bevat algemene bepalingen met betrekking tot de samentelling van tijdvakken (van verzekering of wonen) in de gevallen bedoeld in de artikelen 18, lid 1, 38, 45, leden 1 tot en met 3, 64 en 67, leden 1 en 2, van de verordening.
4. Verordening nr. 883/2004
16. Artikel 87, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(4) bepaalt onder meer:
„Aan deze verordening kan geen enkel recht worden ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van haar toepassing voorafgaat.”
17. Artikel 90, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
„Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad wordt met ingang van de toepassingsdatum van deze verordening ingetrokken.”
18. Artikel 91 van de verordening bepaalt tot slot:
„Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening.
[…]”
B — Nationale regeling
19. Loi no 98-1194 de financement de la sécurité sociale pour 1999 (wet nr. 98-1194 tot financiering van de sociale zekerheid voor het jaar 1999) van 23 december 1998(5) heeft een regeling ingevoerd ter zake van vervroegde uittreding van werknemers die tijdens hun beroepsuitoefening aan asbest blootgesteld zijn geweest. Artikel 41 van de in casu relevante versie van deze wet(6) voorziet in uitkeringen voor (gewezen) werknemers ingeval zij:
-
werkzaam zijn geweest in een asbest-verwerkend bedrijf dat is opgenomen op een bij ministerieel besluit vastgestelde lijst, in een periode dat daar met asbest werd omgegaan;
-
een vastgestelde leeftijd hebben bereikt van ten minste 50 jaar, en
-
elke beroepswerkzaamheid stopzetten.
20. Een aanspraak bestaat reeds vanaf 50 jaar wanneer een beroepsziekte die door asbest is veroorzaakt en op een bij ministerieel besluit vastgestelde lijst is opgenomen, is vastgesteld en erkend.
21. Het bedrag van de uitkering wordt berekend op grond van het gemiddelde bruto-inkomen van de uitkeringsgerechtigde over de laatste twaalf maanden van zijn beroepswerkzaamheid. Toepassingsdecreet nr. 99-247 van 29 maart 1999 betreffende de uitkering wegens vervroegde uittreding aan werknemers die aan asbest zijn blootgesteld geweest(7), preciseert de berekeningsmethode.(8)
22. De uitkering vindt plaats tot de begunstigde de voorwaarden voor een volledig ouderdomspensioen vervult. Voor de financiering is een fonds ingesteld dat deels wordt gevoed uit een vast percentage van de inkomsten uit verbruiksbelasting en deels uit de socialezekerheidsbijdragen ter dekking van „arbeidsongevallen en beroepsziekten”. Dit aandeel wordt jaarlijks vastgesteld bij de wet tot financiering van de sociale zekerheid.
23. Circulaire nr. DSS/4B/99/332 van 9 juni 1999(9) inzake de uitvoering van de wettelijke bepalingen en de bepalingen van het toepassingsdecreet bevat administratieve richtlijnen voor de toekenning, de berekening en de betaling van de uitkeringen door de regionale ziekenfondsen. Met betrekking tot de berekening van de hoogte van de aanspraken indien er tijdvakken van arbeid in loondienst in het buitenland zijn vervuld, bepaalt de circulaire dat bij de berekening van uitkeringen alleen met in het buitenland ontvangen loon rekening wordt gehouden wanneer daarop bijdragen voor de Franse sociale zekerheid zijn ingehouden. In alle andere gevallen dient bij de berekening te worden uitgegaan van het laatste in Frankrijk ontvangen loon.
24. Cumulatie met andere uitkeringen, met name uitkeringen wegens ziekte, ouderdom, invaliditeit, vervroegd pensioen of uittreding, is tot slot uitgesloten.
III — De feiten, de prejudiciële vraag en de procedure voor het Hof
25. Nemec is een in 1954 geboren Frans onderdaan en woonachtig in Frankrijk. In de loop van zijn carrière heeft hij een aantal jaren bij een onderneming in Frankrijk gewerkt, waar hij aan asbest was blootgesteld. In 1995 werd bij hem een door asbest veroorzaakte ziekte vastgesteld en als beroepsziekte erkend.
26. Na de sluiting van de asbestverwerkende onderneming in 1994 vond Nemec een nieuwe betrekking in België, in een onderneming waarvan het bedrijfsgebouw zo'n tien kilometer van zijn woonplaats in Frankrijk is verwijderd. Daar is hij tot op heden werkzaam. Gedurende de gehele periode waarin hij in België werkzaam was, woonde Nemec in Frankrijk en betaalde hij daar belasting.
27. In maart 2004 verzocht Nemec de CRAM om een uitkering voor asbestarbeiders krachtens artikel 41 van wet nr. 98-1194. Bij schrijven van 13 mei 2004 kende de CRAM hem een uitkering toe op grond van de relevante bepalingen. Overeenkomstig circulaire nr. DSS/4B/99/332 werd bij de vaststelling van de uitkering uitsluitend rekening gehouden met de in het kader van zijn beroepswerkzaamheid in Frankrijk tot 1994 ontvangen salarisstroken.
28. Nemec heeft tegen de niet-inaanmerkingneming van zijn Belgische inkomsten bezwaar gemaakt bij een bezwaarschriftencommissie, maar dit bezwaar werd afgewezen op 7 september 2004. In de motivering van de beslissing werd eveneens verwezen naar de criteria van de circulaire.
29. Nemec heeft vervolgens beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij betoogt dat de CRAM het in verordening nr. 1408/71 en thans in verordening nr. 883/2004 verankerde beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden en daardoor inbreuk heeft gemaakt op het recht op vrij verkeer dat hij als werknemer heeft.
30. In het kader van dit geding heeft het Tribunal des affaires de sécurité sociale de Longwy bij beslissing van 14 april 2005, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 mei 2005, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Heeft de CRAM, door bij de berekening van de aan Nemec krachtens artikel 41 van wet nr. 98-1194 van 23 december 1998 toegekende uitkering voor asbestarbeiders op grond van het bepaalde in artikel 2 van het toepassingsdecreet van wet nr. 99/247 van 29 maart 1999 en circulaire DSS/4B/99 nr. 332 van 9 juni 1999 geen rekening te houden met het door Nemec in België ontvangen loon, omdat dit loon niet was onderworpen aan de bijdrageplicht ingevolge artikel L 242-1 van de Franse Code de la sécurité sociale, in strijd met de belangen van de betrokkene een voor hem nadelige beslissing genomen die een belemmering van het in artikel 39 [EG] verankerde vrije verkeer, een schending van verordening […] nr. 883/2004 of een schending van artikel 15 van verordening […] nr. 574/72 oplevert?”
31. In de procedure voor het Hof hebben Nemec, de CRAM, de Franse regering en de Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. De regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV — Rechtens
A — Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
32. De Franse regering acht het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk.
33. De uiteenzetting van de feiten is te beknopt. Uit de beslissing van de verwijzende rechter blijkt bijvoorbeeld niet of Nemec tijdens zijn beroepswerkzaamheid in Frankrijk of in andere landen aan asbest blootgesteld is geweest. Reeds op die grond mist de prejudiciële verwijzing een feitelijke grondslag. Bovendien bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing slechts een onvolledige en niet-eenduidige opsomming van het relevante nationale recht.
34. Voorts heeft de verwijzende rechter niet uiteengezet waarom hij twijfelt aan de uitlegging van de bepalingen van het gemeenschapsrecht. Tot slot heeft de verwijzende rechter evenmin duidelijk gemaakt wat zijns inziens het verband is tussen de communautaire en de nationale bepalingen.
35. Volgens vaste rechtspraak is een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht alleen mogelijk wanneer de verwijzingsbeslissing een omschrijving geeft van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst.(10) Deze omschrijving dient er niet in de laatste plaats toe de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen, waaraan alleen de verwijzingsbeslissing ter kennis wordt gebracht(11), de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof opmerkingen te maken.(12) Wil de uitlegging van het gemeenschapsrecht nuttig zijn voor de verwijzende rechter, dan dient ook te worden aangegeven waarom hij twijfelt aan de uitlegging van de bepalingen van gemeenschapsrecht waarop zijn prejudiciële vragen betrekking hebben.(13)
36. De Franse regering stelt terecht dat het verzoek van de verwijzende rechter om een prejudiciële beslissing uiterst beknopt is en balanceert op de grens van het toelaatbare. Het bevat echter toch nog voldoende noodzakelijke gegevens.
37. Zo blijkt uit het prejudiciële verzoek dat Nemec in Frankrijk en België heeft gewerkt, dat hem het recht op een uitkering is toegekend vanwege een beroepswerkzaamheid waarbij hij aan asbest werd blootgesteld, en dat bij de berekening van dit recht zijn Belgische inkomsten niet in aanmerking zijn genomen. De vraag of Nemec tijdens zijn beroepswerkzaamheid in Frankrijk of andere landen blootgesteld is geweest aan asbest, is niet relevant omdat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden om de uitkering voor gewezen asbestarbeiders te ontvangen en alleen de vraag wordt opgeworpen hoe de uitkering dient te worden berekend.
38. De verwijzende rechter verwijst zowel in de motivering van zijn verwijzingsbeslissing als in de prejudiciële vraag zelf met name naar circulaire nr. DSS/4B/99/332 van 9 juni 1909(14), die de in casu relevante richtlijnen bevat voor de berekening van de uitkering van Nemec. Voorts verwijst hij ook naar de wettelijke grondslag van de aanspraken(15) en naar het toepassingsdecreet.(16)
39. Tot slot blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter, wat de berekeningen van de CRAM betreft, niet alleen twijfelt aan de verenigbaarheid van de circulaire met het afgeleide en het primaire gemeenschapsrecht. Hij geeft ook aan dat hij vanwege het beginsel van gelijke behandeling van werknemers in de Unie twijfelt over de toepasselijkheid en de uitlegging van de communautaire bepalingen waarnaar hij verwijst.
40. Het Hof beschikt derhalve over voldoende gegevens, feitelijk en rechtens, om een nuttig antwoord te kunnen geven op de prejudiciële vraag. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is dan ook ontvankelijk.
B — De prejudiciële vraag
41. Allereerst dient te worden vastgesteld dat verordening nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels niet relevant is voor de beantwoording van de prejudiciële vraag. Dit blijkt uit de artikelen 87, lid 1, en 91 van de verordening(17), aangezien zij volgens deze bepalingen pas geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening — die tot op heden niet is vastgesteld — en geen rechten verleent voor de periode vóór de datum van haar toepassing.
42. Ingevolge artikel 90, lid 1, van verordening nr. 883/2004 wordt verordening nr. 1408/71 met ingang van de toepassingsdatum van deze verordening ingetrokken.(18) De prejudiciële vraag dient derhalve aldus te worden opgevat dat gevraagd wordt of verordening nr. 1408/71 in de weg staat aan een besluit als dat van de CRAM.
43. Nemec valt binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71. Hij was in Frankrijk werknemer in de zin van de artikelen 2, lid 1, en 1, sub a-i, van de verordening(19) en volgens de beschikbare informatie is hij dit thans in België.
44. Volgens vaste rechtspraak valt een uitkering binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 wanneer zij aan de rechthebbenden wordt toegekend zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, op grond van een wettelijk omschreven situatie, en wanneer zij verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71(20) uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten.(21)
45. De uitkering wordt de gewezen asbestarbeiders toegekend onder voorwaarden die in de wetgeving of een wettelijke regeling zijn vastgelegd(22) en die geen individuele beoordeling van de persoonlijke behoeften inhouden.(23)
46. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 noemt als uitkeringen onder meer uitkeringen bij ouderdom (sub c) en prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten (sub e).(24)
47. In de eerste plaats zou de onderhavige uitkering kunnen worden beschouwd als een uitkering bij ouderdom, aangezien het stopzetten van de beroepswerkzaamheden een voorwaarde voor de uitkering is en de uitkering dient ter overbrugging tot er aanspraak op een pensioenuitkering bestaat. Volgens informatie van de Franse regering tracht men zo met name rekening te houden met de kortere levensverwachting van gewezen asbestarbeiders.
48. In werkelijkheid gaat het echter niet om een leeftijdsgebonden vervroegde uittredingsregeling, maar om een uitkering bij beroepsziekte. De geringere levensverwachting is het gevolg van het verhoogde risico op een beroepsziekte ten gevolge van het contact met asbest. Zoals met name(25) de Franse regering heeft betoogt, is de uitkering in wezen niet bedoeld om het betrokkenen mogelijk te maken vervroegd met pensioen te gaan, maar om het ontstaan of het verergeren van asbestgerelateerde beroepsziekten te voorkomen of te vertragen, alsmede het verloop daarvan te temperen. Het opheffen van de met de beroepsuitoefening gepaard gaande belasting door het vervroegd stopzetten van de beroepswerkzaamheden dient daartoe bij te dragen.
49. De uitkering vereist voorts dat beroepsmatig met asbest wordt omgegaan en zij wordt hoofdzakelijk gefinancierd uit de socialezekerheidsbijdragen ter dekking van „arbeidsongevallen en beroepsziekten”. Verordening nr. 1408/71 is derhalve krachtens artikel 4, lid 1, sub e (prestaties bij beroepsziekten), materieel van toepassing.
50. Bij de vaststelling van de overeenkomstig de artikelen 13 en volgende van verordening nr. 1408/71 toepasselijke nationale wettelijke bepalingen dient het volgende te worden geconstateerd.
51. Nemec heeft weliswaar een verzoek gedaan tot vaststelling van de uitkering waarop hij recht heeft krachtens de wet inzake uitkeringen aan gewezen asbestarbeiders. Volgens zijn eigen verklaringen maakt hij echter tot op heden geen aanspraak op deze uitkering vanwege het inkomensverschil dat het stopzetten van zijn beroepswerkzaamheden volgens de berekening van de uitkering door de CRAM met zich zou brengen, maar zet hij zijn werkzaamheden in België voort.
52. Volgens artikel 13, leden 1 en 2, sub a, van verordening nr. 1408/71(26) is derhalve thans op Nemec Belgisch recht van toepassing. Voor het verrichten van een uitkering bij beroepsziekte zou derhalve in feite België bevoegd zijn. Ingevolge artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71(27) zouden voor de berekening van de uitkering dan ook uitsluitend de laatste in België ontvangen inkomsten van Nemec in aanmerking moeten worden genomen.
53. Een van de voorwaarden om voor de Franse uitkering voor gewezen asbestarbeiders in aanmerking te komen is echter de stopzetting van de beroepswerkzaamheid. Voor de beoordeling van de aanspraken van Nemec dient dus te worden uitgegaan van de hypothese dat hij zijn beroepswerkzaamheid in België reeds heeft stopgezet en alleen nog maar de Franse uitkering geniet. Omdat Nemec in Frankrijk woonachtig is, zijn dan volgens artikel 13, leden 1 en 2, sub f, van verordening nr. 1408/71(28) de Franse wettelijke bepalingen op hem van toepassing.
54. Artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71(29) lijkt derhalve daadwerkelijk te vereisen dat de uitkering die Nemec als gewezen asbestarbeider wordt toegekend, uitsluitend wordt berekend op grond van het laatste inkomen dat hij in Frankrijk heeft ontvangen. Zo heeft het Hof in het arrest Pennartz met betrekking tot een eerdere regeling reeds geoordeeld dat artikel 58 van verordening nr. 1408/71 niet enkel de toepasselijke wettelijke regeling bepaalt — dat gebeurt namelijk reeds in de artikelen 13 en volgende van verordening 1408/71(30) — maar de voor de berekening van de uitkering in aanmerking te nemen lonen vaststelt.(31) Dienovereenkomstig vindt de berekening uitsluitend plaats op grond van het loon dat in de referentieperiode op het grondgebied van de bevoegde lidstaat is ontvangen.(32)
55. De berekeningen van de CRAM zijn derhalve op het eerste gezicht in overeenstemming met de bepalingen van verordening nr. 1408/71, zoals ook de CRAM, de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk betogen.
56. Deze uitkomst lijkt ook in overeenstemming met de recente rechtspraak van het Hof in de analoge zaken Lafuente Nieto, Naranjo Arjona en Grajera Rodríguez.(33) In deze zaken kwam het Hof tot de conclusie dat de berekening van ouderdoms- en invaliditeitspensioenen voor migrerende werknemers in de staat van herkomst op grond van het laatste daar ontvangen arbeidsloon — en niet op grond van het laatste loon dat is ontvangen in de lidstaat waar zij meest recentelijk hebben gewerkt — geen discriminatie inhoudt van migrerende werknemers ten opzichte van werknemers die in de staat van herkomst zijn gebleven, wanneer het vroegere loon wordt aangepast aan het huidige inkomensniveau.(34)
57. In deze gevallen was er echter — anders dan in het onderhavige geval — naast de in het land van herkomst verworven pensioenrechten nog sprake van pensioenrechten die waren opgebouwd in de lidstaat waar voor het laatst beroepswerkzaamheden waren verricht.(35) Bij de bepaling van de daadwerkelijke pensioenrechten werd dus rekening gehouden met de laatste beroepswerkzaamheid van de migrerende werknemers.
58. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat het — gelet op het scala van mogelijkheden die zich over een zo lange tijd kunnen voordoen — nauwelijks mogelijk is om op basis van het laatste in Frankrijk ontvangen loon een hypothetische projectie te maken zonder in willekeur te vervallen. Gesteld dat Nemec in Frankrijk zou zijn gebleven, dan zouden scenario's variërend van langdurige werkloosheid tot een substantieel hoger laatste inkomen in een andere branche mogelijk zijn geweest.
59. De Commissie merkt in dit verband terecht op dat toepassing van artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zoals in de voorgaande rechtspraak niet overeenstemt met de doelstellingen van artikel 39 EG en volgende.
60. Volgens vaste rechtspraak zou immers het doel van de artikelen 39 EG en volgende niet worden bereikt indien de werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer socialezekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een lidstaat worden toegekend.(36) Derhalve staan de artikelen 39 EG en volgende in de weg aan de ongelijke behandeling van de onderdanen van een lidstaat die hun recht op vrij verkeer van werknemers niet hebben uitgeoefend en de onderdanen van diezelfde lidstaat die dat wel hebben gedaan.(37)
61. Wanneer Nemec na de sluiting van het asbestverwerkende bedrijf van zijn vroegere werkgever in Frankrijk uitsluitend op de nationale arbeidsmarkt een nieuwe baan had gezocht en nieuwe beroepsactiviteiten had ontplooid zoals hij deze thans in België verricht, zou bij de berekening van zijn recht op een uitkering moeten zijn uitgegaan van zijn huidige arbeidsloon. Het feit dat Nemec als werknemer van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt, leidt dus ertoe dat hij socialezekerheidsvoordelen verliest waarop hij volgens de Franse wettelijke bepalingen recht heeft. De uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers wordt daardoor minder aantrekkelijk.
62. De Commissie acht het derhalve noodzakelijk om ofwel de artikelen 39 EG en volgende rechtstreeks toe te passen ofwel ten minste artikel 58 van verordening nr. 1480/71 uit te leggen in het licht van de strekking en het doel van de artikelen 39 EG en volgende.
63. Het Hof heeft zich tot op heden in twee soorten situaties rechtstreeks op de artikelen 39 EG en volgende gebaseerd. Ten eerste in gevallen waarin verordening nr. 1408/71 — anders dan in deze zaak(38) — niet van toepassing was(39) en, ten tweede, in gevallen waarin zij weliswaar van toepassing was, maar haar bepalingen geen regeling bevatten voor het concrete geval dat aan de orde was.(40)
64. Voorts zouden de artikelen 39 EG en volgende ook rechtstreeks van toepassing zijn indien artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 ongeldig zou zijn wegens strijdigheid met de artikelen 39 EG en volgende.(41) Een dergelijke benadering zou echter alleen mogelijk zijn indien verordening nr. 1408/71 niet kon worden toegepast in overeenstemming met de artikelen 39 EG en volgende. Wanneer een gemeenschapshandeling voor verschillende uitleggingen vatbaar is, moet namelijk de voorkeur moet worden gegeven aan die uitlegging die de geldigheid ervan niet aantast(42)
65. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zelf moet verordening nr. 1408/71 worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van de artikelen 39 EG en volgende.(43) Met name heeft het Hof in analoge zaken soortgelijke bepalingen uitgelegd overeenkomstig de doelstellingen van de artikelen 39 EG en volgende.
66. In de zaak Fellinger heeft het Hof met betrekking werkloosheidsuitkeringen in de zin van artikel 68 van de verordening vastgesteld dat de verhouding tussen regel en uitzondering in deze bepaling voor grensarbeiders tot de nadelige situatie leidt dat de uitzondering de regel is.(44) Het heeft derhalve geoordeeld dat de bepaling in het licht van het thans geldende artikel 42 EG aldus moet worden uitgelegd dat bij de berekening moet worden uitgegaan van het laatst ontvangen arbeidsloon.(45)
67. In de zaak Reichling deed zich de vraag voor of een invaliditeitspensioen dat in de staat van herkomst van een migrerende werknemer diende te worden berekend op grond van het laatst ontvangen nationale loon, bij gebreke van een nationaal loon kon worden vastgesteld op basis van een nationaal minimumloon.(46) Ook hier kwam het Hof tot de conclusie dat er inbreuk zou worden gemaakt op het recht op vrij verkeer van werknemers wanneer de berekening niet plaats zou vinden op grond van het laatst ontvangen buitenlandse loon.(47) Het heeft artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 derhalve aldus uitgelegd dat in het geval van een migrerende werknemer de berekening moet plaatsvinden op basis van het in de andere lidstaat laatst ontvangen arbeidsloon.(48)
68. Derhalve zou het voor de hand liggen om verordening nr. 1408/71 in een geval als het onderhavige in het licht van de artikelen 39 EG en volgende zo toe te passen dat ook hier moet worden uitgegaan van het arbeidsloon dat de migrerende werknemer Nemec het laatst in België heeft ontvangen.
69. Volgens artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vormt echter alleen het loon dat in de referentieperiode op het grondgebied van de bevoegde lidstaat werd ontvangen, de grondslag voor de berekening. Het Hof heeft deze uitlegging bevestigd in zijn arrest Pennartz.(49) Deze duidelijke bewoordingen stellen, zoals de CRAM, de Franse regering en het Verenigd Koninkrijk terecht betogen, grenzen aan de teleologische uitlegging.
70. Derhalve kan verordening nr. 1408/71 in het licht van de artikelen 39 EG en volgende logischerwijze alleen aldus worden uitgelegd dat artikel 58, lid 1, een geval als het onderhavige niet regelt.(50) De in het hoofdgeding aan de orde zijnde casus blijkt namelijk in meerdere opzichten atypisch te zijn. Volgens artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 moet normaal gesproken immers van het laatste loon worden uitgegaan:
-
Indien Nemec thans ten gevolge van een beroepsziekte gedeeltelijk of volledig arbeidsongeschikt zou worden, zou België bevoegd zijn op grond van artikel 13, leden 1 en 2, sub a, van verordening nr. 1408/71(51) en zou op grond van artikel 58, lid 1, bij de berekening alleen moeten worden uitgegaan van het laatst ontvangen Belgische loon.
-
Indien Nemec in verschillende lidstaten aan eenzelfde asbestrisico zou zijn blootgesteld en ten gevolge van een daardoor veroorzaakte beroepsziekte behoefte zou hebben aan een uitkering in de zin van de artikelen 52 en volgende van verordening nr. 1408/71, zou ingevolge artikel 57 van verordening nr. 1408/71 junctis de artikelen 13, leden 1 en 2, sub a, en 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71(52) bij de berekening eveneens alleen moeten worden uitgegaan van het laatste in België ontvangen loon.
-
Indien Nemec reeds in 1994 of 1995 als gevolg van zijn beroepsziekte arbeidsongeschikt zou zijn geworden, zou eveneens moeten zijn uitgegaan van zijn laatst ontvangen loon, te weten het loon voor zijn laatste werk in de Franse, asbest verwerkende onderneming.
-
Indien Nemec beroepshalve in Frankrijk zou zijn gebleven — in een andere betrekking of zelfs werkeloos — dan zou ook moeten worden uitgegaan van zijn laatste loon, te weten het loon voor zijn laatste werk in een Franse onderneming.
71. Artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 leidt dus normaal gesproken tot nuttige resultaten die in overeenstemming zijn met het doel van de artikelen 39 EG en volgende, in die zin dat de uitkering wordt gerelateerd aan het laatst ontvangen loon. Ook het Hof kwam tot deze conclusie in het arrest Pennartz.(53)
72. Alleen de specifieke regeling in de Franse wet leidt in het onderhavige geval tot een atypische situatie waarvoor de bepalingen van verordening nr. 1408/71 geen oplossing kunnen bieden die met de doelstellingen van de artikelen 39 EG en volgende en de verordening zelf in overeenstemming is. Dit komt door de bijzondere wijze waarop de uitkeringsvoorwaarden in de Franse wet zijn geformuleerd:
-
De minimumleeftijd van 50 jaar(54) heeft tot gevolg dat Nemec pas bijna tien jaar nadat bij hem de beroepsziekte was vastgesteld zijn rechten geldend kon maken. Normaal gesproken ontstaan deze rechten reeds bij de vaststelling van een beroepsziekte of wanneer deze zich begint te manifesteren.
-
Voorwaarde voor de uitkering is de stopzetting van alle beroepswerkzaamheden.(55) Bij gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid daarentegen kan een werknemer normalerwijze blijven doorwerken voor zover hij daartoe in staat is, en voor het overige een inkomenscompensatie ontvangen.
-
De uitkeringsgerechtigde mag geen andere uitkeringen ontvangen.(56) Normalerwijze kunnen naast een uitkering bij beroepsziekte nog andere uitkeringen worden ontvangen. Daarin onderscheidt zich de onderhavige casus ook van de zaken Lafuente Nieto, Naranjo Arjona en Grajera Rodríguez, waarin nog andere uitkeringen werden ontvan-gen.(57)
73. Dat is weliswaar geen grond om de geldigheid van artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71 in twijfel te trekken, maar uitgaande van een teleologische uitlegging moet worden vastgesteld dat deze bepaling geen regeling bevat voor de onderhavige, atypische constellatie, zodat de artikelen 39 EG en volgende rechtstreeks moeten worden toegepast.
74. Zoals reeds gezegd, leidt de Franse circulaire inzake de berekening van uitkeringen aan asbestarbeiders tot een ongelijke behandeling van werknemers die hun recht op vrij verkeer niet hebben uitgeoefend en werknemers die dat wel hebben gedaan.(58)
75. Noch de CRAM noch de Franse regering hebben een rechtvaardiging aangevoerd voor deze ongelijke behandeling, die verder zou gaan dan wat is vastgesteld in artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71. Het dossier bevat verder ook niets dat de ongelijke behandeling objectief zou kunnen rechtvaardigen.
76. Met name kan het feit dat het laatste in België ontvangen loon ook lager had kunnen zijn dan het oudere loon dat het laatst in Frankrijk was ontvangen, geen rechtvaardiging vormen. Zoals het Hof namelijk reeds heeft vastgesteld, kan de omstandigheid dat andere migrerende werknemers die in een andere situatie verkeren, mogelijkerwijze door een discriminerende nationale regeling worden begunstigd, een nadelige ongelijke behandeling niet opheffen of compenseren.(59)
77. Bovendien zal normalerwijze het laatst ontvangen loon het hoogste zijn. Ook kan gewoonlijk ervan worden uitgegaan dat het laatste actuele loon de basis vormt voor de berekening van uitkeringen bij ziekte. Neemt een werknemer een slechter betaalde baan in het buitenland aan, dan kan hij derhalve verwachten dat hij eventueel ook minder goed gedekt is tegen ziekte.
78. Derhalve moet worden geconcludeerd dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding de artikelen 39 EG en volgende zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de berekening van uitkeringen aan gewezen asbestarbeiders niet moet worden uitgegaan van het door de migrerende werknemer laatst ontvangen loon, maar van het laatste in zijn lidstaat van herkomst ontvangen loon.
79. Daar kan niet tegenin worden gebracht, zoals het Verenigd Koninkrijk betoogt, dat uit de artikelen 39 EG en volgende niet zonder meer een berekeningsmethode kan worden afgeleid, maar dat daarvoor een technische coördinatie door de Raad vereist is. In de eerste plaats staan namelijk alleen de berekeningsmethode zoals deze concreet is vastgelegd in de Franse wettelijke regeling en de verenigbaarheid daarvan met de voorschriften van de artikelen 39 EG en volgende ter discussie. In de tweede plaats zijn in verordening nr. 1408/71, bijvoorbeeld in de artikelen 47, lid 1, sub g, 58, lid 1, en 68, lid 1, reeds de waardeoordelen van de Raad ter zake van dergelijke berekeningsmethoden vervat. Deze waardeoordelen zijn een concrete vertaling van de doelstellingen van de artikelen 39 EG en volgende, die ook voor atypische gevallen moeten gelden. Het staat Frankrijk overigens vrij om de litigieuze berekeningsmethode door een geheel andere te vervangen.
80. Wat het niveau van de arbeidslonen en de kosten van levensonderhoud betreft, zouden er natuurlijk aanzienlijke verschillen kunnen bestaan tussen de lidstaten. Omdat het hier slechts om een atypische uitzonderingssituatie gaat, hoeft er weliswaar niet te worden gevreesd voor een te grote belasting van het socialezekerheidsstelsel, maar niettemin lijkt het aangewezen om, wanneer de artikelen 39 EG en volgende bij wijze van uitzondering in een atypisch geval direct worden toegepast, rekening te houden met het bepaalde in artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1408/71, volgens hetwelk moet worden uitgegaan van het loon in de bevoegde lidstaat. In dergelijke atypische gevallen zou dan eventueel een aanpassing aan het inkomensniveau van de woonplaats mogelijk zijn.
81. Als grondslag voor de berekening dient dus het laatste in België ontvangen loon te worden genomen, eventueel aangepast aan het inkomensniveau in de woonplaats in Frankrijk indien er aanzienlijke verschillen in inkomensniveau en kosten van levensonderhoud bestaan.
82. Tot slot moet worden opgemerkt dat niet duidelijk is in hoeverre artikel 15 van verordening nr. 574/72 in dit geval relevant zou kunnen zijn. Mede in het licht van het voorgaande hoeft derhalve op dit deel van de prejudiciële vraag niet te worden ingegaan.
V — Conclusie
83. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Tribunal des affaires de sécurité sociale de Longwy als volgt te beantwoorden:
„In omstandigheden als die van het hoofdgeding verzetten de artikelen 39 EG en volgende zich tegen een nationale regeling op grond waarvan voor de berekening van uitkeringen aan gewezen asbestarbeiders niet moet worden uitgegaan van het door de migrerende werknemer laatst ontvangen arbeidsloon, maar van het laatste in zijn lidstaat van herkomst ontvangen loon. Aanzienlijke verschillen in inkomensniveau en kosten van levensonderhoud tussen de staat van uitkering en de lidstaat waar de migrerende werknemer voor het laatst een beroepswerkzaamheid heeft verricht, kunnen een rechtvaardiging vormen voor een aanpassing van het laatst ontvangen arbeidsloon aan het inkomensniveau van de woonplaats.”