Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 maart 2007.

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 maart 2007.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
1 maart 2007

Uitspraak

Arrest van het Hof (Eerste kamer)

1 maart 2007(*)

In zaak C-176/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien (Oostenrijk) bij beslissing van 8 april 2005, ingekomen bij het Hof op 20 april 2005, in de procedure

KVZ retec GmbH

tegen

Republik Österreich,

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts, E. Juhász, K. Schiemann (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 juni 2006,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • KVZ retec GmbH, vertegenwoordigd door H. Zanier en M. Firle, Rechtsanwälte,

    • de Republik Österreich, vertegenwoordigd door E. Hofbauer als gemachtigde,

    • de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,

    • de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en R. Loosli-Surrans als gemachtigden,

    • de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C White als gemachtigde, bijgestaan door J. Maurici, barrister,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en F. Erlbacher als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 september 2006,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, biz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie van 28 december 2001 (PB L 349, blz. 1; hierna: „verordening nr. 259/93”), en van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PB L 273, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 808/2003 van de Commissie van 12 mei 2003 (PB L 117, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1774/2002”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen KVZ retec GmbH (hierna: „KVZ”) en de Republik Österreich betreffende, enerzijds, de toepassing van de gemeenschapsregeling inzake afvalstoffen op de overbrenging van diermeel dat is bestemd om als brandstof te worden gebruikt in een thermische centrale, en, anderzijds, het verband tussen deze regeling en verordening nr. 1774/2002.

Rechtskader

Richtlijn 75/442/EEG

3 Artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, biz. 39), zoals gewijzigd bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996 (PB L 135, blz. 32; hierna: „richtlijn 75/442”), definieert het begrip „afvalstof” als „elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.

4 Artikel 1 van richtlijn 75/442 bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

  1. ‚verwijdering’: alle in bijlage II A bedoelde handelingen;

  2. ‚nuttige toepassing’: alle in bijlage II B bedoelde handelingen;

[...]”

5 Tot de categorieën afvalstoffen die in bijlage I bij richtlijn 75/442 worden opgesomd, behoort categorie Q 16, gedefinieerd als volgt: „[a]lle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen”.

6 In bijlage II B bij richtlijn 75/442 wordt een overzicht gegeven van handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen zoals die in de praktijk plaatsvinden. Daartoe behoort onder meer:

„R 1

Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking.”

7 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 75/442 bepaalt:

„Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen de volgende stoffen:

[...]

  1. wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen:

    [...]

    1. kadavers en de volgende landbouwafvalstoffen: fecaliën en andere natuurlijke en niet-gevaarlijke stoffen die in de landbouw worden gebruikt;

[...]”

Verordening nr. 259/93

8 Artikel 1 van verordening nr. 259/93 luidt als volgt:

„1. Deze verordening is van toepassing op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Gemeenschap.

2. Onder deze verordening vallen niet:

[...]

  1. overbrenging van afvalstoffen, genoemd in artikel 2, lid 1, sub b, van richtlijn 75/442/EEG, wanneer zij reeds onder andere voorschriften ter zake vallen;

[...]

3.

  1. Overbrenging van afvalstoffen die alleen bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II worden genoemd, valt evenmin onder de bepalingen van deze verordening, behoudens voor zover bepaald sub b, c, d en e, in artikel 11 en in artikel 17, leden 1, 2 en 3.

  2. Op deze afvalstoffen zijn alle bepalingen van richtlijn 75/442/EEG van toepassing. Zij dienen met name:

    • alleen te zijn bestemd voor naar behoren erkende inrichtingen die een vergunning hebben overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van richtlijn 75/442/EEG;

    • te worden onderworpen aan alle bepalingen van de artikelen 8, 12, 13 en 14 van richtlijn 75/442/EEG.

  3. Bepaalde in bijlage II genoemde afvalstoffen kunnen echter, onder meer als zij een van de in bijlage III bij richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezitten, worden gecontroleerd, alsof zij in bijlage III of IV waren genoemd [...]

    De afvalstoffen en het besluit omtrent de keuze van de te volgen procedure worden volgens de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG vastgesteld. Dergelijke afvalstoffen worden opgenomen in bijlage II A.

  4. In uitzonderlijke gevallen kunnen de lidstaten uit overwegingen van milieuhygiëne of volksgezondheid controle uitoefenen op overbrengingen van in bijlage II genoemde afvalstoffen alsof zij in bijlage III of IV waren genoemd.

    De lidstaten die gebruikmaken van deze mogelijkheid stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van dergelijke gevallen en informeren, indien van toepassing, de andere lidstaten met vermelding van de redenen voor hun besluit. De Commissie kan een dergelijk optreden volgens de procedure van artikel 18 van richtlijn 75/442/EEG bevestigen, onder meer, indien dat passend is, door dergelijke afvalstoffen toe te voegen aan bijlage II A.

  5. Wanneer in bijlage II genoemde afvalstoffen in strijd met deze verordening of met richtlijn 75/442/EEG worden overgebracht, kunnen de lidstaten passende bepalingen van de artikelen 25 en 26 van deze verordening toepassen.”

9 Artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 bepaalt:

„In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. ‚arValstoffen’: de afvalstoffen die als zodanig zijn omschreven in richtlijn 75/442/EEG, artikel 1, sub a.”

10 Artikel 11 van deze verordening bepaalt dat overbrengingen van de voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die in bijlage II van diezelfde verordening worden genoemd, vergezeld moeten gaan van bepaalde informatie.

11 Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 259/93 stelt regels vast die van toepassing zijn op de overbrengingen van de in bijlage II bij deze verordening opgesomde afvalstoffen in de landen waar het besluit van de Raad van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) van 30 maart 1992 betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing, niet geldt.

12 Bijlage II bij verordening nr. 259/93, met als opschrift „Groene lijst van afvalstoffen” (hierna: „groene lijst”), bevat de volgende inleiding:

„Of afvalstoffen nu op deze lijst zijn opgenomen of niet, zij mogen niet als afvalstoffen van de groene lijst worden vervoerd indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat a) de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen, of b) terugwinning van de afvalstoffen op milieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt.”

13 In genoemde bijlage II wordt onder het opschrift „GM. Afval van de agrovoederindustrie” melding gemaakt van categorie GM 130, die „afval van de agrovoederindustrie met uitzondering van voor consumptie door mens of dier bestemde bijproducten die voldoen aan de nationale en internationale eisen en normen” omvat.

14 Artikel 26, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 259/93 bepaalt:

„1. Als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die:

  1. geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening, of

  2. geschiedt zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.”

Verordening nr. 1774/2002

15 Overeenkomstig artikel 1 ervan zijn in verordening nr. 1774/2002 veterinairrechtelijke en volksgezondheidsvoorschriften neergelegd voor het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of verwijderen van dierlijke bijproducten, teneinde te voorkomen dat deze producten een risico voor de gezondheid van mens of dier vormen, alsook voor het in de handel brengen en, in bepaalde specifieke gevallen, het uitvoeren en het doorvoeren van dierlijke bijproducten en de in de bijlagen VII en VIII bij deze verordening genoemde daarvan afgeleide producten.

16 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1774/2002 definieert „dierlijke bijproducten” als hele kadavers of delen van dieren of producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening, die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn.

17 Artikel 4 van verordening nr. 1774/2002, met als opschrift „Categorie l-materiaal”, bepaalt:

„1. Onder categorie 1-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:

[...]

    1. gespecificeerd risicomateriaal, [...]

[...]

2. Categorie 1-materiaal wordt zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 7 verzameld, vervoerd en geïdentificeerd en, tenzij in de artikelen 23 en 24 iets anders is voorgeschreven,

  1. wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een verbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend;

  2. wordt verwerkt in een [...] verwerkingsbedrijf [...], in welk geval het daaruit resulterende materiaal [...] definitief als afval wordt verwijderd door verbranding of meeverbranding in een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend;

  3. wordt, met uitzondering van materiaal dat wordt bedoeld in lid 1, sub a, punt i en punt ii, [...] verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat [...] is erkend, in welk geval het daaruit resulterende materiaal [...] definitief als afval wordt verwijderd door begraving op een stortplaats die [...] is erkend;

[...]

  1. wordt, in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschappelijke kennis, verwijderd volgens een andere methode die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Die methode kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, de in de punten a tot en met d bedoelde methodes.”

18 Artikel 6 van verordening nr. 1774/2002, getiteld „Categorie 3-materiaal”, luidt als volgt:

„1. Onder categorie 3-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:

[...]

  1. dierlijke bijproducten verkregen bij de productie van voor menselijke consumptie bestemde producten, waaronder ontvette beenderen en kanen;

[...]

2. Categorie 3-materiaal wordt zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 7 verzameld, vervoerd en geïdentificeerd, en, tenzij in de artikelen 23 en 24 anders is voorgeschreven,

  1. wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een verbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend;

  2. wordt verwerkt in een [...] erkend verwerkingsbedrijf, [...] in welk geval het daaruit resulterende materiaal [...] als afval wordt verwijderd door verbranding of meeverbranding in een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend of wordt gestort op een stortplaats die [...] erkend is;

  3. wordt verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 17 is erkend;

  4. wordt verwerkt in een technisch bedrijf dat overeenkomstig artikel 18 is erkend;

  5. wordt als grondstof gebruikt in een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren dat overeenkomstig artikel 18 is erkend;

  6. wordt verwerkt in een biogasinstallatie of composteerinstallatie die overeenkomstig artikel 15 is erkend;

[...]

  1. wordt verwijderd volgens een andere methode, dan wel gebruikt op een andere manier, in overeenstemming met de voorschriften die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgesteld. Die methode of die manier kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, het bepaalde in de punten a tot en met h.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19 Krenski, een Duits ingenieur, die zijn activiteit onder de handelsnaam PGI Umwelttechnik uitoefent, heeft een brandstof op basis van diermeel ontwikkeld die bestemd is om via een thermisch procédé (verbranding) in een speciaal daarvoor erkende thermische centrale in Bulgarije te worden gebruikt.

20 Op 24 april 2003 is in de haven van Straubing (Duitsland) ongeveer 1 111 ton diermeel, eigendom van Krenski, op het vrachtschip MS Euroca (hierna: „vrachtschip”) geladen om via de binnenvaart van Duitsland naar Bulgarije te worden vervoerd tot bij de ontvanger van de vracht, de vennootschap New-Energy-GmbH. Na door Oostenrijk en Hongarije te zijn gevaren, is het vrachtschip aangekomen in Servië, waar de nationale douaneautoriteiten het hebben belet verder te varen op grond dat de doorvoer van diermeel in strijd is met de Servische wetgeving, die dit diermeel als afvalstof beschouwt

21 Krenski weigerde ermee in te stemmen dat de vracht als afvalstof zou worden gekwalificeerd, omdat in dat geval de invoer op Bulgaars grondgebied — de eindbestemming van de vracht - niet zou worden toegestaan. Ter opheldering van de vraag of het bij het vervoerde diermeel om afvalstoffen ging, werd de vracht teruggebracht naar de haven van Straubing. Op deze terugreis werd het vrachtschip evenwel op 1 juni 2003 in de binnenhaven Wenen/Hainburg door de Oostenrijkse douaneautoriteiten aangehouden.

22 Bij besluit van 6 juni 2003 verleende de Bundesminister für Land- und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft (bondsminister van Land- en Bosbouw, Milieu en Waterbeheer; hierna: „minister”) Krenski op basis van § 69 van het Abfallwirtschaftsgesetz 2002 (wet van 2002 inzake het afvalstoffenbeheer) en artikel 26, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 259/93 toestemming om het diermeel onder naleving van bepaalde voorwaarden en verplichtingen naar de haven van Straubing terug te brengen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het diermeel in dit besluit van 6 juni 2003 werd gekwalificeerd als „afval uit dierlijk weefsel”, voor de overbrenging waarvan krachtens de bepalingen van verordening nr. 259/93 een kennisgevingsplicht geldt.

23 Toen aan deze voorwaarden en verplichtingen was voldaan, heeft de minister op 19 september 2003 te kennen gegeven dat er geen bezwaar meer bestond tegen de terugzending van het diermeel naar de haven van Straubing, waarop het vrachtschip de binnenhaven van Wenen/Hainburg heeft verlaten, richting Duitsland.

24 Het beroep dat Krenski tegen het besluit van 6 juni 2003 heeft ingesteld voor zover het diermeel daarin als „afval uit dierlijk weefsel” is gekwalificeerd, is bij beschikking van het Verwaltungsgerichtshof van 16 oktober 2003 verworpen.

25 Na deze beschikking heeft KVZ, aan wie Krenski zijn vorderingen had overgedragen, bij de verwijzende rechter een beroep wegens overheidsaansprakelijkheid tegen de Republik Österreich ingesteld, waarbij hij een schadevergoeding van 306 984,63 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, heeft gevorderd wegens het aanhouden van het vrachtschip.

26 In die omstandigheden heeft het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

  1. Geldt voor de overbrenging (doorvoer of, nauwkeuriger gezegd, terugzending) van diermeel, ongeacht of het bijzonder-risico-materiaal bevat, als afvalstof de kennisgevingsplicht volgens verordening nr. 259/93?

Subsidiair:

  1. Is de overbrenging van diermeel, ongeacht of het bij zonder-risico-materiaal bevat, ingevolge artikel 1, lid 2, sub d, van verordening nr. 259/93 van de toepassing van deze verordening uitgesloten?

In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag:

  1. Levert de overbrenging (doorvoer of, nauwkeuriger gezegd, terugzending) van diermeel dat

    1. geen bijzonder-risico-materiaal bevat of

    2. bijzonder-risico-materiaal (ingedeeld als categorie 1-materiaal van verordening nr. 1774/2002) bevat,

op grond dat het daarbij gaat om afvalstoffen in de zin van verordening nr. 259/93 sluikhandel in de zin van artikel 26, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 259/93 op indien zij plaatsvindt zonder kennisgeving en toestemming van de betrokken autoriteiten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

27 De door de verwijzende rechter gestelde vragen, die samen moeten worden onderzocht, stellen in wezen drie essentiële punten aan de orde. Om te beginnen moet worden nagegaan of de overbrenging van het diermeel, zo dit zou moeten worden geacht onder het begrip „kadavers” te vallen, reeds van de werkingssfeer van verordening nr. 259/93 is uitgesloten ingevolge artikel 1, lid 2, sub d, ervan. Zo dat niet het geval mocht blijken te zijn, moet vervolgens de kwalificatie van dit diermeel als „afvalstof” in de zin van richtlijn 75/442, en dus van verordening nr. 259/93, worden onderzocht Ten slotte dient de eventuele verplichting tot kennisgeving van de overbrenging van dit diermeel te worden geanalyseerd.

28 Voordat elk van deze drie punten achtereenvolgens zal worden onderzocht, dienen enkele opmerkingen te worden geformuleerd.

29 De rechtsvragen die de overbrenging van diermeel opwerpt hebben betrekking op de uitlegging van de gemeenschapsregeling inzake respectievelijk afvalstoffen en de bescherming van de gezondheid van dier en mens. De vragen van de verwijzende rechter moeten tegen de achtergrond van dit tweeledige voorwerp van het hoofdgeding worden beantwoord.

30 Diermeel is een van de producten van het verwerkingsprocedé. Volgens de uitleg die de Oostenrijkse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft verstrekt, wordt dit meel gefabriceerd door het vermalen van kadavers die aan een batchprocedé worden onderworpen. De aldus verkregen materie wordt opnieuw vermalen, het vet wordt eraan onttrokken en het residu, dat rijk is aan eiwitten, wordt gedroogd, waardoor een poeder wordt verkregen dat voor een deel ook tot pellets wordt geperst.

31 Aan de gangbare praktijk om dierlijke eiwitten in diervoeder te gebruiken, is bij beschikking 2000/766/EG van de Raad van 4 december 2000 betreffende bepaalde beschermingsmaatregelen ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en het vervoederen van dierlijke eiwitten (PB L 306, blz. 32), een einde gemaakt. Zoals uit de zesde overweging van deze beschikking blijkt, werd het zinvol geacht om, als voorzorgsmaatregel, een tijdelijk verbod op het gebruik van dierlijke eiwitten in diervoeder af te kondigen. Aangezien dit verbod bij onvoldoende controle nadelige gevolgen voor het milieu zou kunnen hebben, diende te worden verzekerd dat dierlijke afvallen veilig worden ingezameld, vervoerd, verwerkt, opgeslagen en vernietigd.

32 Volgens artikel 2, lid 1, van beschikking 2000/766 dienden de lidstaten het vervoederen van verwerkte dierlijke eiwitten aan landbouwhuisdieren die werden gehouden, vetgemest of gefokt voor de productie van voedingsmiddelen, te verbieden.

33 Op 22 mei 2001 is verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147, blz. 1) vastgesteld. Artikel 7, lid 1, van deze verordening heeft het gebruik van van zoogdieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers verboden. Krachtens lid 2 van dit artikel is dit verbod uitgebreid tot dieren en producten van dierlijke oorsprong.

34 De in de vorige drie punten beschreven ontwikkelingen in de wetgeving en de beperkingen die daaruit voortvloeien voor het gebruik van dierlijke eiwitten in diervoeding, verduidelijken de context waarin verordening nr. 1774/2002 is vastgesteld. In de derde overweging van de considerans van deze verordening wordt verklaard dat het mogelijke gebruik van bepaalde dierlijke materialen moet worden beperkt en dat er regels dienen te worden vastgesteld voor ander gebruik van dierlijke bijproducten dan in diervoeders en voor de verwijdering van deze bijproducten. Met dit doel voor ogen zijn bij deze verordening veterinairrechtelijke en volksgezondheidsvoorschriften ingevoerd voor het verzamelen, vervoeren, opslaan, hanteren, verwerken en gebruiken of verwijderen van dierlijke bijproducten.

35 In de schriftelijke opmerkingen die zij bij het Hof hebben ingediend, hebben de Oostenrijkse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk betoogd dat materiaal zoals diermeel als afvalstof kan worden gekwalificeerd, gelet op de eisen die inzake dierlijke bijproducten door de bepalingen van verordening nr. 1774/2002 worden opgelegd. In haar verwijzingsbeslissing alludeert de nationale rechterlijke instantie eveneens op deze verordening. Zij gaat er evenwel van uit dat deze op de feiten in het hoofdgeding niet van toepassing is, aangezien zij pas gold na 1 mei 2003, terwijl het vervoer van het diermeel naar Bulgarije in april 2003 heeft plaatsgevonden.

36 In dit verband zij erop gewezen dat het hoofdgeding betrekking heeft op het besluit van 6 juni 2003 van de minister die, zoals uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt, het diermeel in wezen als afvalstof heeft gekwalificeerd en van oordeel was dat de terugzending ervan naar Duitsland, bij gebreke van kennisgeving ervan aan de bevoegde Oostenrijkse autoriteiten, onrechtmatig was. Blijkens de formulering van de gestelde vragen is het deze eventuele verplichting tot kennisgeving, inzonderheid van het feit dat het diermeel naar de haven van Straubing is teruggezonden, die de aandacht van de verwijzende rechter wekt. Aangezien deze terugreis volgens de verwijzingsbeslissing heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van verordening nr. 1774/2002 op 1 mei 2003, dient te worden geconcludeerd dat deze verordening op het hoofdgeding van toepassing is.

De eventuele uitsluiting van de overbrenging van het diermeel van de werkingssfeer van verordening nr. 259/93, ingeval dit onder het begrip kadavers mocht vallen

37 Volgens artikel 2, lid 1, sub b-iii, van richtlijn 75/442 vallen kadavers buiten de werkingssfeer van deze richtlijn wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen. Artikel 1, lid 2, sub d, van verordening nr. 259/93 sluit op zijn beurt de overbrenging van de afvalstoffen die in deze bepaling van richtlijn 75/442 worden genoemd, van de werkingssfeer van deze verordening uit.

38 Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de nationale rechterlijke instantie het begrip kadavers als een overkoepelend begrip beschouwt, dat niet alleen betrekking heeft op kadavers die voor verwerkingen bestemd zijn, maar ook op de producten die daaruit voortkomen, met inbegrip van diermeel.

39 De Commissie is daarentegen van mening dat dit begrip enkel betrekking heeft op hele kadavers van dieren die in de landbouwproductie worden geslacht. Diermeel is evenwel geen afvalstof die uit de landbouwproductie als zodanig voortkomt, maar uit het slachten en verwerken.

40 De Oostenrijkse regering, de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen zich op het standpunt dat diermeel niet door de uitsluiting betreffende kadavers wordt gedekt en dat de overbrenging ervan bijgevolg evenmin van de werkingssfeer van verordening nr. 259/93 is uitgesloten. Bijproducten van de verwerking van deze kadavers, die de verschijningsvorm van poeder hebben, kunnen niet onder het begrip kadavers worden begrepen.

41 Dienaangaande zij opgemerkt dat de uitsluiting van kadavers en van een aantal afvalstoffen van de werkingssfeer van richtlijn 75/442 wordt geëxpliciteerd in de zesde overweging van de considerans van deze richtlijn en voortvloeit uit de wil van de gemeenschapswetgever om materiaal dat aan een specifieke gemeenschapsregeling is onderworpen, uit te sluiten.

42 Vaststaat dat kadavers door een specifieke gemeenschapsregeling worden gedekt, namelijk verordening nr. 1774/2002. Met name vloeit uit artikel 2, lid 1, sub a, van deze verordening voort dat de definitie van dierlijke bijproducten „hele kadavers of delen van dieren” omvat. Deze vaststelling moet evenwel niet aldus worden uitgelegd dat alles wat door deze verordening wordt gedekt, automatisch aan de materiële werkingssfeer van richtlijn 75/442 is onttrokken. Dat ook bijproducten als diermeel onder verordening nr. 1774/2002 vallen, heeft derhalve niet tot gevolg dat de in deze richtlijn en in verordening nr. 259/93 neergelegde uitzondering voor kadavers, eveneens tot deze bijproducten moet worden uitgebreid.

43 De gemeenschapswetgever heeft voor deze uitsluiting een nauwkeurige formulering gekozen. Gelet op de natuurlijke, letterlijke betekenis ervan doelt het begrip kadavers op dode dieren, te weten een onverwerkte basismaterie. De omstandigheid dat deze kadavers heel of in stukken zijn, doet niet af aan het feit dat zij geen enkele verwerking hebben ondergaan die hun hoedanigheid heeft kunnen veranderen. In het hoofdgeding gaat het evenwel om diermeel, dat wil zeggen een materie van geheel andere aard dan die op basis waarvan zij is vervaardigd, aangezien deze laatste een specifieke behandeling heeft ondergaan, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is beschreven.

44 Het fundamentele verschil tussen deze twee soorten materies komt met betrekking tot de definitie van dierlijke bijproducten tot uiting in het feit dat artikel 2, lid 1, sub a, van verordening nr. 1774/2002 een duidelijk onderscheid maakt tussen „hele kadavers of delen van dieren” en „producten van dierlijke oorsprong”.

45 Bovendien pleit de context waarin het begrip kadavers wordt gebruikt in het voordeel van een enge uitlegging ervan. Naast kadavers sluit artikel 2, lid 1, sub b-iii, van richtlijn 75/442 een aantal specifiek opgesomde landbouwafvalstoffen van haar werkingssfeer uit. De vermelding in eenzelfde bepaling van deze twee begrippen, te weten kadavers en gespecificeerde landbouwafvalstoffen, wijst op een verband tussen deze begrippen wat de herkomst ervan betreft. Bij analogie kan het begrip kadavers kadavers omvatten die tot de landbouwproductie behoren en niet tot het specifieke slacht- of verwerkingsprocedé waaruit het diermeel voortkomt.

46 Een enge uitlegging van het begrip kadavers is bovendien in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, volgens welke het begrip „afvalstof ” niet restrictief moet worden uitgelegd (zie arresten van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a.,C-418/97 en C-419/97, Jurispr. blz. I-4475, punten 37-40, en 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C-9/00, Jurispr. blz. I-3533, hierna: „arrest Palin Granit”, punt 23), hetgeen een enge uitlegging van de uitzonderingen op het begrip afvalstof impliceert

47 Opgemerkt zij evenwel dat de wetgeving op dit gebied een belangrijke wijziging heeft ondergaan met de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190, blz. 1). Luidens de elfde overweging van de considerans van deze verordening dienen doublures met verordening nr. 1774/2002, die al bepalingen bevat met betrekking tot het gehele proces van verzending, doorvoer en vervoer (inzameling, vervoer, hanteren, verwerking, gebruik, nuttige toepassing of verwijdering, bewaren van gegevens, begeleidende documenten en traceerbaarheid) van dierlijke bijproducten binnen, naar en uit de Gemeenschap, te worden voorkomen.

48 Artikel 1, lid 3, sub d, van verordening nr. 1013/2006 sluit van de werkingssfeer van deze verordening uit, de overbrenging die onder de erkenningseisen van verordening nr. 1774/2002 valt. Omdat deze verordening pas vanaf 12 juli 2007 van toepassing is, kan zij in het kader van het hoofdgeding evenwel niet in aanmerking worden genomen.

49 Aangezien diermeel niet onder het begrip „kadavers” in de zin van artikel 2, lid 1, sub b-iii, van richtlijn 75/442 valt en de overbrenging ervan bijgevolg niet bij voorbaat van de werkingssfeer van verordening nr. 253/93 is uitgesloten, moet de eventuele kwalificatie van dit meel als „afvalstof” in de zin van richtlijn 75/442, en dus van verordening nr. 253/93, worden onderzocht.

De kwalificatie van diermeel als afvalstof

50 Artikel 2, sub a, van verordening nr. 253/93 verwijst voor de definitie van de term „afvalstoffen” naar artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442. Luidens de eerste alinea van deze laatste bepaling wordt als „afvalstof” beschouwd, „elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. Vaststaat dat het diermeel onder deze bijlage valt, en wel onder categorie Q 16 ervan.

51 Het toepassingsgebied van het begrip „afvalstoffen” in de zin van richtlijn 75/442 hangt af van de betekenis van de term „zich ontdoen” als bedoeld in artikel 1, sub a, eerste alinea, van deze richtlijn (zie arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C-129/96, Jurispr. blz. I-7411, punt 26).

52 De methode van behandeling of de wijze van toepassing van een stof is niet doorslaggevend voor de kwalificatie van deze stof als afvalstof. De toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof is namelijk niet van invloed op het karakter van afvalstof van deze stof, dat overeenkomstig artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442 wordt omschreven in termen van de handeling, het voornemen of de verplichting van de houder van het voorwerp of de stof om zich daarvan te ontdoen (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 64).

53 Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is aangegeven, wordt in de bij het Hof ingediende opmerkingen het standpunt gehuldigd dat materiaal zoals diermeel als afvalstof kan worden gekwalificeerd, gelet op de eisen die met betrekking tot dierlijke bijproducten door de bepalingen van verordening nr. 1774/2002 worden opgelegd. Bijgevolg moet de relevantie van deze bepalingen worden onderzocht en moet met name worden nagegaan of hieruit een verplichting kan worden afgeleid om zich van diermeel te ontdoen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de nationale rechterlijke instantie, zoals uit de formulering van de aan het Hof gestelde vragen blijkt, in het midden heeft gelaten of diermeel al dan niet gespecificeerd risicomateriaal bevat.

54 Indien dit diermeel gespecificeerd risicomateriaal mocht bevatten, dient het als „categorie l-materiaal” in de zin van artikel 4, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 1774/2002 te worden gekwalificeerd. Volgens deze bepaling omvat categorie 1-materiaal gespecificeerd risicomateriaal of materiaal dat dergelijke materiaal bevat.

55 Overeenkomstig voormeld artikel 4, lid 2, wordt categorie 1-materiaal rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een erkende verbrandingsinstallatie, dan wel verwerkt in een erkend verwerkingsbedrijf om definitief als afval te worden verwijderd door verbranding of meeverbranding of door begraving op een erkende stortplaats.

56 Gelezen tegen de achtergrond van de in de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1774/2002 geformuleerde noodzaak, het risico van verspreiding van ziekten te voorkomen dat gepaard gaat met het gebruik in diervoeder van eiwitten die afkomstig zijn van kadavers of gedeelten ervan van dieren van dezelfde soort, vloeit uit het bepaalde in artikel 4, lid 2, van deze verordening de verplichting voort om producten zoals diermeel te verwijderen wanneer zij gespecificeerd risicomateriaal bevatten.

57 Derhalve dient het diermeel, indien het dergelijk materiaal bevat, als stof waarvan de houder „zich moet ontdoen” in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442, en dus als afvalstof, te worden aangemerkt.

58 Indien het diermeel daarentegen geen gespecificeerd risicomateriaal mocht bevatten, zou het onder „categorie 3-materiaal” in de zin van artikel 6 van verordening nr. 1774/2002 kunnen vallen, als „dierlijke bijproducten verkregen bij de productie van voor menselijke consumptie bestemde producten”, bedoeld in artikel 6, lid 1, sub e, van deze verordening.

59 Overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub a en b, van verordening nr. 1774/2002 moet deze categorie van bijproducten als afval worden verwijderd door verbranding in een erkende verbrandingsinstallatie. Anders dan categorie 1-materiaal, is categorie 3-materiaal evenwel niet uitsluitend bestemd om te worden verwijderd. Voormeld lid 2, sub c tot en met f, preciseert met name dat dit materiaal kan worden verwerkt in producten met een economische waarde, dan wel als grondstof kan worden gebruikt in een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren. Aangezien de verwijdering als afvalstoffen van dergelijke bijproducten dus facultatief is, kan uit verordening nr. 1774/2002 geen absolute verplichting worden afgeleid om zich van stoffen als diermeel te ontdoen, voor zover deze geen gespecificeerd risicomateriaal bevatten.

60 Bijgevolg moet worden onderzocht of bijproducten als diermeel die geen gespecificeerd risicomateriaal bevatten, als afvalstoffen kunnen worden gekwalificeerd op grond dat de houder zich ervan ontdoet of voornemens is zich ervan te ontdoen. Zo dit niet het geval is, zouden zij, zoals KVZ stelt, niet als afvalstoffen, maar als grondstof die niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 75/442 valt kunnen worden gekwalificeerd. De voor de beoordeling van deze kwalificatie relevante datum is 6 juni 2003, de datum van het besluit van de minister waarbij het diermeel als „afvalstof” is gekwalificeerd.

61 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „afvalstof” in de zin van richtlijn 75/442 niet restrictief kan worden uitgelegd (zie reeds aangehaalde arresten ARCO Chemie Nederland e.a., punten 37-40, en Palin Granit, punt 23). Het moet evenmin aldus worden opgevat, dat stoffen en voorwerpen die voor economisch hergebruik geschikt zijn, er niet onder vallen. Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, ook al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie arrest Palin Granit, punt 29).

62 Het is mogelijk dat een goed, een materiaal of een grondstof geen residu is, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich niet wil „ontdoen” in de zin van artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442 en dat zij in voor haar gunstige omstandigheden wil exploiteren of op de markt brengen. Naast de vraag of een stof al dan niet een productieresidu is, vormt de mate van waarschijnlijkheid dat deze stof zonder voorafgaande bewerking zal worden hergebruikt, een criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een „afvalstof ” in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer het niet alleen mogelijk is om de stof te hergebruiken, maar hergebruik bovendien economisch voordelig is voor de houder, is de waarschijnlijkheid van hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen, maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).

63 Of werkelijk sprake is van een „afvalsto” in de zin van richtlijn 75/442, moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van deze richtlijn en in dier voege dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid ervan (zie in die zin arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 88).

64 Het staat aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de in de drie voorgaande punten genoemde rechtspraak te verifiëren of de houder van het diermeel op 6 juni 2003 voornemens was zich daarvan te ontdoen.

65 Indien deze rechterlijke instantie tot de conclusie mocht komen dat in het hoofdgeding de houder van het diermeel daadwerkelijk voornemens was zich daarvan te doen, ook al bevatte het geen gespecificeerd risicomateriaal, zou dit meel als afvalstof moeten worden gekwalificeerd.

De verplichting tot kennisgeving van de overbrenging van het diermeel

66 Thans moet nog worden onderzocht of voor de overbrenging van het diermeel, ingeval dit als „afvalstof ” in de zin van richtlijn 75/442 mocht worden gekwalificeerd wegens het bestaan van de verplichting of het voornemen om zich ervan te ontdoen, een kennisgevingsplicht geldt volgens de bepalingen van verordening nr. 259/93.

67 De Franse regering voert in haar schriftelijke opmerkingen aan dat het diermeel als afvalstof uit de vleeslevensmiddelenindustrie tot de groene lijst behoort. Bijgevolg was de overbrenging ervan niet aan de kennisgevingsplicht onderworpen.

68 In dit verband moet worden vastgesteld dat in deze groene lijst, onder het opschrift „GM. Afval van de agrovoederindustrie”, melding wordt gemaakt van categorie GM 130, „afval van de agrovoederindustrie met uitzondering van voor consumptie door mens of dier bestemde bijproducten die voldoen aan de nationale en internationale eisen en normen”. Zoals de advocaat-generaal in punt 114 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de omschrijving „afval van de agrovoederindustrie” ruim genoeg om ook diermeel te omvatten. Overeenkomstig artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 259/93 valt de overbrenging van afvalstoffen die alleen bestemd zijn voor nuttige toepassing en in bijlage II ervan worden genoemd, niet onder de bepalingen van deze verordening, behoudens voor zover bepaald in genoemd lid 3, sub b tot en met e, en in de artikelen 11 en 17, leden 1 tot en met 3, van diezelfde verordening. Een kennisgevingsplicht kan dus niet worden opgelegd met betrekking tot de overbrenging van diermeel voor zover dit meel bij terugzending ervan naar Duitsland nog steeds voor nuttige toepassing bestemd was en bijgevolg onder bijlage II van verordening nr. 259/93 viel.

69 Opgemerkt zij evenwel dat in de inleiding van bijlage II wordt verklaard dat afvalstoffen niet als afvalstoffen van de groene lijst mogen worden vervoerd indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen, of terugwinning van de afvalstoffen op milieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt. Derhalve moet worden nagegaan of de mogelijkheid dat het diermeel gespecificeerd risicomateriaal bevat, eraan in de weg staat dat dit meel wordt beschouwd als behorende tot de groene lijst.

70 Zoals de advocaat-generaal in punt 122 van haar conclusie opmerkt, kan uit de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 259/93 worden afgeleid dat de indeling van afvalstoffen in de groene lijst berust op de overweging dat deze afvalstoffen, indien zij in het land van bestemming naar behoren nuttig worden toegepast, normaliter geen risico voor het milieu vormen. Ook al is het, zoals de advocaat-generaal in punt 123 van haar conclusie te kennen geeft, weinig waarschijnlijk dat bij de nuttige toepassing van diermeel als brandstof besmetting van dit diermeel door gespecificeerd risicomateriaal tot een tastbare verhoging van het milieurisico leidt vergeleken met niet-besmet diermeel, het staat aan de verwijzende rechter om in voorkomend geval te bepalen of in het hoofdgeding een dergelijke besmetting tot gevolg zou hebben dat het betrokken diermeel van deze groene lijst is uitgesloten.

71 Enkel wanneer het diermeel niet onder de groene lijst valt of wanneer het niet langer alleen voor nuttige toepassing bestemd is, zou de overbrenging ervan aan de bij verordening nr. 259/93 opgelegde kennisgevingsplicht zijn onderworpen.

72 Hieraan moet worden toegevoegd dat als afvalstof gekwalificeerd diermeel dat alleen voor nuttige toepassing bestemd is en op de groene lijst wordt genoemd, overeenkomstig artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 259/93 hoe dan ook aan de bepalingen van dit lid 3, sub b tot en met e, en van de artikelen 11 en 17, leden 1 tot en met 3, van deze verordening moet voldoen.

73 Ten slotte dient erop te worden gewezen dat de toepassing van verordening nr. 259/93 niet betekent dat de bepalingen van verordening nr. 1774/2002 volkomen irrelevant zouden zijn. Naast milieurisico's brengt diermeel ook het gevaar voor verspreiding van ziekten mee. Teneinde elke dreiging van verspreiding van ziekteverwekkers te voorkomen, voeren de bepalingen van verordening nr. 1774/2002 een reeks eisen in om te waarborgen dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen stelt, dierlijke bijproducten niet voor ongeoorloofde doeleneinden worden gebruikt of overgebracht. Om het nuttige effect van deze verordeningen te verzekeren, moeten deze rechtshandelingen dus naast elkaar worden toegepast, zodat hun respectieve bepalingen elkaar aanvullen.

74 Een dergelijke parallelle toepassing van deze verordeningen vloeit immers noodzakelijkerwijs voort uit de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 1774/2002, waarin onder meer wordt gepreciseerd dat deze verordening de toepassing van de bestaande milieuwetgeving onverlet laat.

75 Bovendien wordt, zoals de Oostenrijkse regering in de door haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen heeft verklaard, in bijlage VII bij verordening nr. 1774/2002, met als opschrift „Specifieke hygiëne-eisen voor het verwerken en het in de handel brengen van verwerkte dierlijke eiwitten en andere verwerkte producten die als voedermiddel gebruikt kunnen worden”, in hoofdstuk II ervan, betreffende de „[sjpecifieke eisen voor verwerkte dierlijke eiwitten”, gesproken van de verwijdering als afvalstoffen van verwerkte dierlijke eiwitten van zoogdieren „overeenkomstig de [toepasselijke] communautaire wetgeving”, waartoe ontegenzeglijk verordening nr. 259/93 (hoofdstuk II, A, punt 1, van genoemde bijlage) behoort.

76 Bijgevolg is in het kader van de parallelle toepassing van de verordeningen nrs. 259/93 en 1774/2002 overeenkomstig artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 259/93 weliswaar geen kennisgeving van de overbrenging van afvalstoffen zoals diermeel krachtens deze verordening vereist, voor zover dit diermeel alleen voor nuttige toepassing bestemd is en onder de groene lijst valt, maar de verwijzende rechter dient erop toe te zien dat de bepalingen van verordening nr. 1774/2002 worden nageleefd. In dit verband kunnen artikel 7 van laatstgenoemde verordening, betreffende het verzamelen, het vervoer en de opslag van dierlijke bijproducten, artikel 8 ervan, betreffende de verzending van dierlijke bijproducten en verwerkte producten naar andere lidstaten, alsook artikel 9 van deze verordening, dat de administratie van de zendingen van dierlijke bijproducten regelt, relevant zijn. Tevens dient rekening te worden gehouden met de voor het verzamelen en het vervoer van dierlijke bijproducten en verwerkte producten geldende hygiëne-eisen die in bijlage II bij verordening nr. 1774/2002 zijn vastgesteld.

77 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat overeenkomstig artikel 1, lid 3, sub a, van verordening nr. 259/93 de overbrenging van diermeel dat wegens de verplichting of het voornemen om zich ervan te ontdoen wordt gekwalificeerd als afvalstof, die alleen voor nuttige toepassing bestemd is en in bijlage II bij deze verordening wordt genoemd, van de werkingssfeer van de bepalingen van deze verordening is uitgesloten, behoudens voor zover bepaald in genoemd lid 3, sub b tot en met e, en in de artikelen 11 en 17, leden 1 tot en met 3, van diezelfde verordening. De verwijzende rechter dient er evenwel op toe te zien dat deze overbrenging wordt verricht in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit de voorschriften van verordening nr. 1774/2002, waarbij de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 van deze laatste verordening alsook bijlage II daarbij relevant kunnen zijn.

Kosten

78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Overeenkomstig artikel 1, lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr.259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2557/2001 van de Commissie van 28 december 2001, is de overbrenging van diermeel dat wegens de verplichting of het voornemen om zich ervan te ontdoen wordt gekwalificeerd als afvalstof, die alleen voor nuttige toepassing bestemd is en in bijlage II bij deze verordening wordt genoemd, van de werkingssfeer van de bepalingen van deze verordening uitgesloten, behoudens voor zover bepaald in genoemd lid 3, sub b tot en met e, en in de artikelen 11 en 17, leden 1 tot en met 3, van diezelfde verordening. De verwijzende rechter dient er evenwel op toe te zien dat deze overbrenging wordt verricht in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit de voorschriften van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 808/2003 van de Commissie van 12 mei 2003, waarbij de bepalingen van de artikelen 7, 8 en 9 van deze verordening alsook bijlage II daarbij relevant kunnen zijn.

ondertekeningen