Home

Arrest van het Gerecht (Zesde kamer - uitgebreid) van 16 juni 2011.

Arrest van het Gerecht (Zesde kamer - uitgebreid) van 16 juni 2011.

Gegevens

Instantie
Gerechtshof EU
Datum uitspraak
16 juni 2011

Uitspraak

Arrest van het Gerecht (Zesde kamer — uitgebreid)

16 juni 2011(*)

In zaak T-196/06,

Edison SpA, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door M. Siragusa, R. Casati, M. Beretta, P. Merlino en E. Bruti Liberati, advocaten,

verzoekster, tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Di Bucci en F. Amato, vervolgens door Di Bucci en V. Bottka als gemachtigden,

verweerster,

HET GERECHT (Zesde kamer — uitgebreid),

samengesteld als volgt: V. Vadapalas (rapporteur), waarnemend voor de president, M. Prek, A. Dittrich, L. Truchot, en K. O’Higgins, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 september 2010,

het navolgende

Arrest

Feiten

1 Verzoekster, Edison SpA (voorheen Montedison SpA), is een vennootschap naar Italiaans recht die tot 20 december 2000 via Montecatini SpA het volledige kapitaal van Ausimont SpA in handen had, die waterstofperoxide (hierna: „HP”) en natriumperboraat (hierna: „PBS”) produceert.

2 Tussen december 2000 en mei 2002 had verzoekster een meerderheidszeggenschap over Ausimont. Ausimont is in mei 2002 verkocht aan de groep Solvay SA en werd vanaf 1 januari 2003 Solvay Solexis SpA.

3 Degussa AG stelde in november 2002 de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van het bestaan van een kartel op de HP- en PBS-markt en verzocht om immuniteit voor geldboeten krachtens de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).

4 Degussa overhandigde de Commissie materiële bewijzen op basis waarvan zij op 25 en 26 maart 2003 in de bedrijfsruimten van bepaalde ondernemingen inspecties verrichtte.

5 De Commissie zond verzoekster en de overige betrokken ondernemingen op 26 januari 2005 een mededeling van punten van bezwaar

6 Na de betrokken ondernemingen te hebben gehoord, gaf de Commissie beschikking C(2006) 1766 definitief van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ten aanzien van Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals Holding AB, EKA Chemicals AB, Degussa, verzoekster, FMC Corp., FMC Foret SA, Kemira Oyj, L’Air liquide SA, Chemoxal SA, SNIA SpA, Caffaro Srl, Solvay, Solvay Solexis, Total SA, Elf Aquitaine SA en Arkema SA (zaak COMP/F/C.38.620 — Waterstofperoxide en perboraat; hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 december 2006 (PB L 353, blz. 54) is gepubliceerd. Zij werd verzoekster bij brief van 8 mei 2006 betekend.

Bestreden beschikking

7 De Commissie wees er in de bestreden beschikking op dat de ondernemingen waaraan deze is gericht, hadden deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en op artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) met betrekking tot HP en het daarvan afgeleide product PBS (punt 2 van de bestreden beschikking).

8 De vastgestelde inbreuk bestond voornamelijk in de uitwisseling van belangrijke, vertrouwelijke markt- en/of bedrijfsinformatie, de beperking en/of controle van de productie evenals van de potentiële en feitelijke productiecapaciteit, de verdeling van marktaandelen en klanten en de vaststelling en controle van prijzen door de concurrerende ondernemingen.

9 Verzoekster werd „hoofdelijk en gezamenlijk” met Solvay Solexis voor de inbreuk aansprakelijk gesteld (punt 423 van de bestreden beschikking).

10 De Commissie berekende het bedrag van de geldboete volgens de methode die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3).

11 De Commissie bepaalde het basisbedrag van de geldboete op basis van de zwaarte en de duur van de inbreuk (punt 452 van de bestreden beschikking), die als zeer zwaar werd gekwalificeerd (punt 457 van de bestreden beschikking).

12 Verzoekster en Solvay Solexis zijn op basis van een gedifferentieerde behandeling in de derde en voorlaatste categorie gerangschikt, hetgeen overeenkomt met een basisbedrag van 20 miljoen EUR (punten 460-462 van de bestreden beschikking).

13 Om een voldoende afschrikkende werking te garanderen is dit basisbedrag met een factor 1,5 vermenigvuldigd gelet op verzoeksters grote omzet. Aangezien Solvay Solexis aan een andere onderneming is overgedragen, is deze factor niet toegepast op haar geldboete (punt 463 van de bestreden beschikking).

14 Aangezien verzoekster volgens de Commissie van 12 mei 1995 tot en met 31 december 2000, namelijk gedurende vijf jaar en zeven maanden, aan de inbreuk deel heeft genomen, is haar geldboete verhoogd met 55 % uit hoofde van de duur (punt 467 van de bestreden beschikking).

15 De Commissie verhoogde verzoeksters geldboete met 50 % op basis van verzwarende omstandigheden gelet op recidive wegens bij beschikking 94/599/EG van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel [81 EG] (IV/31.865, PVC) (PB L 239, blz. 14) eerder vastgestelde inbreuk (punten 469 en 496 van de bestreden beschikking).

16 De Commissie verminderde krachtens artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), de solidair aan Solvay Solexis opgelegde geldboete ten belope van 10 % van haar totaalomzet in 2005 (punt 498 van de bestreden beschikking).

17 Volgens artikel 1, sub e en n, van de bestreden beschikking hebben verzoekster en Solvay Solexis inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door van 12 mei 1995 tot en met 31 december 2000 deel te nemen aan de inbreuk.

18 De Commissie legde verzoekster in artikel 2, sub c, van de bestreden beschikking een geldboete van 58,125 miljoen EUR op, waarvoor Solvay Solexis ten belope van 25,619 miljoen EUR „hoofdelijk en gezamenlijk” aansprakelijk is.

Procesverloop en conclusies van partijen

19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 juli 2006, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

20 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer. Bijgevolg is de onderhavige zaak, partijen gehoord, aan de Zesde kamer (uitgebreid) toegewezen.

21 Aangezien twee rechters van de kamer (uitgebreid) verhinderd waren zitting te nemen, heeft de president van het Gerecht krachtens artikel 32, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht twee rechters ter aanvulling van de kamer aangewezen.

22 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 2 september 2010 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

23 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

  • de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking heeft;

  • subsidiair, het bedrag van de haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of te verlagen;

  • de Commissie te verwijzen in de kosten.

24 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

  • het beroep te verwerpen;

  • verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Opmerkingen vooraf

25 Daar verzoekster ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring in wezen opkomt tegen haar aansprakelijkstelling voor het inbreukmakend gedrag van haar dochter, dient om te beginnen de relevante rechtspraak in herinnering te worden gebracht.

26 Het is vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest Hof van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-97/08 P, Jurispr. blz. I-8237, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27 De moedermaatschappij en haar dochteronderneming maken in een dergelijke situatie namelijk deel uit van één economische eenheid en vormen dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 26 hierboven, punt 59).

28 In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij het volledige kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gemaakt, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochter en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochter (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 26 hierboven, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij om aan te nemen dat de moedermaatschappij beslissende invloed heeft op het commerciële beleid van de dochter. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens aansprakelijk stellen voor de betrokken inbreuk, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 26 hierboven, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Bij de beoordeling of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, dient rekening te worden gehouden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 26 hierboven, punt 74; zie ook in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T-112/05, Jurispr. blz. II-5049, punt 65).

31 In casu heeft de Commissie in de punten 370 tot en met 379 van de bestreden beschikking eraan herinnerd dat een moedermaatschappij aansprakelijk voor het illegale gedrag van een dochter kan worden gesteld voor zover de dochter haar marktgedrag niet autonoom bepaalt. Zij preciseerde te mogen aannemen dat een dochter waarover volledige zeggenschap bestaat, hoofdzakelijk de instructies volgt van haar moedermaatschappij, die evenwel het vermoeden door tegenbewijs kan weerleggen.

32 Wat de toerekening van het inbreukmakend gedrag van Ausimont aan verzoekster betreft, heeft de Commissie in punt 416 van de bestreden beschikking er eerst op gewezen dat zij ten tijde van de inbreuk „rechtstreeks zeggenschap” over haar dochter had.

33 In punt 417 van de bestreden beschikking heeft zij verwezen naar de door verzoekster tegen deze toerekening aangevoerde argumenten.

34 In punt 418 van de bestreden beschikking heeft de Commissie erop gewezen dat volledige zeggenschap over de dochter, anders dan verzoekster stelde, bij gebreke van argumenten tegen het eruit voortvloeiende vermoeden volstond voor aansprakelijkstelling van een moedermaatschappij.

35 Wat vervolgens verzoeksters argumenten ter ondersteuning van de autonomie van Ausimont betreft, heeft de Commissie in de punten 419 tot en met 421 van de bestreden beschikking opgemerkt dat „uit andere gegevens het tegendeel [bleek]” onder verwijzing enerzijds naar de omstandigheden van de deelneming van verzoeksters bestuurders aan de bijeenkomst van maart 1994 met de vertegenwoordigers van Degussa en anderzijds naar het feit dat een lid van de raad van bestuur van Ausimont en van Montecatini dezelfde persoon was, alsook naar de omstandigheden van de herstructurering van de groep in december 2000. De Commissie achtte in punt 422 van de bestreden beschikking de door verzoekster aangevoerde „andere gegevens”, met name dat zij geen kennis had van het kartel, onvoldoende tot weerlegging van het vermoeden.

36 Ten slotte heeft de Commissie verzoekster aansprakelijk gesteld, daar zij „was betrokken [...] bij de commerciële verrichtingen van Ausimont” en het kapitaal van laatstgenoemde voor 100 % in handen had (punt 423 van de bestreden beschikking).

37 Verzoekster betwist deze beoordeling in wezen op grond van drie middelen: ten eerste, schending van haar rechten van verdediging; ten tweede, niet-nakoming van de motiveringsplicht, en ten derde, schending van artikel 81 EG.

38 Volgens het Gerecht dient het tweede middel eerst te worden onderzocht.

Niet-nakoming van de motiveringsplicht

Argumenten van partijen

39 Enerzijds is volgens verzoeksters tweede middel de vaststelling dat zij 100 % van het kapitaal van Ausimont bezit, geen afdoende motivering die kan verklaren waarom zij voor de betrokken inbreuk aansprakelijk wordt gehouden en is de bestreden beschikking tegenstrijdig en ontoereikend gemotiveerd inzake twee andere, in de punten 419 tot en met 421 van deze beschikking in aanmerking genomen gegevens.

40 In het bijzonder verstrekte verzoekster in haar antwoord van 13 april 2006 de Commissie een aantal gegevens over de in punt 420 van de bestreden beschikking bedoelde vergadering van 16 maart 1994, die bewijzen dat de omstandigheden van de betrokken vergadering haar aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk niet konden wettigen, maar daarentegen de autonomie van haar dochter bevestigden.

41 Anderzijds stelt verzoekster in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar het bewijs van de autonomie van Ausimont te hebben geleverd. De Commissie wees dit zonder nadere motivering af als onvoldoende. Op dit punt mist de bestreden beschikking alle motivering. De Commissie onderzocht namelijk zelfs niet één van de tot bewijs van de autonomie van Ausimont door verzoekster gestelde feitelijke en juridische elementen.

42 Gelet op dit bewijs kon de Commissie geen geldige conclusies trekken op basis van een „louter formeel gegeven”, het indirecte bezit van het volledige kapitaal van Ausimont, en van slechts twee feitelijke omstandigheden, namelijk de bijeenkomst van 16 maart 1994 en het feit dat een van de leden van de raad van bestuur van Ausimont en Montecatini dezelfde persoon was. De door de Commissie voor het eerst in de loop van het geding aangevoerde argumenten kunnen op dit punt niet in aanmerking worden genomen.

43 De Commissie had de door verzoekster aangevoerde gegevens zeer zorgvuldig moeten onderzoeken, aangezien zij verzoekster op basis van een vermoeden aansprakelijk stelde. Doordat deze gegevens zonder enige motivering van de hand zijn gewezen, is het betrokken weerlegbaar vermoeden een onweerlegbaar vermoeden geworden, waardoor verzoekster objectief aansprakelijk wordt.

44 De Commissie antwoordt dat verzoeksters volledige zeggenschap over Ausimont een vermoeden doet ontstaan dat zij het gedrag van deze dochter beslissend beïnvloedt. De in de punten 420 en 421 van de bestreden beschikking aangehaalde gegevens vormden een extra aanwijzing van een dergelijke invloed, die reeds uit het betrokken vermoeden voortvloeide.

45 Inzake het eerste gegeven volgt uit de inlichtingen van Degussa en verzoekster dat zij gezamenlijk de bijeenkomst van 16 maart 1994 hebben georganiseerd, waarop de president van Ausimont „onverwacht” is uitgenodigd. Hoofddoel was de bespreking van de mogelijke aankoop door Degussa van de activiteiten van Ausimont in de betrokken sector en het project van Ausimont om een nieuwe fabriek te Bitterfeld (Duitsland) te bouwen. Dat verzoekster deze bijeenkomst organiseerde, wijst op haar invloed op de activiteiten van Ausimont.

46 Anders dan verzoekster stelt, werden blijkens de nota van Degussa ook de HP- en de PBS-sector in het algemeen besproken. Dit wordt bevestigd door de president van Ausimont. De betrokken bijeenkomst vond weliswaar ongeveer een jaar vóór het begin van de inbreuk plaats, maar er is geen reden om ze niet als tekenend voor de verhoudingen tussen verzoekster en Ausimont in de inbreukperiode te beschouwen, daar de structuur van de groep inmiddels ongewijzigd is gebleven.

47 Inzake het tweede gegeven wijst het feit dat de president van Ausimont lid van de raad van bestuur van Montecatini was, op verzoeksters wil de stabiliteit van de zeggenschapsverhouding tussen haar en Ausimont te garanderen.

48 Verzoeksters argument dat er geen persoonlijke band tussen haarzelf en Ausimont is, wordt overigens tegengesproken door het uit het antwoord van Solvay Solexis op een inlichtingenverzoek voortvloeiende feit dat de president en een lid van verzoeksters raad van bestuur gedurende een deel van de inbreukperiode lid zijn geweest van de raad van bestuur van Ausimont. Hoewel de bestreden beschikking dit gegeven niet vermeldt, meent de Commissie zich daarop te mogen beroepen in antwoord op verzoeksters argument.

49 Inzake de motivering van de afwijzing van het tegenbewijs wijst de Commissie erop dat zij in het kader van haar motiveringsplicht niet hoeft in te gaan op alle in de administratieve procedure behandelde feitelijke en juridische punten. Zij stelt dat verzoekster in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar geen elementen heeft aangevoerd waaruit de autonomie van Ausimont blijkt.

50 De Commissie acht haar beschikking rechtens voldoende te hebben gemotiveerd en met name afdoende te hebben uitgelegd waarom zij verzoeksters argumenten heeft afgewezen. Zij beantwoordde in het bijzonder in de punten 419 tot en met 421 van de bestreden beschikking verzoeksters argumenten dat Ausimont autonoom was en wees op aanwijzingen van het tegendeel, namelijk de vergadering van 16 maart 1994 en de functie van de president van Ausimont in de raad van bestuur van Montecatini.

51 Het door verzoekster gestelde was hoe dan ook onvoldoende. Dat de activiteit van een dochter niet de hoofdactiviteit van de groep vormt, is irrelevant. Dat verzoekster de groep mede heeft gesaneerd, leidde logischerwijs tot haar betrokkenheid bij de belangrijkste strategische keuzes juist om te voorkomen dat de sanering van de groep in het gedrang komt. Dat de moedermaatschappij zich niet direct of indirect met het dagelijks beheer van de activiteiten van de dochter bemoeit, bewijst niet de autonomie van deze laatste. Zodra de moedermaatschappij kan wegen op de fundamentele strategische keuzes van haar dochter, is er sprake van een beslissende invloed.

52 De door verzoekster beschreven zeggenschap van de groep via drie comités die elk kwartaal met de directie van de dochters bijeenkwamen, kan niet worden gelijkgesteld met de activiteit van aandelenbeheer door een zuiver financiële holding. Verzoekster werd bovendien volgens de verklaring van de president van Ausimont op de hoogte gehouden van de „plannen en begroting van de groep Ausimont”, de „algemene doelstellingen” en de „algemene beginselen inzake menselijke hulpbronnen” en hield zich bezig met de „dekking van financiële behoeften” van Ausimont voor de verwezenlijking van haar belangrijkste strategische projecten.

53 Dat de raad van bestuur van Ausimont krachtens haar statuten een ruime discretionaire bevoegdheid inzake commerciële activiteiten had, bewijst niet haar autonomie, met name wat de fundamentele strategische keuzes betreft. Verzoekster bemoeide zich namelijk met strategische beslissingen inzake de projecten van Ausimont voor een nieuwe fabriek te Bitterfeld of een joint venture in de Verenigde Staten.

54 Dat er beweerdelijk geen aanwijzingen van bemoeienis in de overigens niet overgelegde notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur van verzoekster of Ausimont waren, is onvoldoende, daar die invloed niet noodzakelijkerwijze uit dergelijke notulen dient te blijken.

55 Ook gesteld dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd op het punt van de afwijzing van verzoeksters argumenten in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, de Commissie acht nietigverklaring ervan niet aangewezen, aangezien bij nietigverklaring enkel een ten gronde identieke nieuwe beschikking zal worden gegeven (arrest Gerecht van 13 december 2006, FNCBV e.a./Commissie, T-217/03 en T-245/03, Jurispr. blz. II-4987, punt 363).

Beoordeling door het Gerecht

56 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden in staat worden gesteld om de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel te kennen, en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 De Commissie is niet verplicht een standpunt te bepalen ten aanzien van alle door de belanghebbenden voorgedragen argumenten, maar kan volstaan met een uiteenzetting van de feiten en rechtsoverwegingen die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn. In het bijzonder hoeft zij geen standpunt te bepalen over gegevens die kennelijk niet ter zake doen of die zonder betekenis dan wel duidelijk bijkomstig zijn (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T-349/03, Jurispr. blz. II-2197, punt 64; zie ook in die zin arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, punt 56 supra, punt 64).

58 Wanneer, zoals in casu, een beschikking in een procedure op grond van artikel 81 EG meer dan één adressaat heeft en de vraag rijst aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, moet zij een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn. Zo moet een dergelijke beschikking bij aansprakelijkstelling van een moedermaatschappij voor het inbreukmakend gedrag van haar dochter omstandig de redenen ter rechtvaardiging van de toerekenbaarheid van de inbreuk aan deze onderneming uiteenzetten (zie in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, SCA Holding/Commissie, T-327/94, Jurispr. blz. II-1373, punten 78-80).

59 Blijkens de punten 416 tot en met 423 van de bestreden beschikking berust de toerekening van het inbreukmakende gedrag aan verzoekster op de vaststelling van haar daadwerkelijke beslissende invloed op Ausimont als gevolg van een vermoeden van haar volledige zeggenschap over deze dochter via een tussenvennootschap, zonder dat dit vermoeden volgens de Commissie door verzoekster is weerlegd.

60 Volgens verzoekster zette de Commissie in de bestreden beschikking onvoldoende de redenen voor haar aansprakelijkstelling uiteen, in het bijzonder doordat zij niet heeft uitgelegd waarom het tot weerlegging van dit vermoeden gestelde is afgewezen.

61 Uit het dossier volgt dat verzoekster in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar specifieke argumenten aanvoerde om de autonomie van Ausimont aan te tonen.

62 Zij stelde allereerst ten tijde van de inbreuk slechts de rol van een niet-operationele holding van een uiterst gediversifieerde groep te hebben gespeeld en preciseerde pas in 2002 haar activiteit van elektriciteitsproducent en -leverancier te hebben hernomen. Dienaangaande legde zij een samenvatting van haar btw-aangiftes (belasting over de toegevoegde waarde) over betreffende de activiteit van haar eigen vennootschap alsook van die van de vennootschap via welke zij in de gehele inbreukperiode lang zeggenschap had over Ausimont, Montecatini.

63 Zij wees erop dat de holdingactiviteit geen betrokkenheid bij het beheer van de dochters inhield, daar de zeggenschap daarover was beperkt tot verificatie van de financiële resultaten via interne en externe controles. Zij baseerde zich dienaangaande op de in de inbreukperiode door haar administratie opgestelde documenten betreffende de organisatie van de interne controle.

64 Zij wees vervolgens op de bijzondere omstandigheden van de financiële crisis van de groep en op de vervanging in 1993 van de volledige directie van de groep door een nieuwe directie die de terugtrekking uit de niet-strategische activiteiten van de groep vanaf 1993 tot 2001 plande om het gebrek aan financieel evenwicht te verminderen en een faillissement te voorkomen. Zij wees erop dat dit plan een totale autonomie van het beheer van de vennootschappen van de groep en met name van Ausimont inhield, die actief was geweest op het niet als essentieel beschouwde gebied waaruit de terugtrekking bezig was.

65 Verzoekster baseert deze argumenten op een uiteenzetting over de werking van haar groep; hij is in 1995 samengesteld uit 932 in verschillende sectoren van de economie actieve ondernemingen en kende een in 2002 voltooide belangrijke reorganisatie met het doel zich toe te spitsen op activiteiten in de energiesector.

66 Zij voerde bovendien een aantal bewijselementen aan, namelijk de brief van een van haar bestuurders aan derden van 1995, die er met name op wees dat „volgens het thans geconsolideerde beleid het volledige operationele beheer [werd] gedelegeerd aan vennootschappen [van de groep]”, de verklaring van de oud-president van Ausimont, waaruit de autonomie ervan voor het commerciële beleid bleek, een kopie van de statuten van Ausimont, die de raad van bestuur ervan „de ruimste bevoegdheden voor het gewone en buitengewone beheer van de vennootschap” en de „bevoegdheid alle handelingen te verrichten die hij geschikt acht[te] voor de verwezenlijking van het maatschappelijk doel ervan”, verleenden, alsook de notulen van de raad van bestuur van Ausimont van 27 mei 1996, die de president ervan „volledig bevoegd verklaren voor het gewone en buitengewone beheer van de vennootschap”.

67 Verzoekster wees er ook op dat Ausimont over alle voor een autonoom beheer nodige structuren en diensten beschikte, de notulen van de vergaderingen van de raad van bestuur ervan nergens wezen op besprekingen inzake het commerciële beleid van de dochters en die van de raad van bestuur van Ausimont nergens verwezen naar eventuele ontvangen instructies over het commerciële beleid, waarbij verzoekster heeft aangeboden op verzoek van de Commissie deze documenten over te leggen.

68 Verzoekster verwijst ten slotte naar de verklaringen van Solvay Solexis, die zijn overgenomen in haar antwoord aan de Commissie op een inlichtingenverzoek, dat deel uitmaakt van het administratief dossier, waaruit blijkt dat de raad van bestuur van Ausimont ten tijde van de inbreuk beschikte over een ruime discretionaire bevoegdheid voor de commerciële activiteiten.

69 In punt 417 van de bestreden beschikking heeft de Commissie verzoeksters argumenten weergegeven.

70 Volgens het verdere punt 419 van de bestreden beschikking werden „[verzoeksters] argumenten over de autonomie van haar [dochter]” weersproken door het in de punten 420 en 421 van de bestreden beschikking uiteengezette. De Commissie kwam in punt 422 van de bestreden beschikking ten slotte tot de conclusie dat verzoeksters „andere gegevens” niet volstonden om het betrokken vermoeden te weerleggen.

71 Met deze redenering wordt niet op verzoeksters argumenten ingegaan, maar alleen verwezen naar de in de punten 420 en 421 van de bestreden beschikking uiteengezette extra aanwijzingen. In deze motivering van de bestreden beschikking wordt dus niet uitgelegd waarom het door verzoekster gestelde volgens de Commissie onvoldoende was om het betrokken vermoeden te weerleggen.

72 Voorts is de Commissie weliswaar niet ertoe gehouden een standpunt te bepalen ten aanzien van alle argumenten van de belanghebbende, met name wanneer een argument kennelijk niet ter zake doet, zonder betekenis dan wel duidelijk bijkomstig is (zie punt 57 hierboven), maar het door verzoekster gestelde kan, anders dan de Commissie stelt, in casu niet worden geacht betekenis te missen voor de beoordeling van de autonomie van Ausimont.

73 Verzoekster wees namelijk niet alleen op het feit dat zij een holding vormde die haar dochter als een gewone financiële investering via een tussenholding beheerde, maar ook op een geheel van bijzondere omstandigheden die ten tijde van de betrokken inbreuk de betrekkingen tussen de betrokken ondernemingen kenmerkten.

74 Zij stelde in het bijzonder uitvoerig dat in het kader van de reorganisatiemaatregelen van de nieuwe directie van de holding die na haar financiële crisis in 1993 aan het hoofd van de groep was gekomen, ervoor was gekozen de ondernemingen van de groep hun gedrag autonoom te laten bepalen gelet enerzijds op de doelstellingen van de holding in het kader van de crisis en anderzijds de grote diversiteit van de activiteiten van de groep.

75 Verzoekster poneerde overigens geen stellingen zonder meer, maar verstrekte gedetailleerde informatie over de werking van de holding samen met verklaringen van de bestuurders van de betrokken ondernemingen, correspondentie met derden en een aantal interne documenten van de betrokken ondernemingen uit de inbreukperiode.

76 In deze omstandigheden was de Commissie ertoe gehouden een standpunt te bepalen over verzoeksters tegenargumenten door te onderzoeken of verzoekster, gelet op alle relevante gegevens over de economische, organisatorische en juridische banden tussen de betrokken ondernemingen, had aangetoond dat haar dochter zich autonoom op de markt gedroeg.

77 De plicht van de Commissie tot motivering van haar beschikking op dit punt blijkt duidelijk uit de weerlegbaarheid van het betrokken vermoeden, dat verzoekster moest weerleggen door een bewijs inzake alle economische, organisatorische en juridische banden tussen haarzelf, de tussenvennootschap en haar dochter.

78 Voorts kan deze ontoereikende motivering niet worden verholpen door de verwijzing naar de in de punten 420 en 421 van de bestreden beschikking uiteengezette aanwijzingen.

79 Inzake enerzijds de omstandigheden van de deelneming van verzoeksters vertegenwoordigers aan de bijeenkomst van 16 maart 1994, waarop met name de voortzetting van een investeringsproject door Ausimont en een eventuele stopzetting van haar activiteiten zijn besproken (punt 420 van de bestreden beschikking), kan niet worden uitgesloten dat de bemoeienis van de moedermaatschappij in de strategische keuzes van haar dochter wijst op een beslissende invloed.

80 Door de betrokken vergadering als bewijs van de invloed op Ausimont aan te halen bepaalde de Commissie evenwel geen standpunt over verzoeksters tegenargumenten in haar antwoord van 13 april 2006 op het inlichtingenverzoek, dat haar was gezonden op 4 april 2006, namelijk minder dan een maand vóór de vaststelling van de bestreden beschikking.

81 In dat antwoord gaf verzoekster, onder verwijzing naar de nota van Degussa over de betrokken vergadering, de verklaring van een van haar oud-bestuurders en die van een oud-president van Ausimont, met name aan dat haar vertegenwoordigers op de betrokken vergadering na een ernstige verstoring van haar financieel evenwicht net in functie waren, deze vergadering als een beleefdheidsbezoek hadden beschouwd en niet met kennis van zaken konden spreken. Haar onderneming stond ten tijde van de feiten onder „controle” van crediteurbanken die haar belangrijkste aandeelhouders waren geworden en machtiging voor elke investering boven een bepaalde drempel moesten geven, hetgeen hoe dan ook rechtvaardigde dat de bestuurders van de holding besprekingen over het betrokken investeringsproject en a fortiori over de eventuele stopzetting van de activiteiten van Ausimont bijwoonden. Ten slotte merkte zij op dat de betrokken vergadering meer dan een jaar vóór het begin van de inbreuk plaatsvond en dus niet kon dienen als directe aanwijzing van een in de inbreukperiode uitgeoefende invloed.

82 De Commissie beantwoordde deze argumenten niet en stelde alleen vast dat verzoekster weliswaar had „bevestigd dat het belang in Ausimont slechts zuiver financieel was, maar alleen een verklaring [van de oud-president van Ausimont had] overgelegd, die niets nieuws toevoegt tot wijziging van [haar] overtuiging” (punt 420 en voetnoot nr. 391 van de bestreden beschikking).

83 Anderzijds kan het in punt 421 van de bestreden beschikking gestelde dat een lid van de raad van bestuur van Ausimont en van Montecatini dezelfde persoon was, niet aan verzoekster worden tegengeworpen, aangezien dit gegeven, zoals de Commissie in het verweerschrift toegeeft, niet is uiteengezet in de mededeling van punten van bezwaar en verzoekster er in de administratieve procedure geen standpunt over kon bepalen (zie in die zin arrest Gerecht van 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T-191/98, T-212/98–T-214/98, Jurispr. blz. II-3275, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg kon de Commissie de bestreden beschikking niet op die basis motiveren.

84 Ook al verwees de Commissie in punt 421 van de bestreden beschikking ook naar een aantal omstandigheden van de herstructurering van de groep in december 2000, deze feiten betreffen voorts in wezen de overdracht van Ausimont aan de groep Solvay na het einde van de inbreuk. De Commissie preciseerde niet waarom de omstandigheden van deze overdracht wijzen op enige invloed van verzoekster op het gedrag van Ausimont ten tijde van de inbreuk.

85 De verwijzing van de Commissie naar het in de punten 420 en 421 van de bestreden beschikking gestelde doet derhalve niet af aan de relevantie van verzoeksters argumenten inzake de autonomie van Ausimont en kan dus geen voldoende reden zijn voor afwijzing van deze argumenten.

86 Inzake het argument van de Commissie dat er andere aanwijzingen van verzoeksters invloed op Ausimont zijn, namelijk het feit dat de president en een lid van de raad van bestuur van verzoekster lid zijn geweest van de raad van bestuur van Ausimont gedurende een deel van de inbreukperiode en verzoeksters betrokkenheid bij een project van Ausimont over een joint venture in de Verenigde Staten, dient te worden opgemerkt dat dit niet in de bestreden beschikking is uiteengezet en de ontoereikende motivering van deze beschikking dus niet kan verhelpen.

87 Gelet op het voorgaande bepaalde de Commissie geen omstandig standpunt over verzoeksters bewijs tot weerlegging van het uit haar participatie in het kapitaal van Ausimont voortvloeiende vermoeden en dus is haar conclusie over de toerekening van de betrokken inbreuk aan verzoekster rechtens ontoereikend gemotiveerd.

88 Aangezien de Commissie in het verweerschrift verzoeksters tegenbewijs hoe dan ook onvoldoende achtte om de autonomie van Ausimont aan te tonen, dient te worden vastgesteld dat in de motivering van de bestreden beschikking nergens wordt aangegeven op welke basis de Commissie het in casu gestelde heeft beoordeeld, zodat de gegrondheid van de bestreden beschikking op dit punt niet kan worden getoetst.

89 Bovendien dient eraan te worden herinnerd dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld. Het ontbreken van motivering kan niet worden geregulariseerd doordat de betrokkene tijdens de procedure voor de rechter kennis krijgt van de redenen van de beschikking (arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P–C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 463; arrest Gerecht van 12 september 2007, González y Díez/Commissie, T-25/04, Jurispr. blz. II-3121, punt 220).

90 Het ontbreken van motivering kan dus niet in de loop van het geding worden verholpen.

91 Dienaangaande kan de Commissie zich niet beroepen op het arrest FNCBV/Commissie (punt 55 hierboven, punten 362-363), waarin het Gerecht niet-nakoming van de motiveringsplicht door de Commissie in het kader van de vaststelling van geldboeten wegens inbreuken op artikel 81, lid 1, EG vaststelde, en heeft opgemerkt dat deze niet-nakoming, ingeval de door deze instelling gegeven oplossing ten gronde werd bevestigd, geen nietigverklaring van de betrokken beschikking of wijziging van het bedrag van de geldboeten meebracht.

92 Dit laatste oordeel, dat werd gegeven in het kader van de uitoefening van de volledige rechtsmacht waarover het Gerecht inzake geldboeten beschikt, kan niet worden toegepast op de onderhavige zaak wat betreft de toetsing van de wettigheid van de bestreden beschikking aangaande de aansprakelijkstelling van verzoekster voor de betrokken inbreuk door de Commissie.

93 Het Gerecht kan namelijk bij de beoordeling van de geschiktheid van het bedrag van de geldboeten in het kader van de volledige rechtsmacht in bepaalde omstandigheden weliswaar extra informatie in aanmerking nemen, maar niet bij de toetsing of de plicht tot motivering van de beschikking houdende vaststelling van de inbreuk is nagekomen, wanneer deze op wettigheid wordt getoetst (zie in die zin arrest Hof van 16 november 2000, SCA Holding/Commissie, C-297/98 P, Jurispr. blz. I-10101, punten 54 en 55).

94 Gelet op al het voorgaande dient het middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht te worden aanvaard en dient het verzoek tot nietigverklaring van de bestreden beschikking te worden toegewezen voor zover zij verzoekster betreft.

95 Bijgevolg behoeven het eerste en het derde middel niet te worden onderzocht.

Kosten

96 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig verzoeksters vordering in de kosten worden verwezen.

HET GERECHT (Zesde kamer — uitgebreid)

rechtdoende, verklaart:

  1. Beschikking C(2006) 1766 definitief van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.620 — Waterstofperoxide en perboraat) wordt nietig verklaard, voor zover zij Edison SpA betreft.

  2. De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

Vadapalas

Prek

Dittrich

Truchot

O’Higgins

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 juni 2011.

ondertekeningen