Home

Conclusie van advocaat-generaal Trstenjak van 13 maart 2008.

Conclusie van advocaat-generaal Trstenjak van 13 maart 2008.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 maart 2008

Conclusie van advocaat-generaal

V. Trstenjak

van 13 maart 2008(1)

Zaak C-204/07 P

C.A.S. SpA

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

"Hogere voorziening - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Artikel 239 - Communautair douanewetboek - Terugbetaling en kwijtschelding van invoerrechten - Vruchtensapconcentraat uit Turkije - Certificaten inzake goederenverkeer - Vervalsing - Bijzondere situatie"

"Hogere voorziening - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Verordening (EEG) nr. 2913/92 - Artikel 239 - Communautair douanewetboek - Terugbetaling en kwijtschelding van invoerrechten - Vruchtensapconcentraat uit Turkije - Certificaten inzake goederenverkeer - Vervalsing - Bijzondere situatie"

I — Inleiding

1. In de onderhavige zaak dient het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de hogere voorziening die het bedrijf C.A.S. SpA heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 februari 2007 in de zaak CAS/Commissie.(2) Rekwirante en verzoekster in eerste aanleg (hierna: „rekwirante”) vordert vernietiging van dat arrest waarbij het Gerecht de beschikking van de Commissie van 18 oktober 2002 (REC 10/01; hierna: „litigieuze beschikking”), houdende de beslissing om de door rekwirante gevorderde teugbetaling van invoerrechten ten bedrage van 1 702 340,25 EUR niet toe te staan voor 32 van de in totaal 48 ingediende invoercertificaten, goedkeurt en bijgevolg haar beroep tot vaststelling van de gedeeltelijke nietigheid van deze beschikking heeft afgewezen.

II — Toepasselijke bepalingen

Communautaire regeling inzake de kwijtschelding van douanerechten

2. Met betrekking tot de mogelijkheid van kwijtschelding van invoerrechten bepaalt artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „CDW”), het volgende:

„Tot […] kwijtschelding van de rechten bij invoer […] kan ook worden overgegaan in de gevallen […] welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.”

3. Artikel 905, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1; hierna: „CDW-uitvoeringsverordening”), luidt als volgt:

„Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, [CDW] ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen én indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.

[…]”

4. Artikel 904, sub c, CDW-uitvoeringsverordening bepaalt:

„Er wordt niet tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer overgegaan wanneer het verzoek om terugbetaling [of kwijtschelding], al naargelang van het geval, uitsluitend is gegrond op

[…]

  1. de overlegging, zelfs te goeder trouw, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij hetzij vals of vervalst hetzij ongeldig waren voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefbehandeling.”

5. Artikel 236 CDW luidt als volgt:

„1.

Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.

[…]”

6. Ingevolge artikel 220, lid 2, sub b, CDW wordt niet over gegaan tot boeking achteraf van rechten die voortvloeien uit een douaneschuld, wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

III — Feiten en procesverloop

A — Feiten van het hoofdgeding

7. Rekwirante is een vennootschap naar Italiaans recht, die voor 95,1 % in handen is van Steinhauser GmbH (hierna: „Steinhauser”), gevestigd te Ravensburg (Duitsland). Rekwirante houdt zich voornamelijk bezig met de verwerking van ingevoerde vruchtensapconcentraten, en parallel daaraan voert zij deze producten in in Italië. Het is hoofdzakelijk de vennootschap Steinhauser die de zakelijke relaties met de buitenlandse leveranciers onderhoudt.

8. Volgens de feitelijke vaststellingen van het Gerecht heeft rekwirante tussen 5 april 1995 en 20 november 1997 geconcentreerd appelsap en perensap dat was aangegeven met herkomst en oorsprong uit Turkije, in de Gemeenschap ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht. De invoer van dit soort producten in de Gemeenschap vond plaats middels A.TR.1-certificaten, zodat voor deze producten de vrijstelling van douanerechten gold, zoals bepaald in de associatieovereenkomst en het aanvullend protocol.

9. De douanedienst van Ravenna (Italië) heeft achteraf de echtheid gecontroleerd van A.TR.1-certificaat D 141591, dat door rekwirante tijdens een van de importen tussen 5 april 1995 en 20 november 1997 was ingediend. Overeenkomstig artikel 29 van besluit nr. 1/95 werden de Turkse autoriteiten verzocht om de echtheid van dat certificaat te verifiëren.

10. Bij brief van 15 mei 1998 hebben de Turkse autoriteiten de douanedienst van Ravenna meegedeeld dat uit de controle was gebleken dat het certificaat niet echt was, omdat het niet door de Turkse douaneautoriteiten was afgegeven. Zij kondigden bovendien aan dat er andere controles zouden worden verricht.

11. De Italiaanse autoriteiten hebben daarop 103 A.TR.1-certificaten die rekwirante bij verschillende importen had ingediend, achteraf gecontroleerd.

12. Bij brief van 10 juli 1998 heeft de permanente vertegenwoordiging van de Republiek Turkije bij de Europese Unie (hierna: „Turkse permanente vertegenwoordiging”) de Commissie meegedeeld dat [een aantal van de] door rekwirante ingediende A.TR.1-certificaten, die in de bijlage bij die brief zijn opgenoemd en die de exporten van de Turkse onderneming Akman naar Italië betroffen, vals („false”) waren. De Commissie heeft deze brief op 20 juli 1998 doorgezonden aan de Italiaanse autoriteiten.

13. Tussen 12 en 15 oktober 1998 alsmede tussen 30 november en 2 december 1998, heeft de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding van de Commissie (UCLAF, voorgangster van het OLAF) in Turkije verificaties verricht.

14. Bij brief van 8 maart 1999 heeft de Turkse permanente vertegenwoordiging de douanedienst van Ravenna meegedeeld dat 32 door rekwirante overgelegde A.TR.1-certificaten (hierna: „litigieuze certificaten”), waaronder 18 in de bijlage van de brief van 10 juli 1998 genoemde certificaten, niet door de Turkse autoriteiten waren opgesteld of geviseerd.

15. De Italiaanse douaneautoriteiten waren van oordeel dat uit de totale briefwisseling tussen hen, de Commissie, de UCLAF en de Turkse autoriteiten bleek dat 48 A.TR.1-certificaten, waaronder de litigieuze certificaten, betreffende door rekwirante middels de Turkse onderneming Akman verrichte exporten, volgens de Turkse autoriteiten vals dan wel onregelmatig waren. In casu werden de 32 litigieuze certificaten (die in totaal 3 296 190 371 ITL, of 1 702 340,25 EUR aan douanerechten vertegenwoordigden) vals geacht omdat zij niet door de Turkse douanekantoren waren afgegeven of geviseerd. De 16 andere certificaten (die in totaal 1 904 763 758 ITL, of 938 728,38 EUR aan douanerechten vertegenwoordigden) werden daarentegen als ongeldig beschouwd omdat zij weliswaar door de Turkse douaneautoriteiten waren afgegeven, doch de betrokken goederen niet van oorsprong uit Turkije waren. Aangezien alle 48 certificaten als vals dan wel als ongeldig waren gekwalificeerd, kon voor de goederen waarvoor zij waren afgegeven, niet de voor de importen van Turkse landbouwproducten toegekende preferentiële behandeling gelden. Bijgevolg heeft de Italiaanse douaneadministratie van rekwirante betaling van de verschuldigde douanerechten van in totaal 5 200 954 129 ITL, of 2 686 068,63 EUR gevorderd.

16. Bij brief van 28 maart 2000 heeft rekwirante de douanedienst van Ravenna krachtens de artikelen 220, lid 2, sub b, 236 en 239 CDW verzocht om niet over te gaan tot boeking achteraf en om terugbetaling van de gevorderde invoerrechten. Tot staving van haar verzoek voerde rekwirante haar goede trouw, fouten van de bevoegde autoriteiten die zij niet had kunnen ontdekken alsmede aan hen toe te rekenen tekortkomingen aan.

17. Bij brief van 30 november 2001 heeft de Italiaanse Republiek de Commissie gevraagd of het gerechtvaardigd was om uit hoofde van artikel 220, lid 2, sub b, CDW niet over te gaan tot boeking van de van rekwirante gevorderde douanerechten of om deze rechten uit hoofde van artikel 239 CDW terug te betalen.

18. De Commissie zag zich genoopt bij brief van 3 juni 2002 de Italiaanse autoriteiten om bepaalde aanvullende informatie te vragen; zij hebben bij brief van 7 juni 2002 geantwoord.

19. Bij brief van 25 juli 2002 heeft de Commissie rekwirante in kennis gesteld van haar voornemen om geen gevolg te geven aan haar verzoek. Alvorens een definitieve beslissing te nemen heeft de Commissie rekwirante echter verzocht haar eventuele opmerkingen in te dienen en haar toegang gegeven tot het dossier om kennis te nemen van de niet-vertrouwelijke documenten. Op 6 augustus 2002 hebben de vertegenwoordigers van rekwirante het administratieve dossier in de bureaus van de Commissie geraadpleegd. Zij hebben bovendien een verklaring ondertekend waarin zij bevestigden toegang te hebben gehad tot de in de bijlage daarbij genoemde documenten.

20. Bij brief van 15 augustus 2002 heeft rekwirante haar opmerkingen ingediend bij de Commissie. Zij bleef met name bij haar standpunt dat de bevoegde douaneautoriteiten „actieve vergissingen” hadden gemaakt die zij niet had kunnen ontdekken. Zij stelde deze vergissingen tevens gelijk met tekortkomingen die een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW konden opleveren.

21. Op 18 oktober 2002 heeft de Commissie de litigieuze beschikking vastgesteld, waarvan op 21 november 2002 aan rekwirante kennis is gegeven. In de eerste plaats kwam de Commissie tot de slotsom dat het gerechtvaardigd was om de invoerrechten waarop het verzoek betrekking had te boeken. In de tweede plaats kwam zij echter tot de slotsom dat het gerechtvaardigd was om de invoerrechten terug te betalen voor het onderdeel van het verzoek dat betrekking had op de 16 ongeldige certificaten, aangezien rekwirante zich ten aanzien daarvan in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW bevond. Wat in de derde plaats de 32 litigieuze certificaten betreft, kwam de Commissie daarentegen tot de slotsom dat de door rekwirante aangevoerde omstandigheden niet van dien aard waren dat zij een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW konden opleveren. Bijgevolg heeft de Commissie in artikel 2 van de litigieuze beschikking beslist dat het niet gerechtvaardigd was om de desbetreffende douanerechten van in totaal 1 702 340,25 EUR, terug te betalen.

B — Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest

22. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 januari 2003 stelde rekwirante beroep in tegen de Commissie en vorderde zij nietigverklaring van artikel 2 van de litigieuze beschikking. Tot staving van haar vordering voerde zij drie middelen aan: ten eerste schending van de rechten van de verdediging, ten tweede schending van artikel 239 CDW en ten derde schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW.

23. De Commissie concludeerde tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.

24. Het Gerecht heeft het beroep in zijn geheel verworpen.

1. Eerste middel

25. Met haar eerste middel betoogde rekwirante dat haar recht van verweer in de administratieve procedure in die zin was geschonden dat zij weliswaar toegang heeft gehad tot het dossier dat de stukken bevatte waarop de Commissie de litigieuze beschikking heeft gebaseerd, doch dat zij niettemin geen toegang heeft gehad tot documenten die van doorslaggevend belang waren voor de totale beoordeling van de situatie door de Commissie.

26. Het Gerecht heeft dit middel afgewezen en in punt 88 van het bestreden arrest vastgesteld dat het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer op dit gebied slechts inhoudt dat de betrokkene in staat moet zijn zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over de elementen, daaronder begrepen de documenten, die de Commissie als basis voor haar beschikking tegen hem in aanmerking heeft genomen, en dat de Commissie dus niet uit eigen beweging toegang hoeft te verlenen tot alle documenten die eventueel verband houden met het individuele geval waarover zij zich in het kader van een verzoek tot kwijtschelding buigt.

27. Daarop heeft het Gerecht in punt 92 geoordeeld dat het feit dat de documenten die rekwirante gedurende de administratieve procedure niet heeft mogen inzien, in de litigieuze beschikking niet uitdrukkelijk zijn genoemd, niet uitsluit dat bepaalde van deze documenten aan de litigieuze beschikking ten grondslag zouden hebben kunnen liggen. Dat kan echter niet het geval zijn voor de totale omvangrijke correspondentie waarnaar rekwirante verwijst, aangezien het althans bij een aantal daarvan om documenten gaat die slechts verband houden met de context van de zaak. Met betrekking tot deze documenten die de context betreffen, heeft het Gerecht uiteengezet dat wanneer documenten die niet ter fundering van de litigieuze beschikking hebben gediend, niet zijn verstrekt, in elk geval het feit dat dit niet is gebeurd niet relevant is, omdat dergelijke documenten hoe dan ook geen invloed kunnen hebben op de litigieuze beschikking. Bijgevolg heeft het Gerecht het eerste middel, voor zover het betrekking had op het feit dat dergelijke documenten niet waren verstrekt, onwerkzaam verklaard.

28. Met betrekking tot de documenten die de Commissie wel tot staving van de litigieuze beschikking heeft aangevoerd, heeft het Gerecht in de punten 98 tot en met 100 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirante in de bureaus van de Commissie het dossier heeft ingezien en een schriftelijke verklaring heeft ondertekend waarin zij uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij toegang heeft gehad tot alle documenten die rechtstreeks en indirect verband hielden met het litigieuze dossier. Voorts was bij deze verklaring een lijst gevoegd waarop alle documenten vermeld stonden waartoe de vertegenwoordiger van rekwirante toegang heeft gehad. Op basis van deze lijst heeft het Gerecht vastgesteld dat rekwirante inderdaad toegang heeft gehad tot verschillende documenten waarvan zij had gesteld dat zij die niet had kunnen inzien.

29. Wat de uitwisseling van mededelingen tussen de Commissie en de UCLAF enerzijds en de Turkse autoriteiten en de nationale douaneautoriteiten van de lidstaten anderzijds betreft, heeft het Gerecht vastgesteld dat niets deed veronderstellen dat de Commissie de litigieuze beschikking op andere documenten heeft gebaseerd dan die in het dossier waartoe rekwirante tijdens de inzage op 6 augustus 2002 toegang heeft gehad.

2. Tweede middel

30. Het tweede middel, dat op schending van artikel 239 CDW was gebaseerd en door het Gerecht eveneens is afgewezen, bestaat uit vier onderdelen. Het eerste middel betreft de onjuiste kwalificatie van het A.TR.1-certificaat inzake goederenverkeer D 437214. Het tweede en het derde onderdeel betreffen de aan respectievelijk de Turkse autoriteiten en aan de Commissie verweten ernstige tekortkomingen bij het bewijs dat er sprake was van een bijzonder geval in de zin van artikel 239 CDW. Het vierde onderdeel ten slotte betreft het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van rekwirante en de beoordeling van de handelsrisico’s.

31. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het tweede middel heeft het Gerecht om te beginnen in herinnering gebracht dat de bepaling van de oorsprong van de goederen op een verdeling van bevoegdheden tussen de autoriteiten van het land van uitvoer en die van het land van invoer berust, waarbij de oorsprong door de autoriteiten van het land van uitvoer wordt bepaald, en heeft het vervolgens de briefwisseling tussen de Commissie en de Italiaanse en de Turkse autoriteiten onderzocht. In dit verband heeft het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie zich, wat het onderdeel van de litigieuze beschikking betreffende de vervalste certificaten betreft, hoofdzakelijk heeft gebaseerd op de brief van de Turkse autoriteiten van 8 maart 1999 aan de douanedienst van Ravenna. Niettemin heeft het Gerecht door een vergelijking van de inhoud van deze brief met de inhoud van daaropvolgende mededelingen van de Turkse autoriteiten vastgesteld dat de kwalificatie van certificaat D 437214 dubbelzinnig was en dat de Commissie vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking niet rechtsgeldig tot de slotsom had kunnen komen dat certificaat D 437214 een vervalsing was (punten 124-128). Dit kon gelet op de inhoud van een brief van 22 augustus 2003, dat wil zeggen daterend van na de litigieuze beschikking, waarin de Turkse autoriteiten hun conclusies in hun brief van 8 maart 1999 hebben bevestigd, echter niet volstaan om tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking te leiden, omdat rekwirante geen enkel rechtmatig belang had bij nietigverklaring van een beschikking wegens vormfouten, ingeval de nietigverklaring van de beschikking enkel zou kunnen leiden tot de vaststelling van een nieuwe beschikking die ten gronde zou overeenkomen met de nietig verklaarde (punt 133).

32. Het Gerecht heeft daarop het tweede onderdeel van het tweede middel onderzocht, dat verschillende verwijten van tekortkomingen van de Turkse autoriteiten betreft, die hoofdzakelijk op de stelling berustten dat de Turkse autoriteiten de litigieuze certificaten inderdaad hadden afgegeven en geviseerd.

33. In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 150 tot en met 152 van het bestreden arrest uiteengezet dat enerzijds de vaststelling of de door de Turkse autoriteiten afgegeven documenten echt dan wel vals zijn, tot de exclusieve bevoegdheid van deze autoriteiten behoort, en dat anderzijds deze autoriteiten tot de slotsom waren gekomen dat de litigieuze certificaten vervalst waren. Vervolgens heeft het Gerecht het argument van rekwirante afgewezen, dat de afdrukken van de stempels en handtekeningen die op de litigieuze certificaten zijn aangebracht, bewezen dat zij hoogstwaarschijnlijk door de Turkse autoriteiten waren afgegeven en gewaarmerkt. Ook is noch in de associatieovereenkomst noch in de uitvoeringsbepalingen daarbij uitdrukkelijk bepaald dat van de door de Turkse autoriteiten afgegeven certificaten een register moet worden bijgehouden (punt 161). Voorts heeft het Gerecht uiteengezet dat de indiening van documenten die vals blijken te zijn, als zodanig niet de conclusie rechtvaardigde dat er sprake was van een of andere heimelijke afspraak tussen de exporteurs en de douaneautoriteiten die deze afgeven (punten 167-168). Ten slotte heeft het Gerecht vastgesteld dat de Turkse autoriteiten haar verplichtingen om administratieve bijstand te verlenen niet hebben geschonden en dat de redenering van rekwirante door geen enkel bewijs was gestaafd (punten 216-218).

34. Vervolgens heeft het Gerecht het derde onderdeel van het tweede middel onderzocht, dat een reeks beweerdelijke tekortkomingen van de Europese Commissie betreft.

35. In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen gewezen op de door de UCLAF in Turkije verrichte onderzoeken en heeft het geoordeeld dat niet het bewijs was geleverd dat de Commissie in het kader van de met de Republiek Turkije overeengekomen administratieve bijstand op moeilijkheden was gestuit die er een rechtvaardiging voor zouden hebben gevormd om zich tot de associatieraad of het gemengd comité van de douane-unie te wenden (punten 238-240). Het Gerecht was vervolgens van oordeel dat noch de associatieovereenkomst noch de besluiten van de associatieraad noch de toepasselijke gemeenschapsregeling voorzien in een verplichting van de overeenkomstsluitende partijen om elkaar de specimens van de stempels en de handtekeningen toe te zenden (punten 249-257), om de importeurs te waarschuwen in het geval van twijfels over de geldigheid van de douanetransacties die deze in het kader van een preferentiële regeling hebben verricht (punt 270) dan wel in de verplichting dat de UCLAF een bepaalde onderzoeksmethode moet gebruiken (punt 284).

36. Het vierde onderdeel van het tweede middel, dat is gebaseerd op het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid van rekwirante, heeft het Gerecht afgewezen als zijnde onwerkzaam, nadat het had vastgesteld dat de Commissie zich in het gedeelte van de litigieuze beschikking betreffende de vervalste certificaten niet heeft uitgesproken over de kwestie van de zorgvuldigheid of de nalatigheid van rekwirante (punten 295-296).

3. Derde middel

37. Het Gerecht heeft daarop het derde middel, betreffende schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, afgewezen omdat rekwirante niet had kunnen aantonen dat een actieve gedraging van de zijde van de bevoegde autoriteiten had bijgedragen tot de opstelling of de aanvaarding van de litigieuze certificaten die vals bleken te zijn (punten 303-307).

4. Verlangde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie

38. Ten slotte heeft het Gerecht de bewijsaanbiedingen en de door rekwirante verlangde maatregelen van instructie afgewezen omdat zij zonder voorwerp waren dan wel relevant noch noodzakelijk waren voor de beslechting van het geding (punten 314-333).

C — Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen

39. Rekwirante heeft de onderhavige hogere voorziening ingesteld bij verzoekschrift van 13 april 2007, ingeschreven ter griffie van het Hof op 16 april 2007.

40. Rekwirante concludeert dat het het Hof behage:

  • het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 februari 2007 in zaak T-23/03 te vernietigen;

  • de in eerste aanleg ingestelde vorderingen toe te wijzen; subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een uitspraak ten gronde;

  • de verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang die rekwirante op 28 januari 2003, 4 augustus 2003 en 11 augustus 2003 heeft ingediend, in te willigen, en

  • verweerster in eerste aanleg te verwijzen in de kosten.

41. Bij memorie van 22 juni 2007, ingeschreven ter griffie van het Hof op 25 juni 2007, heeft de Commissie een memorie van antwoord ingediend waarin zij concludeert dat het het Hof behage:

  • de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen;

  • het door de Commissie in eerste aanleg gevorderde volledig toe te wijzen,

  • rekwirante te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de kosten in eerste aanleg.

42. Bij beschikking van 30 juli 2007 heeft de president van het Hof vastgesteld dat het indienen van een memorie van repliek niet nodig was.

43. Na de schriftelijke behandeling zijn partijen ter terechtzitting van 10 januari 2008 gehoord in hun mondelinge opmerkingen.

D — Middelen van de hogere voorziening en argumenten van partijen

44. Ter inleiding wijst de Commissie erop dat de hogere voorziening staat of valt met de premisse dat de litigieuze certificaten niet vervalst zijn. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest vastgesteld dat de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten vervalst waren en niet door de Turkse douaneautoriteiten waren afgegeven. Het middel komt neer op de betwisting van deze vaststelling door het Gerecht en is derhalve niet-ontvankelijk. Bovendien werpt de Commissie tegen bepaalde middelen van de hogere voorziening verschillende excepties van niet-ontvankelijkheid op.

45. Rekwirante voert negen middelen aan.

46. Met haar eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat uitsluitend de Turkse autoriteiten bevoegd zijn om de echtheid of de juistheid van de certificaten inzake goederenverkeer A.TR.1 te controleren. Rekwirante meent in dit verband dat wanneer er sprake is van toereikende objectieve aanknopingspunten voor deelname van de bevoegde douaneautoriteiten van een derde land aan de betrokken onregelmatigheden of zelfs bij een concrete verdenking van een dergelijke handelswijze, de uitsluitende bevoegdheid van deze autoriteiten niet langer geldt.

47. Volgens de Commissie bestaat er, gelet op het feit dat het Gerecht tot de slotsom was gekomen dat er geen bewijs was geleverd voor betrokkenheid van de Turkse autoriteiten bij de vervalsing van de litigieuze certificaten, geen reden om de taakverdeling tussen de Turkse en de communautaire douaneautoriteiten in twijfel te trekken.

48. Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht er en onrechte van uit is gegaan dat het recht van toegang tot het dossier enkel betrekking had op documenten die de Commissie aan haar litigieuze beschikking ten grondslag heeft gelegd. Het recht van toegang tot het dossier moet tevens gelden voor vertrouwelijke documenten. De Commissie moet op zijn minst het bestaan van vertrouwelijke documenten vermelden en een niet-vertrouwelijke samenvatting verstrekken.

49. De Commissie brengt daartegen in dat er voor het argument van rekwirante geen grondslag is te vinden in het gemeenschapsrecht.

50. Met haar derde middel maakt rekwirante er bezwaar tegen dat het Gerecht de volle bewijslast voor de feitelijke omstandigheden die een „bijzondere situatie” opleveren in de zin van artikel 239 CDW en artikel 905 CDW-uitvoeringsverordening bij haar heeft gelegd, voor zover het om feiten in derde landen (in casu: Turkije) of om feiten in de activiteiten- en invloedssfeer van de Commissie gaat. Een dergelijke bewijslastverdeling verlangt van de verzoekende partij iets wat onmogelijk en onredelijk is. Zij heeft aan haar bewijsverplichting voldaan door objectieve aanknopingspunten aan te voeren die ernstige twijfel en een zekere mate van waarschijnlijkheid met betrekking tot de betrokken onregelmatigheden funderen.

51. Volgens de Commissie gaat het in zoverre niet om een kwestie van de verdeling van de bewijslast. De kwestie van de bewijslastverdeling rijst pas wanneer een omstreden feitelijke bewering althans in aanzet kan worden bewezen. De omkering van de bewijslast zou er daarentegen op neerkomen dat zij alsmede de douaneautoriteiten van de lidstaten en van derde staten a priori „algemeen worden verdacht” en worden belast met de — veelal onmogelijke — taak om het tegenbewijs te leveren. De Commissie beklemtoont bovendien dat het louter om vermoedens van rekwirante en niet om objectieve aanknopingspunten gaat.

52. Met haar vierde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht, door haar bewijsaanbiedingen niet toe te laten en de door haar verlangde maatregelen van instructie niet te treffen, artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft geschonden. Dit geldt des te meer nu het Gerecht hoge eisen aan haar heeft gesteld wat de bewijslast betreft. Bovendien is het Gerecht, gelet op het feit dat haar verzoek enerzijds betrekking had op alle documenten in het dossier en anderzijds, ter illustratie, enkel op bepaalde documenten, zoals bijvoorbeeld het verslag van de OLAF van 9 december 1998, er ten onrechte van uit gegaan dat haar verzoek om overlegging van documenten uit het administratieve dossier zonder voorwerp was (punt 313).

53. De Commissie voert aan dat het Gerecht de verlangde maatregelen van instructie en de bewijsaanbiedingen van rekwirante terecht als niet ter zake dienend en irrelevant heeft afgewezen, omdat het dossier reeds relevante en coherente bewijzen bevatte.

54. Het vijfde middel betreft onjuistheden die het Gerecht bij de juridische kwalificatie van documenten/feiten met betrekking tot de tekortkomingen van de Turkse autoriteiten en de Commissie zou hebben begaan.

55. Wat de gestelde tekortkomingen van de Turkse autoriteiten betreft meent rekwirante ten eerste dat het Gerecht de litigieuze certificaten rechtens onjuist heeft uitgelegd en gekwalificeerd. Ten tweede maakt zij bezwaar tegen de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven van de vervalsing van A.TR.1-certificaat D 437214. Ten derde levert de vergelijking van de stempelafdrukken op de als onjuist aangemerkte certificaten met de als vervalst aangemerkte certificaten geen onderscheid op, hetgeen erop duidt dat de litigieuze certificaten ten onrechte als vervalst zijn gekwalificeerd. Ten vierde meent rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het niet heeft aanvaard dat Turkije op grond van verschillende voorschriften van besluiten nrs. 1/95 en 1/96 rechtens verplicht is de afgegeven certificaten te registreren. Bovendien maakt zij bezwaar tegen de overweging van het Gerecht dat vervalsers er alle belang bij zouden hebben om voor de vervalste certificaten een registratienummer te gebruiken dat overeenkomt met een regelmatig certificaat. Zij baseert zich daarbij op het uitgangspunt dat een dubbele registratie onder hetzelfde registratienummer onmiddellijk zou opvallen, vooral omdat Ravenna de haven van invoer was en in geen enkel geval een dubbel registratienummer is vastgesteld. Ten vijfde stelt rekwirante dat de Turkse autoriteiten hebben meegewerkt aan de afgifte van de litigieuze certificaten, aangezien zij bij de uitklaring het gebruik van vervalste certificaten hadden kunnen verhinderen indien zij de ingediende certificaten en de goederen hadden gecontroleerd. Ten zesde maakt rekwirante bezwaar tegen de juridische beoordeling van het Gerecht met betrekking tot de gestelde tekortkoming van de Turkse autoriteiten in het kader van de administratieve bijstand en in het bijzonder tegen de vaststelling dat deze autoriteiten geen tegenstrijdige uitspraken hadden gedaan. Ten slotte voert zij verschillende omstandigheden aan die volgens haar bewijzen dat de Turkse autoriteiten betrokken waren bij de afgifte van de litigieuze certificaten.

56. De Commissie meent om te beginnen dat rekwirante in verband met het vijfde middel voorbijgaat aan de aard van de vaststellingen van het Gerecht. Dit middel betreft niet rechtsvragen, maar impliceert beoordelingen van de feiten, die geen voorwerp van een hogere voorziening kunnen zijn. Bovendien heeft rekwirante in het kader van het vijfde middel opnieuw de redenering uiteengezet die zij in eerste aanleg had aangevoerd, hetgeen niet is toegestaan. Zij heeft niet kunnen aantonen in hoeverre het Gerecht in dit opzicht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Haar stellingen zijn niet gestaafd en hebben geen enkele bewijswaarde. Het voeren van registers is noch in de associatieovereenkomst noch in andere in casu toepasselijke regelingen verplicht gesteld.

57. Met betrekking tot de gestelde tekortkomingen van de Commissie meent rekwirante dat er toereikende objectieve aanknopingspunten bestonden voor systematische en bewuste schendingen door de bevoegde Turkse autoriteiten die een rechtvaardiging hadden moeten vormen voor een verstrekte controle op de preferentiële regeling door de Commissie. Met een beroep op artikel 93 van de CDW-uitvoeringsverordening en artikel 4 van besluit nr. 1/96 verdedigt rekwirante de opvatting dat de Republiek Turkije en de Commissie ook tijdens de betrokken periode (1995-1997) rechtens verplicht waren om specimens van de door de Turkse douaneautoriteiten gebruikte stempels aan de bevoegde douaneautoriteiten toe te zenden of bij hen op te vragen. Het Gerecht heeft ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het niet tot de slotsom was gekomen dat de Commissie verplicht was de importeurs van vruchtensapconcentraat uiterlijk eind 1994/begin 1995 te waarschuwen voor onregelmatigheden in Turkije bij de afgifte van A.TR.1-certificaten inzake goederenverkeer. Bovendien heeft de UCLAF haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 1 en 3 van verordening (EG) nr. 1073/99 om naar behoren een onderzoek in Turkije te verrichten, geschonden omdat zij bepaalde onderzoeksmethoden niet heeft toegepast.

58. Volgens de Commissie beperkt rekwirante zich er ook hier toe om op te komen tegen de feitelijke vaststellingen en beoordelingen door het Gerecht. Noch Turkije noch zij was volgens de in casu toepasselijke voorschriften verplicht om specimens van de stempels of de handtekeningen te doen toekomen. Wat de verplichting betreft om de importeurs te waarschuwen, die volgens rekwirante op haar rust, brengt de Commissie in herinnering dat de in casu omstreden importen dateren uit het tijdvak april 1995 tot en met november 1997, terwijl de twijfel over de echtheid en de inhoudelijke juistheid van de Turkse A.TR.1-certificaten pas daarna, namelijk vanaf 1998, was gerezen.

59. Met haar zesde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht heeft verzuimd om het feit dat de Commissie heeft nagelaten om het douanecomité/de associatieraad in te schakelen, als onrechtmatig handelen van de Commissie aan te merken. Zij beroept zich in dit verband op het arrest „Turkse televisietoestellen”(3).

60. De Commissie voert aan dat zij vanwege de consequente en vlekkeloze bereidheid van de Turkse autoriteiten tot medewerking geen reden heeft gehad om het douanecomité of de associatieraad in te schakelen.

61. Met haar zevende middel betoogt rekwirante dat het Gerecht, wat certificaat D 437214 betreft, voorbij is gegaan aan haar rechtmatige belang bij nietigverklaring van de litigieuze beschikking, omdat het met het oog op de termijn van drie jaren van artikel 218, lid 3, CDW, en gelet op het oordeel van het Gerecht over de kennelijke „vervalsing” van certificaat D 437214 niet meer was toegestaan de eenmaal kwijtgescholden/terugbetaalde douanerechten middels een nieuwe beschikking opnieuw te heffen.

62. Volgens de Commissie is de uitlegging die rekwirante geeft van de artikelen 905 e.v. CDW-uitvoeringsverordening en van artikel 218, lid 3, CDW onjuist, aangezien de in casu litigieuze beschikking binnen bovengenoemde termijnen is vastgesteld en door het Gerecht niet nietig is verklaard.

63. Met haar achtste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht eraan voorbij is gegaan dat het, zelfs indien ervan uit wordt gegaan dat de litigieuze certificaten onecht zijn, gelet op de grove tekortkomingen van de Turkse autoriteiten en van de Commissie, met het oog op de verhouding tussen marktdeelnemers en overheid onbillijk zou zijn haar schade te laten dragen die voortvloeit uit de litigieuze beschikking.

64. De Commissie brengt in herinnering dat zij in de litigieuze beschikking geen standpunt heeft ingenomen over de zorgvuldigheid of de nalatigheid van rekwirante en dat het argument van rekwirante betreffende deze kwestie derhalve niet ter zake dienend is.

65. Met haar negende middel maakt rekwirante er bezwaar tegen dat het Gerecht heeft ontkend dat de Turkse douaneautoriteiten actief hadden meegewerkt aan de afgifte en het gebruik van de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten, in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW.

66. De Commissie betoogt in dit verband dat het gelet op het feit dat het in casu gaat om vervalste certificaten die niet door de Turkse autoriteiten waren afgegeven, er juist geen sprake kan zijn van een „actieve vergissing” van de Turkse autoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW.

IV — Juridische beoordeling

A — Opmerkingen vooraf

1. Materieelrechtelijke overwegingen

67. Op 22 oktober 1992 is verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek in werking getreden. Zij was ingevolge artikel 253 van toepassing met ingang van 1 januari 1994. De in een groot aantal gemeenschapsverordeningen en -richtlijnen verspreide bepalingen van het douanerecht zijn op basis van de douane-unie in een douanewetboek gebundeld, dat samen met de op communautair en op nationaal niveau vast te stellen bepalingen ter uitvoering ervan, het douanerecht bevat. De algemene regels en procedures van het douanewetboek moesten, uitgaande van het gegeven van een interne markt, de uniforme toepassing waarborgen van de tariefmaatregelen en van de andere maatregelen, waaronder landbouw- en de handelspolitieke maatregelen, die door de Gemeenschap in het kader van het goederenverkeer tussen haar en derde landen worden ingesteld. De codificatie van het communautaire douanerecht bleef niet beperkt tot de wetstechnische weergave van het bestaande douanerecht; tegelijkertijd werden er ook wijzigingen aangebracht, die het douanerecht samenhangender moesten maken, het moesten vereenvoudigen en bestaande leemten moesten opvullen om aldus een volledige communautaire wetgeving op dit gebied vast te stellen. Zo bevat het douanewetboek onder meer voor navordering, terugbetaling en kwijtschelding van rechten bij in- en uitvoer nieuwe voorschriften die deels het vroegere recht bijwerkten, deels wijzigingen invoerden.(4)

68. Tot de oudere gemeenschapsvoorschriften die in het kader van de invoering van het douanewetboek zijn ingetrokken, behoorde volgens artikel 251 CDW verordening (EEG) nr. 1697/79(5), waarvan artikel 13 als de voorganger van het huidige artikel 239 CDW moet worden gezien(6), en dat door het Hof van Justitie verschillende keren is uitgelegd. Evenals bij deze oudere regeling gaat het bij artikel 239 CDW om een algemene billijkheidsclausule(7), in het kader waarvan ter verwezenlijking van de bescherming van het vertrouwen in andere situaties dan die welke in de praktijk meestal aan de dag treden en die uitdrukkelijk zijn geregeld, in beginsel verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer kunnen worden kwijtgescholden of terugbetaald, wanneer er geen sprake is van frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende. Om uit te maken of er sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling, moet de Commissie in het kader van de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij ter zake beschikt, de feiten in hun geheel onderzoeken en het belang dat de Gemeenschap bij de naleving van de douaneregels heeft, afwegen tegen het belang dat de marktdeelnemer te goeder trouw erbij heeft, geen nadeel te lijden dat verder gaat dan het normale commerciële risico.

69. De algemene clausule van artikel 239 CDW moet vooral worden toegepast wanneer de omstandigheden waardoor de betrekkingen tussen de marktdeelnemer en de administratie worden gekenmerkt, van dien aard zijn dat het niet billijk zou zijn om eerstgenoemde een nadeel te berokkenen dat hij normaliter niet zou hebben ondergaan.(8) In beginsel vereist de rechtspraak van het Hof dat de betrokken marktdeelnemer zich ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten in een „uitzonderlijke situatie” bevindt.(9) De vraag wanneer er sprake is van een dergelijke „bijzondere situatie” in de zin van artikel 239 CDW, is zowel door het Hof in zijn rechtspraak als door de gemeenschapswetgever in de CDW-uitvoeringsverordening nader bepaald.(10)

70. Overeenkomstig artikel 904 van de CDW-uitvoeringsverordening wordt de overlegging, zelfs te goeder trouw, van documenten of van papieren voor preferentiële behandeling, waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vals of vervalst zijn, in het gemeenschapsrecht uitdrukkelijk niet als een dergelijke bijzonder situatie aangemerkt. Door het opnemen van deze uitzondering heeft de gemeenschapswetgever de huidige rechtspraak van het Hof in het douanerecht van de Gemeenschap overgenomen.(11)

71. Gelet op het feit dat enerzijds rekwirante in eerste aanleg de beschikking van de Commissie, middels een beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 230 EG, hoofdzakelijk heeft aangevochten met het argument dat er in haar geval sprake was van een bijzondere situatie in de zin artikel 239, lid 1, tweede streepje, CDW juncto artikel 905 van de CDW-uitvoeringsverordening, en dat anderzijds artikel 904 van de CDW-uitvoeringsverordening althans op het eerste gezicht in de weg lijkt te staan aan haar verzoek om kwijtschelding van de rechten bij invoer, moet ervan worden uitgegaan dat genoemde voorschriften het materieelrechtelijke kader vormen waarbinnen het Hof over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de onderhavige hogere voorziening zal moeten beslissen.

2. Opmerkingen van procedurele aard

72. In procedureel opzicht acht ik het gelet op de uitgebreide en gedetailleerde uiteenzettingen van rekwirante over het precieze verloop van de gebeurtenissen die aan dit geding ten grondslag liggen, noodzakelijk om in herinnering te brengen dat de hogere voorziening voor het Hof overeenkomstig artikel 225, lid 1, tweede alinea, EG tot rechtsvragen is beperkt. Artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie preciseert dat de hogere voorziening moet zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, aan onregelmatigheden in de procedure dan wel aan wel schending van het Gemeenschapsrecht.

73. Bij de beoordeling of een middel in het kader van de hogere voorziening mag worden aangevoerd, moet er derhalve rekening mee worden gehouden dat het doel van de procedure in hogere voorziening de controle van de rechtstoepassing door het Gerecht is en geenszins de herhaling van de procedure in eerste aanleg. Het louter herhalen van de in eerste aanleg aangevoerde middelen vormt in hogere voorziening niet een toelaatbaar middel. Het verzoekschrift in hogere voorziening dient daarentegen nauwkeurig aan te geven welke onderdelen van het betreden arrest worden betwist en op welke argumenten het verzoek tot vernietiging is gebaseerd.(12)

B — Onderzoek van de middelen van de hogere voorziening

1. Eerste middel: Schending van het beginsel van de taakverdeling tussen land van uitvoer en land van invoer

a) Taakverdeling tussen land van uitvoer en land van invoer

74. Met betrekking tot de aangevoerde schending van het beginsel van de taakverdeling tussen de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer en van het land van invoer bij de beoordeling van de echtheid dan wel de juistheid van de certificaten inzake goederenverkeer, moet worden vastgesteld dat het Gerecht op basis van de associatieovereenkomst tussen de EEG en de Republiek Turkije alsmede op basis van de vaste rechtspraak van het Hof tot de gevolgtrekkingen in de punten 120, 121, 150, 323 en 324 van het bestreden arrest, waarnaar rekwirante in haar verzoekschrift in hogere voorziening verwijst, is gekomen.

75. Artikel 15 van besluit nr. 1/96 bepaalt dat de controle van de echtheid en de juistheid van de certificaten wordt uitgevoerd in het kader van de wederzijds bijstand waarin is voorzien in artikel 29 van besluit nr. 1/95 en in bijlage 7 daarbij. Deze bijstand geschiedt ingevolge de artikelen 3 en 4 van deze bijlage op zodanige wijze dat informatie betreffende geconstateerde of voorgenomen handelingen die met de douanewetgeving strijdig zijn dan wel kunnen zijn, op aanvraag dan wel ambtshalve wordt uitgewisseld tussen de partijen bij de overeenkomst. De efficiëntie van dit systeem van administratieve samenwerking veronderstelt noodzakelijkerwijs een verdeling van de bevoegdheden tussen de betrokken autoriteiten, welke het Hof van Justitie uitdrukkelijk aanvaardt.

76. Volgens vaste rechtspraak berust de bepaling van de oorsprong van de goederen namelijk op een verdeling van bevoegdheden tussen de autoriteiten van het land van uitvoer en die van het land van invoer, in die zin dat de oorsprong door de autoriteiten van het land van uitvoer wordt bepaald, terwijl de controle op de goede werking van deze regeling wordt verzekerd dankzij de wederzijdse samenwerking tussen de betrokken diensten. Deze regeling vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten in het land van uitvoer het best geplaatst zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong.(13) Voor de bepaling van de oorsprong van de waren heeft deze bevoegdheidsverdeling bovendien het voordeel dat zij tot zekere en uniforme resultaten leidt, waardoor verleggingen van het handelsverkeer en distorsies van de mededinging worden vermeden.

77. De goede werking van dit mechanisme is eerst verzekerd, wanneer de douanediensten van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkennen.(14) Zoals het Hof in het arrest Les Rapides Savoyards e.a.(15) heeft uiteengezet, moeten in het kader van internationale vrijhandelsovereenkomsten, die verbintenissen scheppen tussen de Gemeenschap en een derde staat op basis van wederzijdse verplichtingen, de beslissingen die wettig werden genomen door de autoriteiten van deze derde staat door de douanediensten van de lidstaten eveneens worden erkend opdat de Gemeenschap op haar beurt, van de douaneautoriteiten van de genoemde staat, de eerbiediging kan verlangen van besluiten van de autoriteiten van de lidstaten ter zake van de oorsprong van uit de Gemeenschap naar die staat uitgevoerde producten.

78. De douaneautoriteiten van het land van invoer zijn door de overlegging van een bewijs betreffende het preferentiële karakter weliswaar niet rechtens gebonden om de importeur de verlangde preferentiële behandeling toe te kennen. Voor zover het bewijs betreffende het preferentiële karakter echter formeel regelmatig is afgegeven, geldt daarvoor de juridische schijn van materiële wettigheid. Derhalve doet zich door de overlegging van het bewijs betreffende het preferentiële karakter althans een bindende werking voor in feitelijke opzicht, dat wil zeggen met betrekking tot de vaststelling van de feiten door het douaneautoriteiten in het land van uitvoer.(16)

79. Hieruit vloeit voort dat, overeenkomstig de bepalingen van de associatieovereenkomst, de douaneautoriteiten van het land van invoer de toepassing van de preferentiële behandeling niet kunnen weigeren voor waren die werden ingevoerd op vertoon van een certificaat dat wettig werd afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer.

80. Ook indien de douaneautoriteiten van het land van invoer gegronde twijfels hebben aangaande de werkelijke oorsprong van deze waren, kunnen zij de douaneautoriteiten van het land van uitvoer enkel verzoeken een controle achteraf van deze oorsprong te verrichten.(17)

81. Dit stelsel van samenwerking en taakverdeling tussen de douanediensten houdt logischerwijs in dat zij eveneens gebonden zijn door de conclusies van deze controle achteraf, wanneer de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de oorsprong van de waren konden bepalen. Slechts in de bijzondere situatie waarin de douaneautoriteiten van het land van uitvoer niet in staat zijn de controle achteraf naar behoren te verrichten, kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer zelf overgaan tot de verificatie van de echtheid en de juistheid van het in het geding zijnde certificaat en andere bewijzen van de oorsprong van de betrokken waren in aanmerking nemen.(18)

82. Anders dan rekwirante meent kan de rechtspraak niet aldus worden uitgelegd dat er een zodanig controlerecht van het land van invoer bestaat dat dit land eerst de rechtmatigheid en vervolgens de beoordeling van het land van uitvoer in haar geheel mag toetsen en in twijfel mag trekken. Veeleer heeft het Hof in het arrest Pascoal & Filhos(19) geoordeeld dat de bevoegde autoriteiten van het land van invoer op grond van de omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer na controle achteraf verklaren dat een certificaat niet voor de werkelijk uitgevoerde goederen geldt, op zich reeds in staat zijn te constateren dat de wettelijk verschuldigde rechten niet zijn opgeëist, zodat zij een procedure tot navordering kunnen inleiden. Het Hof heeft in dit verband vastgesteld dat niets in de betrokken regeling die autoriteiten verplicht de juistheid van de resultaten van de controle of de werkelijke oorsprong van de goederen vast te stellen.

83. Derhalve moet worden vastgesteld dat de Italiaanse autoriteiten en de Commissie, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof en zoals het Gerecht in de punten 120 en 121 van het bestreden arrest op goede gronden heeft uiteengezet, in beginsel aan de beoordeling van de Turkse autoriteiten over de echtheid van de 32 litigieuze certificaten waren gebonden. Er is geen objectieve reden om de wettelijk vastgestelde bevoegdheidsverdeling tussen de Turkse en de communautaire douaneautoriteiten te wijzigen. Veeleer moet worden ingestemd met het oordeel van de Commissie dat de communautaire douaneautoriteiten ook geenszins in staat zijn zelf te beoordelen of de aan hen overgelegde uitvoercertificaten van een derde land echt of vals zijn. Dit kan dus uitsluitend door de ter zake deskundige douaneautoriteiten van het land van uitvoer, in casu dus de Turkse douaneautoriteiten, worden vastgesteld.

b) Kwestie van een afwijkende beoordeling bij misbruik door de autoriteiten van het land van uitvoer

84. Mijns inziens behoeft niet te worden ingegaan op de vraag of een andere beoordeling op zijn plaats is wanneer zich onregelmatigheden hebben voorgedaan waarbij uiteindelijk van betrokkenheid van de douaneautoriteiten van het derde land is gebleken, want in het onderhavige geval is misbruik van de kant van de Turkse autoriteiten volgens de vaststellingen van het Gerecht hoe dan ook niet aantoonbaar. Daarbij komt dat het hierbij om feiten gaat, waarvan de beoordeling in beginsel aan het Gerecht is voorbehouden(20), en die door het Hof slechts kunnen worden getoetst voor zover uit de processtukken blijkt dat de vaststellingen inderdaad onjuist zijn.(21) Wanneer bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, dan staat het dus uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen.(22)

85. Wat de kwalificering van de 32 litigieuze invoercertificaten als vervalsingen betreft, vermeldt het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest om te beginnen de brief 8 maart 1999 van de Turkse autoriteiten van aan de douanedienst Ravenna, waarbij een lijst met de 32 certificaten was gevoegd die de Turkse autoriteiten als vervalsingen aanmerkten. Vervolgens wijst het Gerecht in punt 125 op de dubbelzinnigheden die naar voren kwamen uit een vergelijking van de vaststellingen in deze brief met die in de brief van 22 april 1999 van de Turkse permanente vertegenwoordiging aan de UCLAF. Op dat tijdstip bestond de moeilijkheid voor de betrokkenen erin om uit de schriftelijke uitspraken van de Turkse autoriteiten met zekerheid af te leiden of het bij de betrokken certificaten om valse dan wel enkel om onjuiste certificaten ging. Het Gerecht stelt vast dat de gebruikte formulering „not correct… and not issued according to the rules” ook in die zin had kunnen worden uitgelegd dat de betrokken certificaten niet vervalst waren. Zoals het Gerecht in punt 129 van het bestreden arrest vaststelt, kon echter op basis van de brief van 22 augustus 2003 van de Turkse autoriteiten alle twijfel over de vervalsingen worden weggenomen. Dientengevolge kon het Gerecht op basis van de hem voorgelegde feiten, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, tot de slotsom komen dat de 32 litigieuze invoercertificaten vervalsingen waren.

86. Met betrekking tot het verwijt van rekwirante aangaande vermeende betrokkenheid van de Turkse autoriteiten heeft het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest uiteengezet dat het indienen van documenten die vals blijken te zijn, als zodanig niet de slotsom rechtvaardigt dat er sprake was van een heimelijke afspraak tussen de exporteurs en de douaneautoriteiten die deze documenten afgeven. Het Gerecht heeft er dus, zonder daardoor blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, op gewezen dat er geen aanknopingspunten voor bestonden dat de Turkse autoriteiten betrokken waren bij de vervalsingen.

87. Voorts kan niet het argument van rekwirante worden aanvaard dat de afgifte van onjuiste certificaten een ernstige onregelmatigheid is, die er een rechtvaardiging voor vormt om de door de Turkse autoriteiten gegeven beoordeling niet te accepteren. Dit argument komt er namelijk op neer dat de door het Hof aanvaarde taakverdeling tussen land van uitvoer en land van invoer bij de controle van de echtheid of de juistheid van certificaten in twijfel wordt getrokken. Bovendien kan de afgifte van onjuiste certificaten door de bevoegde autoriteiten op grond van een vergissing niet zonder meer worden gelijkgesteld met de strafrechtelijk relevante vervalsing van certificaten.

88. Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen.

2. Tweede middel: Schending van het recht van toegang tot het dossier of van andere rechten van de verdediging

89. Rekwirante betoogt dat haar recht van toegang tot het dossier is geschonden. Voor zover zij het Hof verzoekt de omvang van haar recht van verweer in de administratieve procedure te toetsen, gaat het om een rechtsvraag die het procesrecht betreft, en derhalve om een ontvankelijk middel.

90. Zij beklaagt zich erover dat zij enkel toegang heeft gehad tot documenten waarop de Commissie de litigieuze beschikking heeft gebaseerd. Daarentegen is haar geen toegang toegestaan tot zogeheten context-documenten, waartoe de Commissie ook de verslagen van de UCLAF, respectievelijk de OLAF, rekent.

91. Met een beroep op zijn eigen rechtspraak(23) heeft het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest eerst uiteengezet dat het beginsel van de eerbiediging van het recht van verweer in verband met de administratieve procedure betreffende de kwijtschelding van douanerechten slechts inhoudt dat de betrokkene in staat moet zijn zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken over de elementen, daaronder begrepen de documenten die de Commissie als basis voor haar beschikking tegen hem in aanmerking neemt. Dit beginsel verlangt dus niet dat de Commissie uit eigen beweging toegang verleent tot alle documenten die eventueel verband houden met het individuele geval waarover zij zich in het kader van een verzoek tot kwijtschelding buigt. Indien de betrokkene van mening is dat die documenten van belang zijn om het bewijs te leveren dat er sprake is van een bijzondere situatie en/of om aan te tonen dat er geen sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid of frauduleuze handelingen van zijn kant, staat het aan hem om toegang tot deze documenten te vragen overeenkomstig de door de instellingen op basis van artikel 255 EG vastgestelde bepalingen.

92. Het Gerecht heeft er voorts in punt 89 van het bestreden arrest op gewezen dat de Commissie op verzoek van de betrokkene toegang moet geven tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de litigieuze beschikking. Indien een dergelijk verzoek ontbreekt, is er dus niet automatisch toegang tot de documenten waarover de Commissie beschikt.(24)

93. Deze uiteenzettingen van het Gerecht moeten worden onderzocht vanuit het gezichtspunt van de verschillende vormen die zowel in het recht van de lidstaten als in het gemeenschapsrecht zelf tegenwoordig aan het recht van toegang tot documenten zijn gegeven. Enerzijds houdt dit recht onlosmakelijk verband met de procedurele waarborgen in het kader van de administratieve procedure, die zijn toegekend aan degenen tot wie de overheid zich richt, als toepassing van het beginsel van handelen op basis van de rechtsstaatprincipe. Anderzijds kan dit recht worden opgevat als uitdrukking van het recht op informatie, dat van alle organen en overige instanties van de staat een transparant, aan democratische controle onderworpen optreden verlangt.(25)

94. Artikel 255 EG concretiseert het in artikel 1, tweede alinea, EU verankerde transparantiebeginsel en verwezenlijkt tegelijkertijd de bij artikel 42 van het Handvast van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde vrijheid van informatie van de burgers van de Unie.(26) In het onderhavige geding rijst echter in de eerste plaats de vraag van de eerbiediging van de rechten van het individu in het kader van een administratieve procedure, na afloop waarvan de Commissie over de kwijtschelding van invoerrechten volgens artikel 239 CDW moet beslissen. Bijgevolg mag rekwirante, vanwege de specifieke functie van deze rechtsgrondslag, slechts gebruik maken van de mogelijkheid van een verzoek op basis van artikel 255 EG voor zover haar geen specifieke bepalingen tot bescherming daarvan ter beschikking staan. Rekwirante komt echter in elk geval een in de rechtspraak van de gemeenschapsrechter erkend recht om te worden gehoord toe(27) alsmede het recht van toegang tot het dossier in het kader van de administratieve procedure voor de Commissie.

95. Zoals het Hof verschillende keren heeft beklemtoond zijn de rechten van de verdediging fundamentele rechten die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen welker eerbiediging het Hof verzekert.(28) Daarbij laat het Hof zich leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten, zoals het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950.(29)

96. Volgens de rechtspraak van het Hof impliceert het recht van toegang tot het dossier als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet geven alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die voor haar verdediging relevant kunnen zijn.(30) Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.(31)

97. Voor zover het recht van toegang tot het dossier deze toegang niet beperkt tot de documenten waarop de Commissie haar belastende beschikking heeft gebaseerd, maar veeleer uitbreidt tot alle documenten die voor een verdediging van degene tot wie de overheid zich richt, van belang kunnen zijn, blijkt dat recht in de zin van deze rechtspraak van het Hof ruimer te zijn dan de uitlegging waarop het Gerecht zijn arrest heeft gebaseerd. Er kan echter geen bezwaar worden gemaakt tegen de behandeling van als vertrouwelijk aangemerkte stukken, die als zodanig moeten worden uitgezonderd van de toegang.

98. Het Gerecht heeft het recht van toegang tot het dossier in verband met de administratieve procedure betreffende de kwijtschelding van douanerechten, mijns inziens ten onrechte restrictief uitgelegd, hetgeen in beginsel als een onjuiste rechtsopvatting zou moeten worden aangemerkt.

99. Niettemin ben ik van mening dat een afwijkende opvatting over de normatieve draagwijdte van dit algemene rechtsbeginsel op zich geen rechtvaardiging kan vormen voor de vernietiging van het bestreden arrest. Veeleer verlangen het idee van de proceseconomie alsmede de beschermingsfunctie van de procedurele waarborgen voor de betrokkenen dat nauwkeurig wordt nagegaan of het Gerecht tot een andere slotsom zou zijn gekomen indien het bij de toepassing van het gemeenschapsrecht de rechtspraak van het Hof in aanmerking had genomen.

100. Zoals het Hof in het arrest Hercules Chemicals(32) in verband met het recht van toegang tot het dossier namelijk heeft vastgesteld, is er geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting wanneer het Gerecht van oordeel is dat ook het toestaan de toegang tot alle andere stukken niet tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking van de Commissie zou hebben geleid, en het argument van rekwirante betreffende schending van de rechten van de verdediging derhalve afwijst.

101. Deze rechtspraak knoopt aan bij een fundamenteel beginsel van algemeen bestuursrecht en van het administratieve procesrecht van de Gemeenschap(33), op grond waarvan een procedurele fout slechts een grond vormt voor nietigverklaring van een overheidsbeslissing door de rechter, indien dit gevolgen heeft voor de inhoud van de beslissing.

102. Zoals advocaat-generaal Mischo in zijn conclusie in de zaak PVC(34) op goede gronden heeft uiteengezet, is de toegang tot het dossier geen doel op zich, maar dient de betrokkene in staat te stellen om doeltreffend gebruik te maken van zijn rechten van verdediging. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat onregelmatigheden bij de toegang tot het dossier niet tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking kunnen leiden, wanneer zij geen gevolgen hebben gehad voor de uitoefening van deze rechten.

103. In zijn conclusie in de zaak Aalborg Portland(35) heeft advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in verband met de zojuist genoemde beschermingsfunctie van het recht van toegang tot het dossier, uiteengezet dat procedurele fouten irrelevant zijn wanneer de betrokkene desondanks over passende middelen beschikte om zich te verdedigen. De beschikking kan dus slechts nietig worden verklaard wanneer wordt vastgesteld dat het resultaat anders en gunstiger voor de betrokkene had kunnen uitvallen indien de procedureregels zorgvuldig in acht waren genomen, of ook wanneer wordt vastgesteld dat juist vanwege die vormfout niet uit te maken is of de beschikking anders zou zijn uitgevallen.

104. Het Gerecht heeft zich in wezen op deze redenering gebaseerd toen het in punt 94 van het bestreden arrest het verwijt van schending van het recht van toegang tot het dossier afwees met het argument dat wanneer documenten die niet ter fundering van de litigieuze beschikking hebben gediend, niet zijn verstrekt, in elk geval het feit dat dit niet is gebeurd niet relevant is, omdat dergelijke documenten hoe dan ook geen invloed kunnen hebben op de litigieuze beschikking. Deze gevolgtrekking behoort tot de beoordeling van de feiten door het Gerecht, welke rechtens niet valt te betwisten.

105. Met betrekking tot de documenten waarop de Commissie de litigieuze beschikking heeft gebaseerd, moet erop worden gewezen dat het Gerecht niet voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van rekwirante na de inzage in de stukken waarop de litigieuze beschikking is gebaseerd, op 6 augustus 2002 in de bureaus van de Commissie, een schriftelijke verklaring had ondertekend waarin hij uitdrukkelijk verklaarde dat hij toegang had gehad tot alle documenten die rechtstreeks en indirect verband hielden met het litigieuze dossier. Bij deze verklaring was een lijst gevoegd waarop alle documenten vermeld stonden waartoe die vertegenwoordiger toegang had gehad. Zoals het Gerecht in de punten 99 en 100 van het bestreden arrest uitdrukkelijk heeft vastgesteld, behoorden daartoe het missieverslag van de UCLAF van 9 december 1998 en de brief van de Commissie/UCLAF van diezelfde dag aan de Turkse permanente vertegenwoordiging, waarvan rekwirante in hogere voorziening opnieuw aanvoert dat die niet waren overgelegd. Bijgevolg kon het Gerecht er op goede gronden van uit gaan dat rekwirante, anders dan zij beweert, wel inzage van die stukken was toegestaan.

106. Wat het verzoek om toegang tot het dossier betreft dat rekwirante na de vaststelling van de litigieuze beschikking en de inleiding van het beroep daartegen had ingediend, heeft het Gerecht er in punt 102 van het bestreden arrest op gewezen dat dit niet relevant was voor de beoordeling of er gedurende de administratieve procedure eventueel sprake was van inbreuk op rekwirantes recht van verweer, en dat het niet van invloed kon zijn op de rechtmatigheid van die beschikking.

107. Uit de uiteenzettingen van het Gerecht blijkt dat het is nagegaan of de betrokken documenten ook maar enig nut voor rekwirante hadden kunnen hebben. Het heeft zijn onderzoek dus niet beperkt tot de vraag of de niet-openbaarmaking van de litigieuze documenten gevolgen heeft gehad voor de inhoud van de eindbeschikking.

108. Uit de overwegingen van het Gerecht blijkt namelijk in wezen dat de betrokken documenten niet alleen geen argumenten voor rekwirante opleverden, maar hetzij naar hun aard of voorwerp ook niet door haar hadden kunnen worden aangevoerd, hetzij door hun inhoud de vaststellingen van de Commissie hadden bevestigd of in elk geval niet het minste tegenargument hadden kunnen aandragen.

109. Ik ben derhalve van mening, dat het Gerecht zich bij zijn beoordelingsmethode in wezen aan de rechtspraak van het Hof heeft gehouden en dat zijn gevolgtrekking juist zijn.

110. Ten slotte moet worden ingegaan op de uiteenzettingen van het Gerecht over de ten dele incoherente handelwijze van rekwirante bij de uitoefening van het haar toekomende recht van toegang tot het dossier. Het Gerecht heeft in punt 102 van het bestreden arrest immers terecht gewezen op de omstandigheid dat rekwirante tijdens de administratieve procedure geen initiatief had genomen voor het indienen van verdere verzoeken om toegang tot andere onderdelen van het dossier en evenmin gebruik had gemaakt van het aanbod van 10 juli 2003 van de Commissie van toegang tot de gewenste documenten. Tegen deze achtergrond lijkt het tegenstrijdig indien rekwirante hoewel zij op de hoogte was van deze tekortkomingen bij de uitoefening van haar rechten van verdediging, in eerste aanleg schending daarvan aanvoert en in hogere voorziening kritiek levert op de juridisch onbetwistbare motivering van het arrest in eerste aanleg.

111. Het tweede middel dient bijgevolg te worden afgewezen.

3. Derde middel: bewijslastverdeling

112. De vaststelling dat er sprake is van „omstandigheden” in de zin van artikel 239, lid 1, tweede streepje, CDW respectievelijk van een „bijzondere situatie” in de zin van artikel 905, lid 1, CDW-uitvoeringsverordening, veronderstelt de uiteenzetting, het bewijs en de beoordeling van bepaalde feiten en omstandigheden. Partijen zijn het evenwel oneens over de vraag van de concrete stel- en bewijslastverdeling, waarbij rekwirante stelt aanspraak te maken op een omkering dan wel een verlichting van de bewijslast. Voor zover rekwirante het Gerecht met haar argument uiteindelijk verwijt dat het de procesrechtelijke beginselen van de bewijslast heeft geschonden, beroept zij zich op de onjuiste toepassing van het gemeenschapsrecht en daarmee op een in hogere voorziening ontvankelijk middel.(36)

113. Voor het onderzoek van dit middel zijn eerst enkele fundamentele toelichtingen nodig over de bewijslastverdeling in het kader van de procedure voor de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten.

114. Vooraf moet worden opgemerkt dat volgens de algemeen erkende regels van procesrecht normaalgesproken diegene die zich op een bepaling beroept, moet bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling zijn vervuld.(37) Bijgevolg staat het in de regel aan de importeur om te stellen en te bewijzen dat er sprake is van een „bijzondere omstandigheid” in de zin van artikel 239 CDW, die een rechtvaardiging vormt voor kwijtschelding van invoerrechten.(38) Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het bewijs van de oorsprong van goederen, wanneer de beslissing of terugbetaling van invoerrechten al dan niet moet plaatsvinden, van de beantwoording van die vraag afhangt.(39)

115. Omgekeerd staat het aan de Commissie om in het kader van haar beslissing of er sprake is van een „bijzondere omstandigheid”, waarbij zij over een overeenkomstige beoordelingsmarge beschikt(40), te stellen en te bewijzen dat de door de importeur overgelegde certificaten vals of vervalst zijn. Daarentegen hoeft zij niet te bewijzen dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 904, sub c, CDW-uitvoeringsverordening, aangezien deze bepaling reeds een voor de Commissie verbindende beoordeling van de gemeenschapswetgever bevat in die zin dat de eventuele goede trouw van de importeur in de procedure van artikel 239 CDW geen bescherming toekomt.

116. Zoals ik reeds in mijn inleidende opmerkingen over deze zaak heb uiteengezet(41), heeft de gemeenschapswetgever met de formulering van deze uitsluiting de huidige vaste rechtspraak van het Hof overgenomen, volgens welke de overlegging, zelfs te goeder trouw, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vervalst waren, geen bijzondere omstandigheid oplevert die een rechtvaardiging kan vormen voor de kwijtschelding van invoerrechten. Deze rechtspraak werd sinds het fundamentele arrest Van Gend & Loos(42) onder meer gebaseerd op het gegeven dat de Gemeenschap niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen kan dragen. Het Hof stelde vast dat het ontvangen van ongeldige oorsprongscertificaten in beginsel tot de bedrijfsrisico’s behoort waaraan de marktdeelnemer wegens de aard van zijn werkzaamheden blootstaat, en dat het hem vrijstaat tegen degene die zich aan vervalsing schuldig heeft gemaakt, een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

117. Uitzonderingen op deze regel heeft het Gerecht enkel aanvaard in gevallen van vervalsing die verder gaan dan het normale handelsrisico van de betrokken marktdeelnemer, bijvoorbeeld wanneer de Commissie haar verplichting tot het uitoefenen van toezicht schendt(43) of in gevallen van betrokkenheid van de douanediensten bij de overtredingen(44). Deze rechtspraak van het Gerecht van eerste aanleg moet zonder voorbehoud worden aanvaard, omdat daarin rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de betrokken marktdeelnemer, afgezien van procedures die zijn medewerking vereisen, in de regel slechts geringe mogelijkheden heeft om het verloop van de douaneprocedure te beïnvloeden en hij dus moet vertrouwen op de zorgvuldige taakvervulling door de bevoegde autoriteiten in het kader van een systeem van administratieve samenwerking. In zoverre zou het onbillijk zijn hem schade te laten dragen die eigenlijk op onregelmatigheden van de overheidsinstanties is terug te voeren.

118. Daarbij moet echter worden bedacht dat het bij deze in de rechtspraak ontwikkelde feitelijke omstandigheden enkel om op zichzelf staande aanpassingen van de vaste rechtspraak kan gaan teneinde de materiële gerechtigheid in het concrete geval te eerbiedigen. Als uitzonderingsregelingen moeten zij enkel restrictief worden toegepast.(45) Dit komt overigens overeen met de huidige rechtspraak van de gemeenschapsrechter volgens welke de kwijtschelding van invoerrechten alleen mogelijk is onder bepaalde voorwaarden en in specifiek omschreven gevallen, zodat de desbetreffende bepalingen als uitzondering op de normale regeling inzake invoer, strikt moeten worden uitgelegd.(46) Aan toepassing daarvan moet derhalve een streng onderzoek van de feiten met een beoordeling van de ingediende bewijsmiddelen voorafgaan. Overeenkomstig de algemeen erkende regels van procesrecht en gelet op de eenduidige rechtspraak van het Hof sinds het arrest Van Gend & Loos acht ik het consequent om rekwirante de stelplicht en bewijslast ook te laten dragen voor het zich voordoen van onregelmatigheden die eventueel zouden kunnen funderen dat er sprake is van een „bijzondere omstandigheid” in de zin van artikel 239 CDW.

119. De door rekwirante aangevoerde argumenten ten gunste van een omkering van de bewijslastverdeling zijn niet overtuigend.

120. Zoals de Commissie terecht betoogt gaat het in het onderhavige geding, anders dan rekwirante stelt, niet vooral om een vraag van de bewijslastverdeling. Veeleer rijst de vraag van de bewijslastverdeling pas wanneer een omstreden feitelijke bewering althans in aanzet kan worden bewezen. Voor de uiteenzettingen van rekwirante ontbreekt echter elke fundering, want het Gerecht heeft geen aanknopingspunten gevonden voor haar stelling dat de Turkse autoriteiten zich schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim bij de uitvoering van de associatieovereenkomst alsmede aan schending van de voorschriften inzake administratieve bijstand. Veeleer vloeit uit artikel 194 van het bestreden arrest voort dat de missies van de UCLAF in Turkije binnen redelijke termijnen na de ontdekking van de eerste vervalsing zijn verricht. Bovendien wijst het Gerecht er in punt 195 op dat de door de Turkse autoriteiten verrichte onderzoeken een zeer groot aantal certificaten betroffen, maar dat de lijst van de certificaten die door hen als vervalst werden beschouwd, niettemin relatief snel aan de douanedienst Ravenna was toegezonden. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 196 gewezen op de grote omvang van de briefwisseling tussen de communautaire en de Turkse autoriteiten over de litigieuze certificaten. Tegen deze achtergrond valt er geen kritiek te leveren op de slotsom van het Gerecht dat de bewering van rekwirante dat de Turkse autoriteiten, met name de Turkse permanente vertegenwoordiging, vanaf 2000 hebben geweigerd om met de Commissie samen te werken, door geen enkel bewijs was gestaafd.

121. Volgens de feitelijke vaststellingen van het Gerecht bestonden er al helemaal geen aanwijzingen voor de vermeende medewerking van de Turkse autoriteiten aan de vervalsing van de litigieuze invoercertificaten, zodat de poging van rekwirante om een parallel te trekken tussen de feiten van het hoofdgeding en die in de zaak Kaufring e.a., faalt. Anders dan rekwirante betoogt, volgt uit de indiening van documenten die vals bleken te zijn, als zodanig niet noodzakelijkerwijs de conclusie dat er sprake was van een heimelijke afspraak tussen de exporteurs en de douaneautoriteiten die deze afgeven. Anders zou de in artikel 904, sub c, CDW opgenomen regeling immers overbodig zijn.

122. Afgezien van het feit dat haar redenering niet voldoende sluitend is, ben ik van mening dat een omkering van de bewijslastverdeling de eis van rekwirante nauwelijks kracht bijzet, want de Commissie en de UCLAF/OLAF hebben klaarblijkelijk ambtshalve al het mogelijke gedaan, met inbegrip van onderzoeksmissies ter plaatse, om in overleg met de Turkse autoriteiten de feiten van het hoofdgeding op te helderen. Bij gebreke van tegengestelde aanwijzingen moet er derhalve van uit worden gaan dat de Commissie en de Turkse autoriteiten de juridische mogelijkheden van de administratieve bijstand, die de associatieovereenkomst hun bood, hebben uitgeput. In dit verband dient er uitdrukkelijk op te worden gewezen dat de Commissie in derde landen, zoals Turkije, geen zelfstandige onderzoeksbevoegdheden toekomen, maar dat zij op de medewerking van deze derde landen is aangewezen en in het geval van weigering tot medewerking hoogstens dienovereenkomstig conclusies kan trekken.(47) Voor zover haar inspanningen geen aanwijzingen hebben opgeleverd voor de herkomst van de vervalsingen en evenmin voor enig vermoeden van plichtsverzuim door de bevoegde autoriteiten, is niet in te zien wat voor de betrokkenen het nut van een omkering van de bewijslastverdeling zou zijn. Hetzelfde geldt voor de door rekwirante bepleite verminderde bewijsplicht, aangezien de Commissie uiteindelijk verplicht is de resultaten van haar onderzoeken aan het Gerecht ter beschikking te stellen. De daardoor verkregen inzichten komen derhalve ook ten goede aan rekwirante. Het aanvechten van de door het Gerecht vastgelegde verdeling van de stelplicht en bewijslast kan derhalve enkel tot doel hebben om de feitelijke vaststellingen van het Gerecht waarbij geen blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, achteraf zonder reden in twijfel te trekken. Gelet op het feit dat niet alleen de vaststelling van de feiten door het Gerecht maar ook zijn beoordeling daarvan in beginsel aan toetsing door het Hof is onttrokken, moet dit middel worden afgewezen.

4. Vierde middel: afwijzing van maatregelen tot organisatie van de procesgang

123. Met haar vierde middel maakt rekwirante bezwaar tegen de afwijzing van de ingevolge de artikelen 64, lid 4, en 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verlangde maatregelen tot organisatie van de procesgang en betoogt zij dat het procesrecht verkeerd is toegepast, hetgeen in beginsel door het Hof kan worden getoetst. Evenwel blijft de beslissing of de maatregelen tot organisatie van de procesgang ter zake dienend zijn voor de beslechting van het geding voorbehouden aan het Gerecht.(48)

124. De door rekwirante aangevoerde schendingen van de procedure blijken in dit licht ongegrond.

125. Wat het beweerdelijke verzuim betreft om de missieverslagen van de UCLAF van 9 en 23 december 1998 over te leggen, moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest terecht heeft aangenomen dat rekwirante toegang had gehad tot deze documenten.(49) Tegen het verdergaande verwijt dat de overgelegde verslagen niet volledig waren, moet worden ingebracht dat rekwirante in punt 88 van haar verzoekschrift in hogere voorziening zelf erkent het ontbrekende deel van deze verslagen op 12 oktober 2005 te hebben ontvangen, zodat zij op het tijdstip van de terechtzitting van 15 november 2005 kennis had genomen van de volledige inhoud van deze documenten. Bijgevolg was haar verzoek om overlegging van de in het dossier opgenomen stukken terecht afgewezen omdat dat dit verzoek zonder voorwerp was.

126. Voorts heeft het Gerecht er in punt 324 van het bestreden arrest op gewezen dat de Turkse autoriteiten de litigieuze certificaten eenduidig als vervalsingen hadden geïdentificeerd. Het Gerecht kwam daarop tot de slotsom dat dergelijke maatregelen, in het licht van de gegevens van het dossier en gelet op de door rekwirante aangevoerde grieven, voor het bewijs dat het om echte documenten ging, relevant noch noodzakelijk waren om in het onderhavige geding uitspraak te doen. Het Gerecht heeft derhalve in de uitoefening van de hem toekomende beoordelingsmarge besloten om deze maatregelen niet te gelasten. Deze beslissing valt rechtens niet te betwisten.

127. Bijgevolg moet ook dit middel worden afgewezen.

5. Vijfde middel: juridische kwalificatie van documenten/feiten met betrekking tot de vermeende tekortkomingen van de Turkse autoriteiten en de Commissie

128. Vooraf dient erop te worden gewezen dat rekwirante met haar vijfde middel hoofdzakelijk bezwaar maakt tegen vaststellingen en beoordelingen van de feiten door het Gerecht welke in beginsel geen voorwerp van een hogere voorziening kunnen zijn. Onderzoek daarvan is slechts toegestaan voor zover het gaat om de toetsing van de juridische kwalificatie daarvan en de door het Gerecht daaraan verbonden rechtsgevolgen, om te ontkennen dat er sprake was van „bijzondere omstandigheid” in de zin van artikel 239 CDW.(50)

129. Daaraan moet worden toegevoegd dat voor zover rekwirante in haar uiteenzettingen van een andere verdeling van de stelplicht en de bewijslast uitgaat dan die waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd(51), deze rechtsopvatting gelet op mijn gevolgtrekking in verband met het derde middel moet worden afgewezen.

130. Hieronder zal ik ingaan op de beweerdelijke tekortkomingen van de Turkse autoriteiten en de Commissie waarop rekwirante haar redenering baseert dat er sprake is van een „bijzondere omstandigheid”. Om herhalingen zo veel mogelijk te vermijden zal ik mijn uiteenzettingen toespitsen op de aspecten die mij bijzonder relevant voorkomen en slechts kort ingaan op de aspecten die ik reeds heb beoordeeld.

a) Beweerdelijke tekortkomingen van de Turkse autoriteiten

i) Kwalificatie van de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten als vervalsingen

131. Met betrekking tot de kwalificatie van de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten als vervalsingen kan worden volstaan met erop te wijzen dat het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting heeft vastgesteld dat de echtheid van de Turkse certificaten op grond van de gemeenschapsrechtelijk geregelde bevoegdheidsverdeling enkel door de bevoegde Turkse autoriteiten kon worden vastgesteld.(52) Deze hadden, zoals het Gerecht terecht erkent, bevestigd dat die certificaten vervalst waren.(53)

ii) Certificaat A.TR.1 D 437214

132. Zoals het Gerecht in de punten 129 e.v. op goede gronden heeft vastgesteld, hadden de Turkse autoriteiten bij brief van 22 augustus 2003 ook alle twijfel weggenomen over de vraag of certificaat D 437214 een vervalsing was.

133. De aard van de litigieuze certificaten als vervalsingen vormt evenwel op zich geen rechtvaardiging voor het verwijt van een tekortkoming, laat staan voor het verwijt van medewerking daarbij van de Turkse autoriteiten. Derhalve dient het argument van rekwirante in verband met een tekortkoming bij de kwalificatie van de 32 litigieuze certificaten als vervalsingen worden afgewezen.

iii) Tekortkomingen van de Turkse douaneautoriteiten in verband met de stempels

134. Tevens moet worden afgewezen het argument van rekwirante betreffende een tekortkoming van de Turkse douaneautoriteiten in verband met de stempels, aangezien zij niet met de vereiste duidelijkheid heeft uiteengezet in hoeverre het Gerecht blijk heeft gegeven van een aanvechtbare onjuiste rechtsopvatting. Reeds deze omstandigheid vormt er een rechtvaardiging voor om dit argument niet-ontvankelijk te verklaren.

135. Ten overvloede zij erop gewezen dat voor zover rekwirante uit de vermeende gelijkenis tussen de stempelafdrukken op de litigieuze certificaten en die op de als regelmatig aangemerkte certificaten wil afleiden dat de litigieuze certificaten niet vervalst, maar enkel onjuist zijn, daartegen valt in te brengen dat deze bevinding om de reeds gegeven redenen juridisch gezien niet in de plaats kan komen van de eenduidige beoordeling van de Turkse autoriteiten.

iv) Tekortkoming van de Turkse autoriteiten in verband met de registratie van officiële documenten

136. Het Gerecht stelt terecht vast dat noch uit de associatieovereenkomst noch uit de voorschriften ter uitvoering daarvan een verplichting voor de Turkse autoriteiten kan worden afgeleid om een dergelijk register te voeren. Niettemin moet eveneens worden ingestemd met het standpunt van rekwirante in punt 136 van haar verzoekschrift in hogere voorziening, dat de registratie van officiële documenten een gangbare praktijk is van een georganiseerde overheidsinstantie en dus eigenlijk vanzelfsprekend is. De registratie is, zoals rekwirante opmerkt, tegelijkertijd de grondslag voor de juiste vervulling van de administratieve bijstand.

137. Niettemin volstaat deze bevinding op zich niet om de redenering van rekwirante te staven, dat het bij de litigieuze certificaten om echte certificaten gaat. De eenduidige vaststellingen van de Turkse autoriteiten staan aan dit argument in de weg. Eerder dient de redenering van het Gerecht te worden aanvaard dat vervalsers er alle belang bij hebben om voor de vervalste certificaten een registratienummer te gebruiken dat overeenkomt met een regelmatig certificaat. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

v) Tekortkoming van de Turkse autoriteiten door medewerking bij de afgifte van onjuiste certificaten

138. Zoals reeds is uiteengezet is het Gerecht terecht tot de slotsom gekomen dat het loutere feit dat de hier omstreden certificaten vervalst waren, als zodanig niet de conclusie rechtvaardigt dat de Turkse autoriteiten betrokken waren bij deze vervalsingen.

vi) Tekortkoming van de Turkse autoriteiten in het kader van de administratieve bijstand

139. Het Gerecht heeft in de punten 194 tot en met 206 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Turkse autoriteiten volledige medewerking hadden verleend. Het heeft er daarbij in het bijzonder op gewezen dat de Turkse autoriteiten zelf de controle van de litigieuze certificaten hadden opgedragen en dat deze autoriteiten honderden certificaten binnen een redelijke termijn hebben gecontroleerd, hun onderzoeksresultaten aan de gemeenschapsautoriteiten hebben meegedeeld en bovendien verschillende missies van de Commissie ter plaatse in Turkije mogelijk hebben gemaakt. Tegen deze vaststellingen valt juridisch niets in te brengen.

140. De door rekwirante veronderstelde pogingen van de Turkse autoriteiten tot verhulling of verijdeling in het kader van de onderzoeken rechtvaardigen evenmin in de slotsom dat het Gerecht de aan hem voorgelegde feiten juridisch verkeerd heeft beoordeeld, daar deze uiteenzettingen niet nauwkeurig genoeg zijn en evenmin door enig bewijs zijn gestaafd.

141. Voor zover rekwirante zich op de door haar aangevoerde procedures voor het Zollkriminalamt Köln en het Finanzgericht Hamburg beroept, moet worden opgemerkt dat het daarbij om procedures gaat die kennelijk niets van doen hebben met de hier omstreden terugbetalingsprocedure en dat deze ook in de terugbetalingsprocedure niet door rekwirante aan de Commissie zijn meegedeeld voor toevoeging aan het dossier. In zoverre moet dit argument als irrelevant worden afgewezen.

142. Eveneens irrelevant zijn uiteenzettingen van rekwirante met betrekking tot de certificaten D 141591 en D 412662, aangezien geen van beide voorwerp van de litigieuze beschikking van de Commissie vormde. In punt 199 van het bestreden arrest wijst het Gerecht erop dat certificaat D 141591 geen deel uitmaakte van de in casu litigieuze certificaten, omdat rekwirante geen beroep heeft ingesteld tegen de heffing van de rechten na de constatering van de vervalsing, en evenmin om terugbetaling van de geïnde rechten heeft verzocht, waarmee zij impliciet heeft erkend dat het certificaat in kwestie onecht was.

vii) Tekortkoming van de Turkse autoriteiten op grond van andere omstandigheden en de verijdeling van onderzoeken in Mersin

143. De overige uiteenzettingen van rekwirante met betrekking tot een vermeende tekortkoming van de Turkse autoriteiten moeten worden afgewezen. Deze uiteenzettingen komen er namelijk op neer dat de feitelijke vaststellingen van het Gerecht in twijfel worden getrokken zonder echter eenduidig aan te tonen in welk opzicht er sprake zou zijn van een onjuiste rechtsopvatting.

144. De verwijzing van rekwirante naar gesprekken met het bureau economische zaken van de Turkse minister-president en naar het beëindigen van een strafrechtelijk onderzoek jegens haar exporteur Akman, heeft het Gerecht op goede gronden evenzeer irrelevant verklaard als de niet onderbouwde beweringen dat de Turkse autoriteiten, ondanks verschillende missies van de UCLAF ter plaatse, de onderzoeken van de Commissie in Turkije zouden hebben verijdeld. Anders dan rekwirante meent, hebben zij geen gevolgen voor de beoordeling van de feiten. Hoe dan ook kan op grond daarvan niet tot de slotsom worden gekomen dat de certificaten enkel onjuist waren en evenmin dat er sprake was van een tekortkoming van de Turkse autoriteiten.

b) Beweerdelijke tekortkomingen van de Commissie

145. Rekwirante heeft de Commissie in totaal vier tekortkomingen verweten die haars inziens „bijzondere omstandigheden” in de zin van artikel 239 CDW moeten opleveren. Het Gerecht is in het bestreden arrest echter tot de slotsom gekomen dat de Commissie in geen enkel opzicht tekort is geschoten. Deze beoordeling kan, zoals hieronder zal worden aangetoond, zonder meer worden aanvaard.

i) Tekortkoming bij het toezicht op de preferentiële regeling ten aanzien van Turkije

146. Het Gerecht heeft om te beginnen op goede gronden vastgesteld dat, wat het verwijt van de tekortkomingen bij het toezicht en de controle op de toepassing van de associatieovereenkomst betreft, de Commissie krachtens artikel 211 EG en het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht is de juiste toepassing van de associatieovereenkomst te verzekeren.(54) Het Gerecht wees erop dat deze verplichting eveneens voortvloeit uit de associatieovereenkomst zelf en uit de diverse besluiten van de associatieraad.(55)

147. Na de beoordeling van alle feiten van het geding heeft het Gerecht vastgesteld dat de Commissie het nodige had gedaan om de juiste toepassing van de associatieovereenkomst met Turkije te verzekeren. In punt 238 van het bestreden arrest heeft het terecht het feit beklemtoond dat de Commissie bij de eerste aanwijzingen dat er sprake was van vervalsing van certificaten inzake goederenverkeer, op het Turkse grondgebied onderzoeken heeft verricht.

148. Overeenkomstig de algemeen aanvaarde regels van procesrecht heeft het Gerecht de stelplicht en bewijslast voor het bewijs van een eventuele tekortkoming van de Commissie bij rekwirante gelegd. Het heeft in dit verband de algemene beweringen en verdachtmakingen van rekwirante afgewezen, evenals haar poging om een analogie te trekken met de feiten die aan het arrest Kaufring e.a. ten grondslag lagen. Het Gerecht was namelijk van oordeel dat die feiten niet vergelijkbaar waren met de in de onderhavige zaak onderzochte feiten, omdat het Gerecht in het arrest Kaufring e.a. had vastgesteld dat de Turkse autoriteiten ernstig waren tekortgeschoten, met name door na te laten de voorschriften van de associatieovereenkomst uit te voeren, waardoor de totale uitvoer van televisietoestellen uit Turkije werd geraakt. Die tekortkomingen hadden ertoe bijgedragen dat zich bij de exporten onregelmatigheden voordeden, waardoor de exporteurs in een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 CDW werden geplaatst. Volgens het Gerecht was in het onderhavige geval met betrekking tot de litigieuze certificaten daarentegen niet bewezen dat er sprake was van dergelijke tekortkomingen.

149. Inderdaad bestonden er op het tijdstip van de gebeurtenissen die tot dit geding hebben geleid, geen aanknopingspunten voor systematische schendingen van de voorschriften van de associatieovereenkomst die voor de Commissie reden voor verhoogde waakzaamheid bij het toezicht op de toepassing van de preferentiële regeling ten aanzien van Turkije hadden kunnen vormen. Derhalve kon haar geen tekortkoming worden verweten. Daaruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de juridische kwalificatie van de feiten.

ii) Tekortkoming wegens het verzuim om specimens van de stempelafdrukken toe te zenden

150. Het Gerecht is in het bestreden arrest terecht tot de slotsom gekomen dat noch Turkije noch de Commissie krachtens de in casu toepasselijke voorschriften verplicht zou zijn geweest specimens van de stempelafdrukken of handtekeningen toe te zenden. Dat de Commissie de stempelafdrukken niet aan de Italiaanse douaneautoriteiten heeft toegezonden, kan derhalve geen tekortkoming vormen.

151. Anders dan rekwirante meent, vloeide en verplichting om de stempelafdrukken toe te zenden in het bijzonder ook niet voort uit artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening. Volgens de duidelijke bewoordingen daarvan heeft dit voorschrift geen betrekking op de in casu litigieuze A.TR.1-certificaten, maar enkel op de formulieren APR en certificaten van oorsprong „formulier A”, die enkel verband houden met de invoer van goederen van oorsprong uit ontwikkelingslanden.(56)

152. Anders dan rekwirante meent, is artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening ook niet bij de besluiten overeenkomstig de associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en Turkije van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit geldt ook voor artikel 4 van besluit nr. 1/96. Anders dan rekwirante stelt, verklaart dit voorschrift artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening geenszins toepasselijk in casu. Rekwirante gaat eraan voorbij dat de voorschriften van het communautaire douanerecht slechts binnen de werkingssfeer van de associatieovereenkomst met Turkije vallen voor zover dit in de associatieovereenkomst dan wel in nadien vastgestelde besluiten uitdrukkelijk is bepaald. Artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening is echter nooit in de werkingssfeer van de associatieovereenkomst opgenomen. Rekwirante kan dan ook geen enkele bepaling noemen op grond waarvan artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening in casu toepasselijk is verklaard.

153. Dientengevolge staat vast dat artikel 93 CDW-uitvoeringsverordening in casu noch volgens zijn bewoordingen van toepassing was noch in het kader van de associatieovereenkomst met Turkije van toepassing was verklaard.

iii) Schendingen van een verplichting om importeurs tijdig te waarschuwen

154. De schending van een verplichting om importeurs tijdig te waarschuwen veronderstelt conceptueel dat er een desbetreffende gemeenschapsrechtelijke verplichting van de Commissie bestaat. Het Gerecht heeft evenwel in punt 270 van het bestreden arrest met een beroep op de rechtspraak van de gemeenschapsrechter(57) terecht vastgesteld dat het gemeenschapsrecht geen bepalingen kent die de Commissie uitdrukkelijk verplichten om de importeurs te waarschuwen dat zij de geldigheid betwijfelt van de douanetransacties die deze in het kader van een preferentiële regeling hebben verricht.

155. Dit sluit echter niet uit dat de Commissie op grond van haar zorgvuldigheidsplicht in bepaalde omstandigheden verplicht kan zijn om de importeurs in de Gemeenschap in het algemeen te waarschuwen. En dergelijke informeerplicht kan echter alleen ontstaan wanneer de Commissie ernstige twijfel koestert omtrent de regelmatigheid van een groot aantal exporten die in het kader van een preferentiële regeling hebben plaatsgevonden.(58)

156. Zoals het gerecht in punt 273 heeft vastgesteld is rekwirante niet in staat geweest sluitend te bewijzen dat er sprake was van ernstige tekortkomingen van de Turkse autoriteiten die de geldigheid van alle exporten van vruchtensapconcentraten aantastten, en die hebben bijgedragen tot de circulatie van vervalste certificaten. Er kon dus geen analogie worden getrokken met de feiten die aan het arrest Kaufring e.a. ten grondslag lagen.

157. De uiteenzettingen van rekwirante in de onderhavige hogere voorziening leiden niet tot een andere beoordeling, aangezien haar verwijt in de punten 225 en 226 van haar verzoekschrift in hogere voorziening uitdrukkelijk betrekking heeft op de afgifte van „onjuiste” doch niet „vervalste” certificaten inzake goederenverkeer, zodat zij nog steeds geen tegenbewijs voor medewerking van de Turkse autoriteiten aan de vervalsingen heeft geleverd. Bovendien baseert rekwirante zich op een niet-ontvankelijk argument omdat haar uiteenzettingen uitdrukkelijk neerkomen op een nieuwe vaststelling van de feiten en niet uitsluitend op een juridische toetsing van de motivering van het Gerecht, hetgeen buiten de bevoegdheid van het Hof als rechter in hogere voorziening valt.

158. Onverminderd het voorgaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 274 van het bestreden arrest in aanmerking heeft genomen dat de in casu omstreden importen van rekwirante uit het tijdvak tussen april 1995 en november 1997 dateren, terwijl twijfel over de echtheid dan wel de inhoudelijke juistheid van de Turkse A.TR.1-certificaten pas daarna, te weten vanaf 1998, is gerezen. Bijgevolg kon de Commissie pas nadat de Italiaanse douaneautoriteiten het eerste vervalste certificaat hadden ontdekt en een onderzoeksprocedure was ingeleid, inzien dat er sprake was van vervalste certificaten. Hieruit kan worden afgeleid dat zelfs indien de Commissie vanaf 1998 gehouden zou zijn geweest om de communautaire importeurs te waarschuwen, dit niet van invloed zou zijn geweest voor de litigieuze importen uit de jaren 1995 tot en met 1997.

159. Bijgevolg heeft het Gerecht terecht ontkend dat er een plicht van de Commissie zou bestaan om de importeurs tijdig te waarschuwen.

iv) Tekortkoming bij de opheldering en beoordeling van de feiten bij de onderzoeken in Turkije

160. In verband met het verwijt van een tekortkoming bij de opheldering en beoordeling van de feiten bij de onderzoeken in Turkije heeft het Gerecht in punt 284 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting vastgesteld dat rekwirante niet in staat was haar argumentatie met bewijzen te staven. Het Gerecht was bij de beoordeling van de feiten terecht tot de slotsom gekomen dat de Commissie alle relevante feiten door missies regelmatig heeft onderzocht en vervolgens heeft beoordeeld.

161. Voor zover rekwirante met dit middel opnieuw aanvoert dat de bewijslast rechtens onjuist was verdeeld, moet dit argument gelet op mijn uiteenzettingen over het derde middel worden afgewezen.

162. Voorts moet worden vastgesteld dat rekwirante haar middel bovendien op een niet-ontvankelijk argument baseert omdat haar uiteenzettingen uitdrukkelijk neerkomen op een nieuwe beoordeling van de feiten en niet uitsluitend op een juridische toetsing van de motivering van het Gerecht. In het bijzonder is zij niet in staat afdoende duidelijk uiteen te zetten in hoeverre het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien dit middel niet aan de procedurele vereisten voor een hogere voorziening voldoet, moet het worden afgewezen.

c) Voorlopige conclusie

163. De slotsom dient te luiden dat in casu noch de Turkse autoriteiten noch de Commissie op hen rustende plichten hebben geschonden en dat er derhalve geen sprake is van een „bijzondere situatie” in de zin van artikel 239 CDW en artikel 905 CDW-uitvoeringsverordening. Bijgevolg moet ook het vijfde middel ongegrond worden verklaard.

6. Zesde middel: verzuim van de Commissie om het douanecomité/associatieraad in te schakelen

164. Met haar zesde middel maakt rekwirante bezwaar tegen het feit dat de Commissie zich niet tot het douanecomité dan wel de associatieraad heeft gewend, om een einde te maken aan de onregelmatigheden in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Turkije. Haars inziens bestaat de onjuiste rechtsopvatting in het bestreden arrest erin dat het Gerecht zich ertoe heeft beperkt de bij de overeenkomst vastgelegde plichten van de associatieraad en van het gemengde douanecomité te beschrijven, zonder echter een juridische kwalificatie van deze voorschriften op basis van het concrete geval te geven. Bovendien heeft het Gerecht niet de geboden juridische conclusies getrokken voor de vereiste handelwijze van de Commissie op basis van de voorgelegde feiten.(59)

165. Dit argument kan niet worden aanvaard, aangezien het Gerecht in punt 239 van het bestreden arrest de feitelijke omstandigheden van het hoofdgeding wel heeft onderzocht op het punt van de vraag of in casu was voldaan aan de voorwaarden voor inschakeling van het gemengde douanecomité.

166. Als rechtsgrondslag voor het optreden van dit comité op initiatief van de Commissie had artikel 52, lid 2, van besluit nr. 1/95 moeten worden aangevoerd, waarin is bepaald dat de overeenkomstsluitende partijen binnen dit comité overleggen over alle voor de tenuitvoerlegging van dat besluit relevante punten die een van de partijen voor problemen stellen. Dit comité zou bij het optreden van dergelijke moeilijkheden overeenkomstig artikel 52, lid 1, van besluit nr. 1/95 bevoegd zijn geweest om aan de associatieraad desbetreffende aanbevelingen te doen voor de goede werking van de douane-unie. Er waren evenwel kennelijk geen aanknopingspunten voor noemenswaardige moeilijkheden. Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat inschakeling van dit comité gelet op de bereidheid tot medewerking van de Turkse autoriteiten, vereist noch gerechtvaardigd was.

167. Zo heeft het Gerecht in punt 240 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting vastgesteld dat rekwirante niet in staat was geweest aan te tonen dat de Commissie in het kader van de met de Republiek Turkije overeengekomen administratieve bijstand op moeilijkheden was gestuit die er een rechtvaardiging voor vormden dat binnen deze organen werd besproken of specifieke maatregelen moesten worden vastgesteld om daaraan het hoofd te bieden.

168. Het Gerecht was derhalve terecht van oordeel dat er geen analogie kon worden getrokken met de feiten die aan het arrest Kaufring e.a. ten grondslag lagen, omdat met betrekking tot de litigieuze certificaten inzake goederenverkeer niet was bewezen dat er sprake was van vergelijkbare tekortkomingen van de Turkse autoriteiten, die een rechtvaardiging voor een bijzondere situatie zouden hebben opgeleverd.(60)

169. De Commissie was derhalve niet verplicht om zich tot het douanecomité dan wel de associatieraad te wenden. Bijgevolg moet dit middel ongegrond worden verklaard.

7. Zevende middel: verzuim om rekening te houden met het rechtmatige belang van rekwirante in verband met certificaat A.TR.1 WVB D 437214

170. Voor zover rekwirante zich in verband met haar zevende middel kennelijk op de verjaringstermijn van drie jaren van artikel 221, lid 3, CDW beroept(61), om zich aan haar plicht tot betaling van invoerrechten te onttrekken, moet daartegen in worden gebracht dat dit argument op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht berust.

171. Dit argument gaat er enerzijds aan voorbij dat het in casu om de kwijtschelding of de terugbetaling van rechten overeenkomstig artikel 239 CDW gaat en niet zoals rekwirante lijkt aan te nemen, om het geval waarin wordt afgezien van boeking achteraf in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, waarop artikel 221, lid 3, CDW van toepassing is.(62) Het gaat hierbij om twee verschillende soorten procedures met verschillende formele en materiële voorwaarden die onafhankelijk van elkaar moeten worden onderzocht.(63) In zoverre moeten hypothetische overwegingen over de eventuele toepasbaarheid van deze bepaling in het geval de uitspraak van het Gerecht anders zou hebben geluid, als irrelevant worden afgewezen.

172. Anderzijds berusten deze overwegingen op de rechtens onjuiste opvatting dat het Gerecht de litigieuze beschikking om formele redenen had moeten nietig verklaren. Zoal het Gerecht in punt 133 van het bestreden arrest echter op goede gronde heeft uiteengezet, had ook een gedeeltelijke nietigverklaring alleen kunnen leiden tot de vaststelling van een nieuwe beschikking met dezelfde inhoud. Weliswaar is het juist dat de Commissie, zoals het Gerecht in punt 128 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, op het tijdstip van de vaststelling van de litigieuze beschikking, te weten op 18 december 2002, gelet op de dubbelzinnige verklaringen van de Turkse autoriteiten, niet rechtsgeldig tot de slotsom had kunnen komen dat certificaat D 437214 een vervalsing was. Niettemin bleek deze slotsom wel objectief juist te zijn, zoals de brief van de Turkse autoriteiten van 22 augustus 2003 uiteindelijk bevestigde. Volgens de rechtspraak van de gemeenschapsrechter bestaat er geen rechtmatig belang bij nietigverklaring van een besluit wegens vormfouten ingeval de nietigverklaring van het besluit enkel zou kunnen leiden tot de vaststelling van een nieuw besluit dat ten gronde zou overeenkomen met het nietig verklaarde.(64) De beslissing van het Gerecht valt derhalve rechtens niet te betwisten.

173. Bijgevolg moet ook dit middel worden afgewezen.

8. Achtste middel: billijkheids- en risicoafweging

174. Zoals het Gerecht in punt 295 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, heeft de Commissie zich in de litigieuze beschikking niet uitgesproken over de kwestie van rekwirante’s zorgvuldigheid of de nalatigheid. Op grond daarvan heeft het Gerecht vastgesteld dat het argument van rekwirante dat zij niet kennelijk nalatig was geweest, onwerkzaam is en dus moest worden afgewezen.

175. Voor zover rekwirante betoogt dat het Gerecht in zoverre ten onrechte heeft nagelaten een billijkheids- en risicoafweging te maken, kan haar argument niet worden aanvaard, omdat het Gerecht daartoe geenszins rechtens verplicht was.

176. Zoals rekwirante in de punten 257 en 258 van haar verzoekschrift in hogere voorziening zelf erkent, wordt het vertrouwen van marktdeelnemers in de geldigheid van invoervergunningen die naderhand vals blijken te zijn, door het gemeenschapsrecht in de regel niet beschermd, maar wordt geacht deel uit te maken van het algemene bedrijfsrisico.(65) De gemeenschapswetgever heeft met artikel 904, sub c, CDW-uitvoeringsverordening reeds een duidelijk risicoafweging gemaakt waaraan de gemeenschapsrechter bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht is gebonden.

177. Voor zover rekwirante uit de rechtspraak van de gemeenschapsrechter afleidt dat de Commissie een algemene billijkheids- en risicoafweging had moeten maken, kan zij zich juist niet op de door haar aangevoerde rechtspraak baseren. In het door haar aangevoerde arrest Bonn Fleisch(66) was er sprake van onrechtmatig handelen zowel van de douaneautoriteiten van een lidstaat als van de Commissie bij de eerbiediging van haar zorgvuldigheidsplichten, waarvoor in casu elk aanknopingspunt ontbreekt.(67) Hetzelfde geldt voor het aangevoerde arrest Eyckeler & Malt.(68)

178. Bijgevolg moet ook dit middel kennelijk ongegrond worden verklaard.

9. Negende middel: schending van artikel 220, lid 2, sub b, CDW

179. Met haar negende middel voert rekwirante schending aan van artikel 220, lid 2, sub b, CDW, dat de boeking achteraf (navordering) om redenen van bescherming van het vertrouwen en van rechtszekerheid beperkt.(69) Dit voorschrift beoogt de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan.(70)

180. Deze bepaling stelt de niet-navordering door de nationale autoriteiten afhankelijk van drie cumulatieve voorwaarden. Wanneer aan die drie voorwaarden is voldaan, kan de belastingschuldige aanspraak maken op niet-navordering.(71). Allereerst moet de niet-heffing van de rechten te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf. Vervolgens moet hun vergissing van dien aard zijn dat zij door een belastingschuldige te goeder trouw, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, niet redelijkerwijs kon worden ontdekt. Ten slotte moet hij aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan.(72)

181. Partijen zijn het in wezen oneens over het begrip „vergissing”. Rekwirante gaat ervan uit dat in casu aan de voorwaarde daarvoor is voldaan. Zij verwijt het Gerecht dat het geen rekening heeft gehouden met de actieve medewerking van de Turkse douaneautoriteiten bij de afgifte en het gebruik van de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten.

182. Dit argument kan om juridische en feitelijke redenen niet worden aanvaard.

183. Om te beginnen moet in aanmerking worden genomen dat de indiening te goeder trouw van vervalsingen van officiële documenten, wat in het bijzonder bij vervalste preferentiecertificaten mogelijk is, rechtens geen „vergissing” in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, CDW kan opleveren.(73) De rechtspraak van het Hof vereist voor een dergelijke „vergissing” immers dat er sprake is van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten en dat deze gedraging de oorzaak van hun vergissing is.(74)

184. Op basis van deze rechtspraak kan mijns inziens het rechtsbegrip „vergissing” in die zin van het rechtsbegrip „vervalsing” worden afgebakend dat het eerste dwingend een (zij het ook objectief onjuist) handelen van de douaneautoriteiten binnen het kader van hun bevoegdheden veronderstelt(75), terwijl een „vervalsing” in beginsel een opzettelijk handelen door een onbevoegde derde impliceert.(76) Daarmee wordt duidelijk dat beide begrippen betrekking hebben op fundamenteel verschillende feitelijke situaties.

185. Bijgevolg kunnen schuldenaren die zich te goeder trouw op vervalste preferentiecertificaten baseren, welke niet door de bevoegde autoriteiten van een derde staat zijn afgegeven, geen aanspraak op bescherming van het vertrouwen volgens deze bepaling doen gelden.(77) Deze opvatting komt overeen met de rechtspraak van het Hof betreffende de werkingssfeer van deze bepaling. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof betreffende de kwijtschelding of terugbetaling van invoerrechten volgens artikel 239 CDW, is ook in het kader van de boeking achteraf in de zin van artikel 220 CDW aanvaard dat vervalste preferentiecertificaten deel uitmaken van het bedrijfsrisico, waartegen de importeur zelf de nodige voorzorgen moet nemen.(78) Het feit dat de importeur te goeder trouw is, bevrijdt hem niet van zijn aansprakelijkheid voor de betaling van de douaneschuld, aangezien hij degene is die de ingevoerde goederen heeft aangegeven. Voor de betaling van de rechten en voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-instanties voorgelegde documenten is de importeur zelf aansprakelijk, ook wanneer hij de schade niet meer kan verhalen.(79) Voor eventuele insolventie ten gevolge van het feit dat douanerechten niet worden kwijtgescholden is derhalve in beginsel alleen de importeur verantwoordelijk. De omvang van de schuld waarvan om kwijtschelding is verzocht, is op zich ook geen element dat invloed heeft op de beoordeling van de voorwaarden waarvan deze kwijtschelding afhangt.(80) Daarentegen kan van de Gemeenschap niet worden verlangd dat zij de schadelijke gevolgen van onrechtmatige gedragingen van derden moet dragen.

186. Deze rechtspraak kan op het onderhavige geval worden toegepast. In dit verband zij verwezen naar de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, waarbij het geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dat het bij de 32 litigieuze A.TR.1-certificaten om vervalsingen gaat, die zonder medewerking van de Turkse autoriteiten zijn vervaardigd. Gelet op het ontoereikende bewijs van rekwirante was er voor het Gerecht geen reden om uit te gaan van een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten bij de opstelling van de vervalsingen. In zoverre kon het Gerecht het derde middel terecht ongegrond verklaren.

187. Artikel 220, lid 2, sub b, CDW is door het bestreden arrest niet geschonden, zodat ook het negende middel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

V — Resultaat van het onderzoek

188. Gelet op een en ander is de hogere voorziening ongegrond. Zij moet derhalve in haar geheel worden afgewezen.

VI — Kosten

189. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.

VII — Conclusie

190. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:

  • de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen, en

  • rekwirante te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten in eerste aanleg.