Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 december 2008.

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 december 2008.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
4 december 2008

Uitspraak

Arrest van het Hof (Eerste kamer)

4 december 2008(*)

"Verordening (EG) nr. 800/1999 - Restituties bij uitvoer voor landbouwproducten - Artikel 16 - Gedifferentieerde restitutie - Bewijs van vervulling van douaneformaliteiten voor invoer - Overlegging van kopie of fotokopie van vervoersdocument - Verordening (EG) nr. 1501/95 - Toekenning van uitvoerrestituties in graansector - Artikel 13 - Afwijking van artikel 16 van verordening nr. 800/1999"

Glencore Grain Rotterdam BV

tegen

Hauptzollamt Hamburg-Jonas,

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), A. Tizzano, E. Levits en J.-J. Kasel, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 juni 2008,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Glencore Grain Rotterdam BV, vertegenwoordigd door L. Harings en C. Bittner, Rechtsanwälte,

    • het Hauptzollamt Hamburg-Jonas, vertegenwoordigd door G. Seber als gemachtigde,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Schieferer en F. Erlbacher als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 september 2008,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft (PB L 147, blz. 7), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1259/97 van de Commissie van 1 juli 1997 (PB L 174, blz. 10; hierna: „verordening nr. 1501/95”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Glencore Grain Rotterdam BV (hierna: „Glencore”) en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: „Hauptzollamt”) betreffende het recht op restitutie voor een naar Rusland uitgevoerde partij van 3 041 886 kg rogge.

Toepasselijke bepalingen

Verordening (EEG) nr. 3665/87

3 De derde en de twaalfde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), luidden als volgt:

  • „Overwegende dat krachtens de door de Raad vastgestelde algemene regels de restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd; dat, om een uniforme interpretatie van het begrip uitvoer uit de Gemeenschap te verkrijgen, als maatstaf dient te worden genomen het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap door het product;

  • […]

  • Overwegende dat, wanneer de restitutievoet naargelang van de bestemming van de producten verschilt, men zich ervan dient te vergewissen dat het product in het derde land of in één van de derde landen waarvoor de restitutie werd voorzien is ingevoerd; […]”

  • 4 Volgens artikel 1, zevende streepje, van verordening nr. 3665/87 werden „[o]nverminderd afwijkende bepalingen van de bijzondere communautaire regelingen voor bepaalde producten” in deze verordening gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor het stelsel van uitvoerrestituties voor granen.

    5 De bepalingen inzake gedifferentieerde uitvoerrestituties bevonden zich in de artikelen 16 tot en met 21 van deze verordening.

    6 Artikel 18 van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2955/94 van de Commissie van 5 december 1994 (PB L 312, blz. 5; hierna: „verordening nr. 3665/87”), bepaalde:

    „1.

    Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:

    1. het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan; die kopie of fotokopie moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die het origineel heeft geviseerd, de officiële diensten van het betrokken derde land, de officiële diensten van een van de lidstaten in het betrokken derde land of een met de betaling van de restitutie belast orgaan;

    2. een verklaring van lossing en invoer, opgesteld door een op internationaal vlak in controle en toezicht gespecialiseerde firma die is erkend door een lidstaat. De datum en het nummer van het douanedocument voor invoer moeten op de verklaring worden vermeld.

    2.

    Indien de exporteur, na daartoe de nodige stappen te hebben ondernomen, het overeenkomstig lid 1, sub a of b, gekozen document niet kan verkrijgen of indien er twijfels bestaan over de authenticiteit van het overgelegd document, kan het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, worden geacht te zijn geleverd door overlegging van één of meer van de volgende documenten:

    […]

    3.

    De exporteur legt in alle gevallen een kopie of fotokopie van het vervoersdocument over.

    4.

    De Commissie kan volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG [van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025)] en de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten bepalen dat in nader vast te stellen bijzondere gevallen het bewijs van invoer als bedoeld in de leden 1 en 2 door overlegging van een bijzonder document of anderszins kan worden geleverd.”

    7 Verordening nr. 3665/87 is per 1 juli 1999 ingetrokken en vervangen bij verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11, en rectificatie PB L 180, blz. 53).

    Verordening nr. 800/1999

    8 De punten 1, 2 en 17 van de considerans van verordening nr. 800/1999 luiden als volgt:

  • „(1) Overwegende dat verordening (EEG) nr. 3665/87 […] herhaaldelijk en ingrijpend is gewijzigd; dat, nu nieuwe wijzigingen nodig zijn, van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt om die verordening duidelijkheidshalve om te werken;

  • (2) Overwegende dat krachtens de door de Raad vastgestelde algemene regels de restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd; dat, wanneer voor alle derde landen dezelfde restitutie geldt, het recht op de restitutie in beginsel is verworven zodra de producten de markt van de Gemeenschap hebben verlaten; dat, indien de restitutie naar de bestemming van de producten is gedifferentieerd, het recht op de restitutie aan de invoer in een derde land is gekoppeld;

  • […]

  • (17) Overwegende dat, wanneer de restitutie naar de bestemming van de uitgevoerde producten is gedifferentieerd, het bewijs moet worden geleverd dat het betrokken product in een derde land is ingevoerd; dat de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer met name bestaat in het betalen van de invoerrechten die gelden om het product op de markt van het betrokken derde land te kunnen afzetten; dat, gezien de uiteenlopende situaties die in de derde landen van invoer bestaan, de overlegging dient te worden aanvaard van de op de invoer betrekking hebbende douanedocumenten die een garantie van de aankomst ter bestemming van de uitgevoerde producten bieden en tegelijk kunnen worden verkregen op een wijze die het handelsverkeer zo weinig mogelijk belemmert”.

  • 9 Volgens artikel 1, negende streepje, van verordening nr. 800/1999 worden „[o]nverminderd afwijkende bepalingen in bijzondere Gemeenschapsregelingen voor bepaalde producten” in deze verordening gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor het stelsel van uitvoerrestituties voor granen.

    10 De algemene bepalingen inzake het recht op restitutie bij uitvoer bevinden zich in de artikelen 3 tot en met 13 van dezelfde verordening en de bepalingen inzake gedifferentieerde uitvoerrestituties zijn vastgelegd in de artikelen 14 tot en met 19 van die verordening.

    11 Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 800/1999 wordt „[i]n geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutie naargelang van de bestemming […] de restitutie slechts betaald indien de in de artikelen 15 en 16 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld”.

    12 Artikel 15, leden 1 en 3, van deze verordening bepaalt:

    „1.

    Het product moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd; […]

    […]

    3.

    Het product wordt geacht te zijn ingevoerd wanneer de douaneformaliteiten bij invoer in het derde land, en met name de douaneformaliteiten voor de inning van de rechten bij invoer in dit land, zijn vervuld.”

    13 Artikel 16, leden 1 tot en met 4, van deze verordening luidt:

    „1.

    Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:

    1. het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan; die kopie of fotokopie moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die het origineel heeft geviseerd, de officiële diensten van het betrokken derde land, de officiële diensten van een van de lidstaten in het betrokken derde land of een met de betaling van de restitutie belast orgaan;

    2. een verklaring van lossing en invoer, opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die overeenkomstig de in lid 5 vermelde minimumvoorwaarden is erkend door een lidstaat. De datum en het nummer van het douanedocument voor invoer moeten op de verklaring worden vermeld.

    2.

    Indien de exporteur, na daartoe de nodige stappen te hebben ondernomen, het overeenkomstig lid 1, sub a of b, gekozen document niet kan verkrijgen of indien er twijfel bestaat over de authenticiteit van het overgelegde document, kan het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, worden geacht te zijn geleverd door overlegging van één of meer van de volgende documenten:

    […]

    3.

    De exporteur moet in alle gevallen een kopie of fotokopie van het vervoersdocument overleggen.

    4.

    De Commissie kan volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG en de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening, bepalen dat in nader vast te stellen bijzondere gevallen het bewijs van de invoer als bedoeld in de leden 1 en 2 door overlegging van een bijzonder document of anderszins kan worden geleverd.”

    14 Zoals is opgemerkt in punt 7 van het onderhavige arrest, is verordening nr. 3665/87 ingetrokken en vervangen bij verordening nr. 800/1999. Artikel 54, lid 2, van verordening nr. 800/1999 bepaalt dat in alle besluiten van de Gemeenschap waarin naar verordening nr. 3665/87 of naar bepaalde artikelen van die verordening wordt verwezen, deze verwijzing moet worden beschouwd als een verwijzing naar verordening nr. 800/1999 of de overeenkomstige artikelen van dezelfde verordening. Uit bijlage I bij verordening nr. 800/1999 blijkt dat artikel 18 van verordening nr. 3665/87 overeenkomt met artikel 16 van verordening nr. 800/1999.

    15 Overeenkomstig artikel 55, tweede alinea, van verordening nr. 800/1999 is deze verordening met ingang van 1 juli 1999 van toepassing.

    Verordening nr. 1501/95

    16 De veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1501/95 luidt als volgt:

  • „Overwegende dat op grond van verordening (EEG) nr. 3665/87 […] bij differentiëring van de restitutie naar bestemming, de restitutie eerst wordt betaald na overlegging van het bewijs dat het product in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat is ingevoerd; dat in de graansector alleen voor Zwitserland en Liechtenstein een lagere uitvoerrestitutie is vastgesteld dan voor de overige derde landen; dat, om het grootste deel van de uitvoer van de Gemeenschap niet te hinderen door een bewijs van aankomst per bestemming te eisen, met andere middelen dient te worden gewaarborgd dat producten waarvoor de restitutie ‚alle derde landen’ is verleend, ook naar die landen worden uitgevoerd; dat daartoe van de overlegging van een bewijs van aankomst dient te worden afgezien telkens wanneer de uitvoer over zee geschiedt; dat een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten dat de producten, na in een zeewaardig schip te zijn geladen, het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, kan worden aangemerkt als de nodige garantie ter zake te bieden”.

  • 17 Artikel 13 van verordening nr. 1501/95 bepaalt:

    „In afwijking van artikel 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87 is het bewijs dat de douaneformaliteiten met het oog op de invoer ten verbruik zijn vervuld, niet vereist voor de betaling van de in het raam van een inschrijving vastgestelde restitutie, wanneer de handelaar het bewijs levert dat [minstens 1 500 ton graanproducten] het douanegebied van de Gemeenschap in een zeewaardig vaartuig heeft verlaten.

    Dit bewijs wordt geleverd door op het in artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde controle-exemplaar, het enig document of het nationale document waaruit blijkt dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, onderstaande, door de bevoegde autoriteit gewaarmerkte vermelding aan te brengen:

    […]

    ‚Uitvoer van graan over zee — Verordening (EG) nr. 1501/95, artikel 13’

    […]”

    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

    18 Op 30 december 1999 heeft Glencore gevraagd om douanetoezicht voor de uitvoer van in totaal 6 725 000 kg rogge naar Polen. Het bevoegde douanekantoor heeft aan dat verzoek gevolg gegeven, Glencore een uitvoeraangifte toegezonden en toestemming gegeven voor de tijdelijke opslag van de waren in afwachting van de uitvoer.

    19 In de loop van februari 2000 heeft Glencore gevraagd om definitief douanetoezicht voor de uitvoer van genoemde waren naar Rusland, via de Litouwse haven Klaipeda, in drie partijen van respectievelijk 3 041 886 kg, 3 002 975 kg en 668 709 kg. Daarvoor heeft het douanekantoor uitvoeraangiftes opgesteld met de in artikel 13, tweede alinea, van verordening nr. 1501/95 genoemde vermelding.

    20 Vaststaat dat de partij van 3 041 886 kg, die als enige voorwerp van het hoofdgeding is, van Lübeck in Duitsland naar Klaipeda is vervoerd op een zeewaardig schip.

    21 Op verzoek van Glencore heeft het Hauptzollamt de uitvoerrestitutie voor die partij overeenkomstig artikel 24 van verordening nr. 800/1999 vooruitbetaald, onder het voorbehoud dat het recht op de restitutie werkelijk ontstond en met inachtneming van de voorgeschreven vorm en binnen de gestelde termijn werd aangetoond.

    22 Aangezien het Hauptzollamt van oordeel was dat Glencore op grond van artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 het vervoersdocument voor het vervoer van Lübeck naar de plaats van bestemming in Rusland, te weten Nazran, moest overleggen, maar vaststelde dat zij enkel het cognossement voor het vervoer van Lübeck naar Klaipeda had ingediend, heeft het bij brief van 2 augustus 2000 dringend verzocht om een kopie van het vervoersdocument voor het verdere vervoer van Klaipeda naar Nazran.

    23 Daar Glencore die kopie niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd, heeft het Hauptzollamt bij besluit van 12 december 2001, zoals gewijzigd bij besluit van 1 maart 2004, terugbetaling van de vooruitbetaalde uitvoerrestitutie gevorderd, vermeerderd met 10 %, op grond van artikel 52, lid 1, juncto artikel 25, lid 1, van verordening nr. 800/1999.

    24 Glencore heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg.

    25 Zij stelt in wezen dat artikel 16 van verordening nr. 800/1999, met inbegrip van lid 3 ervan, door de bepalingen van verordening nr. 1501/95 buiten werking is gesteld, zoals met name blijkt uit de veertiende overweging van de considerans van de laatstgenoemde verordening. Aangezien zij het door artikel 13 van verordening nr. 1501/95 verlangde bewijs heeft geleverd, vervult zij de voorwaarden voor de toekenning van de restitutie.

    26 Het Hauptzollamt betoogt dat volgens artikel 13 van verordening nr. 1501/95 het bewijs dat minstens 1 500 ton graanproducten het douanegebied van de Gemeenschappen hebben verlaten in een zeewaardig schip, alleen dient ter vervanging van het bewijs dat de douaneformaliteiten zijn vervuld. De exporteur wordt echter niet ontslagen van de verplichting tot overlegging van een kopie van het vervoersdocument, dat op grond van artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 in alle gevallen dient te worden overgelegd.

    27 De verwijzende rechter vraagt zich af of artikel 13 van verordening nr. 1501/95, dat de exporteur onder de daarin gestelde voorwaarden ontslaat van de verplichting te bewijzen dat de douaneformaliteiten zijn vervuld, aldus moet worden uitgelegd dat de exporteur eveneens wordt ontslagen van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 vastgelegde verplichting om een kopie van het vervoersdocument over te leggen.

    28 Van oordeel dat het een uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1501/95 nodig heeft om het voor hem aanhangige geschil te beslechten, heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

    „Dient artikel 13 van verordening (EG) nr. 1501/95 aldus te worden uitgelegd dat bij overlegging van het in de tweede alinea ervan omschreven bewijs niet alleen dient te worden afgezien van het bewijs dat de douaneformaliteiten met het oog op de invoer ten verbruik zijn vervuld, maar ook van de overlegging van het vervoersdocument [artikel 18, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87, thans artikel 16, lid 3, van verordening (EG) nr. 800/1999]?”

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    29 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13 van verordening nr. 1501/95 aldus moet worden uitgelegd dat de levering door de handelaar van het bewijs dat minstens 1 500 ton graanproducten het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten in een zeewaardig vaartuig, hem ontslaat van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 vastgelegde verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen.

    30 Zowel op de datum waarop verordening nr. 1501/95 in de oorspronkelijke versie is vastgesteld, als op de datum waarop artikel 13 daarvan is gewijzigd bij verordening nr. 1259/97, was dit artikel bedoeld om te voorzien in een afwijking van artikel 18 van verordening nr. 3665/87.

    31 Onder deze omstandigheden moet, om na te gaan of de gemeenschapswetgever, door verordening nr. 1501/95 in de oorspronkelijke versie vast te stellen en vervolgens artikel 13 ervan te wijzigen, de exporteurs heeft willen ontslaan van de verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen, dit artikel in de eerste plaats worden uitgelegd in het licht van het bepaalde in artikel 18 van verordening nr. 3665/87.

    32 Ten eerste wordt in artikel 18 van verordening nr. 3665/87 een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verplichting om te bewijzen dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld, die het voorwerp van de leden 1 en 2 vormt, en de verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen, die is vastgelegd in lid 3 daarvan.

    33 In dit verband moet worden benadrukt dat het vervoersdocument geen douanedocument is en derhalve niet kan worden beschouwd als bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land van bestemming zijn vervuld.

    34 Vastgesteld moet echter worden dat artikel 13 van verordening nr. 1501/95 de exporteur uitsluitend ontslaat van de verplichting om het bewijs te leveren dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld.

    35 Ondanks het feit dat artikel 13 van verordening nr. 1501/95 begint met de woorden „[i]n afwijking van artikel 18 van verordening (EEG) nr. 3665/87”, moet het derhalve aldus worden uitgelegd dat het uitsluitend afwijkt van artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87.

    36 Ten tweede volgt uit artikel 18, lid 4, van verordening nr. 3665/87 dat de Commissie volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG en de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening, kan bepalen dat in nader vast te stellen bijzondere gevallen het bewijs van de invoer als bedoeld in de leden 1 en 2 door overlegging van een bijzonder document of anderszins kan worden geleverd.

    37 De gemeenschapswetgever heeft daarentegen niet voorzien in een mogelijkheid om af te wijken van de afzonderlijke verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen, die is neergelegd in artikel 18, lid 3, van verordening nr. 3665/87.

    38 Toen de verordeningen nrs. 1501/95, in haar oorspronkelijke versie, en 1259/97 werden vastgesteld, was artikel 23 van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21), de relevante, met artikel 38 van verordening nr. 136/66 overeenkomende bepaling. Bij dat artikel werd een procedure ingevoerd die voorzag in de tussenkomst van het Comité van beheer voor granen.

    39 Zowel verordening nr. 1501/95, in haar oorspronkelijke versie, als verordening nr. 1259/97 is vastgesteld overeenkomstig de in dat artikel neergelegde procedure, zoals blijkt uit de laatste overweging van hun respectieve considerans, volgens welke de in deze verordeningen vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor granen. Blijkbaar zijn deze verordeningen dus vastgesteld krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 3665/87.

    40 Het stemt dus overeen met het bepaalde in artikel 18, lid 4, van verordening nr. 3665/87 om artikel 13 van verordening nr. 1501/95 aldus uit te leggen dat het uitsluitend afwijkt van de leden 1 en 2 van dat artikel 18.

    41 Ten derde strookt de voorgaande uitlegging met het doel van artikel 13 van verordening nr. 1501/95.

    42 Zoals blijkt uit de veertiende overweging van de considerans van deze verordening, bestaat het doel van dat artikel erin, het grootste deel van de uitvoer van de Gemeenschap niet onnodig te hinderen door van de exporteur het bewijs te verlangen dat het product is ingevoerd in een ander derde land dan Zwitserland of Liechtenstein, en daarom onder bepaalde voorwaarden genoegen te nemen met het bewijs dat het product niet is uitgevoerd naar Zwitserland of Liechtenstein.

    43 Tussen de douanedocumenten die worden vereist in artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87, en het vervoersdocument dat wordt vereist in lid 3 van hetzelfde artikel, bestaat echter een verschil, aangezien het voor de exporteurs moeilijk kan blijken om de douanedocumenten van de autoriteiten van het derde land van invoer te verkrijgen omdat zij geen enkele druk op die autoriteiten kunnen uitoefenen, terwijl dergelijke moeilijkheden zich bij de vervoerdocumenten niet kunnen voordoen omdat de exporteur in het geval van verkoop c.i.f. als ladingbelanghebbende een kopie daarvan behoudt, dan wel in het geval van verkoop f.o.b. gemakkelijk een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de koper kan vragen uit hoofde van de tussen hen bestaande contractuele betrekking (zie in die zin arrest van 12 juli 1990, Philipp Brothers, C-155/89, Jurispr. blz. I-3265, punt 27).

    44 Het lijkt dus overeen te stemmen met het doel van artikel 13 van verordening nr. 1501/95 om de exporteurs te ontslaan van de verplichting om het bewijs te leveren dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land van bestemming zijn vervuld, gelet op de moeilijkheden die zij kunnen ondervinden bij de levering van dat bewijs, maar van hen te blijven verlangen dat zij een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument overleggen, waarbij dergelijke moeilijkheden zich niet voordoen.

    45 Gelet op het feit dat de overlegging door een exporteur van het vervoersdocument van de waren die hij uitvoert, altijd nuttig is om het risico van fraude te beperken, en dat een exporteur dat document zonder bijzondere moeilijkheden kan verkrijgen, is de verplichting tot overlegging van een kopie of een fotokopie van dat document om aanspraak te kunnen maken op een gedifferentieerde uitvoerrestitutie, ook in de feitelijke omstandigheden waarin artikel 13 van verordening nr. 1501/95 moet worden toegepast — anders dan Glencore stelt — niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

    46 In de tweede plaats is de bovenstaande uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1501/95 nog steeds geldig na de vervanging van de verwijzing naar artikel 18 van verordening nr. 3665/87 in dat artikel door een verwijzing naar artikel 16 van verordening nr. 800/1999.

    47 Artikel 16 van verordening nr. 800/1999 herhaalt immers in wezen de inhoud van artikel 18 van verordening nr. 3665/87.

    48 In de derde plaats wordt bovenstaande uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1501/95 bevestigd door de andere verordeningen die zijn vastgesteld krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 3665/87 — zoals verordening (EEG) nr. 2669/89 van de Commissie van 1 september 1989 inzake een openbare inschrijving voor de gratis verstrekking van olijfolie aan Polen (PB L 257, blz. 20) –, of krachtens artikel 16, lid 4, van verordening nr. 800/1999 — zoals verordening (EG) nr. 40/2004 van de Commissie van 9 januari 2004 betreffende het in artikel 16 van verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde bewijs dat de douaneformaliteiten voor de invoer van suiker in een derde land zijn vervuld (PB L 6, blz. 17), en de verordeningen die daarop zijn gevolgd, of verordening (EG) nr. 450/2005 van de Commissie van 18 maart 2005 inzake het overeenkomstig artikel 16 van verordening (EG) nr. 800/1999 te leveren bewijs dat de douaneformaliteiten voor de invoer van melk en zuivelproducten in derde landen zijn vervuld (PB L 74, blz. 30).

    49 Afgezien van redactionele verschillen ontslaat geen van deze verordeningen de exporteur immers van de verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen.

    50 Derhalve moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 13 van verordening nr. 1501/95 aldus moet worden uitgelegd dat de handelaar door de levering van het bewijs dat minstens 1 500 ton graanproducten het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten in een zeewaardig vaartuig, niet wordt ontslagen van de in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 neergelegde verplichting om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen.

    Kosten

    51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 13 van verordening (EG) nr. 1501/95 van de Commissie van 29 juni 1995 tot vaststelling van enkele toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad voor wat de toekenning, in de graansector, van uitvoerrestituties en van bij verstoring van de graanmarkt te treffen maatregelen betreft, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1259/97 van de Commissie van 1 juli 1997, moet aldus worden uitgelegd dat de handelaar door de levering van het bewijs dat minstens 1 500 ton graanproducten het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten in een zeewaardig vaartuig, niet wordt ontslagen van de verplichting die is neergelegd in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, om een kopie of een fotokopie van het vervoersdocument over te leggen.

    ondertekeningen