„Deze richtlijn is enkel van toepassing op stookinstallaties die bestemd zijn voor de opwekking van energie, met uitzondering van die welke de verbrandingsproducten rechtstreeks in productieprocédés gebruiken. Deze richtlijn is met name niet van toepassing op de volgende verbrandingsinstallaties:
-
installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor directe verwarming, droging of enige andere behandeling van voorwerpen of materialen, bijvoorbeeld herverhittingsovens en ovens voor warmtebehandeling;
-
naverbrandingsinstallaties, dat wil zeggen technische voorzieningen voor de zuivering van rookgassen door verbranding, die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;
-
installaties voor het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;
-
installaties om zwavelwaterstof om te zetten in zwavel;
-
in de chemische industrie gebruikte reactoren;
-
cokesbatterijovens;
-
windverhitters van hoogovens;
-
technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;
-
gasturbines die op offshore-platforms worden gebruikt;
-
gasturbines die vóór 27 november 2002 een vergunning hebben gekregen of waarvoor, vóór 27 november 2002, naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunning is aangevraagd, mits de installatie niet later dan 27 november 2003 in gebruik genomen wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 1, en bijlage VIII(A) en (B).