Home

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 september 2009.

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 september 2009.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
10 september 2009

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede kamer)

10 september 2009(*)

"Niet-nakoming - Ontvankelijkheid - Behoud van vogelstand - Richtlijn 79/409/EEG - Lentejacht - Verbod - Afwijking van beschermingsregeling - Voorwaarde inzake ontbreken van andere bevredigende oplossing - Gewettigd vertrouwen"

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Recchia, D. Lawunmi en P. Oliver als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster, tegen

Republiek Malta, vertegenwoordigd door S. Camilleri en D. Mangion als gemachtigden, bijgestaan door J. Bouckaert, advocaat,

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-C. Bonichot (rapporteur), P. Kūris, L. Bay Larsen en C. Toader, rechters,

advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 mei 2009,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Malta, door sinds 2004 het openen van de jacht op de kwartel (coturnix coturnix) en de tortelduif (streptopelia turtur) tijdens de voorjaarstrek te hebben toegestaan, zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1), zoals gewijzigd, voor de jaren 2004 tot en met 2006, bij verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad van (PB L 122, blz. 36), en, voor het jaar 2007, bij richtlijn 2006/105/EG van de Raad van (PB L 363, blz. 368; hierna in beide gevallen „richtlijn”), de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Toepasselijke bepalingen

2 Overeenkomstig artikel 1 ervan streeft de richtlijn naar de bescherming, het beheer en de regulering van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het EG-Verdrag van toepassing is en stelt zij regels voor de exploitatie daarvan.

3 De elfde overweging van de considerans van de richtlijn preciseert dat op sommige soorten jachtactiviteiten kunnen worden uitgeoefend vanwege hun populatieniveau, geografische verspreiding of de omvang van hun voortplanting in de gehele Gemeenschap, hetgeen een toelaatbare vorm van exploitatie is, waarbij deze jachtactiviteiten in overeenstemming dienen te zijn met het handhaven van de populatie van deze soorten op een bevredigend niveau, voor zover bepaalde beperkingen worden vastgesteld en in acht genomen.

4 Artikel 2 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de populatie van de in artikel 1 bedoelde vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen, waarbij zij tevens rekening houden met economische en recreatieve eisen.

5 Artikel 5 van de richtlijn verplicht de lidstaten ook om een algemene beschermingsregeling in te voeren die in het bijzonder het verbod omvat om de in artikel 1 bedoelde vogels te doden, te vangen of te storen en hun nesten te vernielen. Deze verplichting geldt echter onverminderd de artikelen 7 en 9 van de richtlijn.

6 Artikel 7 van de richtlijn luidt:

„1.

Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de hele Gemeenschap, worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving. De lidstaten zien erop toe dat de jacht op deze soorten de pogingen tot instandhouding die in hun verspreidingsgebied worden ondernomen, niet in gevaar brengt.

2.

Op de in bijlage II/1 genoemde soorten mag worden gejaagd in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is.

3.

Op de in bijlage II/2 genoemde soorten mag alleen worden gejaagd in de lidstaten waarbij deze soorten zijn vermeld.

4.

De lidstaten zien erop toe dat bij de beoefening van de jacht, eventueel met inbegrip van de valkenjacht, zoals deze voortvloeit uit de toepassing van de geldende nationale maatregelen, de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten in acht worden genomen, en dat deze beoefening wat de populatie van deze soorten, in het bijzonder van de trekvogels betreft, verenigbaar is met de uit artikel 2 voortvloeiende bepalingen. Zij zien er in het bijzonder op toe dat soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Ten aanzien van trekvogels zien zij er met name op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens de trek naar hun nestplaatsen. De lidstaten zenden de Commissie alle nuttige gegevens betreffende de praktische toepassing van hun jachtwetgeving.”

7 Op basis van artikel 9 zijn echter bepaalde afwijkingen mogelijk onder de volgende voorwaarden:

„1.

De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8:

[…]

  1. ten einde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

2.

In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld:

  • voor welke soorten mag worden afgeweken,

  • welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan,

  • onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen,

  • welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen,

  • welke controles zullen worden uitgevoerd.

3.

De lidstaten zenden de Commissie jaarlijks een verslag toe over de toepassing van dit artikel.

4.

In het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en met name van die welke haar krachtens lid 3 worden verstrekt, ziet de Commissie er voortdurend op toe dat de gevolgen van deze afwijkende maatregelen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn. Zij neemt in dat verband de nodige initiatieven.”

8 Bijlage II/2 bij de richtlijn, dat de soorten opsomt waarop in bepaalde lidstaten kan worden gejaagd, vermeldt de kwartel (coturnix coturnix) en de tortelduif (streptopelia turtur) bij de soorten waarop in Malta kan worden gejaagd.

Precontentieuze procedure

9 Van oordeel dat de Republiek Malta, door de jacht op de kwartel en de tortelduif tijdens hun voorjaarstrek in 2004 toe te staan, de krachtens de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, heeft de Commissie de procedure van artikel 226 EG ingeleid. Bij brief van 4 juli 2006 heeft de Commissie de Republiek Malta aangemaand haar opmerkingen daarover te maken en bij aanvullende aanmaningsbrief van heeft zij de draagwijdte van het beroep uitgebreid tot de volgende jaren, in de loop waarvan de jacht volgens haar onder dezelfde voorwaarden was toegestaan.

10 Bij brieven van 23 maart en 23 april 2007 hebben de Maltese autoriteiten betoogd dat was voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de in artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn bedoelde afwijking. Zij hebben in het bijzonder aangevoerd dat er geen „andere bevredigende oplossing” in de zin van deze bepaling bestond voor het openen van de jacht op de betrokken soorten tijdens het voorjaar, aangezien op het grondgebied van de Republiek Malta enkel op een zeer kleine hoeveelheid specimens van deze soorten kon worden gejaagd tijdens de herfstjacht.

11 De Maltese autoriteiten waren ook van mening dat de Commissie het voorwerp van de niet-nakoming niet kon uitbreiden tot de omstandigheid dat het openen van de jacht tijdens het voorjaar van de jaren 2005 tot en met 2007 was toegestaan zonder kennis te hebben genomen van de jaarverslagen over de toepassing van artikel 9 van de richtlijn die deze autoriteiten haar dienden over te leggen. Op 28 juni 2007 hebben zij de Commissie aanvullende informatie gestuurd over de trek van vogels in het Middellandse Zeegebied en in Malta in het bijzonder.

12 Niet overtuigd door deze antwoorden heeft de Commissie op 23 oktober 2007 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij de in haar twee aanmaningsbrieven geformuleerde bezwaren herhaalde en de betrokken lidstaat verzocht om de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden vanaf de ontvangst ervan aan dit advies te voldoen.

13 Bij brief van 31 december 2007 hebben de Maltese autoriteiten op dit met redenen omklede advies geantwoord en daarbij te kennen gegeven dat zij hun standpunt handhaafden.

14 Daarop heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.

Procedure voor het Hof

15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 februari 2008, heeft de Commissie de president van het Hof krachtens artikel 243 EG verzocht om de Republiek Malta te gelasten, de jacht op de kwartel en de tortelduif niet te openen in de lente van 2008.

16 Bij beschikking van 24 april 2008, Commissie/Malta (C-76/08 R), heeft de president van het Hof de Republiek Malta gelast, na te laten om op basis van artikel 9 van richtlijn 79/409 de jacht op de twee aan de orde zijnde soorten toe te staan tijdens de voorjaarstrek van 2008.

Beroep

Ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

17 De Republiek Malta betoogt dat het beroep van de Commissie in zijn geheel niet-ontvankelijk is, aangezien de Commissie het Hof in werkelijkheid verzoekt, op algemene wijze te constateren dat het openen van de lentejacht sinds 2004 in strijd is met artikel 9 van de richtlijn. Deze lidstaat benadrukt dat het verzoek van de Commissie, dat erop neerkomt dat de lentejacht op de twee betrokken vogelsoorten op zijn grondgebied definitief wordt verboden, artikel 9 van de richtlijn zijn nuttige werking ontneemt. Ter beantwoording van de vraag of aan de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel is voldaan, moet een beoordeling per geval worden verricht en de Commissie moet zich voor een bepaald jaar in het bijzonder baseren op het jaarverslag over de toepassing van artikel 9 dat de betrokken lidstaat haar op basis van artikel 9, lid 3, dient over te leggen.

18 Volgens de Republiek Malta is het beroep van de Commissie hoe dan ook niet-ontvankelijk voor zover het beoogt te doen vaststellen dat het gemeenschapsrecht niet is nagekomen omdat de lentejacht in 2007 is geopend, aangezien zij deze instelling het verslag over dit jaar nog niet heeft overgelegd. A fortiori is dit ook het geval voor de volgende jaren.

19 De Commissie is daarentegen van mening dat haar beroep ontvankelijk is. Zij preciseert dat het uitdrukkelijk betrekking heeft op het openen van de lentejacht in de jaren 2004 tot en met 2007, maar dat het daarentegen niet ziet op 2008, aangezien de Republiek Malta na de reeds aangehaalde beschikking Commissie/Malta heeft nagelaten om de lentejacht op de twee betrokken vogelsoorten toe te staan voor dat jaar.

20 De Commissie geeft toe dat pas antwoord kan worden gegeven op de vraag of artikel 9 van de richtlijn is nagekomen, wanneer de betrokken lidstaat van dit artikel gebruik heeft gemaakt. Zij is daarentegen van mening dat haar beroep niet pas dan ontvankelijk is wanneer de jaarverslagen die de lidstaten haar krachtens artikel 9, lid 3, dienen over te leggen, vooraf zijn onderzocht. Zij benadrukt dat zij, gelet op haar rol van hoedster van het Verdrag, alleen bevoegd is om te beslissen of het opportuun is om een niet-nakomingsprocedure in te leiden.

Beoordeling door het Hof

21 Met betrekking tot de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid waarop de Republiek Malta zich beroept, volgens welke de Commissie het Hof niet kan verzoeken om een algemene en voortdurende niet-nakoming van artikel 9 van de richtlijn te constateren omdat de nuttige werking van dit artikel daardoor zou worden aangetast, volgt zowel uit het met redenen omklede advies als uit de motivering van het verzoekschrift en van de repliek van de Commissie dat deze laatste het Hof niet verzoekt om de Republiek Malta op algemene wijze te verbieden om de beoefening van de lentejacht op de kwartel en de tortelduif toe te staan en dus het gebruik van de in artikel 9 van de richtlijn bedoelde afwijking definitief te verbieden, maar om te constateren dat deze lidstaat, door die beoefening elk jaar en onder dezelfde voorwaarden toe te staan in de jaren 2004 tot en met 2007, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

22 Met betrekking tot de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid waarop de Republiek Malta zich beroept, volgens welke de Commissie het Hof niet kan verzoeken om een niet-nakoming te constateren omdat het openen van de lentejacht voor de jaren 2007 en volgende is toegestaan, zonder dat zij kennis heeft genomen van de jaarverslagen over deze jaren, volstaat het vast te stellen dat artikel 9, lid 3, van de richtlijn niet tot gevolg heeft en overigens niet rechtmatig tot doel zou kunnen hebben gehad dat de Commissie pas een niet-nakomingsberoep kan instellen wanneer de betrokken lidstaat het daarin bedoelde jaarverslag heeft verstrekt. Integendeel, artikel 9, lid 4, van de richtlijn vereist dat de Commissie er in het licht van de inlichtingen waarover zij beschikt en „met name” van de in artikel 9, lid 3, bedoelde jaarverslagen, voortdurend op toeziet dat de gevolgen van het gebruik door de lidstaten van de in artikel 9, lid 1, toegestane afwijkingen niet onverenigbaar zijn met deze richtlijn.

23 Hoe dan ook zou bovendien, indien voor het inleiden van een niet-nakomingsprocedure door de Commissie de voorwaarde gold dat de betrokken lidstaat vooraf een verslag heeft overgelegd, afbreuk worden gedaan aan de rol die de Commissie vervult als hoedster van het Verdrag, welke rol inhoudt dat alleen de Commissie kan beslissen of het opportuun is om deze procedure in te leiden en om welke redenen deze moet worden ingeleid (zie met name in die zin arrest van 10 april 2003, Commissie/Duitsland, C-20/01 en C-28/01, Jurispr. blz. I-3609, punt 30).

24 Bijgevolg moeten de twee door de Republiek Malta aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.

Ten gronde

Argumenten van partijen

25 De Commissie wijst erop dat de kwartel en de tortelduif soorten zijn die in bijlage II bij de richtlijn zijn vermeld, zodat de lidstaten daarvoor de eisen van artikel 7, lid 4, van deze richtlijn moeten naleven. Zij preciseert dat dit in het bijzonder inhoudt dat de beoefening van de jacht verenigbaar moet zijn met artikel 2 van de richtlijn en niet mag plaatsvinden tijdens een periode waarin zij negatieve gevolgen zou hebben voor het behoud van de populatie van de betrokken vogels, in het bijzonder tijdens de periode waarin deze naar hun nestplaatsen terugkeren.

26 Volgens de Commissie voldoet het openen van de lentejacht op de kwartel en de tortelduif in Malta niet aan deze voorwaarden. De jacht op deze twee soorten tijdens de trek naar hun nestplaatsen is verboden op basis van artikel 7, lid 4, van de richtlijn. Bovendien is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 9 van deze richtlijn om van dit verbod af te wijken.

27 De Commissie voegt daaraan toe dat de lidstaat die van artikel 9, lid 1, van de richtlijn gebruik wenst te maken, dient te bewijzen dat de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling zijn vervuld (zie in die zin arrest van 12 juli 2007, Commissie/Oostenrijk, C-507/04, Jurispr. blz. I-5939, punt 198).

28 Na eraan te hebben herinnerd dat op basis van artikel 9, lid 1, van de richtlijn slechts kan worden afgeweken van het in artikel 7 van deze richtlijn neergelegde verbod op de jacht op treksoorten tijdens de trek naar hun nestplaatsen „indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat”, betoogt de Commissie dat dit in casu niet het geval is.

29 De Commissie herinnert eraan dat volgens de rechtspraak van het Hof een afwijkende jachtperiode niet zonder noodzaak mag samenvallen met de perioden waarin de richtlijn een bijzondere bescherming tot stand beoogt te brengen, en dat een dergelijke noodzaak met name ontbreekt wanneer deze maatregel enkel tot doel heeft de periode te verlengen waarin de soorten mogen worden bejaagd in gebieden waarin deze reeds voorkomen in de toegestane jachtperiode (zie in die zin arrest van 15 december 2005, Commissie/Finland, C-344/03, Jurispr. blz. I-11033, punt 33).

30 Wanneer de vogels waarop wordt gejaagd, aanwezig zijn — zij het in kleine hoeveelheid — in een periode van het jaar waarin de richtlijn de jacht toestaat, is bovendien niet voldaan aan de voorwaarde inzake het ontbreken van een andere bevredigende oplossing (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Commissie/Finland, punten 35, 38 en 42, en Commissie/Oostenrijk, punten 203 en 204).

31 Volgens de Commissie blijkt uit de jaarverslagen die de Republiek Malta voor de jaren 2004 en 2005 heeft overgelegd, dat zowel de tortelduif als de kwartel daadwerkelijk in Malta voorkwamen tijdens de herfstjacht in die jaren. Op basis van deze informatie is zij van mening dat dit ook het geval was voor de jaren 2006 en 2007.

32 De Commissie preciseert dat irrelevant is dat de vogels in de herfst slechts vliegen over een deel van het Maltese grondgebied, namelijk de Western Cliffs, aangezien dit deel van het grondgebied toegankelijk is voor jagers. Zij voegt daaraan toe dat de gebieden waarover wordt gevlogen, in casu liggen vlakbij de gebieden waarin de vogels in de lente voorkomen, dat kan worden gejaagd tijdens de trek en dat de jachtmogelijkheden in de herfst kunnen worden verbeterd door maatregelen voor het beheer van de habitats.

33 De Commissie betoogt bovendien dat de staat van instandhouding van de tortelduif en de kwartel ongunstig is en dat het openen van de lentejacht deze situatie erger maakt.

34 Deze instelling voert ook aan dat de Republiek Malta niet heeft aangetoond dat is voldaan aan de overige voorwaarden voor de toepassing van artikel 9, lid 1, van de richtlijn, die in artikel 9, lid 1, sub a tot en met c, zijn vermeld, in het bijzonder de omstandigheid dat slechts in „kleine hoeveelheden” op de betrokken soorten wordt gejaagd. Met betrekking tot deze laatste voorwaarde betoogt zij dat het aantal gedode vogels moet worden vergeleken met het totale jaarlijkse sterftecijfer.

35 De Commissie weerlegt het argument waarop de Republiek Malta zich in haar verweerschrift heeft beroepen, volgens hetwelk zij het gewettigde vertrouwen heeft geschonden dat zij tijdens de onderhandelingen over de toetreding van deze lidstaat heeft doen ontstaan met betrekking tot de mogelijkheid voor deze laatste om de jacht op de kwartel en de tortelduif op basis van artikel 9 van de richtlijn toe te staan tijdens het voorjaar. Zij betoogt dat zij zich geenszins in die zin heeft verbonden tegenover deze lidstaat.

36 De Republiek Malta voert aan dat de richtlijn niet beoogt de soorten absolute bescherming te bieden en elk gebruik of elke exploitatie totaal te verbieden, maar tot doel heeft, de vogelpopulaties op een bevredigend niveau te behouden. Deze lidstaat verwijst in het bijzonder naar de artikelen 2, 7 en 9, lid 1, sub c, van de richtlijn, naar het op 19 september 1979 te Bern ondertekende Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, dat namens de Gemeenschap is gesloten bij besluit 82/72/EEG van de Raad van (PB 1982, L 38, blz. 1), en naar het op te Bonn ondertekende Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, dat namens de Gemeenschap is gesloten bij besluit 82/461/EEG van de Raad van (PB L 210, blz. 10).

37 Volgens de Republiek Malta voldoet het openen van de lentejacht op de kwartel en de tortelduif op haar grondgebied aan de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de richtlijn.

38 Deze lidstaat herinnert eraan dat het Hof in het arrest van 16 oktober 2003, Ligue pour la protection des oiseaux e.a. (C-182/02, Jurispr. blz. I-12105, punt 9), heeft geoordeeld dat de beoefening van de jacht op basis van artikel 9, lid 1, van de richtlijn kan zijn toegestaan in perioden waarin deze in beginsel verboden is. Hij preciseert dat er in casu geen „andere bevredigende oplossing” in de zin van deze bepaling bestaat. Het voorjaar kan per definitie niet worden geacht het najaar te verlengen. Bovendien doelt de voorwaarde inzake het ontbreken van een andere bevredigende oplossing niet op het ontbreken van ieder alternatief, maar op het ontbreken van een aanvaardbare oplossing die voldoende geschikt is voor het nagestreefde doel, namelijk in casu het vangen en een verstandig gebruik van vogels in kleine hoeveelheden mogelijk maken, waarbij een gevestigde traditie wordt behouden.

39 Die lidstaat betoogt dat het openen van de jacht op de twee betrokken soorten in de herfst geen bevredigende oplossing vormt, gelet op het aantal trekvogels in deze tijd van het jaar en op de omstandigheden zelf waaronder deze over de betrokken eilanden vliegen, die het enkel mogelijk maken om een verwaarloosbare hoeveelheid ervan te vangen. Hij verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Finland (punten 35 en 41) heeft geoordeeld.

40 De Republiek Malta voegt daaraan toe dat deze situatie dus verschilt van die in het reeds aangehaalde arrest Commissie/Oostenrijk, waarin klimatologische omstandigheden aan de orde waren, en zij betoogt dat gelet op haar bijzondere geografische situatie, haar omvang, haar grote bevolkingsdichtheid en de fysieke kenmerken van haar platteland, de trekvogelsoorten waarop op haar grondgebied kan worden gejaagd, zich in beginsel niet daar voortplanten. Deze lidstaat wijst erop dat zijn grondgebied zich op minstens 300 kilometer bevindt van het traject van de vogels die over de Middellandse Zee trekken en dat de trekstromen van de kwartel en de tortelduif variëren naargelang de tijd van het jaar. Zo trekken deze twee soorten over het algemeen niet over Malta tijdens de herfst en wanneer zij dit doen, vliegen zij slechts over een deel van het grondgebied, tijdens een korte periode die loopt vanaf eind augustus tot eind september, soms zonder daar neer te strijken. Tijdens het voorjaar is de trek van deze twee vogelsoorten daarentegen veel groter en bestrijkt deze alle Maltese eilanden.

41 De Republiek Malta voert voorts aan dat meer dan 80% van de Maltese jagers slechts op hun eigen grond jagen en dat een totaal verbod op de lentejacht op de betrokken vogelsoorten in de praktijk erop neerkomt dat de jacht op deze twee soorten totaal wordt verboden.

42 Deze lidstaat betoogt dat in meer natuurlijke reservaten voorzien, zoals de Commissie suggereert, de situatie niet wijzigt en hij wijst erop dat de reeds tot stand gebrachte reservaten 4,5% van de landgebieden van de eilanden bestrijken, namelijk 1 434,2 hectare.

43 De Republiek Malta is ook van mening dat de staat van instandhouding van de kwartel en de tortelduif niet ongunstig is. Zij betoogt dat de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) deze soorten in 2007 heeft ingedeeld in de categorie „least concern” [niet bedreigd]. Zij is van mening dat het openen van de lentejacht op haar grondgebied geen enkele invloed kan hebben op de staat van instandhouding, aangezien alleen op zeer kleine hoeveelheden wordt gejaagd, hetgeen de Commissie slechts in repliek heeft betwist. Deze lidstaat voegt daaraan toe dat er geen wetenschappelijk bewijs bestaat dat de huidige jachtpraktijken in Europa een nefaste invloed hebben op de vogelpopulatie en dat de mogelijke achteruitgang van deze populatie moet worden toegeschreven aan andere oorzaken, zoals de toename van de landbouwgronden.

44 De Republiek Malta preciseert dat per lidstaat moet worden beoordeeld of de in artikel 9 van de richtlijn gestelde voorwaarden zijn nageleefd.

45 Deze lidstaat betoogt dat de Commissie het gewettigde vertrouwen heeft geschonden dat zij tijdens de toetredingsonderhandelingen had doen ontstaan met betrekking tot de mogelijkheid om op basis van artikel 9 de jacht op de kwartel en de tortelduif toe te staan tijdens het voorjaar.

Beoordeling door het Hof

46 Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de richtlijn mag op de in bijlage II daarbij vermelde soorten worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale wetgeving. Artikel 7, lid 4, bepaalt echter met name dat de lidstaten er ten aanzien van trekvogels in het bijzonder op toezien dat daarop niet wordt gejaagd tijdens de trek naar hun nestplaatsen.

47 In casu vallen de kwartel en de tortelduif onder de bepalingen van artikel 7, leden 1 en 4, van de richtlijn, zodat op deze twee soorten niet mag worden gejaagd tijdens de trek naar hun nestplaatsen.

48 Met inachtneming van de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de richtlijn kunnen de lidstaten echter afwijken van de verplichtingen die krachtens artikel 7 van deze richtlijn op hen rusten. Het gaat hier om een uitzonderingsregeling die dus strikt moet worden uitgelegd en voor het gebruik waarvan de lidstaten moeten aantonen dat aan de voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan (zie in die zin arrest van 8 juni 2006, WWF Italia e.a., C-60/05, Jurispr. blz. I-5083, punt 34).

49 Artikel 9, lid 1, van de richtlijn vermeldt het ontbreken van een andere bevredigende oplossing als een van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de lidstaten van bedoelde uitzonderingsregeling gebruik kunnen maken.

50 In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat deze voorwaarde niet is vervuld wanneer de afwijkende jachtperiode zonder noodzaak samenvalt met de perioden waarin de richtlijn een bijzondere bescherming tot stand beoogt te brengen. Een dergelijke noodzaak ontbreekt met name wanneer de maatregel die de afwijkende jachtperiode toestaat, enkel tot doel heeft de periode te verlengen waarin op bepaalde vogelsoorten mag worden gejaagd in gebieden waarin deze soorten reeds voorkomen in de overeenkomstig artikel 7 van de richtlijn vastgestelde jachtperioden (zie arrest Ligue pour la protection des oiseaux e.a., reeds aangehaald, punt 16, en arrest van 9 juni 2005, Commissie/Spanje, C-135/04, Jurispr. blz. I-5261, punt 19).

51 Blijkens de rechtspraak is evenmin sprake van een dergelijke noodzaak wanneer de betrokken soorten in de herfst daadwerkelijk voorkomen in de gebieden die open zijn voor de lentejacht, zelfs indien zij in beduidend minder grote hoeveelheden voorkomen dan in de lente, wanneer deze hoeveelheden niet verwaarloosbaar zijn (zie in die zin arrest Commissie/Finland, reeds aangehaald, punten 35 en 43).

52 In casu volgt uit het dossier en in het bijzonder uit de jaarverslagen die de Republiek Malta de Commissie op basis van artikel 9, lid 3, van de richtlijn heeft overgelegd, dat de tortelduif en de kwartel in bepaalde gebieden van het grondgebied van deze lidstaat voorkomen tijdens de herfstjacht.

53 Zelfs indien de gebieden waarin de twee betrokken soorten tijdens de herfstjacht voorkomen, beperkter zijn dan die waarin deze twee soorten voorkomen tijdens de voorjaarstrek, zoals deze lidstaat betoogt, liggen zij bovendien niet ver van deze laatste gebieden en vooral blijkt niet uit het dossier dat de gebieden waarin deze soorten tijdens de herfstjacht voorkomen, niet gemakkelijk toegankelijk zijn voor jagers tijdens deze periode.

54 Bijgevolg komen de twee aan de orde zijnde soorten daadwerkelijk in de herfst voor in de gebieden die open zijn voor de lentejacht.

55 Deze constatering alleen volstaat echter niet om te oordelen dat er een „andere bevredigende oplossing” in de zin van artikel 9, lid 1, van de richtlijn bestaat.

56 Met de aanwending van de uitdrukking „andere bevredigende oplossing” heeft de gemeenschapswetgever immers niet beoogd het gebruik van de in artikel 9, lid 1, sub c, van de richtlijn bedoelde afwijking uit te sluiten wanneer er enige mogelijkheid zou bestaan om tijdens de krachtens artikel 7 van de richtlijn toegestane perioden van opening van de jacht te jagen, maar willen toestaan dat van deze bepaling — enkel voor zover dit noodzakelijk is — wordt afgeweken wanneer de tijdens deze perioden, in casu in de herfst, geboden jachtmogelijkheden zo beperkt zijn dat het door de richtlijn gezochte evenwicht tussen de soortenbescherming en bepaalde recreatieactiviteiten wordt verbroken.

57 Uit de bepalingen van artikel 9 van de richtlijn, die verwijzen naar de strikte controle op die afwijking en op de selectiviteit van de vangsten, zoals overigens uit het algemene evenredigheidsbeginsel, volgt echter dat de afwijking waarvan een lidstaat gebruik wenst te maken, evenredig moet zijn met de behoeften die deze rechtvaardigen.

58 Daaruit volgt dat de constatering dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, dat wil zeggen, zoals in casu, dat de jachtmogelijkheden in de herfst onvoldoende zijn, zeker niet de mogelijkheid biedt om de jacht in de lente zonder beperkingen te openen, maar deze opening slechts toestaat indien deze noodzakelijk is en wanneer de andere doelstellingen van de richtlijn niet in gevaar worden gebracht.

59 Zo heeft het Hof geoordeeld dat afwijkingen uit hoofde van artikel 9 van de richtlijn slechts kunnen worden toegestaan indien is gewaarborgd dat de populatie van de betrokken soorten op een bevredigend niveau wordt gehandhaafd en dat, indien dat niet het geval is, de vogeljacht hoe dan ook niet kan worden beschouwd als verstandig gebruik en bijgevolg geen toelaatbare vorm van exploitatie in de zin van de elfde overweging van de considerans van de richtlijn vormt (arrest WWF Italia e.a., reeds aangehaald, punt 32).

60 In casu volgt uit het bij het Hof ingediende dossier en met name uit de jaarverslagen die de Republiek Malta de Commissie heeft overgelegd en uit de debatten waartoe de terechtzitting aanleiding heeft gegeven, dat de jagers tijdens de aan de orde zijnde jaren slechts een verwaarloosbare hoeveelheid vogels mochten vangen tijdens de herfstjacht.

61 De Commissie betwist overigens niet dat de twee aan de orde zijnde vogelsoorten tijdens deze periode slechts op een beperkt deel van het grondgebied van deze lidstaat voorkomen en dat hun trek hoofdzakelijk eind augustus en in de maand september plaatsvindt.

62 Tot slot volgt uit het dossier niet dat de populatie van deze twee bejaagde vogelsoorten zich onder een bevredigend niveau bevindt. In het bijzonder blijkt uit de door de IUCN opgestelde rode lijst van de bedreigde soorten dat de aan de orde zijnde soorten in de categorie „least concern” [niet bedreigd] zijn ingedeeld.

63 Gelet op deze zeer bijzondere omstandigheden kan de jacht op de kwartel en de tortelduif tijdens de herfstjacht niet worden beschouwd als een andere bevredigende oplossing in Malta, zodat de in artikel 9, lid 1, van de richtlijn gestelde voorwaarde inzake het ontbreken van een dergelijke oplossing in beginsel moet worden geacht vervuld te zijn.

64 Er moet echter worden ingegaan op de vraag of de voorwaarden waaronder de Republiek Malta de jacht op de twee aan de orde zijnde soorten in de lente heeft toegestaan, beantwoorden aan het in punt 58 hierboven in herinnering gebrachte vereiste van evenredigheid en aan de overige voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de richtlijn.

65 De verlenging van de jachtperiode voor deze twee trekvogelsoorten doordat mag worden gejaagd gedurende ongeveer twee maanden in het voorjaar, in de loop waarvan de twee bejaagde soorten naar hun nestplaats terugkeren, die uitloopt op een drie keer hoger sterftecijfer, met ongeveer 15 000 gedode vogels, voor de kwartel, en acht keer hoger, met ongeveer 32 000 gedode vogels, voor de tortelduif, dan dat waartoe de herfstjacht aanleiding geeft, vormt geen geschikte oplossing die strikt evenredig is aan de door de richtlijn nagestreefde doelstelling van instandhouding van de soorten.

66 In die omstandigheden heeft de Republiek Malta, ook al komen de twee aan de orde zijnde soorten daar in de herfst slechts in verwaarloosbare hoeveelheid en gedurende een zeer beperkte periode voor, en aangezien niet elke jachtactiviteit onmogelijk is in de herfst, door het openen van de lentejacht op de kwartel en de tortelduif gedurende verscheidene weken elk jaar, van 2004 tot en met 2007, toe te staan, de voorwaarden voor de in artikel 9, lid 1, van de richtlijn bedoelde afwijking, uitgelegd tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel, niet nageleefd en is zij dus de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

67 Tot slot heeft de Republiek Malta zich op het vertrouwensbeginsel beroepen op grond dat haar tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan haar toetreding tot de Europese Unie de verzekering was gegeven dat zij de jacht op de tortelduif en de kwartel kon blijven toestaan onder de voorwaarden die vóór de toetreding golden. Deze omstandigheid blijkt echter niet alleen niet uit het dossier, maar houdt hoe dan ook geen verband met de beoordeling van de vraag of de voorwaarde inzake het ontbreken van een andere bevredigende oplossing in de zin van artikel 9, lid 1, van de richtlijn is nageleefd en doet dus geen afbreuk aan de in het vorige punt van het onderhavige arrest gedane constatering dat deze bepaling is geschonden.

68 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Republiek Malta, door het openen van de jacht op de kwartel (coturnix coturnix) en de tortelduif (streptopelia turtur) tijdens het voorjaar van de jaren 2004 tot en met 2007 te hebben toegestaan, zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

69 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Malta in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
  1. Door het openen van de jacht op de kwartel (coturnix coturnix) en de tortelduif (streptopelia turtur) tijdens de voorjaarstrek van de jaren 2004 tot en met 2007 te hebben toegestaan, zonder te voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd, voor de jaren 2004 tot en met 2006, bij verordening (EG) nr. 807/2003 van de Raad van , en, voor het jaar 2007, bij richtlijn 2006/105/EG van de Raad van , is de Republiek Malta de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

  2. De Republiek Malta wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen