Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 november 2011.
Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 november 2011.
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 8 november 2011
Uitspraak
Arrest van het Gerecht (Vierde kamer)
8 november 2011(*)
In zaak T-37/08,
Robert Walton, wonende te Oxford (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door D. Beard, barrister,
verzoeker, tegenEuropese Commissie, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde,
verweerster,
wijst HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe en M. van der Woude (rapporteur), rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 maart 2011,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Deze zaak betreft het besluit van de Commissie van 16 november 2007 om het bedrag van 36 551,58 EUR dat verzoeker, R. Walton, haar verschuldigd was, krachtens artikel 73 van verordening (EG) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1; hierna: „financieel reglement”) in te vorderen door verrekening (hierna: „bestreden besluit”).
1. De vordering van de Gemeenschap op verzoeker
2 Verzoeker is in oktober 1999 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangesteld als tijdelijk functionaris voor vijf jaar met een proeftijd van zes maanden.
3 Bij brief van 3 oktober 2000 heeft de Commissie verzoeker meegedeeld dat zijn overeenkomst met ingang van 16 oktober 2000 zou worden beëindigd. Bij brief van 22 november 2000 heeft de Commissie meegedeeld dat verzoeker de Europese Gemeenschap het bedrag van 13 104,14 EUR schuldig was wegens het feit dat hij voor de maanden gedurende welke hij afwezig was geweest ten onrechte een salaris had ontvangen. Op 24 januari 2001 is hem een debetnota voor dat bedrag gezonden.
4 Verzoeker heeft zijn ontslag betwist door beroep in te stellen bij het Gerecht. Bij arrest van 9 april 2003, Walton/Commissie (T-155/01, JurAmbt. blz. I-A-121 en II-595), heeft het Gerecht het beroep verworpen op grond dat verzoeker door zijn gedrag tussen eind juni 2000 en 9 augustus van datzelfde jaar zelf zijn arbeidsovereenkomst had beëindigd.
5 Om die reden heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat zij verzoeker geen vergoeding voor zijn ontslag diende te betalen. Derhalve heeft zij hem bij brief van 23 oktober 2003 om terugbetaling van zijn ontslagvergoeding gevraagd, namelijk een bedrag van 13 815,16 EUR, te vermeerderen met vertragingsrente vanaf 11 januari 2004, die zij hem bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst had betaald. Op 27 november 2003 heeft zij een debetnota verzonden waarin zij terugbetaling van dat bedrag door verzoeker vorderde.
6 Op 27 mei 2005 heeft de Commissie op grond van artikel 72 van het financieel reglement een besluit genomen dat een executoriale titel in de zin van artikel 256 EG vormt voor een bedrag van 26 919,30 EUR (zijnde het bedrag van 13 104,14 EUR en dat van 13 815,16 EUR), vermeerderd met een bedrag aan rente van 4 813,26 EUR op 31 maart 2005 (dat na die datum werd vermeerderd met een bedrag van 5,06 EUR per dag) (hierna: „besluit tot dwanginvordering”).
7 Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit tot dwanginvordering.
2. De schuldvordering van verzoeker op de Gemeenschap
8 Verzoeker maakte deel uit van een groep personen die werknemers waren van derde ondernemingen die een overeenkomst hadden gesloten met de gemeenschappelijke onderneming Joint European Torus (JET), die diende te zorgen voor de verwezenlijking van het „fusieprogramma”, dat voorzag in het bouwen, het in bedrijf nemen en het exploiteren van een grote torus van het Tokamak-type en bijbehorende installaties (hierna: „JET-project”), alvorens in oktober 1999 als tijdelijk functionarissen door de Commissie te worden aangesteld. In het kader van een door die groep ingesteld beroep tot schadevergoeding heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie, door die personen in strijd met de statuten van JET geen overeenkomst van tijdelijk functionaris voor de uitoefening van hun werkzaamheden binnen JET aan te bieden, een fout had gemaakt waarvoor de Europese Gemeenschap aansprakelijk kon worden gesteld (arrest Gerecht van 5 oktober 2004, Eagle e.a./Commissie, T-144/02, Jurispr. blz. II-3381; hierna: „interlocutoir arrest Eagle”).
9 In het in punt 8 hierboven genoemde interlocutoire arrest heeft het Gerecht eveneens geoordeeld dat de betrokken personen door de fout van de Commissie een serieuze kans hadden verloren om als tijdelijk functionarissen te worden aangeworven, waardoor financiële schade was ontstaan bestaande in het verschil tussen het loon en de voordelen die de betrokkenen zouden hebben ontvangen of verworven indien zij als tijdelijk functionaris voor het JET-project hadden gewerkt, en het loon en de voordelen die zij als werknemers van derde ondernemingen de facto hadden ontvangen of verworven.
10 In punt 171 van het in punt 8 hierboven aangehaalde interlocutoire arrest Eagle heeft het Gerecht gepreciseerd dat de vergoedingsperiode begon te lopen op de datum waarop de oudste overeenkomst was gesloten dan wel vijf jaar vóór de indiening van het verzoek om schadevergoeding en afliep hetzij op de datum waarop de betrokkene zijn werkzaamheden voor het JET-project had beëindigd, indien deze datum vóór de afsluitingsdatum van het project op 31 december 1999 lag, hetzij op die laatste datum, indien de betrokkene tot aan het eind voor het JET-project had gewerkt.
11 In het in punt 8 hierboven genoemde interlocutoire arrest Eagle heeft het Gerecht de Commissie veroordeeld tot vergoeding van de financiële schade die elk van de verzoekers in die zaak, waaronder verzoeker, had geleden doordat hij voor de uitoefening van zijn activiteit binnen het JET-project niet als tijdelijk functionaris van de Commissie was aangeworven. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat partijen hem het in gezamenlijk overleg vastgestelde bedrag van de verschuldigde schadevergoeding dienden voor te leggen. Indien zij niet tot overeenstemming kwamen, dienden zij het Gerecht hun berekeningen voor te leggen.
12 Daar zij niet tot overeenstemming waren gekomen, hebben partijen op 28 oktober 2005 het Gerecht hun berekeningen voorgelegd. Bij arrest van 12 juli 2007, Eagle e.a./Commissie (T-144/02, Jurispr. blz. II-2721), heeft het Gerecht de Commissie veroordeeld tot betaling aan elke verzoeker van een vergoeding overeenkomende met het bedrag dat voor elk van hen in bijlage 3 bij dit arrest was opgenomen. Het heeft eveneens geoordeeld dat dit bedrag rente zou dragen tegen een tarief van 5,25 % vanaf 31 december 1999 tot de dag van daadwerkelijke betaling.
13 Bijlage 3 bij het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie bepaalt dat het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde vergoeding op 31 december 1999 208 021 pond sterling (GBP) bedroeg.
3. De verrekening van schuldvorderingen
14 De Commissie heeft voor het eerst in een bijlage bij haar berekeningen van 28 oktober 2005, die zijn overgelegd in de procedure inzake de berekening van de schade in de zaak die tot het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie heeft geleid, de vraag opgeworpen van een eventuele verrekening van de vergoeding die de Gemeenschap aan verzoeker verschuldigd zou kunnen zijn op grond van het te wijzen arrest met de vordering die de Gemeenschap op de betrokkene had. Bij e-mail van 21 december 2005 heeft verzoeker de Commissie gevraagd om hem uitleg te geven over die eventuele verrekening. De Commissie heeft aan dit verzoek voldaan bij brief van 22 december 2005.
15 In hun berekeningen van 19 februari 2007 hebben verzoekers in de zaak die tot het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie heeft geleid betwist dat de Commissie de vorderingen die de Gemeenschap op verzoeker had kon verrekenen met de bedragen die haar verschuldigd waren.
16 Na deze nieuwe berekeningen heeft de Commissie verklaard dat zij haar verzoek om uitspraak te doen over de kwestie van een eventuele verrekening in het kader van de zaak die tot het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie heeft geleid, niet handhaafde. In punt 19 van het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie heeft het Gerecht akte genomen van deze verklaring.
17 Na het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie heeft verzoeker zich op 19 juli 2007 tot de Commissie gericht met de vraag of zij de juistheid wilde bevestigen van de berekening van de aan verzoekers verschuldigde bedragen. Bij e-mail van 31 juli 2007 heeft de Commissie geantwoord dat zij die cijfers aanvaardde, doch zij maakte een voorbehoud met betrekking tot de berekening van de dagelijkse rente.
18 Bij brief van 24 september 2007 heeft de Commissie aangegeven dat zij van plan was, het aan verzoeker verschuldigde bedrag te verrekenen. Verzoeker heeft bij brief van 25 oktober 2007 geantwoord dat de Commissie niet het recht had om die verrekening toe te passen. De Commissie heeft bij brief van 25 oktober 2007 geantwoord het niet eens te zijn met verzoekers standpunt.
19 Bij brief van 9 november 2007, door verzoeker ontvangen op 13 november 2007, heeft de Commissie aangekondigd dat zij zou overgaan tot een verrekening van schuldvorderingen en dat zij het door verzoeker aan de Gemeenschap verschuldigde bedrag van 36 551,58 EUR zou aftrekken van het bedrag van 421 749,73 dat de Gemeenschap hem verschuldigd was. Het bedrag van 36 551,58 EUR bestond uit het in haar debetnota van 24 januari 2001 bedoelde bedrag van 13 104,14 EUR en het in haar debetnota van 27 november 2003 bedoelde bedrag van 13 815,16 EUR, plus een bedrag van 9 632,28 EUR aan rente over die bedragen. Uit de bijlage bij de brief van 9 november 2007 blijkt dat die rente betrekking heeft op de periode vanaf de vervaldatum van elk van die debetnota’s tot en met 8 november 2007. Het bedrag van 421 749,73 EUR bestond uit de vergoeding van 208 021 GBP, vermeerderd met rente.
20 Op 16 november 2007 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld en verzoeker het totaalbedrag van 385 198,15 EUR betaald (dat wil zeggen het bedrag van 421 749,73 EUR minus het bedrag van 36 551,58 EUR).
Procesverloop en conclusies van partijen
21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 januari 2008, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
22 Verzoeker concludeert in wezen dat het het Gerecht behage:
-
het bestreden besluit nietig te verklaren;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten.
23 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
-
het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
-
verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. Ontvankelijkheid
24 De Commissie stelt dat er in casu geen sprake is van een voor beroep vatbare handeling. De verrekening is slechts het gevolg van een eerder arrest en besluit, die beide definitief zijn geworden. De verrekening is dus geen voor beroep vatbare handeling, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.
25 Er zij aan herinnerd dat een handeling waarbij de Commissie een buitengerechtelijke verrekening toepast van schulden en vorderingen die voortvloeien uit verschillende rechtsverhoudingen met dezelfde persoon, een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG vormt (zie in die zin arrest Hof van 10 juli 2003, Commissie/CCRE, C-87/01 P, Jurispr. blz. I-7617, punt 45) en dat het Gerecht in het kader van een dergelijk beroep de wettigheid van een verrekeningsbesluit moet onderzoeken in het licht van alle gevolgen ervan verband houdende met het ontbreken van de daadwerkelijke betaling van de betrokken bedragen aan de verzoeker (zie in die zin arresten Gerecht van 8 oktober 2008, Helkon Media/Commissie, T-122/06, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46, en 8 juli 2009, Commissie/Atlantic Energy, T-182/08, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 70).
26 Daar de Commissie in casu een buitengerechtelijke verrekening heeft toegepast, is het beroep tegen het bestreden besluit ontvankelijk. Derhalve moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep worden afgewezen.
2. Ten gronde
27 Tot staving van zijn vorderingen voert verzoeker vier middelen aan. Het eerste is ontleend aan misbruik van procedure, het tweede aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en het derde aan fouten in de grondslag van de verrekening. Het vierde middel is ten slotte ontleend aan fouten bij de berekening van de verrekening als gevolg van de inaanmerkingneming van vertragingsrente.
Eerste middel: misbruik van procedure
28 Verzoeker betoogt dat het onjuist en onbillijk van de Commissie is om tot een buitengerechtelijke verrekening over te gaan, terwijl zij de kwestie van verrekening voor de communautaire rechter aan de orde had kunnen stellen. Verrekening is een kwestie die in een stadium vóór de procedure aan de orde had moet komen en moeten worden onderzocht. Het kan niet worden aanvaard dat de Commissie de bespreking tussen partijen en het rechterlijk toezicht heeft omzeild, door na de uitspraak van het in punt 12 hierboven aangehaalde arrest Eagle e.a./Commissie te laat en eenzijdig te hebben gehandeld.
29 In procedures betreffende verzoeken om schadevergoeding vormt de kwestie van verrekening, althans volgens Engels recht, een verweermiddel dat naar behoren voor de geadieerde rechterlijke instantie moet worden aangevoerd. Anders zouden de gevraagde en eventueel door een rechterlijke instantie toegekende bedragen kunnen worden verminderd of zelfs kunnen worden geschrapt.
30 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het bestreden besluit een besluit tot invordering door verrekening is dat is genomen krachtens artikel 73 van het financieel reglement en artikel 83 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het financieel reglement, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1248/2006 van de Commissie van 7 augustus 2006 (PB L 227, blz. 3; hierna: „uitvoeringsvoorschriften”).
31 Vervolgens moet worden vastgesteld dat de in het financieel reglement voorziene procedure die leidt tot de vaststelling van een besluit tot invordering van een schuld door middel van verrekening, niet bepaalt dat de Commissie vooraf voor een rechterlijke instantie haar voornemen kenbaar moet maken om tot verrekening van schuldvorderingen over te gaan.
32 Artikel 73, lid 1, van het financieel reglement bepaalt immers dat de rekenplichtige overgaat tot invordering door verrekening van de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde schuldvorderingen van de Gemeenschappen wanneer de debiteur zelf een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft.
33 Bovendien bepaalt artikel 71 van het financieel reglement dat de bevoegde ordonnateur eerst een schuldvordering moet vaststellen, dat wil zeggen het bestaan van de schuld van de debiteur moet verifiëren, het bestaan en het bedrag van de schuld moet vaststellen of verifiëren en de invorderbaarheid van de schuld moet verifiëren. Artikel 79 van de uitvoeringsvoorschriften vereist dat de ordonnateur onder meer het „zekere karakter” van de schuldvordering vaststelt, waaraan geen voorwaarden verbonden mogen zijn. Hij dient zich eveneens te verzekeren van het „vaststaande karakter” van de schuldvordering, waarvan het bedrag nauwkeurig in geld moet worden uitgedrukt alsmede van het „invorderbare karakter” ervan, namelijk dat aan de schuldvordering geen termijn verbonden mag zijn. Voorts schrijft artikel 80 van de uitvoeringsvoorschriften voor dat elke vaststelling van een schuldvordering berust op bewijsstukken met betrekking tot de rechten van de Gemeenschappen.
34 Op grond van artikel 71, lid 2, van het financieel reglement moet elke schuldvordering als „zeker, vaststaand en invorderbaar” worden aangemerkt door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, welke is opgesteld door de bevoegde ordonnateur. Bovendien is volgens artikel 78, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften de invorderingsopdracht de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdracht geeft de vastgestelde schuldvordering te innen.
35 De Commissie heeft derhalve terecht gesteld dat zij niet verplicht was om de verrekening aan te voeren als verweermiddel in het kader van de procedure in de zaak die tot het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie heeft geleid.
36 Bovendien moet worden opgemerkt dat de Commissie, door te besluiten om over te gaan tot invordering door verrekening uit hoofde van artikel 73 van het financieel reglement, op geen enkele wijze inbreuk heeft gemaakt op verzoekers procedurele rechten. Laatstgenoemde heeft die rechten immers op drie manieren kunnen doen gelden. Ten eerste had hij hogere voorziening kunnen instellen tegen het in punt 4 hierboven genoemde arrest Walton/Commissie, teneinde op te komen tegen de vaststelling dat zijn gedraging gelijkstond aan een beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Ten tweede had hij de mogelijkheid om het besluit tot dwanginvordering te betwisten. Ten derde kon hij beroep instellen tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 16 november 2007 om het bedrag van 36 551,58 EUR dat verzoeker haar verschuldigd was in te vorderen door verrekening (zie punt 25 hierboven), hetgeen hij in casu heeft gedaan.
37 Verzoeker kan de Commissie dus niet met succes verwijten dat zij elke rechterlijke controle van de wettigheid van de verrekening van schuldvorderingen heeft omzeild.
38 In het licht van het voorgaande heeft de Commissie zich niet schuldig gemaakt aan „misbruik van procedure”. Het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen
39 Verzoeker stelt dat de Commissie bij hem een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij hem alle bedragen aangegeven in de tabel die in de e-mail van 31 juli 2007 (zie punt 17 hierboven) is verstuurd, zou overmaken.
40 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het recht om zich te beroepen op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waarin een gemeenschapsinstelling gegronde verwachtingen bij hem heeft gewekt. In beginsel kan niemand zich op schending van dit beginsel beroepen wanneer de administratie hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan (arresten Hof van 24 november 2005, Duitsland/Commissie, C-506/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 58, en 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C-182/03 en C-217/03, Jurispr. blz. I-5479, punt 147; arrest Gerecht van 23 oktober 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T-346/99–T-348/99, Jurispr. blz. II-4259, punt 93).
41 In casu heeft de Commissie nooit precieze toezeggingen gedaan dat zij geen verrekening van schuldvorderingen zou toepassen. Haar e-mail van 31 juli 2007, waarnaar verzoeker verwijst, bevat immers geen enkele belofte of toezegging in die zin. Die e-mail betrof alleen de juistheid van de berekeningen die worden toegepast op alle verzoekers in de procedure die tot het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Ccommissie heeft geleid. Hij had geen betrekking op het specifieke geschil tussen de Commissie en verzoeker en bevat geen enkele aanwijzing over de invorderingswijze van schuldvorderingen van de Gemeenschap. De betrokken e-mail kon bij verzoeker dus geen gewettigd vertrouwen doen ontstaan dat de Commissie geen verrekening zou toepassen.
42 Hetzelfde geldt voor de verklaring die de Commissie heeft gedaan na de nieuwe berekeningen in de procedure betreffende de zaak die tot het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie heeft geleid. In deze verklaring, waarvan het Gerecht in punt 19 van dat arrest akte heeft genomen, heeft de Commissie gepreciseerd dat zij de kwestie van verrekening die zij in het kader van die procedure aan de orde had gesteld, niet langer aan de orde stelde en dat het Gerecht zich niet behoefde uit te spreken over dat punt. Die verklaring betekent echter niet dat de Commissie ervan heeft afgezien om buiten die procedure gebruik te maken van haar recht om over te gaan tot invordering door verrekening van de schuldvordering van de Gemeenschap op verzoeker.
43 Verzoeker heeft dus geen precieze belofte of toezegging aangetoond die bij hem een gewettigd vertrouwen heeft kunnen doen ontstaan in het feit dat de Commissie geen invordering door verrekening zou toepassen. Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
Derde middel: fouten in de grondslag van de verrekening
44 Verzoeker betwist de wettigheid van de verrekening van schuldvorderingen door de Commissie. Met betrekking tot de debetnota van de Commissie van 24 januari 2001 stelt hij dat deze dateert van vóór het in punt 4 hierboven genoemde arrest Walton/Commissie en gebaseerd is op de veronderstelling dat er sprake was van ontslag. Aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat het besluit om hem te ontslaan geen gevolg had, kon dit niet dienen als grondslag voor de verzending van een debetnota. Hij leidt hieruit af dat de debetnota van de Commissie van 24 januari 2001 nietig is en geen gevolg heeft.
45 Subsidiair merkt verzoeker op dat de debetnota van de Commissie van 24 januari 2001 niet is voorafgegaan door een besluit tot vaststelling van een schuldvordering in de zin van artikel 71 van het financieel reglement, zodat niet was voldaan aan de voorwaarden voor verrekening in de zin van artikel 73 van dat financieel reglement.
46 Met betrekking tot de debetnota van de Commissie van 27 november 2003 stelt verzoeker dat deze niet kan dienen als grondslag voor een verrekening, aangezien hij geen toegang heeft gehad tot de beide nota’s van het dossier waarnaar die debetnota verwijst. De weigering van de Commissie om hem inzage te geven in die nota’s van het dossier vormt eveneens een inbreuk op de bepalingen van artikel 60, lid 4, van het financieel reglement junctis die van de artikelen 48, 49 en 80 van de uitvoeringsvoorschriften. Volgens artikel 88 van de uitvoeringsvoorschriften leidt deze rechtsdwaling tot de annulering van de schuldvordering.
47 Verzoeker betwist dus in wezen het bestaan van schuldvorderingen die de Commissie in het kader van de verrekening in aanmerking heeft genomen.
48 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de betrokken bedragen zowel in de debetnota’s van de Commissie van 24 januari 2001 en 27 november 2003 als in het besluit tot dwanginvordering worden genoemd.
49 Derhalve moet, zonder dat het nodig is om te bepalen of de debetnota’s van de Commissie van 24 januari 2001 en 27 november 2003 dan wel het besluit tot dwanginvordering voor beroep vatbare handelingen in de zin van artikel 230 EG vormen, in elk geval worden vastgesteld dat verzoeker niet binnen de in dat artikel bedoelde termijn van twee maanden beroep tot nietigverklaring van die handelingen heeft ingesteld.
50 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat verzoeker in het kader van het onderhavige beroep niet kan opkomen tegen de schuldvorderingen die de grondslag vormen voor de debetnota’s van de Commissie van 24 januari 2001 en 27 november 2003 en voor het besluit tot dwanginvordering.
51 Derhalve moet het derde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vierde middel: fouten bij de berekening van de verrekening, wat de rente betreft
52 Verzoeker betwist de modaliteiten van de door de Commissie toegepaste verrekening, wat de inaanmerkingneming van vertragingsrente betreft. Zijns inziens had die verrekening moeten plaatsvinden op de data waarop de bedragen die hij aan de Commissie verschuldigd zou zijn invorderbaar zouden zijn geworden, zonder rekening te houden met vertragingsrente.
53 Volgens het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie had het hoofdbedrag dat de Commissie hem verschuldigd was uiterlijk op 31 december 1999 moeten zijn betaald. Na die datum had hij recht op een vertragingsrente van 5,25 %. De schuldvorderingen van de Gemeenschap op hem zijn later ontstaan, op de vervaldatum van de beide debetnota’s, dat wil zeggen op 31 maart 2001 en 11 januari 2004. De Commissie had dus in twee fasen moeten verrekenen, namelijk een eerste verrekening van het bedrag van 13 104,14 EUR dat hij de Gemeenschap verschuldigd was met het bedrag dat zij hem op 31 maart 2001 verschuldigd was en een tweede verrekening van het bedrag van 13 815,16 EUR dat hij haar verschuldigd was met de bedragen die zij hem op 11 januari 2004 nog verschuldigd was.
54 De Commissie is niet op deze wijze te werk gegaan, maar heeft de totaalbedragen met inbegrip van vertragingsrente verrekend. De Commissie heeft daarmee de schuldvorderingen van de Gemeenschap op hem laten aangroeien tegen een hoger rentepercentage dan dat van de schuldvordering die hij op haar had, aangezien het door haar gevraagde rentepercentage hoger is dan het rentepercentage voorzien in het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie. De Commissie had dus een financieel belang om de invorderingsprocedure te laten voortduren.
55 Met dit middel stelt verzoeker in wezen dat zijn schuldvordering op de Gemeenschap ouder is dan haar schuldvordering op hem en dat de verrekening terugwerkende kracht moet hebben. Zijns inziens heeft de verrekening tot gevolg dat de schuldvorderingen wegvallen vanaf het moment waarop is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing ervan.
56 De Commissie is van mening dat de schuldvorderingen van de Gemeenschap op verzoeker zeker en vaststaand waren vóór de schuldvordering van laatstgenoemde. De schuldvorderingen van de Gemeenschap op verzoeker zijn uiterlijk vanaf augustus 2005 zeker en vaststaand geworden, toen de beroepstermijn tegen het besluit tot dwanginvordering afliep. Het door de Gemeenschap aan verzoeker verschuldigde bedrag was daarentegen pas in juli 2007 bekend. Het is irrelevant dat het aan verzoeker toegekende bedrag rente bevat vanaf 31 december 1999, aangezien het totaalbedrag van de rente niet kon worden berekend voordat het hoofdbedrag bekend was.
57 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de voorwaarden om over te gaan tot invordering door verrekening van een schuldvordering en de procedure daarvoor worden geregeld door het financieel reglement en de hierboven genoemde uitvoeringsvoorschriften (punten 30-34 hierboven).
58 Blijkens artikel 73, lid 1, tweede alinea, van het financieel reglement en de artikelen 79 en 83 van de uitvoeringsvoorschriften moeten de wederzijdse schuldvorderingen van de Europese Unie en de andere partij ten eerste zeker zijn, hetgeen betekent dat daaraan geen voorwaarden verbonden mogen zijn, moeten zij ten tweede vaststaand zijn, hetgeen wil zeggen dat het bedrag ervan nauwkeurig in geld moet worden uitgedrukt en moeten zij ten derde invorderbaar zijn, hetgeen inhoudt dat daaraan geen termijn verbonden mag zijn.
59 Er moet dus worden bepaald op welk moment voor elk van de in deze zaak aan de orde zijnde schuldvorderingen was voldaan aan die voorwaarden.
60 Ten aanzien van de schuldvordering van de Gemeenschap op verzoeker staat vast dat de Commissie op 24 januari 2001 een eerste en op 27 november 2003 een tweede debetnota heeft gezonden en dat verzoeker de gevraagde bedragen niet heeft betaald binnen de in die nota’s aangegeven termijnen, welke afliepen op 31 maart 2001 respectievelijk 11 januari 2004. Op het moment waarop die termijnen verstreken was de schuldvordering van de Gemeenschap dus in elk geval zeker, vaststaand en invorderbaar.
61 Met betrekking tot verzoekers schuldvordering op de Gemeenschap moet allereerst worden opgemerkt dat deze schuldvordering bestaat in de vergoeding die de Commissie aan verzoeker moet betalen op grond van het in punt 8 hierboven aangehaalde interlocutoire arrest Eagle, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat was voldaan aan de voorwaarden om de Gemeenschap jegens verzoeker aansprakelijk te stellen. Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht ten tijde van de uitspraak van het interlocutoire arrest niet in staat was het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde vergoeding te bepalen en dat de procedure moest worden voortgezet om het exacte bedrag te bepalen. Ten slotte was dit bedrag pas bekend op de datum van uitspraak van het in punt 12 hierboven genoemde arrest Eagle e.a./Commissie, dat wil zeggen op 12 juli 2007. Dit betekent dat verzoekers schuldvordering op de Gemeenschap pas op die datum vaststaand is geworden.
62 Onder die omstandigheden moet worden vastgesteld dat, ofschoon in het dictum van dat arrest het door de Gemeenschap op die datum verschuldigde bedrag niet wordt bevroren, het bepaalt immers dat rente verschuldigd is tot de daadwerkelijke betaling van de vergoeding, dit niet wegneemt dat verzoekers schuldvordering op de Gemeenschap op 12 juli 2007 zeker, vaststaand en invorderbaar is geworden.
63 Verzoekers stelling dat zijn schuldvordering ouder was dan de vorderingen die de Gemeenschap op hem had moet derhalve worden afgewezen.
64 Vervolgens moet worden vastgesteld dat, ofschoon een uitdrukkelijke bepaling in die zin ontbreekt, de in het financieel reglement voorziene verrekening terugwerkende kracht heeft, zoals verzoeker betoogt, zodat de betrokken schuldvorderingen wegvallen vanaf het moment waarop wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing ervan.
65 Volgens het bij artikel 73 van het financieel reglement en artikel 83 van de uitvoeringsvoorschriften ingevoerde systeem moet de rekenplichtige immers overgaan tot verrekening nadat hij de debiteur daarvan op de hoogte heeft gesteld, wanneer deze niet vrijwillig heeft gehoorzaamd.
66 Door de terugwerkende kracht van de verrekening tot de datum waarop de verplichting van de rekenplichtige concreet wordt kan dus worden vermeden, overeenkomstig de verrekeningsstelsels die door de rechtsorden van de meeste lidstaten worden erkend, dat de debiteur de eventuele nadelige gevolgen draagt, met name wat betreft de vertragingsrente die verschuldigd is bij het verstrijken van een termijn tussen het moment waarop wordt voldaan aan de voorwaarden om de verrekening toe te passen en het moment waarop deze daadwerkelijk wordt toegepast.
67 In casu heeft de Commissie de verrekening niet met ingang van 12 juli 2007 toegepast, de datum waarop was voldaan aan de in artikel 73 van het financieel reglement opgenomen voorwaarden om over te gaan tot verrekening, maar met ingang van 8 november 2007, de dag vóór de verzending van de brief van 9 november 2007. Uit de bijlage bij die brief blijkt immers dat de verrekende bedragen rente omvatten die na 12 juli 2007 verschuldigd was geworden.
68 De Commissie heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan schending van artikel 73 van het financieel reglement, zoals uitgelegd in de punten 64 en 65 hierboven. Het vierde middel moet dus gedeeltelijk worden aanvaard, zodat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard, voor zover daarbij in de verrekende bedragen rentebedragen zijn opgenomen die na 12 juli 2007 verschuldigd zijn geworden.
Kosten
69 Volgens artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
70 Daar het beroep gedeeltelijk is toegewezen, is het Gerecht van oordeel dat een billijke beoordeling van de omstandigheden van de zaak eist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
HET GERECHT (Vierde kamer),
rechtdoende, verklaart:
-
Het besluit van de Commissie van 16 november 2007 wordt nietig verklaard, voor zover het in de voor verrekening in aanmerking genomen bedragen rente omvat die na 12 juli 2007 verschuldigd is geworden.
-
Elke partij zal haar eigen kosten dragen.
Pelikánová
Jürimäe
Van der Woude
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 november 2011.
ondertekeningen