Home

Conclusie van advocaat-generaal Mazák van 18 mei 2010.

Conclusie van advocaat-generaal Mazák van 18 mei 2010.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
18 mei 2010

Conclusie van advocaat-generaal

J. Mazák

van 18 mei 2010(1)

I — Inleiding

1. Bij beslissing van 14 januari 2009, bij het Hof binnengekomen op 16 februari daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof (Duitsland) het Hof overeenkomstig artikel 234 EG verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (hierna: „richtlijn”)(2).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Gebr. Weber GmbH (hierna: „Weber”), een handel in bouwmaterialen, en een van haar klanten, de heer J. Wittmer, wegens de levering van ondeugdelijke vloertegels.

3. De verwijzende rechter wenst met zijn vragen in wezen te vernemen, of de verkoper van een gebrekkig goed op grond van de richtlijn het recht heeft de door de consument verlangde vorm van genoegdoening, zoals vervanging van het goed, te weigeren indien hij daardoor — zoals in de onderhavige zaak — met onevenredig hoge kosten zou worden opgezadeld; en zo niet, of de verkoper de kosten moet dragen die gemoeid zijn met het verwijderen van het ondeugdelijke goed uit een zaak waarin de consument het heeft verwerkt.

4. De vraagstukken in deze zaak vertonen veel gelijkenis met die in zaak C-87/09(3), waarin ik heden eveneens conclusie neem.

II — Rechtskader

A — Gemeenschapsrecht

5. De richtlijn is vastgesteld op grond van artikel 95 EG. In punt 1 van haar considerans wordt eraan herinnerd dat de Europese Gemeenschap volgens artikel 153, leden 1 en 3, EG bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van de maatregelen die zij op grond van artikel 95 EG neemt.

6. In punt 10 van de considerans van de richtlijn wordt verklaard dat „in geval van niet-overeenstemming van de goederen met de overeenkomst, de consument het recht moet hebben om de goederen kosteloos met de overeenkomst in overeenstemming te laten brengen, waarbij hij kan kiezen tussen herstel of vervanging, of, bij gebreke daarvan, recht moet hebben op een prijsvermindering of op ontbinding van de overeenkomst”.

7. Punt 11 van de considerans van de richtlijn luidt als volgt:

  • „Overwegende dat de consument in eerste instantie van de verkoper kan verlangen dat deze de goederen herstelt of vervangt tenzij deze vormen van genoegdoening onmogelijk of buiten verhouding zijn; dat het al dan niet buiten verhouding zijn van een vorm van genoegdoening objectief moet worden vastgesteld; dat een bepaalde vorm van genoegdoening buiten verhouding is als hij, vergeleken met de andere vorm van genoegdoening onredelijke kosten met zich brengt; dat de kosten van een vorm van genoegdoening onredelijk zijn als zij beduidend hoger liggen dan de kosten van de andere vorm van genoegdoening.”

  • 8. In artikel 3, „Rechten van de consument”, van de richtlijn wordt bepaald:

    „1.

    De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.

    2.

    In geval van gebrek aan overeenstemming, heeft de consument het recht dat de goederen kosteloos door herstelling of vervanging in overeenstemming worden gebracht, overeenkomstig lid 3, of dat de prijs op passende wijze wordt verminderd of dat de koopovereenkomst met betrekking tot deze goederen wordt ontbonden, overeenkomstig de leden 5 en 6.

    3.

    In eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van de goederen te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.

    Een vorm van genoegdoening wordt geacht buiten verhouding te zijn indien zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening onredelijk zijn [...].

    Herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van de goederen en het gebruik van de goederen dat de consument wenste, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument plaatsvinden.

    4.

    De term „kosteloos” in de leden 2 en 3 heeft betrekking op de kosten die gemaakt moeten worden om de goederen in overeenstemming te brengen, met name de kosten van verzending, loon en materiaal.

    5.

    De consument kan een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst verlangen:

    • indien hij geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging,

      of

    • indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot genoegdoening is overgegaan,

      of

    • indien de verkoper niet zonder ernstige overlast voor de consument tot genoegdoening is overgegaan.

    [...]”

    9. Artikel 8, „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, van de richtlijn luidt als volgt:

    „1.

    De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten worden uitgeoefend onverminderd andere rechten die de consument krachtens nationale voorschriften inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kan doen gelden.

    2.

    De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven voor zover deze met het Verdrag verenigbaar zijn, teneinde de consument een hogere graad van bescherming te verzekeren.”

    B — Nationaal recht

    10. Als een afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, heeft de koper ingevolge § 437 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) de volgende rechten:

    „Wanneer de zaak een gebrek vertoont, kan de koper, indien de voorwaarden van de hierna volgende bepalingen zijn vervuld en behoudens andersluidende bepaling:

    1. correcte nakoming verlangen overeenkomstig § 439;

    2. de overeenkomst ontbinden [...], of overeenkomstig § 441 de koopprijs verlagen;

    3. schadevergoeding [...] of vergoeding van kosten [...] vorderen.”

    11. § 439 BGB, „Correcte nakoming”, waarbij artikel 3 van de richtlijn in Duits recht is omgezet, bepaalt:

    1. De koper kan naar goeddunken ofwel herstel van het gebrek, ofwel de levering van een zaak zonder gebreken verlangen.

    2. De verkoper draagt de kosten die moeten worden gemaakt met het oog op correcte nakoming, in het bijzonder de kosten van vervoer, verzending, arbeid en materiaal.

    3. Onverminderd het bepaalde in § 275, leden 2 en 3, heeft de verkoper het recht de door de koper gekozen vorm van correcte nakoming te weigeren indien de kosten daarvan buiten verhouding zouden zijn. Daarbij dient met name rekening te worden gehouden met de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, met de ernst van het gebrek aan overeenstemming, en met de vraag of de alternatieve vorm van correcte nakoming concreet mogelijk is zonder ernstige overlast voor de koper. In dat geval kan de koper enkel aanspraak maken op de alternatieve vorm van correcte nakoming, zulks onverminderd het recht van de verkoper om ook deze te weigeren indien aan de in de eerste volzin geformuleerde voorwaarden is voldaan.

    4. Indien de verkoper bij wijze van correcte nakoming een zaak zonder gebreken levert, kan hij overeenkomstig §§ 346 tot en met 348 van de koper teruggave van de gebrekkige zaken verlangen.”

    III — Feiten, procedure in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

    12. In januari 2005 heeft Wittmer van Weber 45,36 m2 gepolijste vloertegels van Italiaanse makelij gekocht voor de prijs van EUR 1 382,27, waarvan hij 33 m2 in zijn huis heeft laten leggen.

    13. Vervolgens zijn op het oppervlak van de tegels met het blote oog waarneembare schaduwvlekken verschenen. In een door Wittmer ingeleide zelfstandige bewijsprocedure concludeerde een deskundige dat de schaduwvlekken fijne sleepsporen waren die niet konden worden verwijderd, zodat de enige mogelijke remedie volledige vervanging van de tegels was. De kosten daarvan werden door de deskundige op EUR 5 830,57 geraamd.

    14. Na Weber tevergeefs in gebreke te hebben gesteld, heeft Wittmer het bedrijf voor het Landgericht Kassel gedagvaard en levering van tegels zonder gebreken alsmede betaling van een bedrag van EUR 5 830,57, vermeerderd met rente, gevorderd. Het Landgericht heeft echter slechts een prijsvermindering toegekend en Weber daarom veroordeeld tot betaling van EUR 273,10, vermeerderd met rente, terwijl het de vordering voor het overige heeft afgewezen.

    15. Van die uitspraak is Wittmer in beroep gegaan bij het Oberlandesgericht Frankfurt am Main, dat Weber bij beslissing van 14 februari 2008 heeft veroordeeld tot levering van 45,36 m2 tegels zonder gebreken en tot betaling van een bedrag van EUR 2 122,37, vermeerderd met rente, overeenkomend met de kosten van verwijdering van de ondeugdelijke tegels.

    16. In het hoofdgeding moet het Bundesgerichtshof uitspraak doen op het tegen die beslissing ingestelde beroep tot „Revision”, waarmee Weber opkomt tegen haar veroordeling tot betaling van EUR 2 122,37, vermeerderd met rente. Volgens het Bundesgerichtshof is voor de uitkomst van het beroep tot „Revision” beslissend, of het Oberlandesgericht terecht heeft geoordeeld dat Wittmer van Weber vergoeding van de kosten van verwijdering van de tegels kan eisen.

    17. De verwijzende rechter stelt in wezen vast dat Wittmer, anders dan het Oberlandesgericht meent, naar Duits recht van Weber geen vergoeding kan eisen van de kosten die gemoeid zijn met het verwijderen van de ondeugdelijke tegels. Volgens de verwijzende rechter had Weber op grond van § 439, lid 3, BGB het recht om correcte nakoming in de vorm van levering van tegels zonder gebreken en verwijdering van de ondeugdelijke tegels te weigeren.

    18. Hij zet uiteen dat volgens die bepaling de verkoper de door de koper gekozen vorm van correcte nakoming kan weigeren als de kosten daarvan buiten verhouding zouden zijn. Dit is niet alleen het geval wanneer de kosten van de door de koper gekozen vorm van correcte nakoming onevenredig hoog zouden zijn vergeleken met die van de alternatieve vorm van correcte nakoming („relatieve onevenredigheid”), maar ook wanneer de gekozen vorm van correcte nakoming — dan wel de enige mogelijke vorm van correcte nakoming — op zichzelf kosten zou meebrengen die buiten verhouding zijn („absolute onevenredigheid”).

    19. Aangezien volgens de verwijzende rechter in de onderhavige zaak vaststaat dat één vorm van correcte nakoming, namelijk herstel van de ondeugdelijke goederen, onmogelijk is, kan de overblijvende vorm van correcte nakoming enkel worden geweigerd als er sprake is van absolute onevenredigheid, wat naar het oordeel van de verwijzende rechter in casu het geval is. Behalve de eigenlijke kosten van de levering van deugdelijke tegels, die ongeveer EUR 1 200 inclusief vervoer bedragen, zou de verkoper namelijk bovendien de aan het verwijderen van de gebrekkige tegels verbonden kosten ten bedrage van ongeveer EUR 2 100 moeten dragen. Dit zou neerkomen op een totale kostenpost van EUR 3 300, wat beduidend meer is dan 150 % van de waarde van de tegels zonder gebreken.

    20. Het feit echter dat het Duitse recht in § 493, lid 3, BGB aan de verkoper het recht verleent om correcte nakoming niet alleen te weigeren op grond dat de kosten van de gekozen vorm van correcte nakoming onevenredig hoog zijn vergeleken met die van de alternatieve vorm van correcte nakoming (relatieve onevenredigheid), maar ook indien die kosten op zichzelf disproportioneel zijn (absolute onevenredigheid), zou volgens de verwijzende rechter in strijd kunnen zijn met artikel 3, lid 3, van de richtlijn, waarin, gelet op de bewoordingen ervan, enkel relatieve onevenredigheid lijkt te worden bedoeld.

    21. Als een verkoper op grond van de richtlijn inderdaad niet het recht heeft een vorm van correcte nakoming wegens absolute onevenredigheid te weigeren, rijst volgens de verwijzende rechter in de onderhavige zaak de vraag of ingevolge artikel 3 van de richtlijn, in het kader van de vervanging van de verkoper ook kan worden verlangd dat hij die goederen verwijdert uit een zaak waarin ze overeenkomstig hun gebruiksdoel zijn verwerkt, en dus de kosten daarvan voor zijn rekening neemt. De toepasselijke Duitse wetgeving verplicht de verkoper in beginsel niet daartoe.

    22. In deze context heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

    1. Moet artikel 3, lid 3, eerste en tweede alinea, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke de verkoper in geval van non-conformiteit van het afgeleverde consumptiegoed de door de consument verlangde vorm van genoegdoening ook kan weigeren indien deze voor hem kosten zou meebrengen die, gelet op de waarde die het goed zonder het gebrek aan overeenstemming zou hebben, en op de ernst van het gebrek aan overeenstemming, onredelijk (absoluut onevenredig) zijn?

    2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 3, leden 2 en 3, derde alinea, van voormelde richtlijn aldus worden uitgelegd, dat wanneer het niet-conforme consumptiegoed door vervanging in overeenstemming wordt gebracht, de verkoper de kosten moet dragen die gemoeid zijn met het verwijderen van het niet-conforme goed uit een zaak waarin de consument het overeenkomstig zijn aard en gebruiksdoel heeft verwerkt?”

    IV — Juridische analyse

    A — Inleidende opmerkingen

    23. Het juridische probleem waarover het Hof zich in deze zaak moet buigen, is al vanaf de tijd dat Romeinse juristen als Julianus of Ulpianus de rechtsgevolgen van de verkoop van „gebrekkig” vee op de markten van de oude wereld bespraken een klassiek onderwerp van het overeenkomstenrecht of, preciezer gezegd, het recht inzake de koop en verkoop van goederen, namelijk de vraag hoever de aansprakelijkheid van de verkoper voor de levering van gebrekkige goederen reikt, dan wel, vanuit het oogpunt van bescherming van de koper, de vraag over welke remedies de koper zou moeten beschikken indien hem goederen zijn geleverd die niet aan de koopovereenkomst beantwoorden.

    24. Zoals niet alleen uit de opmerkingen van de partijen in de onderhavige procedure blijkt, verschillen de diverse nationale wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied — in elk geval zoals zij oorspronkelijk, vóór harmonisatie luidden — aanzienlijk, al leiden zij in de praktijk veelal tot soortgelijke uitkomsten en tot een vergelijkbaar niveau van rechtsbescherming.(4) Die verschillen betreffen niet alleen de bijzonderheden van de gehanteerde rechtsbegrippen, voorwaarden en definities, maar ook meer algemeen de regelingen van de genoegdoening als zodanig, dat wil zeggen wat betreft de vormen van genoegdoening die in geval van niet-nakoming zijn voorzien en wat betreft de onderlinge verhouding en de hiërarchie daartussen, alsook de rol van schade in of in verband met die regelingen en de afbakening tussen contractuele en niet-contractuele vorderingen wegens levering van niet-conforme goederen.

    25. Waar het gaat om specifieke problemen in verband met non-conformiteit en de consequenties daarvan, zoals de vraag of de verkoper de kosten van verwijdering van niet-conforme goederen moet dragen, blijken er bovendien, zoals de in deze zaak door het Bundesgerichtshof verstrekte informatie duidelijk maakt, binnen in één en dezelfde rechtsorde nog onduidelijkheden en verschillen van inzicht in de rechtsliteratuur te bestaan ten aanzien van de werkelijke rechten van de koper en hun wettelijke grondslag.

    26. Dit gezegd zijnde, wijs ik erop dat dit vraagstuk van de kosten van verwijdering van gebrekkige goederen op Unierechtelijk niveau wordt bezien vanuit de specifieke invalshoek van de door de richtlijn aan de consument geboden bescherming.

    27. Het is in dit verband van belang om op te merken dat, zoals in punt 1 van de considerans van de richtlijn wordt verklaard en zoals het Hof in het arrest Quelle terecht heeft beklemtoond, de richtlijn een hoog niveau van consumentenbescherming wil waarborgen.(5)

    28. Aan de andere kant mag niet worden vergeten dat de richtlijn een minimumharmonisatiemaatregel is — niet van alle, maar slechts van bepaalde aspecten van de verkoop van consumptiegoederen. In die zin brengt zij, zoals uit punt 6 van haar considerans blijkt, de nationale wetgevingen betreffende de verkoop van consumptiegoederen nader tot elkaar op het punt van niet-conforme leveringen, zonder daarbij echter afbreuk te doen aan de nationaalrechtelijke beginselen en bepalingen inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid.

    29. Tegen deze achtergrond en bij gebreke van expliciete bepalingen van de richtlijn dienaangaande, lijkt het niet meer dan legitiem om de vraag op te werpen of de door de richtlijn geregelde aansprakelijkheid van de verkoper jegens de consument voor een „gebrek aan overeenstemming”, ook aansprakelijkheid inhoudt voor kosten als die welke gemoeid zijn met het verwijderen van ondeugdelijke goederen die na aflevering door de betrokken consument zijn verwerkt. Dit zou tot gevolg hebben dat de consument in het kader van de genoegdoening in de vorm van „vervanging” dan wel op grond van enige andere bepaling van de richtlijn, van de verkoper kan verlangen dat hij die kosten voor zijn rekening neemt — kosten die, zoals enkele partijen hebben betoogd, in een aantal nationale rechtsorden althans, eerder als „gevolgschade” dan als een zuivere kwestie van tekortkoming in de nakoming worden beschouwd.

    30. Gelet op het doel van de richtlijn, namelijk versterking van de consumentenbescherming, kan een bevestigende beantwoording van deze vraag passend lijken. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Net zoals elk ontwikkeld rechtssysteem dat de rechten en plichten van koper en verkoper in geval van een tekortkoming in de nakoming regelt, mag ook de regeling ter zake van genoegdoening van de richtlijn niet zonder meer de consument dan wel de verkoper bevoordelen, maar moet zij juist trachten een rechtvaardig evenwicht tussen hun respectieve belangen tot stand te brengen.(6)

    31. De twee vragen over de uitlegging van artikel 3 van de richtlijn, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of Wittmer als consument het recht heeft om van de verkoper te verlangen dat deze de kosten draagt van verwijdering van de ondeugdelijke tegels waarom het in het hoofdgeding gaat, dienen in wezen om te bepalen, in de eerste plaats, of de verkoper ingevolge de richtlijn het recht heeft om, ook wanneer herstel van de gebrekkige goederen onmogelijk is, vervanging van die goederen te weigeren op grond dat dit buiten verhouding zou zijn, en, in de tweede plaats, of onder de rechten die artikel 3 van de richtlijn aan de consument toekent, ook het recht valt om van de verkoper vergoeding van de kosten van verwijdering van de ondeugdelijke goederen te vorderen.

    32. Mij lijkt het logischer om deze vragen, die in feite nauw met elkaar zijn verweven, in omgekeerde volgorde te onderzoeken, dat wil zeggen eerst na te gaan of tot de rechten die de consument ingevolge artikel 3 van de richtlijn in geval van een gebrek aan overeenstemming heeft, ook het recht behoort om een vordering als die in geding in te stellen, en, als dat het geval is, vervolgens na te gaan of die vordering aan een proportionaliteitseis in de door de verwijzende rechter omschreven zin kan worden onderworpen.(7)

    B — De vraag of de consument van de verkoper kan verlangen dat hij de kosten van verwijdering van de niet-conforme goederen voor zijn rekening neemt (vraag 2)

    33. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de goederen door vervanging in overeenstemming worden gebracht, de consument van de verkoper vergoeding van de kosten van verwijdering van de niet-conforme goederen uit een zaak waarin de consument hen overeenkomstig hun aard en gebruiksdoel heeft verwerkt, kan vorderen.

    1. Belangrijkste argumenten van partijen

    34. In deze procedure zijn opmerkingen ingediend door Weber, de Commissie en de Oostenrijkse, de Belgische, de Duitse, de Poolse en de Spaanse regering. Weber, de Commissie en de Oostenrijkse en de Duitse regering zijn ook vertegenwoordigd geweest tijdens de terechtzitting op 25 februari 2010.

    35. Weber en de Oostenrijkse, de Belgische en de Duitse regering zijn van mening dat de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord.

    36. Weber en de Duitse regering stellen in wezen dat in een geval als het onderhavige de verkoper ervoor moet instaan dat het afgeleverde aan de koopovereenkomst beantwoordt. In geval van een gebrek aan overeenstemming — dat bij de aflevering moet worden vastgesteld — is de verkoper daarom ingevolge artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn verplicht de ondeugdelijke goederen in overeenstemming te brengen, wat in geval van vervanging betekent dat hij goederen moet afleveren die aan de overeenkomst beantwoorden. De verkoper kan echter niet tot meer dan dat worden verplicht, in die zin dat hij, zoals in de onderhavige zaak wordt gesuggereerd, ook ervoor zou moeten zorgen dat de gebrekkige goederen, die na aflevering door de consument overeenkomstig diens wens zijn gebruikt, worden verwijderd. De wijze waarop een consument aan hem geleverde goederen zal gaan gebruiken, ook als dit in overeenstemming is met hun aard en gebruiksdoel, is voor de verkoper moeilijk te voorzien, zodat de kosten van verwijdering van een en hetzelfde product per geval aanzienlijk kunnen variëren.

    37. Zij menen bovendien dat een dergelijke verplichting om de ondeugdelijke goederen te verwijderen dan wel de daaraan verbonden kosten te dragen, noch volgt uit de bewoordingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn, waarin wordt gesproken van vervanging van de ondeugdelijke goederen, noch uit het feit dat die vervanging volgens artikel 3, leden 3 en 4, van de richtlijn „kosteloos” en „zonder ernstige overlast voor de consument” moet geschieden. Deze voorwaarden doelen slechts op de verplichting van de verkoper tot een hernieuwde aflevering van goederen, dit keer zonder gebreken, en kunnen niet aldus worden opgevat, dat de verkoper daarnaast zou worden verplicht de verwijderingskosten voor zijn rekening te nemen.

    38. Deze partijen beklemtonen tot slot dat eventuele schade die de consument lijdt als gevolg van het gebruik — of de verwijdering — van de betrokken ondeugdelijke goederen, overeenkomstig nationale bepalingen inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid zou kunnen worden verhaald.

    39. De Oostenrijkse en de Belgische regering zijn het in grote lijnen met dit betoog eens, met dien verstande dat de Belgische regering van mening is dat de kosten van het vervoer van de gebrekkige goederen voor rekening van de verkoper zijn.

    40. De Commissie en de Poolse en de Spaanse regering menen daarentegen dat wanneer de verkoper niet-conforme goederen vervangt, hij ook de kosten van verwijdering van die goederen moet dragen, zodat de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord.

    41. De Commissie stelt zich meer bepaald op het standpunt dat het herstel of de vervanging waarop de consument volgens artikel 3, lid 3, van de richtlijn recht heeft, niet anders dan betrekking kan hebben op de niet-conforme goederen in de staat en de omgeving waarin zij verkeren op het moment waarop het gebrek aan overeenstemming aan het licht komt. Dit betekent dat wanneer de niet-conforme goederen overeenkomstig hun aard en gebruiksdoel in een andere zaak zijn verwerkt, zij in die staat het voorwerp van herstel of vervanging vormen. De consument moet dus door vervanging in de situatie worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de hem geleverde goederen geen gebreken hadden vertoond, wat betekent dat zo nodig de niet-conforme goederen moeten worden verwijderd en de deugdelijke goederen moeten worden verwerkt. Deze uitlegging wordt volgens de Commissie ook bevestigd door het gebruik van het woord „vervanging” in artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn. De Commissie heeft echter ter terechtzitting erkend dat het feit dat vervanging volgens artikel 3, leden 3 en 4, van de richtlijn kosteloos en zonder ernstige overlast voor de consument moet plaatsvinden, niet relevant is ter bepaling van de verplichtingen die het recht op vervanging meebrengt.

    42. Ofschoon de Spaanse en de Poolse regering zich juist vooral op die laatste bepalingen baseren, zijn zij het in grote lijnen met het standpunt van de Commissie eens.

    2. Beoordeling

    43. Laat ik vooropstellen dat een letterlijke uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn niet doorslaggevend is voor de vraag, of het recht van de consument op „vervanging” van de niet-conforme goederen ook het recht omvat om van de verkoper te verlangen dat deze die goederen verwijdert dan wel de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening neemt.

    44. Terwijl in sommige taalversies de overeenstemmende begrippen — zoals het Engelse „replacement” en het Franse „remplacement” — in beginsel aldus kunnen worden opgevat, dat daarmee ook op het verwijderen van de ondeugdelijke goederen wordt gedoeld, lijken andere versies, waaronder de Duitse — „Ersatzlieferung” — en de Slowaakse — „sa […] nahradí” — juist voor een wat engere definitie te pleiten doordat wordt gerefereerd aan een vervangende levering of aan de levering van vervangende goederen, en niet aan het gehele proces dat technisch gezien kan resulteren in de vervanging van de ondeugdelijke goederen.

    45. Een contextuele of systematische uitlegging van artikel 3 van de richtlijn lijkt in mijn ogen echter eerder steun te bieden aan een uitlegging volgens welke de aansprakelijkheid van de verkoper zich niet uitstrekt tot de kosten van verwijdering van de niet-conforme goederen.

    46. Zo geeft artikel 3, lid 2, van de richtlijn een limitatieve opsomming van de vormen van genoegdoening die de consument van de verkoper kan verlangen in geval van een niet-conforme levering, namelijk een recht op herstel, op vervanging, op prijsvermindering of op ontbinding van de overeenkomst.

    47. Meer bepaald kan de consument volgens de regeling voor genoegdoening van de richtlijn in eerste instantie via de op nakoming gerichte genoegdoening in de vorm van herstel of vervanging van de verkoper verlangen dat de ondeugdelijke goederen in overeenstemming worden gebracht. Aldus wordt het oorspronkelijke synnalagma ingevolge de koopovereenkomst hersteld, en verkrijgt de consument de nakoming waarvoor hij heeft gecontracteerd. Omdat met deze oplossing het primaire belang van de partijen bij een overeenkomst het beste wordt gediend, geniet zij in de richtlijn de voorkeur boven prijsvermindering of ontbinding van de overeenkomst.(8)

    48. Laatstgenoemde, subsidiaire vormen van genoegdoening worden integendeel erdoor gekenmerkt dat van beide kanten water in de wijn wordt gedaan. Het evenwicht tussen de respectieve belangen van de consument en de verkoper, dat door de ondeugdelijke levering van de verkoper is verstoord, wordt dus hersteld door ofwel de verplichtingen van de consument navenant te verminderen — prijsvermindering — ofwel beide partijen van hun contractuele verplichtingen te ontslaan door ontbinding van de overeenkomst.

    49. Mijns inziens kan hoe dan ook worden vastgesteld dat in beide gevallen de rechten van de consument in beginsel worden ingeperkt door de verplichtingen die met het sluiten van de koopovereenkomst zijn aangegaan.

    50. Dit standpunt wordt bevestigd wanneer de ruimere context van artikel 3 van de richtlijn in aanmerking wordt genomen.

    51. De in deze bepaling geformuleerde rechten van de consument specificeren — of zijn het logische gevolg van — de omvang van de aansprakelijkheid van de verkoper jegens de consument, die volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn moet worden aanvaard voor elk gebrek aan overeenstemming dat bij de aflevering van de goederen bestaat.

    52. Deze aansprakelijkheidsdefinitie vorm op haar beurt duidelijk de weerspiegeling van de in artikel 2, lid 1, van de richtlijn omschreven fundamentele verplichting van de verkoper om aan de consument goederen af te leveren die met de koopovereenkomst in overeenstemming zijn.

    53. Uit de genoemde bepalingen blijkt dat de in artikel 3 van de richtlijn neergelegde rechten van de consument geworteld zijn in het concept „overeenstemming met de overeenkomst”, zodat de omvang ervan moet worden bepaald aan de hand van de rechten en verplichtingen zoals deze in de oorspronkelijke koopovereenkomst zijn geformuleerd.

    54. Anders gezegd: de rechten die artikel 3 van de richtlijn aan de consument toekent, zijn bedoeld om het gebrek aan overeenstemming met hetgeen de consument op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten, namelijk dat hij in het bezit wordt gesteld van goederen zonder gebreken, te verhelpen.

    55. Deze aansprakelijkheid van de verkoper voor een ondeugdelijke levering of, meer bepaald, voor de gebreken in de goederen zelf, met het oog waarop de door de richtlijn aan de consument toegekende remedies in het leven zijn geroepen, en waaruit voor de verkoper de verplichting voortvloeit om door kosteloos herstel of kosteloze vervanging (alsnog) de situatie te creëren waarop de consument oorspronkelijk recht had, moet mijns inziens worden onderscheiden van eventuele aansprakelijkheid — waarop in de onderhavige zaak wordt gedoeld — voor (de kosten van) de uitvoering van werkzaamheden die in verband met niet-conforme goederen moeten worden uitgevoerd, doch na het in artikel 3, lid 1, van de richtlijn genoemde tijdstip van aflevering en nadat de consument de goederen heeft gebruikt.

    56. Bij deze ruimere vorm van aansprakelijkheid zou de verkoper, zoals de Commissie heeft voorgesteld, verplicht zijn de consument in een situatie te brengen waarin deze op een bepaald tijdstip na de aflevering zou hebben verkeerd als de aan hem geleverde goederen geen gebreken hadden vertoond. Voor de onderhavige zaak zou dit betekenen dat de consument in de situatie zou moeten worden gebracht waarin de door hem gelegde vloertegels waren verwijderd en, eventueel, de nieuwe tegels zonder gebreken waren gelegd. Zoals verscheidene partijen hebben opgemerkt, zou die aansprakelijkheid zich ook uitstrekken tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na overgang van het risico op de consument en die dus afhankelijk zijn van diens wil en vooral van het gebruik dat hij van de betrokken goederen maakt.

    57. Het is inderdaad denkbaar dat een verkoper ook zou moeten opdraaien voor dergelijke meer indirecte gevolgen van zijn ondeugdelijke levering of voor de daardoor veroorzaakte schade; kennelijk is dit, zij het onder verschillende voorwaarden, in sommige nationale rechtsorden en, bijvoorbeeld, in artikel 45 van het VN-koopverdrag (hierna: „CISG”)(9) ook het geval.

    58. Zo heeft de Duitse regering opgemerkt, dat de door de consument gemaakte kosten in verband met de verwijdering van ondeugdelijke goederen naar Duits schadevergoedingsrecht kunnen worden verhaald, mits aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het schuldvereiste, is voldaan.

    59. Wat de richtlijn betreft, moet in dit verband echter om te beginnen worden opgemerkt dat zij de consument in geval van een gebrek aan overeenstemming geen recht op schadevergoeding toekent, dit in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, artikel 45, lid 1, sub b, CISG of artikel 27 van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten.(10)

    60. In de tweede plaats wijs ik erop dat juist omdat werkzaamheden of kosten als die waarom het in deze zaak gaat, niet slechts het gevolg zijn van een gebrek aan overeenstemming van de goederen, maar ook van een handeling waarvoor de consument zelf verantwoordelijk is — in dit geval verwerking van de ondeugdelijke vloertegels in de vloer — de aansprakelijkheid van de verkoper voor dergelijke kosten in de regel niet kan worden aangenomen zonder daarbij een criterium als causaliteit, voorzienbaarheid of, eventueel, schuld te laten meewegen.

    61. Het is duidelijk dat in de richtlijn zelfs niet op een dergelijk filter of instrument wordt gezinspeeld.

    62. Misschien zou de voorwaarde „gebruik van de goederen overeenkomstig hun aard en gebruiksdoel” kunnen worden geacht een dergelijke functie te vervullen, zoals de verwijzende rechter, daarin bijgevallen door de Commissie, heeft gesuggereerd. Zoals Weber en de Duitse regering hebben opgemerkt, is dat echter een nogal rekbaar begrip en kan het daarom moeilijk worden gebruikt om de aansprakelijkheid van de verkoper af te bakenen en diens risico calculeerbaar te maken.

    63. Terwijl bij zeer specifieke en afgewerkte goederen, zoals een computer of een tafel, het scala aan „normale” gebruiksmogelijkheden doorgaans heel duidelijk en voorzienbaar is, is het een feit dat het aantal „normale” gebruiksmogelijkheden toeneemt naarmate een product eenvoudiger is. Anders gezegd: hoe meer een product wegheeft van een bouwmateriaal of een grondstof, des te talrijker en onbepaalder zijn de doeleinden waarvoor het in overeenstemming met zijn aard kan worden gebruikt. De kosten die gemoeid zijn met het verwijderen van een en hetzelfde product, kunnen dan ook enorm variëren.

    64. Gelet op een en ander geloof ik niet dat aan het door artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aan de consument toegekende recht om van de verkoper te verlangen dat de ondeugdelijke goederen door vervanging in overeenstemming worden gebracht, een uitlegging kan worden gegeven volgens welke van de verkoper ook kan worden geëist dat hij de gebrekkige goederen verwijdert uit een zaak waarin de consument ze heeft verwerkt, dan wel de kosten van die verwijdering voor zijn rekening neemt.

    65. Ik ben het ook ermee eens dat aan deze constatering niet wordt afgedaan door het volgens artikel 3, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn geldende vereiste van „kosteloosheid” van het in overeenstemming brengen van de goederen door de verkoper. Dit vereiste bepaalt de voorwaarden waaronder de verkoper zijn verplichting jegens de consument om de goederen in overeenstemming te brengen, moet nakomen, namelijk zonder daarvoor kosten in rekening te brengen, maar kan de genoegdoening in de bestaande vorm niet wezenlijk oprekken. Hetzelfde geldt voor het in artikel 3, lid 3, derde alinea, van de richtlijn geformuleerde vereiste van „zonder ernstige overlast”, waarmee wordt aangegeven hoe het in overeenstemming brengen dient plaats te vinden, maar niet wat het concreet inhoudt.

    66. In zoverre, ten slotte, verschilt de onderhavige zaak van die waarom het ging in het arrest Quelle, waarin het Hof heeft vastgesteld dat met het vereiste van „kosteloosheid” moet worden uitgesloten dat de verkoper financiële aanspraken geldend maakt in het kader van de nakoming van zijn verplichting om het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, in overeenstemming te brengen.(11) Op basis van nog andere argumenten concludeerde het Hof dan ook dat de richtlijn in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper van ondeugdelijke goederen van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van die ondeugdelijke goederen tot aan hun vervanging. De onderhavige zaak gaat echter niet over een financiële aanspraak die de verkoper jegens de consument geldend maakt in het kader van de vervanging, maar over de vraag of het recht van de consument om van de verkoper te eisen dat hij de ondeugdelijke goederen in overeenstemming brengt, behalve het recht op kosteloze aflevering van nieuwe goederen zonder gebreken, ook het recht omvat om van de verkoper te verlangen dat hij de ondeugdelijke goederen verwijdert dan wel de daarmee gemoeide kosten voor zijn rekening neemt.

    67. Uit alle bovenstaande overwegingen volgt dat op de tweede vraag van de verwijzende rechter moet worden geantwoord, dat tot de rechten die artikel 3, leden 2 en 3, van de richtlijn aan de consument toekent, niet het recht behoort om, ingeval een goed door vervanging in overeenstemming wordt gebracht, van de verkoper vergoeding van de kosten van verwijdering van het niet-conforme goed uit een zaak waarin de consument het overeenkomstig zijn aard en gebruiksdoel heeft verwerkt, te vorderen.

    C — Het proportionaliteitsvereiste (vraag 1)

    68. De eerste vraag van de verwijzende rechter houdt in wezen in of artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke een verkoper die een consumptiegoed heeft verkocht dat niet aan de overeenkomst beantwoordt, het recht heeft om, ingeval herstel van het ondeugdelijke goed onmogelijk moet worden geacht, de door de consument gekozen alternatieve vorm van genoegdoening, namelijk vervanging van het goed, te weigeren indien deze remedie buiten verhouding zou zijn doordat zij voor de verkoper kosten zou meebrengen die, gelet op de waarde die het goed zonder het gebrek aan overeenstemming zou hebben, en op de ernst van het gebrek aan overeenstemming, onredelijk zijn.

    69. Als de tweede vraag in de door mij voorgestane zin wordt beantwoord, namelijk dat de consument als onderdeel van zijn recht op vervanging van ondeugdelijke goederen, niet kan verlangen dat de verkoper de kosten van verwijdering van de ondeugdelijke goederen, zoals die in geding, voor zijn rekening neemt, is deze eerste vraag voor de onderhavige zaak niet meer relevant. Toch zal ik er, zij het ook volledig subsidiair, op ingaan, voor het geval het Hof tot een andere conclusie zou komen dan wel ervoor zou kiezen de vragen in de door de verwijzende rechter voorgestelde volgorde te beantwoorden.

    1. Belangrijkste argumenten van partijen

    70. Weber — die overigens heeft gesteld dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is — en de Duitse en de Oostenrijkse regering zijn van mening, dat volgens artikel 3 van de richtlijn de verkoper van niet-conforme goederen ook in een geval als het onderhavige, waarin de alternatieve vorm van genoegdoening onmogelijk wordt geacht, het recht heeft de door de consument verlangde vorm van genoegdoening te weigeren indien deze remedie buiten verhouding is doordat zij voor de verkoper kosten meebrengt die, in vergelijking met de waarde van de goederen zonder het gebrek aan overeenstemming, onredelijk zijn. Volgens deze partijen moet de eerste vraag dan ook ontkennend worden beantwoord.

    71. Op basis van enigszins uiteenlopende argumenten stellen deze partijen dat de door hen voorgestane uitlegging steun vindt in de bewoordingen, de systematiek en, vooral, het doel van de richtlijn, die immers een compromis wil vinden tussen de belangen van de consument en die van de verkoper. Ofschoon zij het door de verwijzende rechter genoemde concept van relatieve evenredigheid in grote lijnen aanvaarden, voeren zij aan dat voor de in artikel 3 van de richtlijn geformuleerde verplichtingen van de verkoper altijd, dat wil zeggen ook wanneer een van de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn genoemde vormen van genoegdoening onmogelijk is, de proportionaliteitseis geldt, zodat van de verkoper niet kan worden verlangd dat hij ondeugdelijke goederen vervangt indien dit voor hem kosten zou meebrengen die volstrekt onredelijk zijn.

    72. Wat dit betreft, zijn Weber en de Duitse en de Oostenrijkse regering het in grote lijnen erover eens dat, ofschoon artikel 3, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn — evenals punt 11 van de considerans — enkel lijkt te doelen op het geval dat de ene vorm van genoegdoening disproportioneel is vergeleken met de andere, aan de in deze bepaling geformuleerde criteria een algemene strekking moet worden toegekend, zodat zij ook gelden voor een geval als het onderhavige, waarin slechts één vorm van genoegdoening mogelijk wordt geacht. Weber preciseert in dit verband dat het in artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn gebezigde begrip „onmogelijk” aldus kan worden opgevat, dat daaronder ook gevallen van (absolute) onevenredigheid vallen. Volgens de Oostenrijkse regering kan in de omstandigheden van de onderhavige zaak vervanging als onmogelijk in de zin van die bepaling worden beschouwd, omdat de tegels niet kunnen worden verwijderd en teruggegeven zonder dat zij worden vernield.

    73. De betrokken partijen menen bovendien dat in een geval als het onderhavige, waarin de in artikel 3, lid 3, van de richtlijn genoemde vormen van genoegdoening onmogelijk of buiten verhouding zouden zijn, de consument door de richtlijn toch afdoende wordt beschermd in zoverre artikel 3, lid 5, hem het recht verleent een passende prijsvermindering of de ontbinding van de overeenkomst te verlangen.

    74. Zij beklemtonen tot slot dat de uit de richtlijn voortvloeiende rechten en plichten, zoals in punt 6 van de considerans wordt verklaard, in geen geval afbreuk doen aan de nationaalrechtelijke beginselen en bepalingen inzake contractuele en niet-contractuele aansprakelijkheid, op grond waarvan de consument dus wellicht schadevergoeding kan verlangen.

    75. De Commissie en de Belgische, de Poolse en de Spaanse regering stellen integendeel, kort gezegd, dat de proportionaliteitstoets enkel van toepassing is op de keuze tussen de twee in artikel 3, lid 3, van de richtlijn genoemde vormen van genoegdoening en dus niet ertoe kan leiden dat moet worden gekozen voor prijsvermindering of ontbinding van de overeenkomst, de in artikel 3, lid 5, geformuleerde subsidiaire remedies. Zij menen dan ook dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord.

    76. De Commissie is meer bepaald de mening toegedaan dat deze oplossing om te beginnen volgt uit de bewoordingen van artikel 3, lid 3, tweede alinea, en van punt 11 van de considerans van de richtlijn. Bovendien heeft volgens de regeling van artikel 3 van de richtlijn nakoming van de overeenkomst voorrang op prijsvermindering of ontbinding, zodat de in deze bepaling geformuleerde proportionaliteitseis strikt moet worden uitgelegd. De Commissie ontkent evenwel niet dat er in extreme gevallen, waarin de enige vorm van genoegdoening die mogelijk is en die wordt verlangd, in geen enkele verhouding zou staan tot het belang van de consument bij inwilliging van zijn eis, wellicht sprake zou kunnen zijn van een geval van onmogelijkheid in de zin van artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn.

    77. De Belgische, de Poolse en de Spaanse regering zijn het in grote lijnen met de Commissie eens en menen dat het in strijd zou zijn met het hoge beschermingsniveau en de rechten die de richtlijn aan de consument wil toekennen, als de verkoper de enige mogelijke vorm van genoegdoening kon weigeren op grond dat hij daardoor met onredelijk hoge kosten zou worden opgezadeld.

    2. Beoordeling

    78. Zoals ik al zei(12), schrijft de richtlijn een hiërarchie tussen de verschillende vormen van genoegdoening voor door aan herstel en vervanging, de remedies waarbij de consument de nakoming verkrijgt waarvoor hij heeft gecontracteerd, voorrang te geven boven prijsvermindering en ontbinding, de remedies waarbij de oorspronkelijk overeengekomen rechten en verplichtingen worden gewijzigd naar evenredigheid van de afwijking van het overeengekomene, dan wel volledig komen te vervallen.

    79. Volgens artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn heeft de consument namelijk „in eerste instantie” het recht om van de verkoper te verlangen dat de goederen door herstel of vervanging in overeenstemming worden gebracht. Zoals uit artikel 3, lid 5, van de richtlijn blijkt, kan de consument subsidiair prijsvermindering of ontbinding van de koopovereenkomst verlangen indien hij „geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging” dan wel indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de consument tot een dergelijke vorm van genoegdoening is overgegaan.

    80. Blijkens artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn heeft de consument recht op de op nakoming gerichte remedies herstel of vervanging, „behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn”.

    81. Volgens mij volgt uit die bepaling duidelijk dat het gemaakte voorbehoud geldt voor elke „primaire” remedie, met als gevolg dat, of de consument nu voor herstel dan wel voor vervanging kiest, in beide gevallen de remedie zowel mogelijk als proportioneel moet zijn, bij gebreke waarvan de verkoper de primaire remedies kan weigeren en de consument nog slechts de keuze heeft tussen prijsvermindering en ontbinding.

    82. De bewoordingen van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn, volgens welke de proportionaliteit van een vorm van genoegdoening moet worden beoordeeld in verhouding tot „de alternatieve vorm van genoegdoening”, schijnen er inderdaad op te duiden dat het proportionaliteitsvereiste enkel geldt voor de keuze tussen de twee primaire remedies en niet voor de keuze tussen deze remedies en prijsvermindering of ontbinding.

    83. Deze uitlegging is echter niet dwingend en moet, niet alleen gelet op bovenvermelde bepalingen van artikel 3, lid 3, eerste alinea, van de richtlijn, van de hand worden gewezen.

    84. Als de richtlijn overeenkomstig die uitlegging inderdaad aldus moest worden opgevat, dat wanneer — zoals in de omstandigheden van het hoofdgeding —een van de twee in artikel 3, lid 3, van de richtlijn genoemde primaire vormen van genoegdoening onmogelijk is, de consument kan kiezen voor de alternatieve vorm van genoegdoening, ongeacht of deze al dan niet buiten verhouding is, zou hierdoor duidelijk voor toepassing van de subsidiaire remedies, namelijk prijsvermindering of ontbinding ingevolge artikel 3, lid 5, eerste streepje, van de richtlijn, nog maar heel weinig ruimte overblijven, namelijk alleen in gevallen waarin zowel herstel als vervanging onmogelijk is.

    85. In mijn ogen zou een dergelijke uitlegging de belangen van de verkoper op ongerechtvaardigde wijze miskennen en dus geen redelijk evenwicht tot stand brengen tussen de belangen van de consument en die van de verkoper.(13) Dat deze uitlegging niet overeind kan blijven zonder dat dit tot onaanvaardbare onbillijkheden voor de verkoper leidt, is indirect ook erkend door de Commissie, die heeft gesteld dat in extreme gevallen van ernstige disproportionaliteit uitzonderingen mogelijk moeten zijn.

    86. In dit verband wijs ik er bovendien op dat het Hof heeft erkend, dat de richtlijn de financiële belangen van de verkoper onder meer beschermt door de door artikel 3, lid 3, tweede alinea, aan de verkoper geboden mogelijkheid om vervanging van het goed te weigeren ingeval deze vorm van genoegdoening buiten verhouding is doordat zij voor hem onredelijke kosten meebrengt.(14)

    87. Ten slotte moet worden opgemerkt dat de factoren die in het kader van het door de verwijzende rechter geschetste concept van (absolute) onevenredigheid in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of een vorm van genoegdoening voor de verkoper onredelijke kosten meebrengt en om die reden disproportioneel moet worden geacht, in wezen overeenkomen met die welke in artikel 3, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn worden genoemd.

    88. Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag van het Bundesgerichtshof te worden geantwoord, dat artikel 3, lid 3, eerste en tweede alinea, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke een verkoper die een consumptiegoed heeft verkocht dat niet aan de overeenkomst beantwoordt, het recht heeft om, ingeval herstel van het ondeugdelijke goed onmogelijk is, de door de consument gekozen alternatieve vorm van genoegdoening, namelijk vervanging van het goed, te weigeren indien deze remedie buiten verhouding zou zijn doordat zij voor de verkoper kosten zou meebrengen die, gelet op de waarde die het goed zonder het gebrek aan overeenstemming zou hebben, en op de ernst van het gebrek aan overeenstemming, onredelijk zijn.

    V — Conclusie

    89. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

    „Tot de rechten die aan de consument worden toegekend door artikel 3, leden 2 en 3, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, behoort niet het recht om, ingeval een goed door vervanging in overeenstemming wordt gebracht, van de verkoper vergoeding van de kosten van verwijdering van het niet-conforme goed uit een zaak waarin de consument het overeenkomstig zijn aard en gebruiksdoel heeft verwerkt, te vorderen.

    Artikel 3, lid 3, eerste en tweede alinea, van de richtlijn moet aldus worden uitgelegd, dat het niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke een verkoper die een consumptiegoed heeft verkocht dat niet aan de overeenkomst beantwoordt, het recht heeft om, ingeval herstel van het ondeugdelijke goed onmogelijk is, de door de consument gekozen alternatieve vorm van genoegdoening, namelijk vervanging van het goed, te weigeren indien deze remedie buiten verhouding zou zijn doordat zij voor de verkoper kosten zou meebrengen die, gelet op de waarde die het goed zonder het gebrek aan overeenstemming zou hebben, en op de ernst van het gebrek aan overeenstemming, onredelijk zijn.”