De Commissie kent de lidstaten jaarlijks een eerste toewijzing toe aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van het doel van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 29 juli 2010.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 29 juli 2010.
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 29 juli 2010
Uitspraak
Arrest van het Hof (Eerste kamer)
29 juli 2010(*)
In zaak C-54/09 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 6 februari 2009,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. Chalkias en M. Tassopoulou als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,andere partij bij de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe en F. Jimeno Fernández als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet (rapporteur), M. Ilešič, M. Safjan en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: R. Grass,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 maart 2010,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening vordert de Helleense Republiek vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2008, Griekenland/Commissie (T-339/06, Jurispr. blz. II-3525; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van beschikking 2006/669/EG van de Commissie van 4 oktober 2006 tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 van de Raad (PB L 275, blz. 62; hierna: „litigieuze beschikking”) heeft verworpen.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EG) nr. 1493/1999
2 Artikel 14 van verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179, blz. 1) bepaalt:
„1.2.De eerste toewijzing wordt aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met het doel van de regeling en met de beschikbare middelen rekening wordt gehouden.
3.Bij de toewijzing van de financiële middelen aan de lidstaten wordt terdege rekening gehouden met het aandeel van de betrokken lidstaat in het wijnbouwoppervlak in de Gemeenschap.
[...]”
Verordening (EG) nr. 1227/2000
3 Artikel 16 van verordening (EG) nr. 1227/2000 van de Commissie van 31 mei 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1493/1999, inzonderheid met betrekking tot het productiepotentieel (PB L 143, blz. 1), in de op het begrotingsjaar 2006 toepasselijke versie (hierna: „verordening nr. 1227/2000”), luidt als volgt:
„1.Uiterlijk op 10 juli van elk jaar zenden de lidstaten de Commissie met betrekking tot de herstructurerings- en omschakelingsregeling:
een staat van de werkelijke uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
een staat van de betaalde uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
de aanvragen om, bovenop de financiële toewijzing zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 1493/1999, uitgaven van het lopende jaar te vergoeden, met vermelding van de totale betrokken oppervlakte voor ieder geval, en
de herziene uitgavenraming, met vermelding van de totale oppervlakte, voor de volgende begrotingsjaren tot het einde van de periode waarbinnen de herstructurerings- en omschakelingsplannen naar verwachting uitgevoerd zullen zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de aan iedere lidstaat toegewezen middelen.
2.Onverminderd de algemene voorschriften inzake begrotingsdiscipline, past de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging toe op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven, wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 moeten meedelen, onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.”
4 In artikel 17 van verordening nr. 1227/2000 is bepaald:
„1.Voor elke lidstaat worden de voor een begrotingsjaar gedeclareerde werkelijke uitgaven slechts gefinancierd tot de overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a en b, meegedeelde bedragen, voor zover deze in totaal de financiële toewijzing aan de lidstaat zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999, niet overschrijden.
[...]
3.Aanvragen van de lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub c, worden in aanmerking genomen naar rato van het bedrag dat beschikbaar blijft nadat alle overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a, gemelde bedragen en de overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub b, gedeclareerde bedragen voor alle lidstaten zijn afgetrokken van het totaal van de financiële toewijzingen aan de lidstaten zoals bedoeld in artikel 14 van verordening [...] nr. 1493/1999. De Commissie deelt de lidstaten zo spoedig mogelijk na 30 juni mee in hoeverre hun aanvragen ingewilligd kunnen worden.
4.Ongeacht het bepaalde in de leden 1 en 2, geldt het volgende: wanneer de overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a, gemelde totale oppervlakte kleiner is dan het aantal hectares dat aangeven is in de in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 bedoelde financiële toewijzing aan de lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar, dan worden de voor dat begrotingsjaar gedeclareerde uitgaven slechts gefinancierd tot een maximum dat berekend wordt door de aangegeven totale oppervlakte te vermenigvuldigen met de gemiddelde steun per hectare die resulteert uit de verhouding tussen het aan de lidstaat op grond van artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 toegekende bedrag en het geplande aantal hectares.
Dit bedrag mag in geen geval hoger zijn dan de overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a, gedeclareerde uitgaven.
Voor de toepassing van dit lid geldt voor de gemelde totale oppervlakte een tolerantie van 5 % ten opzichte van die welke is vermeld in de financiële toewijzing voor het betrokken begrotingsjaar.
De bedragen die krachtens het bepaalde in dit lid niet worden gefinancierd, zijn niet beschikbaar voor de toepassing van het bepaalde in lid 3.
[...]
8.Verwijzingen naar een begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht.
[...]”
Verordening (EG) nr. 1258/1999
5 Artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103) luidt:
„De Commissie stelt de financiële middelen ter dekking van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde uitgaven ter beschikking van de lidstaten via voorschotten op de voorziening voor uitgaven in een referentieperiode.
[...]”
6 In artikel 7, lid 2, van deze verordening is bepaald:
„De Commissie neemt een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan.
De uitgaven in oktober worden gerekend tot de maand oktober indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. De voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
7 De feiten van het geschil zijn door het Gerecht als volgt uiteengezet:
Voor het begrotingsjaar 2006 (16 oktober 2005-15 oktober 2006) is de indicatieve verdeling van de middelen die krachtens verordening nr. 1493/1999 worden toegewezen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden vastgelegd in beschikking 2005/716/EG van de Commissie van 10 oktober 2005 tot vaststelling, voor het wijnoogstjaar 2005/2006, van de indicatieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 (PB L 271, blz. 45). In de bijlage bij die beschikking is de indicatieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek vastgesteld op 8 574 504 EUR voor een oppervlakte van 1 249 ha.
Op 10 juli 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1493/1999 en artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 een staat van de uitgaven in verband met de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland in het begrotingsjaar 2006 gezonden, teneinde financiële toewijzingen te verkrijgen. Volgens deze mededeling bedroegen die uitgaven in totaal 6 829 204,46 EUR voor een oppervlakte van 788,002 ha.
Op 22 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden om deze ervan op de hoogte te brengen dat er een tikfout was gemaakt en dat de in aanmerking te nemen oppervlakte 1 102,271 ha bedroeg. Zij hebben gepreciseerd dat deze oppervlakte overeenstemde met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 werkelijk gedane uitgaven voor de herstructurering en de omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 1 085,391 ha, en met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 betaalde uitgaven voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 16,88 ha. Zij hebben ook in herinnering gebracht dat de totale uitgaven 6 829 204,46 EUR bedroegen.
Op 26 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten tijdens de 890e bijeenkomst van het Comité van beheer voor wijn de Commissie opnieuw verzocht om de rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen. De Commissie heeft het verzoek van de Griekse autoriteiten mondeling afgewezen met het betoog dat de gecorrigeerde gegevens te laat waren ingediend.
Op 4 oktober 2006 heeft de Commissie [de litigieuze] beschikking [...] vastgesteld. Op dezelfde dag heeft een vertegenwoordiger van de Commissie vertegenwoordigers van de Griekse autoriteiten ontmoet aan wie hij heeft uiteengezet dat het, gelet op de termijnen, onmogelijk was om gevolg te geven aan hun verzoek om de op 22 september 2006 meegedeelde rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen.
Op 16 oktober 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden met het verzoek om de bijlage bij de [litigieuze] beschikking te wijzigen. De Commissie heeft dit verzoek niet ingewilligd.”
Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 november 2006, heeft de Helleense Republiek beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring of wijziging van de litigieuze beschikking voor zover zij betrekking heeft op de verlening van financiële toewijzingen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland, opdat rekening zou worden gehouden met de gecorrigeerde gegevens die op 22 september 2006 aan de Commissie waren meegedeeld, en haar de desbetreffende middelen zouden worden toegekend.
9 Ter onderbouwing van haar beroep voor het Gerecht voerde de Helleense Republiek vijf middelen aan, ontleend aan respectievelijk de stelling dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepaalde termijn indicatief is, schending van het beginsel van loyale samenwerking, schending van de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur, schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van het beginsel van nuttige werking.
10 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dat beroep verworpen.
11 Wat het eerste middel betreft heeft het Gerecht in punt 25 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 en uit de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan het een onderdeel vormt, blijkt dat de in dat artikel gestelde termijn dwingend is.
12 In het volgende punt heeft het Gerecht in dat verband om te beginnen geoordeeld dat de vermelding dat het om een „dwingende termijn” gaat, niet noodzakelijk is om de betrokken termijn als een dwingende termijn te beschouwen.
13 Vervolgens heeft het Gerecht overwogen dat het feit dat drie taalversies van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepalen dat de lidstaten de Commissie „tot” 10 juli van elk jaar de bedoelde gegevens toezenden, daaraan geen andere betekenis geeft dan in de andere taalversies.
14 Het Gerecht heeft voorts geoordeeld dat het dwingende karakter van deze termijn werd bevestigd door de rol ervan in het kader van de herstructurerings- en omschakelingsregeling voor wijngaarden en door het doel van de staat van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 vermelde uitgaven en betrokken oppervlakten, waarvoor deze termijn is gesteld in het kader van die regeling.
15 In dat verband heeft het Gerecht in punt 29 van het bestreden arrest overwogen dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn ertoe dient een doeltreffende vaststelling van de in artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde toewijzingen mogelijk te maken, wat betekent dat de datum waarop de lidstaten jaarlijks de gegevens aan de Commissie moeten meedelen, dient te worden geëerbiedigd teneinde de indicatieve financiële toewijzingen bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 aan te passen, met name aan de hand van de werkelijke uitgaven, overeenkomstig artikel 14, lid 2, van deze verordening.
16 Het Gerecht heeft in de punten 30 tot en met 32 van het bestreden arrest tevens vastgesteld dat de datum 10 juli, die in verband staat met de datum 15 oktober, is bedoeld om de Commissie voldoende tijd te geven om de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen worden vastgesteld, vóór het einde van het begrotingsjaar te geven en bekend te maken.
17 In de punten 33 tot en met 35 heeft het Gerecht bovendien vastgesteld dat teneinde de lidstaten in staat te stellen de laatste betalingen, met betrekking tot de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gedeclareerde uitgaven, te verrichten vóór het einde van het lopende begrotingsjaar en de terugbetaling ervan door de Commissie te verkrijgen vóór het einde van het begrotingsjaar, op de voor dat begrotingsjaar beschikbare begrotingsonderdelen, de nuttige werking van de aan de orde zijnde bepalingen vereist dat de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het begrotingsjaar worden vastgesteld, tot stand komt vóór het einde daarvan, dus vóór 15 oktober.
18 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 39 van het bestreden arrest overwogen dat aan artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 geen argument kan worden ontleend inzake het al dan niet dwingende karakter van de in lid 1 van dat artikel gestelde termijn, daar genoemd lid 2 de gevolgen betreft van een situatie waarin de betrokken lidstaat onvolledige gegevens verstrekt of de voor de verstrekking van deze gegevens gestelde termijn niet naleeft.
19 Bovendien heeft het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest het argument van de Helleense Republiek afgewezen dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bevestigt dat de gestelde termijn indicatief is aangezien daarin het beginsel is neergelegd dat de Commissie de door de lidstaten werkelijk gedane uitgaven moet financieren, hetgeen impliceert dat zij hun vergissingen na 10 juli kunnen rechtzetten. Dienaangaande heeft het Gerecht, na te hebben vastgesteld dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 de financiering van de voor een begrotingsjaar gedeclareerde werkelijk gedane en betaalde uitgaven betreft en niet alleen uitgaven die werkelijk zijn gedaan, geoordeeld dat dit argument niet slaagde omdat het op een onvolledig citaat van die bepaling berust.
20 In de punten 50 tot en met 60 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het tweede en het derde middel van het beroep afgewezen, waarmee de Helleense Republiek in wezen betoogde dat de vermeende onjuistheid van de gegevens die zij vóór het verstrijken van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn aan de Commissie had meegedeeld, evident was en dat de Commissie dus krachtens de beginselen van loyale samenwerking, goede trouw en behoorlijk bestuur gehouden was om rekening te houden met de na het verstrijken van die termijn meegedeelde rechtgezette gegevens.
21 Na te hebben vastgesteld dat het geenszins voor de hand lag dat de door de Griekse autoriteiten op 10 juli 2006 aan de Commissie meegedeelde gegevens onjuist waren, leidde het Gerecht daaruit in punt 57 van het bestreden arrest af dat het betoog van de Helleense Republiek op een feitelijk onjuist uitgangspunt berustte.
22 Voorts heeft het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest geoordeeld dat een lidstaat, gelet op het dwingende karakter van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn niet van de Commissie kan eisen dat zij rekening houdt met gegevens die na het verstrijken van die termijn zijn meegedeeld. Het heeft bovendien in punt 59 van dat arrest gepreciseerd dat hoewel niet volledig is uitgesloten dat rekening wordt gehouden met door een lidstaat laattijdig meegedeelde gegevens, de Commissie kan weigeren om dergelijke gegevens in aanmerking te nemen indien dit in de weg kan staan aan de tijdige vaststelling van de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het betrokken begrotingsjaar worden vastgesteld. Het Gerecht kwam op grond daarvan tot de slotsom dat de Commissie de aangevoerde beginselen niet had geschonden door met de rechtgezette gegevens geen rekening te houden, aangezien de Helleense Republiek die gegevens pas op 22 september 2006 heeft meegedeeld, oftewel meer dan twee maanden na de oorspronkelijke mededeling van de vermeend onjuiste gegevens en pas drie weken vóór de uiterste datum voor de vaststelling van de beschikking, te weten 15 oktober 2006.
23 Ook het vierde door de Helleense Republiek aangevoerde middel, dat was ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, werd afgewezen door het Gerecht.
24 Het overwoog in punt 66 van het bestreden arrest om te beginnen dat, in tegenstelling tot het argument van de Helleense Republiek dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel had geschonden nu haar een dubbele sanctie is opgelegd door de — met het beginsel ne bis in idem strijdige — cumulatieve toepassing van artikel 16, lid 2, en artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000, uit de litigieuze beschikking niet volgt dat de Commissie artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 op haar heeft toegepast.
25 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 69 tot en met 75 van het bestreden arrest het argument van de Helleense Republiek afgewezen dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel had geschonden door haar een sanctie op te leggen die niet in verhouding stond tot de door de Griekse autoriteiten gemaakte computerfout.
26 Het Gerecht heeft tevens het vijfde middel, ontleend aan schending van het beginsel van nuttige werking, afgewezen.
27 Het Gerecht bracht in herinnering dat de vaststelling van een dwingende termijn noodzakelijk is om de Commissie in staat te stellen de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten worden vastgesteld, vóór het einde van het betrokken begrotingsjaar te geven, en heeft daaruit in punt 79 van het bestreden arrest afgeleid dat de nuttige werking van de artikelen 11, 13 en 14 van verordening nr. 1493/1999 en de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1227/2000 zich niet verzet tegen de toepassing van een dwingende termijn en evenmin tegen de weigering om rekening te houden met de door een lidstaat na die termijn meegedeelde gegevens, ook al heeft dit tot gevolg dat de toewijzing aan de betrokken lidstaat wordt verminderd.
Conclusies van partijen
28 De Helleense Republiek verzoekt het Hof:
-
de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
-
het bestreden arrest te vernietigen;
-
de vorderingen uit het verzoekschrift toe te wijzen;
-
de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht,
29 De Commissie verzoekt het Hof:
-
de hogere voorziening niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
-
de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
30 Tot staving van haar hogere voorziening voert de Helleense Republiek drie middelen aan, die zijn ontleend aan, respectievelijk, een onjuiste uitlegging van de artikelen 16, leden 1 en 2, en 17 van verordening nr. 1227/2000, een verkeerde opvatting van het Gerecht van de strekking van verschillende algemene rechtsbeginselen, en een tegenstrijdige motivering.
Eerste middel: onjuiste uitlegging van de artikelen 16, leden 1 en 2, en 17 van verordening nr. 1227/2000
Argumenten van partijen
31 De Helleense Republiek verwijt het Gerecht dat het de artikelen 16, leden 1 en 2, en 17 van verordening nr. 1227/2000 onjuist heeft uitgelegd. De uitlegging van deze bepalingen in hun onderling verband toont aan, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, dat de termijn van artikel 16, lid 1, indicatief is.
32 Dat die termijn indicatief is, volgt in het bijzonder uit artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000. De Helleense Republiek betoogt in dit verband dat uit de formulering van deze bepaling voortvloeit dat wanneer onvolledige gegevens worden verstrekt of wanneer gegevens niet tijdig worden verstrekt, dit enkel leidt tot een tijdelijke en forfaitaire verlaging van de voorschotten. Volgens deze lidstaat volgt daaruit dat deze sanctie achteraf zal kunnen worden opgeheven zodra de betrokken lidstaat de gegevens heeft aangevuld of heeft verstrekt vóór de beschikking tot vaststelling van de aan de lidstaten toegekende definitieve financiële toewijzingen wordt gegeven, zodat hij niet wordt gestraft en de bedragen waarop hij recht heeft niet worden verlaagd.
33 Volgens de Helleense Republiek is het ondenkbaar dat de Uniewetgever ten aanzien van lidstaten die binnen de termijn onjuiste gegevens verstrekken, een strenger voorschrift zou hebben vastgesteld dan dat wat geldt voor lidstaten die helemaal geen of onvolledige gegevens hebben verstrekt.
34 Ook uit de bewoordingen van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, volgens hetwelk de werkelijke uitgaven — en niet, zoals het Gerecht, stelt de gedeclareerde werkelijke uitgaven — worden gefinancierd, vloeit voort dat de betrokken termijn indicatief is. De Helleense Republiek leidt daaruit af dat de lidstaten de mogelijkheid hebben klaarblijkelijke invoerfouten — zelfs na 10 juli — te corrigeren.
35 Zij betoogt voorts dat het feit dat in de Griekse taalversie van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 de uitdrukking „uiterlijk” ontbreekt, die wel voorkomt in andere taalversies, bevestigt dat de in deze bepaling gestelde termijn indicatief is.
36 Het feit dat de Commissie zelf heeft erkend na het verstrijken van die termijn verstrekte gegevens te aanvaarden, pleit eveneens daarvoor.
37 De Commissie betoogt dat het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat daarin de argumenten worden herhaald die in eerste aanleg waren aangevoerd.
38 In het bijzonder betoogt zij dat het argument van de Helleense Republiek, dat het feit dat de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 indicatief is, bevestiging vindt in artikel 17, lid 1, van die verordening, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat daarmee een heronderzoek van de feiten wordt beoogd.
39 De Commissie betoogt voorts dat uit artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 niet kan worden afgeleid dat de termijn van lid 1 van dit artikel indicatief is, omdat de rol en het doel van deze bepalingen verschillen. Zo is lid 2 enkel van toepassing wanneer onvolledige gegevens worden verstrekt of wanneer gegevens niet tijdig worden verstrekt, hetgeen in casu niet het geval is.
40 Wat het argument van de Helleense Republiek betreft dat is ontleend aan het feit dat de term „uiterlijk” ontbreekt in de Griekse taalversie van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, betoogt de Commissie dat dit niet-ontvankelijk is omdat daarmee een heronderzoek van het bij het Gerecht ingestelde beroep wordt beoogd. Ten gronde betoogt zij dat het feit dat dit woord in de Griekse taalversie ontbreekt, geen wezenlijke uitleggingsfactor vormt bij de beoordeling van de aard van de litigieuze termijn, en dat dit hoe dan ook niet bewijst dat deze termijn indicatief is.
41 Ten slotte betoogt de Commissie, in antwoord op het argument dat voor de indicatieve aard van de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 steun is te vinden in het feit dat zij heeft erkend te laat verstrekte gegevens te aanvaarden, dat het Gerecht op goede gronden van oordeel was dat een lidstaat niet kan eisen dat rekening wordt gehouden met te laat verstrekte gegevens en dat de Commissie een verzoek daartoe kan afwijzen wanneer het onmogelijk blijkt om de beschikking tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten, tijdig te geven.
Beoordeling door het Hof
— Ontvankelijkheid
42 Het is juist dat volgens vaste rechtspraak een hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een verzoekschrift in hogere voorziening dat zich beperkt tot een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, voldoet derhalve niet aan de motiveringseisen van deze bepalingen (zie met name arrest van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, Jurispr. blz. I-8681, punt 131).
43 De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen in hogere voorziening echter opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien een rekwirant niet op die manier zijn hogere voorziening kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (zie arrest van 23 april 2009, AEPI /Commissie, C-425/07 P, Jurispr. blz. II-3205, punt 24).
44 Het eerste middel van de Helleense Republiek is nu juist gericht tegen de uitlegging die het Gerecht van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1227/2000 heeft gegeven. Het moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
— Ten gronde
45 Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepaalt in het merendeel van de taalversies dat de lidstaten „uiterlijk” op 10 juli van elk jaar de Commissie de in deze bepaling genoemde gegevens zenden.
46 Het lijdt geen enkele twijfel dat een dergelijke formulering die termijn tot een dwingende termijn maakt. De omstandigheid dat drie taalversies, waaronder de Griekse, bepalen dat de lidstaten die gegevens „tot” 10 juli aan de Commissie zenden, geeft aan dit artikel niet een betekenis die verschilt ten opzichte van de andere taalversies.
47 Deze uitlegging vindt bevestiging zowel in de algemene opzet van verordening nr. 1227/2000 als in het doel van artikel 16, lid 1, daarvan.
48 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de redenering van de Helleense Republiek, volgens welke de indicatieve aard van de in deze bepaling gestelde termijn volgt uit artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000, is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat deze bepaling mede betrekking heeft op het geval waarin een lidstaat heeft verzuimd de Commissie een uitgavenstaat uit hoofde van artikel 16, lid 1, van deze verordening te zenden, terwijl uit de bewoordingen daarvan duidelijk blijkt dat het uitsluitend gaat om onvolledige staten die op 10 juli van elk jaar niet waren aangevuld.
49 Volgens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 past de Commissie immers een verlaging toe op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 van dat artikel moeten meedelen, onvolledig zijn en niet tijdig werden verstrekt.
50 Daaruit volgt dat de redenering van de Helleense Republiek op dit punt niet kan slagen.
51 Voor het overige moet worden vastgesteld dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 betrekking heeft op de voorschotten op de voorziening voor landbouwuitgaven in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1258/1999, en niet op de definitieve financiële toewijzingen.
52 Overeenkomstig dit artikel stelt de Commissie via voorschotten op de voorziening voor uitgaven in een referentieperiode de financiële middelen ter dekking van de in de artikelen 2 en 3 van die verordening bedoelde uitgaven ter beschikking van de lidstaten. Krachtens artikel 7, lid 2, van die verordening neemt de Commissie een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan. Deze voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
53 In deze context bepaalt artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 dat de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging toepast op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven, wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 van dat artikel moeten meedelen, onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.
54 Bijgevolg bedoelt artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 de lidstaten juist te stimuleren om hun uit lid 1 van dat artikel voortvloeiende verplichting om uitgavenstaten te verstrekken na te leven.
55 In de tweede plaats kan de redenering van de Helleense Republiek dat de bewoordingen van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bevestigen dat de in artikel 16, lid 1, van die verordening gestelde termijn indicatief is, niet worden aanvaard.
56 Volgens dat artikel worden — tot de overeenkomstig artikel 16, lid 1, van deze verordening meegedeelde bedragen — gefinancierd: de gedeclareerde werkelijke uitgaven.
57 Anders dan de Helleense Republiek stelt, wijst niets in de bewoordingen van deze bepaling erop dat de Commissie gehouden is zich op de werkelijke gegevens te baseren en dus rekening moet houden met de door de lidstaten na het verstrijken van de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 aangebrachte correcties.
58 Daarentegen volgt uitdrukkelijk uit artikel 17, lid 4, van die verordening dat in afwijking van lid 1 van dat artikel een sanctie wordt opgelegd wanneer de overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a, van die verordening gemelde totale oppervlakte kleiner is dan het aantal hectares dat aangeven is in de in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde financiële toewijzing aan de lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar.
59 Daaruit volgt dat de Commissie, anders dan de Helleense Republiek betoogt, voor het geven van de beschikking tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzingen gehouden is zich te baseren, niet op de werkelijke totale oppervlakte, maar uitsluitend op die welke haar is meegedeeld binnen de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn.
60 In de derde plaats blijkt uit het doel dat met de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 genoemde uitgavenstaat wordt nagestreefd, dat de datum van 10 juli bedoeld is om de Commissie in staat te stellen tijdig de beschikking tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten te geven, zodat zij niet kan worden gehouden zich te baseren op gewijzigde gegevens die na deze datum voor vaststelling van die beschikking zijn meegedeeld.
61 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de Commissie ingevolge artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 de lidstaten jaarlijks een eerste toewijzing toekent aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van het doel van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden. Ingevolge artikel 14, lid 2, wordt de eerste toewijzing nadien aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met het doel van de regeling en met de beschikbare middelen rekening wordt gehouden.
62 In deze context is de verplichting van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bedoeld om de Commissie in staat te stellen over de gegevens te beschikken die noodzakelijk zijn om de financiële toewijzingen definitief vast te stellen overeenkomstig artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999.
63 Alleen met een strikte opvatting van de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 kan worden verzekerd dat de financiële toewijzingen aan de lidstaten, die aanvankelijk slechts voorlopig worden toegekend krachtens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999, door de Commissie tijdig kunnen worden aangepast op basis van de werkelijke uitgaven.
64 In dit verband moet ten eerste worden vastgesteld dat volgens artikel 17, lid 8, van verordening nr. 1227/2000, verwijzingen naar een begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober van een jaar tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht, en ten tweede dat de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1258/1999 een besluit neemt over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan, waarbij de uitgaven in oktober worden gerekend tot die maand indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. Deze voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
65 Bijgevolg is het noodzakelijk, teneinde de lidstaten in staat te stellen de laatste betalingen, met betrekking tot de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gedeclareerde uitgaven, vóór het einde van het lopende begrotingsjaar te verrichten en de terugbetaling ervan door de Commissie te verkrijgen vóór het einde van het begrotingsjaar, op de voor dat begrotingsjaar beschikbare begrotingsonderdelen, dat de beschikking tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het betrokken begrotingsjaar wordt gegeven vóór het einde daarvan, dus vóór 15 oktober.
66 Opdat de Commissie in staat is de beschikking tot vaststelling van die financiële toewijzingen vóór die datum te geven en bekend te maken, is het, gelet op de procedurele verplichtingen die op haar rusten, van belang dat zij uiterlijk op 10 juli van het betrokken begrotingsjaar over de gegevens betreffende alle lidstaten beschikt.
67 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals blijkt uit artikel 17, lid 3, van verordening nr. 1227/2000, elke afzonderlijke wijziging van de aan een lidstaat toegekende financiële toewijzingen is uitgesloten. Krachtens deze bepaling kunnen immers aanvragen voor extra financiering van uitgaven van het lopende jaar, als bedoeld in artikel 16, lid 1, sub c, van die verordening, slechts worden ingewilligd voor zover bedragen beschikbaar blijven nadat voor alle lidstaten van het totaal van de financiële toewijzingen aan de lidstaten zijn afgetrokken alle overeenkomstig artikel 16, lid 1, sub a, van verordening nr. 1227/2000 gemelde bedragen en de overeenkomstig sub b van deze bepaling gedeclareerde bedragen.
68 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie niet gehouden kan zijn om gegevens te aanvaarden die haar te laat zijn toegezonden, voor zover dit zou kunnen beletten dat de beschikking tot vaststelling van de aan de lidstaten toegekende financiële toewijzingen tijdig wordt gegeven.
69 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de Commissie heeft erkend dat niet volledig was uitgesloten dat zij rekening houdt met laattijdig meegedeelde gegevens, voor zover het een korte overschrijding van de gestelde termijn betreft en het mogelijk is de beschikking tot vaststelling, voor het betrokken begrotingsjaar, van de aan de lidstaten toegekende financiële toewijzingen, vóór 15 oktober te geven.
70 Gelet op een en ander is het eerste middel ongegrond en moet het dus worden afgewezen.
Tweede middel: onjuiste beoordeling van verschillende algemene rechtsbeginselen
71 Het onderhavige middel heeft twee onderdelen.
Eerste onderdeel van het tweede middel: schending van de algemene beginselen van loyale samenwerking, goede trouw en behoorlijk bestuur
— Argumenten van partijen
72 De Helleense Republiek betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie, door geen rekening te houden met de gecorrigeerde gegevens die de Griekse autoriteiten haar hadden toegezonden en door uit te gaan van kennelijk onjuiste gegevens, terwijl zij over voldoende tijd beschikte om de gecorrigeerde gegevens in haar beschikking te verwerken, de beginselen van loyale samenwerking, behoorlijk bestuur en goede trouw niet had geschonden.
73 De Commissie betoogt dat deze redenering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat daarin de argumenten die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd, worden herhaald zonder dat wordt aangetoond in welk opzicht de beoordeling van het Gerecht onjuist is.
— Beoordeling door het Hof
74 Met het eerste onderdeel van haar tweede middel betoogt de Helleense Republiek in wezen dat de beginselen van loyale samenwerking, behoorlijk bestuur en goede trouw de Commissie ertoe hadden moeten brengen, ten eerste, geen rekening te houden met de kennelijk onjuiste gegevens die haar waren toegezonden en, ten tweede, wel rekening te houden met de gecorrigeerde gegevens aangezien zij over de noodzakelijke tijd beschikte om deze in de litigieuze beschikking te verwerken.
75 Vooraf dient te worden vastgesteld dat de Helleense Republiek aldus in wezen tracht de feitelijke beoordelingen die het Gerecht in de punten 57 en 59 van het bestreden arrest heeft gegeven, in twijfel te trekken. Het Gerecht heeft immers enerzijds in punt 57 van het bestreden arrest overwogen dat de onjuistheid van de op 10 juli 2006 door de Griekse autoriteiten meegedeelde gegevens geenszins overduidelijk was. Anderzijds heeft het in punt 59 in wezen overwogen dat de Commissie, toen de gecorrigeerde gegevens haar waren toegezonden, niet langer over de noodzakelijke tijd beschikte om daarmee bij tijdige vaststelling van de litigieuze beschikking rekening te houden.
76 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat overeenkomstig de artikelen 225, lid 1, EG en 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie de hogere voorziening is beperkt tot rechtsvragen en dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsook om de bewijselementen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijselementen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie onder meer arresten van 19 september 2002, DKV/BHIM, C-104/00 P, Jurispr. blz. I-7561, punt 22; 12 januari 2006, Deutsche SiSi-Werke/BHIM, C-173/04 P, Jurispr. blz. I-551, punt 35, en 15 april 2010, Ralf Schräder/OCVV, C-38/09 P, Jurispr. blz. I-3209, punt 69).
77 In casu heeft de Helleense Republiek niet bewezen en zelfs niet aangevoerd dat er sprake was van een verkeerde opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde feiten of bewijselementen. Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van het algemene beginsel van gelijke behandeling
— Argumenten van partijen
78 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betoogt de Helleense Republiek dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie, door te weigeren rekening te houden met de gecorrigeerde gegevens die haar te laat waren toegezonden, het algemene beginsel van gelijke behandeling niet had geschonden.
79 Volgens deze lidstaat is de handelwijze van de Commissie in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van de lidstaten omdat deze instelling op willekeurige wijze gegevens aanvaardt die te laat zijn ingediend door ander lidstaten.
80 De Commissie betoogt dat dit argument niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening is aangevoerd en daarin niet de fundamentele gegevens, rechtens en feitelijk, zijn vermeld waarop deze grief is gebaseerd. Subsidiair betoogt zij dat dit argument ongegrond is.
— Beoordeling door het Hof
81 Volgens vaste rechtspraak zou een partij, indien zij een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, in feite bij het Hof, met een beperkte bevoegdheid in hogere voorziening, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punten 58 en 59; 30 maart 2000, VBA/VGB e.a., C-266/97 P, Jurispr. blz. I-2135, punt 79; 29 april 2004, Henkel/BHIM, C-456/01 P en C-457/01 P, Jurispr. blz. I-5089, punt 50, en 18 december 2008 arrest Les Éditions Albert René/BHIM, C-16/06 P, Jurispr. blz. I-10053, punt 126).
82 Vastgesteld zij dat de grief van de Helleense Republiek dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door niet tijdig verstrekte gegevens van andere lidstaten te aanvaarden, niet is aangevoerd voor het Gerecht.
83 Derhalve moet het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
84 Bijgevolg moet het tweede middel in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Derde middel: tegenstrijdige motivering
Argumenten van partijen
85 De Helleense Republiek betoogt dat het Gerecht zichzelf tegenspreekt door enerzijds in de punten 25, 36 en 43 van het bestreden arrest te stellen dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn dwingend is, en anderzijds in punt 59 van dat arrest te overwegen dat laattijdig aan de Commissie meegedeelde gegevens door haar in aanmerking kunnen worden genomen voor zover het gaat om een korte overschrijding van de termijn en voor zover dit er niet aan in de weg staat dat de beschikking tot vaststelling van de definitieve aan de lidstaten toegekende financiële toewijzingen wordt gegeven.
86 Volgens de Commissie is de motivering van het bestreden arrest niet tegenstrijdig, maar past zij binnen een en hetzelfde streven, te weten de wettelijke regeling op juiste wijze toe te passen en, tegelijkertijd, het beginsel van loyale samenwerking met de betrokken lidstaat te eerbiedigen.
Beoordeling door het Hof
87 Volgens vaste rechtspraak is de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht tegenstrijdig is, een rechtsvraag die in hogere voorziening kan worden opgeworpen (zie met name arresten van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C-120/06 P en C-121/06 P, Jurispr. blz. I-6513, punt 90, en 16 juli 2009, Der Grüne Punkt — Duales System Deutschland/Commissie, C-385/07 P, Jurispr. blz. I-6155, punt 71).
88 In casu heeft het Gerecht in de punten 25, 36 en 43 van het bestreden arrest vastgesteld dat de termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 dwingend is.
89 De Helleense Republiek betoogt dat het Gerecht zich heeft tegengesproken door vervolgens in punt 59 van het bestreden arrest te overwegen dat niet volledig is uitgesloten dat de Commissie rekening houdt met in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bedoelde gegevens die door een lidstaat laattijdig aan haar zijn meegedeeld.
90 Dit argument kan echter niet slagen.
91 In de punten 31 en 32 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers overwogen dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde datum van 10 juli is bedoeld om de Commissie voldoende tijd te geven om de beschikking tot vaststelling van de definitieve financiële toewijzingen vóór 15 oktober vast te stellen en bekend te maken. Het Gerecht heeft in punt 43 van het bestreden arrest tevens overwogen dat deze termijn in die zin dwingend is voor de lidstaten dat zij van de Commissie niet kunnen eisen dat zij rekening houdt met gegevens die na het verstrijken van die termijn aan haar zijn meegedeeld.
92 Het Gerecht kon daarna, zonder zichzelf tegen te spreken, in punt 59 van het bestreden arrest vaststellen dat rekening kon worden gehouden met te laat meegedeelde gegevens mits het gaat om een korte overschrijding van die termijn en de vaststelling, vóór 15 oktober, van de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het betrokken begrotingsjaar worden vastgesteld, niet in het gedrang komt. Hoewel immers de lidstaten verplicht zijn de Commissie elk jaar uiterlijk op 10 juli de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 genoemde gegevens mee te delen, beschikt de Commissie over de bevoegdheid om rekening te houden met gegevens die haar na deze datum zijn meegedeeld, dit teneinde lidstaten die deze termijn met slechts enkele dagen hebben overschreden, niet uit te sluiten van de definitieve beschikking.
93 Bijgevolg kan de door de Helleense Republiek aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering niet gegrond worden verklaard. Het derde middel van de hogere voorziening moet derhalve worden afgewezen.
94 Gelet op een en ander kan geen van de door de Helleense Republiek tot staving van haar hogere voorziening aangevoerde middelen slagen, en moet deze bijgevolg worden afgewezen.
Kosten
95 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 daarvan ook van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.
96 Daar de Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten en laatstgenoemde in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten.
-
De hogere voorziening wordt afgewezen.
-
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen