Home

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 juli 2010.

Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 juli 2010.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
1 juli 2010

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vierde kamer)

1 juli 2010(*)

In zaak C-99/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) bij beslissing van 19 december 2008, ingekomen bij het Hof op 11 maart 2009, in de procedure

Polska Telefonia Cyfrowa sp. z o.o.

tegen

Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej,

wijst HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, K. Schiemann, P. Kūris (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 maart 2010,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Polska Telefonia Cyfrowa sp. z o.o., vertegenwoordigd door S. Dudzik en M. Korcz, radcy prawni,

    • de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej, vertegenwoordigd door M. Kołtoński en M. Chmielewska, radcy prawni,

    • de Poolse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz, vervolgens door K. Zawisza en S. Sala als gemachtigden,

    • de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Mojzesowicz en C. Vrignon als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 april 2010,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten („universeledienstrichtlijn”) (PB L 108, blz. 51).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Polska Telefonia Cyfrowa sp. z o.o. (hierna: „PTC”) en de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (president van de autoriteit voor elektronische communicatie; hierna: „president van de UKE”) ter zake van het besluit van 1 augustus 2006, waarbij deze laatste aan PTC een boete van 100 000 PLN (ongeveer 24 350 EUR) heeft opgelegd.

Toepasselijke bepalingen

Unieregeling

3 De punten 40 en 41 van de considerans van de universeledienstrichtlijn luiden als volgt:

  1. Nummerportabiliteit is een essentieel element in het bevorderen van de keuze van de consument en daadwerkelijke mededinging in een concurrerende telecommunicatieomgeving, doordat eindgebruikers die daarom verzoeken hun nummer(s) op het openbare telefoonnetwerk kunnen behouden ongeacht de dienstaanbiedende organisatie. Deze richtlijn is niet van toepassing op het aanbieden van nummerportabiliteit tussen aansluitingen op het openbare telefoonnetwerk op vaste en niet vaste locaties. De lidstaten kunnen evenwel bepalingen toepassen inzake het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.

  2. Het effect van nummerportabiliteit wordt aanzienlijk versterkt wanneer er transparante tariefinformatie beschikbaar is voor zowel de eindgebruikers die hun nummer overdragen als voor de eindgebruikers die personen bellen die hun nummer hebben overgedragen. De nationale regelgevende instanties [(hierna: „NRI’s”)] zouden waar mogelijk een passende tarieftransparantie moeten bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummerportabiliteit.”

4 Artikel 30 van de universeledienstrichtlijn bepaalt:

„1.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle abonnees van openbare telefoondiensten, met inbegrip van mobiele diensten, die daarom verzoeken, hun nummer(s) kunnen behouden, ongeacht de onderneming die de dienst levert:

  1. in het geval van geografische nummers, op een specifieke locatie en,

  2. in het geval van niet-geografische nummers, op elke locatie.

    Dit lid is niet van toepassing op het overdragen van nummers tussen netwerken die diensten op een vaste locatie aanbieden en mobiele netwerken.

2.

De [NRI’s] zorgen ervoor dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit kostengeoriënteerd is en dat eventuele directe kosten voor abonnees het gebruik van die faciliteiten niet ontmoedigen.

3.

De [NRI’s] leggen voor de nummerportabiliteit geen tarieven voor eindgebruikers op die de concurrentie zouden kunnen verstoren, zoals specifieke of uniforme tarieven voor eindgebruikers.”

Nationale regeling

5 Artikel 41 van de ustawa-Prawo telekomunikacyjne (Poolse telecommunicatiewet) van 16 juli 2004 (Dz. U. nr. 171, punt 1800) luidt in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: „telecommunicatiewet”):

„1.

De prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit dient kostengeoriënteerd te zijn.

2.

De prijsstelling voor interconnectie en voor toegang tot telecommunicatiediensten in verband met de keuze van de aanbieder van de dienst, dient kostengeoriënteerd te zijn.”

6 Artikel 71 van de telecommunicatiewet luidt:

„1.

De abonnee die een overeenkomst heeft gesloten met een aanbieder van diensten die de aansluiting op het openbare telefoonnet van een exploitant verzorgt, kan bij verandering van exploitant verlangen dat het hem toegekende nummer wordt overgedragen naar het netwerk van de andere exploitant in 1) het netnummergebied — in het geval van geografische nummers, 2) het gehele land — in het geval van niet-geografische nummers.

2.

Lid 1 is niet van toepassing op de overdracht van nummers tussen vaste en mobiele openbare telefoonnetwerken.

3.

Voor de overdracht van een nummer bij verandering van exploitant kan de donoraanbieder van de dienst van de abonnee een eenmalige vergoeding verlangen die in zijn tarieflijst is vastgesteld, en waarvan de hoogte voor de abonnee het gebruik van dat recht niet mag ontmoedigen.”

7 Artikel 74 van de telecommunicatiewet luidt:

„1.

De aanbieder van diensten die de aansluiting op het openbare telefoonnet verzorgt, en de exploitant op wiens netwerk de abonnee is aangesloten die partij is bij een overeenkomst tot verstrekking van diensten waarbij aansluiting op het openbare telefoonnet wordt verzorgd, zijn verplicht ervoor te zorgen dat de abonnee de in de artikelen 69 tot en met 72 bedoelde rechten kan uitoefenen, dat wil zeggen dat zij passende technische voorwaarden moeten scheppen of een overeenkomst moeten sluiten als bedoeld in de artikelen 31 of 128 van deze wet, en indien mogelijk de uitvoering daarvan te verzekeren.

[…]

3.

De president van de UKE kan de in artikel 209, lid 1, punten 15 tot en met 17, van deze wet genoemde geldboete opleggen aan een aanbieder en een exploitant als bedoeld in lid 1 indien:

  1. zij er niet voor zorgen dat de abonnee de in lid 1 vastgestelde rechten kan uitoefenen;

  2. zij de rechten van de abonnees niet verwezenlijken hoewel de mogelijkheid daartoe bestaat;

  3. zij de rechten van de abonnees verwezenlijken in strijd met de bepalingen van de wet of de verordening als bedoeld in artikel 73.”

8 Artikel 209, lid 1, punt 16, van deze wet bepaalt:

„Aan degene die abonnees belemmert gebruik te maken van hun […] recht op nummerportabiliteit, wordt een geldboete opgelegd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de president van de UKE aan PTC een boete van 100 000 PLN (ongeveer 24 350 EUR) heeft opgelegd, om de reden dat de eenmalige vergoeding van directe kosten van 122 PLN (ongeveer 29,70 EUR) die PTC in de periode van 28 maart tot en met 31 mei 2006 in rekening bracht bij verandering van exploitant, in strijd was met artikel 71, lid 3, van de telecommunicatiewet, aangezien een dergelijk bedrag de abonnees van PTC kon ontmoedigen, hun recht op nummerportabiliteit uit te oefenen.

10 PTC is bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechtbank te Warschau) opgekomen tegen het besluit van de president van de UKE. Die rechtbank heeft dit beroep bij vonnis van 6 maart 2007 verworpen.

11 PTC heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (appelrechter te Warschau), die het bestreden besluit bij arrest van 5 februari 2008 heeft vernietigd op grond dat de eenmalige vergoeding van directe kosten in verband met de nummerportabiliteit niet kon worden berekend zonder rekening te houden met de kosten die door de exploitant worden gedragen om deze dienst te verrichten. De president van de UKE heeft tegen dit arrest beroep in cassatie aangetekend.

12 In deze context heeft de Sąd Najwyższy (hoogste gerechtshof) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet artikel 30, lid 2, van de [universeledienstrichtlijn] aldus worden uitgelegd dat de bevoegde NRI die ervoor zorgt dat eventuele directe kosten voor abonnees het gebruik van de faciliteit van nummeroverdracht niet ontmoedigen, verplicht is rekening te houden met de kosten die de exploitanten van netwerken voor mobiele telefonie in verband met het verrichten van die dienst maken?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

13 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de NRI bij de beoordeling van de ontmoedigende werking van de directe kosten die de consumenten moeten betalen om gebruik te maken van de dienst van nummerportabiliteit, rekening moet houden met de kosten die bij het verrichten van die dienst worden gemaakt door de exploitanten van netwerken voor mobiele telefonie.

14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het hoofdgeding is ontstaan naar aanleiding van de bewering van PTC dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn de [NRI] verplicht om bij deze beoordeling rekening te houden met de kosten die door de exploitanten worden gemaakt om de dienst van nummerportabiliteit te verrichten.

15 Allereerst zij gepreciseerd dat het begrip nummerportabiliteit de faciliteit omvat die een telefonieabonnee in staat stelt om bij verandering van exploitant hetzelfde telefoonnummer te behouden (arrest van 13 juli 2006, Mobistar, C-438/04, Jurispr. blz. I-6675, punt 23).

16 De implementatie van deze faciliteit vereist dat de platforms tussen exploitanten compatibel zijn, dat het nummer van de abonnee van de ene exploitant aan de andere wordt overgedragen en dat door middel van technische handelingen telefoonoproepen naar het overgedragen nummer worden geleid (zie arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 24).

17 Overeenkomstig punt 40 van de considerans van de universeledienstrichtlijn heeft de nummerportabiliteit tot doel, belemmeringen voor de vrije keuze van consumenten, met name tussen exploitanten van netwerken voor mobiele telefonie, weg te werken en aldus de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de markt voor telefoondiensten te waarborgen (zie arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 25).

18 Om dit doel te bereiken heeft de wetgever van de Unie in artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn bepaald dat de NRI’s ervoor zorgen dat de prijsstelling voor interconnectie in verband met de nummerportabiliteit kostengeoriënteerd is, en dat eventuele directe kosten voor abonnees het gebruik van die faciliteiten niet ontmoedigen (zie arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 26).

19 Daarenboven zij opgemerkt dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn de NRI’s oplegt ervoor te zorgen dat de prijsstelling van de exploitanten kostengeoriënteerd is en dat de prijzen de consument niet ontmoedigen (zie arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 33).

20 Zodra vaststaat dat de prijzen kostengeoriënteerd zijn, verleent deze bepaling een zekere vrijheid aan de NRI’s om de situatie te beoordelen en de methode te bepalen die hun het meest geschikt lijkt om de portabiliteit ten volle te verwezenlijken, op een zodanige wijze dat de consumenten niet worden ontmoedigd van deze faciliteit gebruik te maken (zie arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 34).

21 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn zich er niet tegen verzet dat de NRI’s vooraf en aan de hand van een theoretisch kostenmodel de maximumprijzen vaststellen die de donorexploitant als opzetkosten van de recipiëntexploitant kan vragen, indien de tarieven op dusdanige wijze kostengeoriënteerd zijn dat de consumenten niet worden ontmoedigd om gebruik te maken van de portabiliteitfaciliteit (zie in die zin, arrest Mobistar, reeds aangehaald, punt 37).

22 Uit het bovenstaande vloeit voort dat de kosten voor de interconnectie die door de exploitant worden gedragen en de hoogte van de directe kosten die door de consument moeten worden betaald, in beginsel aan elkaar zijn gekoppeld. Deze koppeling maakt het mogelijk een compromis te vinden tussen de belangen van de consumenten en die van de exploitanten.

23 Opgemerkt zij dat de NRI overeenkomstig punt 41 van de considerans van de universeledienstrichtlijn een passende tarieftransparantie zou moeten bevorderen als onderdeel van de uitvoering van nummerportabiliteit.

24 Tevens moet worden benadrukt, zoals de advocaat-generaal in de punten 52, 53 en 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de door de NRI gekozen methode om de ontmoedigende werking van de directe kosten te beoordelen, coherent moet zijn met de beginselen inzake prijsstelling voor interconnectie, zodat de objectiviteit, de volledige doeltreffendheid en de transparantie van deze prijsstelling kunnen worden verzekerd.

25 Uit de systematiek van de universeledienstrichtlijn vloeit bijgevolg voort dat het aan de NRI staat om door middel van een objectieve en betrouwbare methode vast te stellen welke kosten de exploitanten maken om nummerportabiliteit aan te bieden, alsook boven welk bedrag aan directe kosten de consumenten mogelijkerwijs van die dienst afzien.

26 In vervolg op dit onderzoek moet de NRI zich in voorkomend geval verzetten tegen de aanrekening van directe kosten die, hoewel in verhouding met de kosten voor het aanbieden van nummerportabiliteit, gelet op alle gegevens waar de NRI over beschikt, een ontmoedigende werking zouden kunnen hebben voor de consument.

27 Hieruit vloeit voort dat de NRI in dat geval tot de overtuiging kan komen dat het bedrag aan directe kosten dat van de consument kan worden gevraagd, lager moet liggen dan het bedrag dat enkel zou zijn bepaald op basis van de aan de hand van een objectieve en betrouwbare methode vastgestelde kosten die de exploitanten moeten dragen om nummerportabiliteit te verzekeren.

28 Gelet op al deze overwegingen, moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 30, lid 2, van de universeledienstrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de NRI bij haar beoordeling van de ontmoedigende aard van de directe kosten die voor het gebruik van de dienst van nummerportabiliteit door de consumenten moeten worden betaald, rekening moet houden met de kosten die door de exploitanten van netwerken voor mobiele telefonie worden gemaakt om deze dienst te verrichten. Zij behoudt echter de mogelijkheid om het maximumbedrag aan directe kosten dat de exploitanten kunnen vragen, lager vast te stellen dan het bedrag van de door hen gedragen kosten, indien een bedrag aan directe kosten dat enkel op basis van de voornoemde kosten van de exploitanten is berekend, de consument kan ontmoedigen om van de portabiliteitfaciliteit gebruik te maken.

Kosten

29 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 30, lid 2, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) moet aldus worden uitgelegd dat de nationale regelgevende instantie bij haar beoordeling van de ontmoedigende aard van de directe kosten die voor het gebruik van de dienst van nummerportabiliteit door de consumenten moeten worden betaald, rekening moet houden met de kosten die door de exploitanten van netwerken voor mobiele telefonie worden gemaakt om deze dienst te verrichten. Zij behoudt echter de mogelijkheid om het maximumbedrag aan directe kosten dat de exploitanten kunnen vragen, lager vast te stellen dan het bedrag van de door hen gedragen kosten, indien een bedrag aan directe kosten dat enkel op basis van de voornoemde kosten van de exploitanten is berekend, de consument kan ontmoedigen om van de portabiliteitfaciliteit gebruik te maken.

ondertekeningen