Home

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 29 april 2010.

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 29 april 2010.

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
29 april 2010

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

29 april 2010(*)

In zaak C-124/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Raad van State (Nederland) bij beslissing van 25 maart 2009, ingekomen bij het Hof op 3 april 2009, in de procedure

Smit Reizen BV

tegen

Minister van Verkeer en Waterstaat,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: M.-A. Gaudissart, hoofd van administratieve eenheid,

gelet op de schriftelijke behandeling en na de terechtzitting op 28 januari 2010,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Smit Reizen BV, vertegenwoordigd door P. Mommers, advocaat,

    • de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels, B. Koopman en Y. de Vries als gemachtigden,

    • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Russo, avvocato dello Stato,

    • de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde,

    • de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Roels en N. Yerrell als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van het begrip „exploitatiecentrum” in de punten 21 en volgende van het arrest van 18 januari 2001, Skills Motor Coaches e.a. (C-297/99, Jurispr. blz. I-573), en van artikel 1, punt 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 370, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Smit Reizen BV (hierna: „Smit Reizen”) en de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: „Minister”), over een geldboete die aan eerstgenoemde is opgelegd wegens overtreding van de voorschriften inzake de rusttijden van de bestuurders.

Toepasselijke bepalingen

Het recht van de Unie

Verordening nr. 3820/85

3 In de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3820/85 wordt verklaard:

  • „[...] dat de communautaire voorschriften van sociale aard in de sector wegvervoer […] moeten leiden tot harmonisatie van de concurrentievoorwaarden in de bedrijfstak van het [vervoer over land], met name in de sector wegvervoer, alsmede tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid; dat de vooruitgang die op deze terreinen is geboekt moet worden gevrijwaard en bevorderd; dat het echter noodzakelijk is de huidige bepalingen van genoemde verordening te versoepelen, zonder dat dit ten koste gaat van de beoogde doelstellingen”.

  • 4 Volgens de vijftiende overweging van de considerans van dezelfde verordening lijkt het, „om het beheer van de vervoersondernemingen te vergemakkelijken en tegelijk bij te dragen tot de sociale vooruitgang, [...] dienstig de dagelijkse rijtijd te verlengen en tegelijk de rijtijd per tijdvak van twee weken te verkorten”.

    5 Artikel 1 van deze verordening bepaalt:

    „In deze verordening wordt verstaan onder:

    [...]

    1. „bestuurder”: iedere persoon die het voertuig bestuurt, zelfs gedurende een korte periode, of die zich in het voertuig bevindt om het in voorkomende gevallen te kunnen besturen;

      [...]

    2. „rusttijd”: ieder ononderbroken tijdvak van ten minste een uur waarin de bestuurder vrij over zijn tijd kan beschikken;

    […]”

    6 Artikel 8 van verordening nr. 3820/85, dat deel uitmaakt van afdeling V, „Onderbrekingen en rusttijden”, bepaalt:

    „1.

    In elke periode van 24 uur geniet de bestuurder een dagelijkse rusttijd van ten minste 11 achtereenvolgende uren; deze rusttijd zou maximaal 3 maal per week kunnen worden bekort tot een minimum van 9 achtereenvolgende uren, mits voor het eind van de volgende week ter compensatie een even lange rusttijd wordt verleend.

    Op dagen dat de rusttijd niet overeenkomstig de eerste alinea wordt bekort, mag deze worden genomen in twee of drie afzonderlijke perioden tijdens de periode van 24 uur, waarbij één van die perioden ten minste acht achtereenvolgende uren moet bedragen. In dat geval wordt de minimumduur van de rusttijd op 12 uur gebracht.

    2.

    Tijdens elke periode van 30 uur waarin het voertuig wordt bemand door ten minste twee bestuurders, moeten dezen elk een dagelijkse rusttijd van ten minste acht achtereenvolgende uren genieten.

    3.

    In de loop van elke week moet één van de in lid 1 en lid 2 bedoelde rusttijden, uit hoofde van een wekelijkse rusttijd, worden gebracht op een totaal van 45 achtereenvolgende uren. Deze rusttijd mag worden ingekort tot een minimum van 36 achtereenvolgende uren indien hij in de gebruikelijke standplaats van het voertuig dan wel in de standplaats van de bestuurder wordt genoten, of tot ten minste 24 achtereenvolgende uren indien hij buiten deze plaatsen wordt genomen. Verkortingen worden gecompenseerd door een even grote rusttijd die aaneengesloten wordt genomen vóór het einde van de derde week die volgt op de betrokken week.

    [...]

    6.

    Rusttijd ter compensatie van de inkorting van de dagelijkse en/of wekelijkse rusttijden, moet bij een andere rusttijd van ten minste acht uur worden gevoegd en moet, op verzoek van de betrokkene, worden toegestaan op de plaats waar het voertuig geparkeerd is of in de standplaats van de bestuurder.

    7.

    De dagelijkse rusttijd mag in een voertuig worden doorgebracht, mits het voertuig een slaapbank bevat en stilstaat.”

    Verordening (EEG) nr. 3821/85

    7 Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370, blz. 8), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 432/2004 van de Commissie van 5 maart 2004 (PB L 71, blz. 3; hierna: „verordening nr. 3821/85”), bepaalt dat het toezicht op de naleving van de bepalingen van verordening nr. 3820/85 wordt gewaarborgd door het gebruik van een controleapparaat dat de in deze laatste verordening bedoelde „tijdgroepen” kan aangeven.

    8 Volgens artikel 2 van verordening nr. 3821/85 zijn voor de toepassing van deze verordening de definities in artikel 1 van verordening nr. 3820/85 van toepassing.

    9 Artikel 15, leden 2 en 3, van verordening nr. 3821/85 bepaalt:

    „2.

    De bestuurders moeten voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen of bestuurderskaarten gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Het registratieblad of [de] bestuurderskaart wordt niet vóór het einde van de dagelijkse werktijd uit het apparaat genomen, tenzij zulks anderszins is toegestaan. Geen […] registratieblad of bestuurderskaart mag worden gebruikt voor een langere periode dan die waarvoor dat bestemd is.

    [...]

    3.

    De bestuurders:

    […]

    • belasten zich met het bedienen van de schakelorganen met behulp waarvan de volgende te registreren tijden kunnen worden onderscheiden:

      1. onder het teken [...]: de rijtijd;

      2. onder het teken [...]: alle andere werktijden;

      3. onder het teken [...]: de tijd dat de bestuurders beschikbaar zijn […]

        • […]

      4. onder het teken [...]: de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijden.”

    Nationale regeling

    10 Het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: „Atbv”) voert verordening nr. 3820/85 uit. Volgens artikel 2.5:1, vierde lid, in de versie ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, handelt de bestuurder overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van voormelde verordening.

    11 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, Atbv levert het niet naleven van artikel 2.5:1, vierde lid, Atbv een beboetbaar feit op.

    Hoofdgeding en prejudiciële vragen

    12 Smit Reizen exploiteert een touringcarbedrijf dat is gevestigd te Harderwijk. Zij verzorgt voor touroperator Solmar Tours zogenoemde buspendels naar Spanje, die vertrekken vanaf een op- en overstappunt te Maarheeze, op ongeveer twee uur rijden van Harderwijk. Solmar Tours is eigenaar van het terrein waarop zich genoemd opstappunt bevindt alsook van het op het terrein gelegen pand, waarvan Smit Reizen een gedeelte huurt.

    13 Vanaf het terrein in Maarheeze vinden vier keer per week aankomsten en vertrekken van buspendels plaats. Op deze dagen is een medewerker van Smit Reizen aanwezig om het vertrek en de aankomst van de bussen te faciliteren. Zo verzorgt die medewerker de planning en de controle van de papieren van de bestuurders. In het door Smit Reizen gehuurde pand bevinden zich een kantine met koffieautomaat, een televisie, een toilet, een douchegelegenheid en slaapplaatsen voor de bestuurders alsook verschillende reserveattributen voor de touringcars. In het pand bevinden zich ook een deel van de administratie van Smit Reizen, zoals tachograafschijven, urenverantwoordingsstaten en rittenbladen, en kantooruitrusting.

    14 Volgens de verwijzende rechter blijkt uit het dossier in het hoofdgeding dat de bestuurders ten tijde van de feiten zelf vanaf hun woonplaatsen Harderwijk respectievelijk Dronten naar het opstappunt te Maarheeze reden. Ter zitting voor die rechterlijke instantie zou de directeur van Smit Reizen evenwel hebben verklaard dat deze bestuurders met een busje naar het opstappunt werden gebracht. Vervolgens werd de touringcar, zijnde een voertuig waarin een tachograaf moest worden geïnstalleerd en gebruikt, door de twee bestuurders naar Spanje gereden.

    15 Bij besluit van 14 juni 2006 heeft de Minister Smit Reizen een boete van 2 200 EUR opgelegd op grond dat een aantal van haar werknemers de bij artikel 2.5:1, vierde lid, Atbv, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, van verordening 3820/85, voorgeschreven rusttijden niet in acht had genomen. Zij hadden namelijk niet de uren verantwoord die zij nodig hadden gehad om vanaf hun standplaats Harderwijk naar het op- en overstappunt Maarheeze te komen. Uit het arrest Skills Motor Coaches e.a., reeds aangehaald, zou volgen dat deze tijd dient te worden geregistreerd als werktijd, aangezien de vestiging te Maarheeze niet kan worden beschouwd als „exploitatiecentrum” van Smit Reizen.

    16 Op 5 december 2006 heeft de Minister het bezwaar van Smit Reizen tegen zijn besluit van 14 juni 2006 ongegrond verklaard.

    17 De Rechtbank Zutphen heeft bij vonnis van 9 april 2008 het door Smit Reizen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 december 2006 houdende afwijzing van het bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit evenwel geheel in stand bleven. Volgens de rechtbank is de Minister terecht tot de conclusie gekomen dat Smit Reizen artikel 2.5:1, vierde lid, Atbv heeft overtreden, zij het op onjuiste gronden. Voor de bepaling van de in artikel 8, lid 2, van verordening nr. 3820/85 bedoelde periode van 30 uur moet namelijk alle tijd worden meegerekend die bestuurders redelijkerwijs nodig hebben gehad om zich te begeven naar de plaats waar zij een met een tachograaf uitgerust voertuig overnemen om hun buspendel te beginnen, ongeacht of de plaats waar het met de tachograaf uitgeruste voertuig wordt overgenomen, al dan niet kan worden aangemerkt als een exploitatiecentrum.

    18 Smit Reizen heeft bij de verwijzende rechter hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld met het betoog dat de Rechtbank Zutphen een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan het reeds aangehaalde arrest Skills Motor Coaches e.a.

    19 Van oordeel dat voor de beslechting van het hoofdgeding het begrip „exploitatiecentrum” moet worden uitgelegd, heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

    1. Hoe moet, tegen de achtergrond van artikel 1, aanhef en onder 5, van verordening [nr. 3820/85] en van artikel 15 van verordening [nr. 3821/85] het begrip „exploitatiecentrum”, zoals vermeld in de overwegingen 21 en verder van het arrest van het Hof van Justitie van 18 januari 2001 in de zaak C-297/99, Skills Motor Coaches […] worden geïnterpreteerd?

    2. Maakt het voor de beoordeling van de vraag of sprake is van rusttijd, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 5, van verordening [nr. 3820/85] verschil of de betrokken bestuurder zelf naar een plaats rijdt waar hij een voertuig waarin een controleapparaat moet worden geïnstalleerd, zal overnemen, of dat hij door iemand anders daarheen wordt gereden?”

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    De eerste vraag

    20 Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen hoe de term „exploitatiecentrum” in de punten 21 en volgende van voormeld arrest Skills Motor Coaches e.a. moet worden uitgelegd wanneer voor de toepassing van het bepaalde in de verordeningen nrs. 3820/85 en 3821/85 de tijd moet worden gekwalificeerd voor het traject dat een bestuurder aflegt om zich van zijn woonplaats te begeven naar de plaats waar hij een met een controleapparaat uitgerust voertuig overneemt.

    21 Dienaangaande heeft het Hof in punt 23 van het reeds aangehaalde arrest Skills Motor Coaches e.a. verklaard dat een bestuurder die zich naar een bepaalde plaats begeeft — die hem door zijn werkgever is aangeduid en niet het exploitatiecentrum van de onderneming is — om er een voertuig over te nemen en te besturen, een verplichting tegenover zijn werkgever nakomt en tijdens dit traject dus niet vrij over zijn tijd beschikt.

    22 In punt 35 van voormeld arrest Skills Motor Coaches e.a. heeft het Hof dan ook geoordeeld dat de tijd die de bestuurder nodig heeft om zich te verplaatsen teneinde een met een controleapparaat uitgerust voertuig over te nemen dat zich elders bevindt dan in zijn woonplaats of het exploitatiecentrum van de werkgever, moet worden geacht deel uit te maken van alle andere werktijden in de zin van artikel 15 van verordening nr. 3821/85.

    23 Om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde duur van het traject als werktijd in de zin van artikel 15 van verordening nr. 3821/85 in aanmerking moet worden genomen, moet bijgevolg het begrip „exploitatiecentrum” worden gepreciseerd.

    24 Vóór alles zij opgemerkt dat, gelet op de doelstellingen van verordening nr. 3820/85 zoals uiteengezet in de eerste overweging van de considerans van deze laatste, bestaande onder meer in de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de bestuurders en de verkeersveiligheid, bij de definitie van bedoeld begrip niet uitsluitend functionele criteria moeten worden gehanteerd die verband houden met de interne organisatie van de vervoersonderneming, maar eveneens rekening moet worden gehouden met criteria betreffende de persoon van de betrokken bestuurder.

    25 Zoals om te beginnen de regering van het Verenigd Koninkrijk opmerkt, mag onder „exploitatiecentrum” niet worden verstaan de plaats waar de onderneming „gevestigd” is, daar deze laatste een plaats kan zijn die geen verband houdt met het dagelijks beheer van de vervoersdiensten en waarnaar de bestuurder zich slechts bij hoge uitzondering begeeft.

    26 Een te ruime uitlegging van voormeld begrip zou voorts indruisen tegen de ratio legis van verordening nr. 3820/85, inzonderheid het doel, de verkeersveiligheid te verbeteren. Derhalve moet ook een definitie worden uitgesloten volgens welke ieder punt waar de vervoerde personen aankomen of vertrekken of iedere aan de vervoersonderneming toebehorende stelplaats voor touringcars als exploitatiecentrum zou kunnen worden beschouwd.

    27 Zoals de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft verklaard, moet onder „exploitatiecentrum” daarentegen worden verstaan de plaats waarnaar de bestuurder zich regelmatig in de normale uitoefening van zijn werkzaamheden begeeft om een met een controleapparaat uitgerust voertuig over te nemen en te besturen.

    28 Artikel 8 van verordening nr. 3820/85 gebruikt in de leden 3 en 6 de uitdrukking „standplaats van de bestuurder” om die plaats aan te duiden.

    29 Tot slot moet, voor de precieze bepaling van het exploitatiecentrum waaraan een bestuurder normaal verbonden is, de plaats in aanmerking worden genomen waaraan de bestuurder concreet verbonden is, te weten de plaats van waaruit hij in het kader van de normale verrichting van zijn werkzaamheden en niet op bijzondere instructies van zijn werkgever, regelmatig zijn dienst opneemt en waarnaar hij aan het einde daarvan terugkeert. In dat verband kan een contractuele clausule aangaande de plaats waar de bestuurder werkzaam is een aanwijzing vormen voor de bepaling van deze plaats.

    30 In het hoofdgeding zal de verwijzende rechter gelet op alle feitelijke omstandigheden van de bij hem aanhangig gemaakte zaak moeten beoordelen aan welke plaats de betrokken bestuurders normaal verbonden zijn.

    31 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat onder het begrip „exploitatiecentrum” in de punten 21 en volgende van het reeds aangehaalde arrest Skills Motor Coaches e.a. moet worden verstaan de plaats waaraan de bestuurder concreet verbonden is, te weten de installatie van de vervoersonderneming van waaruit hij in het kader van de normale verrichting van zijn werkzaamheden en niet op bijzondere instructies van zijn werkgever, regelmatig zijn dienst opneemt en waarnaar hij aan het einde daarvan terugkeert.

    De tweede vraag

    32 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of het feit dat de bestuurder zelf naar de plaats rijdt waar hij een met een controleapparaat uitgerust voertuig moet overnemen of daarentegen naar die plaats wordt gereden, relevant is voor de vraag hoe de tijd van het traject gelet op het begrip „rusttijd” in de zin van artikel 1, punt 5, van verordening nr. 3820/85 moet worden gekwalificeerd.

    33 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat een bestuurder op grond van artikel 8, lid 7, van verordening nr. 3895/20 zijn dagelijkse rusttijd in een voertuig mag doorbrengen, mits het voertuig een slaapbank bevat en stilstaat. Deze bepaling sluit dus uit dat een bestuurder zijn rusttijd kan nemen in een door een ander bestuurd voertuig.

    34 Voorts zou het indruisen tegen de nagestreefde verkeersveiligheid, het door de verwijzende rechter in zijn tweede vraag bedoelde onderscheid aan te leggen. De in punt 25 van het reeds aangehaalde arrest Skills Motor Coaches e.a. bedoelde vermoeidheid van de bestuurder, die de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen, kan immers intreden ongeacht de vraag of de bestuurder van het voertuig dat zich naar de plaats begeeft waar het met een controleapparaat uitgerust voertuig wordt overgenomen, al dan niet tevens de persoon is die bij aankomst dit laatste voertuig zal moeten besturen. Zoals de Italiaanse regering heeft opgemerkt, kan die vermoeidheid het gevolg zijn, niet alleen van het besturen van een voertuig, maar ook van de omstandigheden waarin de verplaatsing geschiedt, zoals de duur ervan, de vertrektijd of de verkeerssituatie, en bijgevolg ook intreden bij de passagier.

    35 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag dus worden geantwoord dat het feit dat de betrokken bestuurder zelf naar de plaats rijdt waar hij een met een controleapparaat uitgerust voertuig moet overnemen of daarentegen naar die plaats wordt gereden, irrelevant is voor de vraag hoe de tijd van het traject gelet op het begrip „rusttijd” in de zin van artikel 1, punt 5, van verordening nr. 3820/85 moet worden gekwalificeerd.

    Kosten

    36 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
    1. Onder het begrip „exploitatiecentrum” in de punten 21 en volgende van het arrest van 18 januari 2001, Skills Motor Coaches e.a. (C-297/99), moet worden verstaan de plaats waaraan de bestuurder concreet verbonden is, te weten de installatie van de vervoersonderneming van waaruit hij in het kader van de normale verrichting van zijn werkzaamheden en niet op bijzondere instructies van zijn werkgever, regelmatig zijn dienst opneemt en waarnaar hij aan het einde daarvan terugkeert.

    2. Het feit dat de betrokken bestuurder zelf naar de plaats rijdt waar hij een met een controleapparaat uitgerust voertuig moet overnemen of daarentegen naar die plaats wordt gereden, is irrelevant voor de vraag hoe de tijd van het traject moet worden gekwalificeerd gelet op het begrip „rusttijd” in de zin van artikel 1, punt 5, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer.

    ondertekeningen