Home

Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 18 juli 2013

Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 18 juli 2013

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
18 juli 2013

Conclusie van advocaat-generaal

P. Mengozzi

van 18 juli 2013(1)

Zaak C‑180/12

Stoilov i Ko EOOD

tegen

Nachalnik na Mitnitsa Stolichna

[verzoek van de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

"Verschillende besluiten en rechtsmiddelen met betrekking tot dezelfde douaneschuld - Ontvankelijkheid van verzoek om prejudiciële beslissing - Afdoening zonder beslissing - Gezag van gewijsde - Artikelen 41 en 47 van het Handvest - Beginsel van behoorlijk bestuur - Recht op doeltreffende voorziening in rechte"

I – Inleiding en ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek

1. De onderhavige prejudiciële verwijzing van de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) heeft betrekking op de uitlegging van de postonderverdelingen 5407 61 30 en 6303 92 10 van de gecombineerde nomenclatuur 2009 (hierna: „GN”)(2), en op de uitlegging van het „douanewetboek”(3), het beginsel van gewettigd vertrouwen en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2. Zoals ik in deze conclusie zal betogen, stelt deze verwijzing in werkelijkheid een andere vraag aan de orde en wel de vraag naar de ontvankelijkheid ervan, of om precies te zijn, de vraag of het voorwerp van de verwijzing in de loop van het geding niet verloren is gegaan, wat er mijns inziens toe zou moeten leiden dat het Hof vaststelt dat op de prejudiciële vragen niet meer hoeft te worden geantwoord.

3. Om te beginnen zal ik echter een zal ik echter een beknopt overzicht geven van het verloop van de nationale gerechtelijke procedures waarin Stoilov i Ko EOOD (hierna: „Stoilov”) vrijwel gelijktijdig twee beroepen heeft ingesteld – waarvan het voorwerp samenvalt – tegen twee krachtens het douanewetboek vastgestelde besluiten van de Nachalnik na Mitnitsa Stolichna (directeur van de douane in Sofia; hierna: „Nachalnik”).

4. Kort samengevat heeft Stoilov uit China afkomstige „materialen voor de vervaardiging van rolgordijnen” in een op 8 januari 2009 ingediende douaneaangifte aangegeven onder postonderverdeling 6303 92 10 van de GN en hebben de douaneautoriteiten, na controle en onderzoek van monsters in een laboratorium, geoordeeld dat de in deze aangifte genoemde goederen voldeden aan de voorwaarden om te worden ingedeeld onder hoofdstuk 54 van de GN, en meer in het bijzonder onder postonderverdeling 5407 61 30.

5. Daarop heeft de Nachalnik op 27 april 2009, krachtens artikel 221, lid 1, van het douanewetboek(4), Stoilov in kennis gesteld van een besluit (hierna: „kennisgeving”) waarin de in de douaneaangifte van 8 januari 2009 genoemde goederen werden ingedeeld onder postonderverdeling 5407 61 30, wat een verhoging van de douanerechten van 6,5 % tot 8 % en toepassing van een definitief antidumpingrecht van 74,8 % met zich bracht. Op grond van ditzelfde besluit kreeg Stoilov, overeenkomstig artikel 222 van het douanewetboek(5), een termijn van zeven dagen om deze bedragen vrijwillig te voldoen.

6. Omdat Stoilov de gevorderde bedragen niet binnen de gestelde termijn had betaald, heeft de Nachalnik op 7 augustus 2009 krachtens artikel 232 van het douanewetboek(6) besloten over te gaan tot gedwongen invordering van de schuldvorderingen van de staat (hierna: „invorderingsbesluit”).

7. Na in september 2009 langs bestuursrechtelijke weg bezwaar te hebben gemaakt tegen dit besluit en te hebben verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek, heeft Stoilov in oktober 2009 bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring van het invorderingsbesluit ingesteld.

8. Enkele maanden daarvoor had Stoilov echter bij de Administrativen sad Sofia-grad verzocht om nietigverklaring van de kennisgeving. Dit verzoek is echter afgewezen bij vonnis van 30 december 2010.

9. Tegen dit vonnis is bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter) hogere voorziening ingesteld, die ten tijde van deze prejudiciële verwijzing nog aanhangig was. Blijkens de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om toelichting van het Hof heeft de Varhoven administrativen sad echter bij arrest van 5 juli 2012 het vonnis van de Administrativen sad Sofia-grad van 30 december 2010 vernietigd en dit vonnis herzien door de kennisgeving nietig te verklaren. Volgens de uitleg van de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om toelichting heeft de Varhoven administrativen sad in wezen geoordeeld dat gezien de processtukken en deskundigenverslagen blijkt dat de door de Nachalnik gekozen tariefindeling, die door de Administrativen sad Sofia-grad bekrachtigd was, onjuist was. Bovendien heeft de Varhoven administrativen sad geoordeeld dat Stoilov een gewettigd vertrouwen had verworven, dat de betrokken goederen zouden worden ingedeeld onder postonderverdeling 6303 92 10, aangezien de douaneautoriteiten in het verleden al vele malen, ook na controle van de documenten, bij de aangifte van dezelfde goederen van dezelfde leverancier in China hadden aanvaard dat deze werden ingevoerd, en de genoemde postonderverdeling hadden toegepast zonder sancties op te leggen.

10. In zijn antwoord op het verzoek om toelichting van het Hof betreffende de gevolgen van de nietigverklaring van de kennisgeving voor het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter onder meer erkend dat hij behoort na te gaan of is voldaan aan de procedurele voorwaarden voor de rechtmatigheid van het invorderingsbesluit, waarvan de kennisgeving er een is.

11. Ter terechtzitting voor het Hof heeft de Nachalnik toegegeven dat deze kennisgeving in de Bulgaarse rechtsorde niet meer bestond, omdat de Varhoven administrativen sad deze had nietig verklaard.

12. Tegen deze achtergrond wil ik opmerken dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking niet tot de taak van het Hof behoort rechtsgeleerde adviezen in abstracto te geven en dat het voorwerp van een prejudicieel verzoek in een procedure voor het Hof geheel of gedeeltelijk zijn relevantie kan verliezen, waardoor de antwoorden die het Hof op dit verzoek zou geven niet meer leiden tot de werkelijke beslechting van een geschil.(7) Met andere woorden, de ondersteuning die het Hof in het kader van artikel 267 VWEU biedt, is bedoeld voor die situaties waarin de nationale rechterlijke instanties een beslissing moeten geven waarbij rekening kan worden gehouden met het te wijzen prejudiciële arrest.(8)

13. In deze rechtspraak heeft het Hof reeds vastgesteld dat op een prejudicieel verzoek geen uitspraak hoeft te worden gedaan, ook al wenst de nationale rechterlijke instantie zijn verzoek te handhaven, wanneer het voorwerp van het geding dat ten grondslag ligt aan dit verzoek hangende de procedure is vervallen, in het bijzonder als gevolg van een schikking tussen partijen(9) of intrekking van het beroep in het hoofdgeding(10).

14. Evenzo heeft het Hof op basis van de hem geschetste feitelijke situatie beslist dat op een prejudicieel verzoek zonder voorwerp niet hoeft te worden geantwoord wanneer dit verzoek het niet mogelijk maakt de Unierechtelijke uitleggingselementen aan te wijzen aan de hand waarvan de verwijzende rechter een op dit recht gebaseerde oplossing voor het bij hem aanhangige geschil zou kunnen vinden.(11)

15. Het is waar dat de situatie in de onderhavige zaak niet volledig overeenkomt met deze gevallen.

16. Toch is het op grond van de genoemde rechtspraak en de informatie waarover het Hof beschikt wel duidelijk dat de verwijzende rechter, indien het Hof antwoord zou geven op de gestelde vragen, voor de beslechting van het hoofdgeding geen beslissing meer hoeft te nemen waarin hij rekening kan houden met het prejudiciële arrest.

17. Zoals de verwijzende rechter heeft erkend in zijn antwoord op het verzoek om toelichting van het Hof, is door de nietigverklaring van de kennisgeving door de Varhoven administrativen sad, namelijk een van de voorwaarden voor externe rechtmatigheid van het invorderingsbesluit komen te vervallen, omdat de kennisgeving in de Bulgaarse rechtsorde niet meer bestond, zoals ook de Nachalnik heeft toegegeven. De verwijzende rechter kan dus volstaan met vast te stellen dat dit invorderingsbesluit alleen al op grond van het nationale recht nietig verklaard moet worden – wat hij overigens had kunnen doen vanaf de uitspraak van het arrest van de Varhoven administrativen sad – zoals Stoilov ter terechtzitting voor het Hof terecht heeft gesteld.

18. Ook al kan ik wel begrip opbrengen voor het argument van de Nachalnik dat in het Bulgaarse recht de mededeling van het bedrag van een douaneschuld in de zin van artikel 221 van het douanewetboek (te weten, in casu, de kennisgeving) en de krachtens artikel 232 van dit wetboek gelaste gedwongen invordering van deze schuld moeten worden aangemerkt als op zichzelf staande rechtshandelingen waartegen los van elkaar beroep bij de rechter kan worden ingesteld, toch neemt dit niet weg dat, zoals de Europese Commissie ter terechtzitting voor het Hof volkomen logisch heeft aangegeven, een douaneschuld door een nationale overheid niet rechtmatig kan worden ingevorderd wanneer deze schuld niet meer bestaat als gevolg van de nietigverklaring door de bevoegde nationale rechterlijke instanties van het besluit waarin de schuld is vastgesteld. Een andere uitlegging zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van de staat.

19. De verwijzende rechter zal dus op grond van de nietigverklaring van de kennisgeving door de Varhoven administrativen sad onherroepelijk moeten vaststellen dat het invorderingsbesluit dat ten grondslag ligt aan het hoofdgeding – nog los van de antwoorden die het Hof zou kunnen geven op zijn vier prejudiciële vragen – niet meer voldoet aan de wezenlijke voorwaarde van externe geldigheid ervan, te weten de vaststelling van de douaneschuld zelf waarvan in de bij hem aanhangige zaak de invordering wordt geëist en betwist.

20. Beantwoording van deze vragen zou dus neerkomen op het geven van rechtsgeleerd advies over hypothetische vragen en op miskenning van de taak die het Hof is toebedeeld in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde rechterlijke samenwerking.

21. Bovendien blijkt uit het antwoord van de verwijzende rechter op het verzoek om toelichting van het Hof dat hij het Hof als arbiter wil zien tussen zijn eigen beoordeling van de feiten van het hoofdgeding en de beoordeling van de Varhoven administrativen sad in zijn arrest waarin het vonnis van de Administrativen sad Sofia‑grad van 30 december 2010 werd vernietigd en de kennisgeving nietig verklaard, in het bijzonder waar het de bewijzen betrof waarop de betrokken goederen waren ingedeeld onder een van de postonderverdelingen waarop dit geschil betrekking heeft.(12) Het is duidelijk niet aan het Hof zich te mengen in de beoordeling van de feiten van het hoofdgeding, en nog minder om in dit opzicht de functie op zich te nemen van arbiter tussen een hoogste gerecht en een lagere rechterlijke instantie van een lidstaat.

22. Hieruit volgt mijns inziens dat het Hof zou moeten beslissen dat geen antwoord meer hoeft te worden gegeven op het prejudiciële verzoek.

23. Mocht het Hof niettemin besluiten deze analyse niet te volgen, kan de hiernavolgende uiteenzetting worden beschouwd als een kort, subsidiair antwoord op de vragen van de verwijzende rechter.

II – Subsidiaire analyse van de prejudiciële vragen

A – Eerste prejudiciële vraag

24. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of „[...] het goed – strippen op rollen uit gebonden textielvlies voor de vervaardiging van rolgordijnen – voor de toepassing van de tariefindeling krachtens de [GN] naar de eigenschappen van het goed als ,weefsel’ onder GN-code 5407 61 30 of naar het enige gebruiksdoel ervan – voor rolgordijnen – onder GN-code 6303 92 10 [moet] worden ingedeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met het volgende:

  1. het begrip ‚geconfectioneerde artikelen’ in de zin van aantekening 7 [...] in afdeling XI (‚Textielstoffen en textielwaren’) van de [GN], uitgelegd in samenhang met [hoofdstuk A], punt 2, sub a, van de algemene regels voor de interpretatie van deze nomenclatuur, betreffende het begrip ‚in niet-complete of in niet-afgewerkte staat’ met inachtneming van het geval genoemd sub c van aantekening 7, de eigenschappen van het litigieuze goed en de mogelijkheid om er uitsluitend een enkel eindproduct uit te vervaardigen;

  2. de vraag of het begrip ,weefsel’ van hoofdstuk 54, postonderverdeling 5407 61 30 van de [GN] stofstrippen omvat, die, zoals het eindproduct, dat hun enige gebruiksdoel vormt – rolgordijnen –, ook beschikken over een bevestigde zijrand, gelet op de uitdrukkelijke vermelding van dit goed in postonderverdeling 6303 92 10 van de [GN]”.

25. Deze vraag weerspiegelt het meningsverschil dat ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, aangezien Stoilov de ingevoerde goederen heeft aangegeven als vallend onder hoofdstuk 63 van de GN, terwijl volgens de douaneautoriteiten de in de genoemde aangifte bedoelde goederen voldeden aan de voorwaarden voor indeling onder hoofdstuk 54 van de GN.

26. Ik herinner eraan dat de GN is gebaseerd op het door de Werelddouaneorganisatie ontwikkelde geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, waarmee het volledig overeenstemt wat de posten en de uit zes cijfers bestaande postonderverdelingen betreft; alleen de onderverdelingen met een zevende en achtste cijfer zijn specifiek voor de GN. Het tweede deel van de GN, „Tabel van de rechten”, bevat een indeling van de goederen in afdelingen, hoofdstukken, posten en onderverdelingen.

27. Afdeling XI van de GN is getiteld „Textielstoffen en textielwaren”. Volgens aantekening 7 op deze afdeling wordt onder „geconfectioneerd” in het bijzonder verstaan:

  1. artikelen die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden;

  2. artikelen die als zodanig dan wel na enkel te zijn gesneden, kunnen worden gebruikt zonder te worden genaaid of zonder een andere aanvullende bewerking te ondergaan (bijvoorbeeld sommige dweilen, handdoeken, tafelkleden, hoofddoeken, dekens);

  3. artikelen waarvan de boorden zijn gezoomd, ongeacht op welke wijze.”

28. Zowel hoofdstuk 54 als hoofdstuk 63 van de GN staat in afdeling XI.

29. Hoofdstuk 54, „Synthetische of kunstmatige filamenten; strippen en artikelen van dergelijke vorm, van synthetische of van kunstmatige textielstoffen”, omvat in het bijzonder post 5407, „Weefsels van [...] filamentgarens”, waaronder postonderverdeling 5407 61 30 valt: „andere weefsels, bevattende 85 of meer percenten geverfde, niet-getextureerde filamenten van polyesters”.(13)

30. Hoofdstuk 63, onderdeel I, van de GN, „Andere geconfectioneerde artikelen van textiel”, omvat post 6303, „Vitrages, gordijnen en rolgordijnen, bed- en gordijnvalletjes daaronder begrepen”, waaronder postonderverdeling 6303 92 10 valt: „andere [weefsels] [dan brei- of haakwerk] van synthetische vezels van gebonden textielvlies”. Uit aantekening 1 op hoofdstuk 63 van de GN volgt dat onderdeel I „uitsluitend geconfectioneerde artikelen van textiel omvat”.

31. Ook is van belang dat de GN voorziet in inleidende bepalingen van algemene aard die betrekking hebben op de uitlegging ervan. Uit deze bepalingen volgt onder meer dat de vermelding van een goed in een post eveneens betrekking heeft op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.(14) In deze bepalingen wordt tevens gesteld dat goederen die onder verschillende posten kunnen worden ingedeeld, in de eerste plaats moeten worden ingedeeld onder de post met de meest specifieke omschrijving(15), wat inhoudt dat de bewoordingen van de posten wettelijk bepalend zijn voor de indeling en dat de opschriften van de titels van afdelingen, hoofdstukken of onderdelen slechts indicatief zijn(16).

32. Ook moet worden benadrukt dat, wanneer er geen specifieke indeling mogelijk is, de betrokken goederen moeten worden ingedeeld op grond van hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals deze in de tekst van de GN-post zijn omschreven, die in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen vormen.(17)

33. Hoewel het Hof diverse malen een vraag over de douanerechtelijke tariefindeling van een bepaald goed heeft opgelost, is het binnen het kader van een prejudiciële verwijzing en de daaruit voortvloeiende afbakening van bevoegdheden tussen Unierechter en nationale rechter in beginsel niet aan het Hof uitspraak te doen over een dergelijke vraag – het is de nationale rechter die hierover heeft te beslissen rekening houdend met de feiten van het bij hem aanhangige geding en de uitlegging van het Unierecht die het Hof hem verschaft.(18)

34. Mijns inziens tracht de verwijzende rechter in wezen vooral de draagwijdte te bepalen van het begrip „geconfectioneerde artikelen” in de zin van aantekening 7 van afdeling XI van de GN, zodat hij kan beoordelen of de door Stoilov aangegeven goederen, te weten „materialen voor de vervaardiging van rolgordijnen”, inderdaad kunnen vallen onder een van de postonderverdelingen van hoofdstuk 63 van de GN.

35. Zoals in het bijzonder de Commissie heeft gesteld, moeten de betrokken goederen, om in dit hoofdstuk te kunnen worden ingedeeld, immers de eigenschappen bezitten van geconfectioneerde artikelen, waaronder volgens dit hoofdstuk ook rolgordijnen vallen.

36. Op het eerste gezicht lijken slechts twee van de in aantekening 7 op afdeling XI van de GN genoemde alternatieve criteria relevant. Omdat de goederen volgens de Commissie en de Nachalnik rechthoekig zijn, voldoen ze niet aan het criterium in aantekening 7, sub a, op afdeling XI, omdat die afdeling uitsluitend betrekking heeft op „artikelen die anders dan vierkant of rechthoekig zijn gesneden”. Een dergelijk oordeel, dat uiteindelijk aan de verwijzende rechter is, overtuigt mij echter niet bijzonder, omdat rolgordijnen in het algemeen rechthoekig van vorm zijn. Hieruit afleiden dat hoofdstuk 63 niet van toepassing is, zoals partijen doen, gaat mij te ver. Hooguit kan men uit het feit dat deze goederen rechthoekig zijn de conclusie trekken dat ze niet voldoen aan het eerste criterium van aantekening 7 van afdeling XI.

37. Dienaangaande is van belang dat punt b van aantekening 7 op deze afdeling bepaalt dat „artikelen die als zodanig kunnen worden gebruikt” onder het begrip „geconfectioneerde artikelen” vallen.

38. Niet alleen Stoilov heeft deze bepaling ter terechtzitting voor het Hof aangevoerd, en daarbij toegelicht dat de betrokken goederen slechts bestemd zijn voor eenvoudige montage, maar heeft ook de Varhoven administrativen sad in zijn arrest van 5 juli 2012 geoordeeld dat deze goederen in gebruiksklare staat zijn ingevoerd en dat het niet mogelijk is er iets anders van te maken dan rolgordijnen.

39. Bovendien benadruk ik dat uit de algemene bepalingen van de GN volgt dat een vermelding van een goed in een post eveneens betrekking heeft op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover het de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont of wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.

40. De verwijzende rechter zal dus moeten nagaan of, gelet op alle aan hem voorgelegde gegevens, feitelijk en rechtens, de betrokken goederen kunnen worden beschouwd als artikelen die als zodanig kunnen worden gebruikt, en dus kunnen vallen onder hoofdstuk 63 van de GN.

41. Wanneer dit niet het geval is, moeten deze goederen vallen onder hoofdstuk 54 van de GN.

42. De – omstreden – overwegingen van de betrokken partijen aangaande de vraag of de betrokken stoffen al dan niet geweven zijn, lijken mij slechts relevant voor de bepaling van de juiste postonderverdeling, maar niet voor de bepaling van het relevante hoofdstuk van de GN, wat mijns inziens het enige punt van werkelijk van belang is.

B – Tweede prejudiciële vraag

43. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of kan worden aangenomen dat bij degene die de aangifte heeft ingediend en verantwoordelijk is voor de invoer van de goederen, een gewettigd vertrouwen in de tariefindiening van het goed is ontstaan wanneer a) betreffende een eerder ingediende douaneaangifte van dezelfde goederen onder dezelfde tariefpost door de douane na een schriftelijk vastgelegd onderzoek van de goederen, met inbegrip van een onderzoek inzake de tariefindeling, geen monsters voor onderzoek werden genomen en de conclusie luidde dat de goederen overeenstemden met de gegevens in de aangifte, b) later, na de vrijgave van de goederen, dergelijke controles niet hebben plaatsgevonden bij vijf andere douaneaangiften voor dezelfde goederen met vermelding van dezelfde tariefpost, die eveneens eerder waren ingediend, en wel voor alsook na de datum van het controlerapport van de douane waarin was vastgesteld dat de tariefpost juist was.

44. Deze vraag is mijns inziens alleen relevant wanneer de verwijzende rechter zou vaststellen dat de goederen overeenkomstig het invorderingsbesluit moesten worden ingedeeld onder hoofdstuk 54 van de GN.

45. Anders zou dit besluit immers enkel en alleen vanwege de onjuiste indeling van deze goederen nietig verklaard moeten worden, zonder dat er voor de verwijzende rechter reden zou zijn na te gaan of bij Stoilov een gewettigd vertrouwen in de indeling onder hoofdstuk 63 kon zijn ontstaan.

46. Na deze afbakening van het antwoord herinner ik eraan dat de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 68 van het douanewetboek de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften kunnen nagaan door over te gaan tot ofwel een controle van de documenten, conform punt a van deze bepaling, ofwel een onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle, volgens punt b van dit artikel.

47. In casu preciseert de verwijzende rechter in zijn vraag dat de douaneautoriteiten bij een bepaald aantal douaneaangiften die Stoilov voor dezelfde goederen met dezelfde tariefindeling (hoofdstuk 63 van de GN) had ingediend voorafgaand aan de aangifte die ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, in het ene geval de ingevoerde goederen hebben onderzocht en in andere gevallen de aangifte hebben aanvaard na een eenvoudige controle van de documenten, zonder bezwaar te maken tegen de aangegeven tariefindeling.

48. De verwijzende rechter vraagt zich dus af of bij Stoilov een gewettigd vertrouwen zou kunnen zijn ontstaan op grond van de toezeggingen die hij van de douaneautoriteiten zou hebben gekregen toen zij bij de controle van de aangiften van Stoilov ter zake van de eerder ingevoerde goederen hadden aanvaard dat dezelfde goederen onder hoofdstuk 63 van de GN werden ingedeeld.

49. Dienaangaande wil ik aantekenen dat in de artikelen 220, lid 2, sub b, en 239 van het douanewetboek procedures is voorzien in voor respectievelijk gevallen waarin de douanerechten door de douaneautoriteiten niet achteraf worden geboekt en waarin deze rechten worden kwijtgescholden. Beide hebben hetzelfde doel, te weten de betaling van invoerrechten uitsluitend te beperken tot die gevallen die verenigbaar zijn met de eerbiediging van het fundamentele vertrouwensbeginsel.(19)

50. Volgens de rechtspraak op de eerstgenoemde bepaling heeft de belastingschuldige er recht op dat niet tot invordering van deze rechten wordt overgegaan wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan.(20)

51. Allereerst moet de niet-heffing van de rechten te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf. Vervolgens moet hun vergissing van dien aard zijn dat zij door een belastingschuldige te goeder trouw, ondanks zijn beroepservaring en de door hem te betrachten zorgvuldigheid, redelijkerwijs niet kon worden ontdekt. Ten slotte moet hij aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan.(21)

52. Bij de eerste voorwaarde – het bestaan van een vergissing van de bevoegde autoriteiten – heeft het Hof gepreciseerd dat enkel vergissingen die aan een actieve gedraging van de bestuurlijke instanties zijn toe te schrijven, recht geven op niet-navordering van douanerechten(22), wat inhoudt dat een onjuiste aangifte door de belastingschuldige op zich niet volstaat om de mogelijkheid uit te sluiten dat deze autoriteiten een aan hen toe te rekenen vergissing hebben gemaakt.(23)

53. Met betrekking tot de voorwaarde dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten moet kunnen worden ontdekt, heeft het Hof beslist dat dit met name moet worden beoordeeld aan de hand van de ingewikkeldheid van de betrokken regeling en de tijd gedurende welke de autoriteiten zich zijn blijven vergissen(24), terwijl het Hof bij het criterium van de zorgvuldigheid die een ondernemer dient te betrachten, heeft aangegeven dat dit inhoudt dat hij de bevoegde douaneautoriteiten alle noodzakelijke inlichtingen moet verschaffen die door de Unieregeling en eventueel door de tot aanvulling of uitvoering daarvan vastgestelde nationale voorschriften worden verlangd en die noodzakelijk zijn voor de gewenste douanebehandeling van de betrokken goederen(25).

54. In het algemeen is het aan de verwijzende rechter na te gaan of aan al deze voorwaarden is voldaan, waarbij de gegeven preciseringen niet noodzakelijkerwijs een uitputtend karakter hebben.

55. Ik zal mij beperken tot het belichten van enkele aspecten op grond waarvan ik denk dat lijkt te zijn voldaan aan de voorwaarden voor niet-invordering van de douanerechten.

56. Zo volgt uit de verwijzingsbeslissing dat de douaneautoriteiten, vóór het hoofdgeding, bij de controle van de douaneaangiften van Stoilov goederen hebben onderzocht die gelijk waren aan die waar het hier om gaat, die van dezelfde plaats afkomstig waren en onder hoofdstuk 63 van de GN waren ingedeeld.

57. Door de goederen te onderzoeken, hebben de douaneautoriteiten mijns inziens een actieve gedraging in de zin van de aangehaalde rechtspraak verricht, die overigens door de latere controles van de documenten lijkt te zijn bevestigd.

58. Ook al geeft de verwijzende rechter ons geen informatie over de periode waarin de nationale douaneautoriteiten de door Stoilov aangegeven tariefindeling hebben aanvaard – een punt dat hij wel dient na te gaan – lijkt het zo te zijn dat deze handelwijze verscheidene in de tijd gespreide aangiften heeft betroffen.

59. Verder twijfel ik eraan of de vergissing van de bevoegde autoriteiten, gelet op de omstandigheid dat zij in het kader van een diepgaand onderzoek een technische expertise met behulp van een microscoop en infraroodspectroscopie hebben laten uitvoeren op grond waarvan zij uiteindelijk de door Stoilov aangegeven indeling voor de invoer van de betrokken goederen hebben geweigerd, redelijkerwijs kon worden ontdekt door een normaal zorgvuldige marktdeelnemer.

C – Derde prejudiciële vraag

60. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of „[a]rtikel 243, lid 1, van [het douanewetboek], met het oog op handhaving van het beginsel van gezag van gewijsde, aldus [moet] worden uitgelegd dat tegen de handeling bedoeld in artikel 232, lid 1, sub a, van deze verordening slechts beroep kan worden ingesteld wanneer deze handeling wegens niet-tijdige betaling is vastgesteld, daarin tegelijk het bedrag van de invoerrechten is vastgesteld en zij naar het nationale recht van de lidstaat een executoriale titel voor de invordering van schuldvorderingen vormt”.

61. Zoals de Commissie zeer terecht heeft opgemerkt, is deze vraag niet alleen bijzonder onduidelijk geformuleerd, maar is bovendien niet gemakkelijk te begrijpen wat de verwijzende rechter in wezen te weten wil komen.

62. Afgezien van dit algemene voorbehoud, dat eenvoudig zou kunnen leiden tot de conclusie dat deze vraag niet-ontvankelijk is zou de vraag echter wel te begrijpen kunnen zijn vanuit het oogpunt van de omstandigheden van deze zaak.

63. Gezien de expliciete vermelding van het beginsel van het gezag van gewijsde lijkt de verwijzende rechter immers een eventueel arrest van de Varhoven administrativen sad voor te willen zijn, waarin zijn uitspraak van 30 december 2010 inzake de kennisgeving wordt vernietigd, en is zijn vraag per saldo of krachtens het douanewetboek alleen het invorderingsbesluit als voor beroep vatbaar moet worden beschouwd, wat dus de kennisgeving zou uitsluiten, en waardoor het arrest van de Varhoven administrativen sad waarin deze kennisgeving is nietig verklaard geen enkele bindende werking voor de door hem te geven beslissing zou hebben.

64. Met andere woorden, de vraag van de verwijzende rechter is, of alleen het invorderingsbesluit, dat is genomen krachtens artikel 232 van het douanewetboek, voor beroep vatbaar is en of de kennisgeving in zoverre slechts een voorbereidingshandeling is, waartegen geen beroep in rechte mogelijk is.

65. Als dit de vraag is, moet hierop natuurlijk ontkennend worden geantwoord.

66. Immers, doordat in artikel 243, lid 1, alleen wordt gepreciseerd dat iedere persoon het recht heeft beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken, verzet het douanewetboek zich er zeker niet tegen dat de lidstaten, net als de Republiek Bulgarije, de in artikel 221, lid 1, van dit douanewetboek bedoelde mededeling (in casu de kennisgeving) aanmerken als een naar nationaal recht voor beroep vatbare handeling, zoals ook de verwijzende rechter en de Nachalnik hebben erkend.

67. Verder heeft de Administrativen sad Sofia‑grad, door op 30 december 2010 ten gronde te beslissen over de kennisgeving, zelf erkend dat het een voor Stoilov bezwarende handeling betreft.

68. De bepalingen van het douanewetboek verzetten zich er dan ook niet tegen dat zowel de kennisgeving als het invorderingsbesluit kunnen wordt beschouwd als bezwarende handeling voor de importeur en dat dientengevolge tegen beide beroep in rechte bij de nationale rechterlijke instanties mogelijk is.

D – Vierde prejudiciële vraag

69. Met zijn vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of „[a]rtikel 41, lid 2, sub a, en artikel 47 van het Handvest [...] aldus [moeten] worden uitgelegd dat wanneer een verzoek om een onafhankelijk deskundigenonderzoek, waarom de schuldenaar heeft gevraagd na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in artikel 221, lid 1, van [het douanewetboek], door de douane niet uitdrukkelijk is beantwoord en in de motivering van latere beslissingen daarop niet nader is ingegaan, er dan sprake is van een onherstelbare schending van het recht op behoorlijk bestuur en het recht op verdediging in een administratieve procedure, die in het kader van de rechterlijke procedure niet meer kan worden gecorrigeerd, omdat de betrokkene in de omstandigheden van het hoofdgeding slechts in de procedure voor de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid heeft bewijs te leveren voor zijn bezwaren tegen de tariefindeling van het goed door vragen aan een onafhankelijke deskundige te stellen?”.

70. Allereerst dient het voorwerp van deze vraag nader te worden gepreciseerd.

71. In de eerste plaats is de vraag mijns inziens niet goed gesteld waar zij verwijst naar artikel 47 van het Handvest, over de eerbiediging van het recht op een effectief beroep in rechte, terwijl de overwegingen van de verwijzende rechter in wezen betrekking hebben op de eerbiediging van het recht te worden gehoord in het kader van een administratieve procedure.

72. Wanneer men op deze vraag toch zou willen antwoorden vanuit het perspectief van artikel 47 van het Handvest, lijdt het, gelet op alle aspecten van het hoofdgeding, geen enkele twijfel dat Stoilov de mogelijkheid had beroep in rechte in te stellen tegen het invorderingsbesluit, dat nu juist aanhangig is bij de verwijzende rechter. Bovendien wil ik volledigheidshalve memoreren dat Stoilov eveneens beroep heeft kunnen instellen tegen de kennisgeving, in het kader waarvan het onafhankelijk deskundigenonderzoek is opgesteld op basis waarvan de Varhoven administrativen sad de hogere voorziening heeft toegewezen.

73. In de tweede plaats merk ik op dat de verwijzende rechter zich afvraagt of het recht te worden gehoord geëerbiedigd is in de fase volgend op de vaststelling van de kennisgeving, waarbij hij dit recht zodanig uitlegt dat het tevens het recht op een onafhankelijk deskundigenonderzoek omvat, waar in de tijd gezien voorafgaand aan de vaststelling van het invorderingsbesluit om zou zijn verzocht.

74. Een dergelijke vooronderstelling lijkt echter niet te kloppen met de feiten van het hoofdgeding, omdat Stoilov zijn verzoek om een onafhankelijk deskundigenonderzoek heeft gedaan na de vaststelling van het invorderingsbesluit.(26)

75. Om enige betekenis te behouden zou deze vraag – wat er ook zij van het „recht” op een onafhankelijk deskundigenonderzoek – kunnen worden geherformuleerd in die zin, of de douaneautoriteiten het in artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest neergelegde recht te worden gehoord in acht moeten nemen voordat zij op grond van artikel 232 van het douanewetboek een invorderingsbesluit als aan de orde in het hoofdgeding vaststellen.

76. Nu het invorderingsbesluit is vastgesteld op grond van een nationale regeling die duidelijk valt binnen de werkingssfeer van het Unierecht, te weten het douanewetboek, lijdt het geen twijfel dat deze situatie valt onder „tenuitvoerlegging” van dit recht door een lidstaat in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat de hierin toegekende rechten toepassing vinden.(27)

77. Het Hof heeft reeds beslist dat artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest, in het kader van het recht van personen dat hun zaken worden behandeld volgens de beginselen van behoorlijk bestuur, het recht waarborgt te worden gehoord in iedere procedure die tot een bezwarend besluit kan leiden(28), en het heeft dit recht overigens reeds toegepast in de context van een procedure tot invordering van een douaneschuld(29).

78. Ik herinner eraan dat het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden.(30)

79. In de zaak M., die betrekking had op de behandeling van een asielaanvraag en een verzoek om subsidiaire bescherming, heeft het Hof eveneens uiteengezet dat wanneer een lidstaat heeft gekozen voor de invoering van onderscheiden en opeenvolgende procedures, het recht van de betrokkene om te worden gehoord in beide procedures ten volle moet worden gewaarborgd.(31) Het heeft hieraan toegevoegd dat dit recht te meer behoorde te worden geëerbiedigd omdat de voorwaarden voor de toekenning van de vluchtelingenstatus en die van de subsidiairebeschermingsstatus verschillend waren, terwijl de nationale autoriteit bij de afwijzing van de verschillende verzoeken dezelfde motivering had gebruikt.(32)

80. Zonder bepaalde verschillen tussen de zaak M. en de onderhavige te willen ontkennen, vraag ik mij af of het vereiste van eerbiediging van het recht te worden gehoord voorafgaand aan de vaststelling van ieder individueel bestuursbesluit naar analogie toepasselijk is in een context als die van het hoofdgeding, wanneer dus na elkaar twee besluiten – eerst de kennisgeving en daarna het invorderingsbesluit – met ieder vrijwel hetzelfde voorwerp worden vastgesteld.

81. De Nachalnik heeft weliswaar geattendeerd op het autonome karakter van beide besluiten, maar ter terechtzitting voor het Hof gesteld dat de eerbiediging van het recht te worden gehoord in de fase die had geleid tot het vaststellen van de kennisgeving, de eerbiediging van het recht te worden gehoord in de procedure van vaststelling van het invorderingsbesluit insloot.

82. Hoewel de verwijzende rechter geen enkele informatie geeft over de vraag of Stoilov naar behoren en daadwerkelijk opmerkingen heeft kunnen maken met betrekking tot het voornemen van de douane om de kennisgeving vast te stellen, ben ik, aangenomen dat dit het geval is geweest, niettemin van mening dat het feit dat een dergelijk recht bestaat en wordt uitgeoefend, niet betekent dat de mogelijkheid voor een marktdeelnemer als Stoilov om te worden gehoord in de bestuurlijke fase leidend tot de vaststelling van het invorderingsbesluit zou zijn uitgesloten.

83. De opmerkingen die een marktdeelnemer kan formuleren voorafgaand aan de vaststelling van de kennisgeving in de zin van artikel 220 van het douanewetboek, vallen immers inhoudelijk niet samen met hetgeen hij voor de douaneautoriteiten zou kunnen aanvoeren voordat deze hem met toepassing van artikel 232 van dit wetboek gelasten de douaneschuld te voldoen.

84. In de eerste situatie – en wanneer de krachtens artikel 220 van het douanewetboek vastgestelde kennisgeving kan worden aangemerkt als een bezwarende handeling, wat het geval is in het Bulgaarse recht – kan de uitoefening van het recht te worden gehoord gericht zijn op betwisting van de tariefindeling van het goed. Krachtens de artikelen 224 tot en met 229 van het douanewetboek kunnen daarbij tevens economische en sociale redenen worden aangevoerd voor het aanvragen van uitstel van betaling van het gevorderde bedrag aan de douaneautoriteiten, of voor het vragen om betalingsfaciliteiten. In de tweede situatie kan de marktdeelnemer voorafgaand aan de vaststelling van het besluit tot invordering verbonden met een vordering tot betaling van vertragingsrente, economische en sociale redenen aanvoeren die zich verzetten tegen de vordering van deze rente en verzoeken dat de douane, krachtens artikel 232, lid 2, van het douanewetboek, hiervan afziet.

85. De opmerkingen die kunnen worden gemaakt in het kader van de twee procedures zijn dus inhoudelijk niet volkomen gelijk, zodat de marktdeelnemer zijn standpunt alleen naar behoren en daadwerkelijk kenbaar kan maken wanneer het recht te worden gehoord in elk van de twee fasen die leiden tot de vaststelling van de respectieve besluiten wordt geëerbiedigd.

86. Tot slot voeg ik hieraan toe dat het aan de verwijzende rechter is, overeenkomstig zijn nationale recht en met inachtneming van het doeltreffendheids‑ en het gelijkwaardigheidsbeginsel, te bepalen wat de gevolgen zijn van een schending van het in artikel 41, lid 2, sub a, van het Handvest neergelegde recht. Overeenkomstig dit recht en deze beginselen zal hij in het bijzonder moeten nagaan of een schending ipso facto leidt tot nietigverklaring van het invorderingsbesluit of dat een dergelijk gevolg ervan afhangt of de betrokken marktdeelnemer kan aantonen dat de procedure, wanneer het recht te worden gehoord niet zou zijn geschonden, had kunnen leiden tot een ander resultaat.

III – Conclusie

87. Gelet op mijn betoog in de punten 12 tot en met 22 van deze conclusie geef ik het Hof in overweging het bij beschikking van 4 april 2012 door de Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) voorgelegde prejudiciële verzoek zonder beslissing af te doen.