Home

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 oktober 2014

Arrest van het Hof (Derde kamer) van 15 oktober 2014

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
15 oktober 2014

Uitspraak

Arrest van het Hof (Derde kamer)

15 oktober 2014(*)

"Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 97/81/EG - Door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid - Omzetting van een arbeidsovereenkomst voor deeltijdwerk in een arbeidsovereenkomst voor voltijdwerk zonder instemming van de werknemer"

In zaak C‑221/13,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunale ordinario di Trento (Italië) bij beslissing van 11 april 2013, ingekomen bij het Hof op 25 april 2013, in de procedure

Teresa Mascellani

tegen

Ministero della Giustizia,

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas (rapporteur) en C. G. Fernlund, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 maart 2014,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Mascellani, vertegenwoordigd door F. Valcanover, avvocato,

    • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Russo en G. Fiengo, avvocati dello Stato,

    • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en D. Martin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2014,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: „raamovereenkomst”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Mascellani en het Ministero della Giustizia (ministerie van Justitie) over een besluit waarbij wordt gelast dat de arbeidsovereenkomst voor deeltijdarbeid van eerstgenoemde in een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid wordt omgezet.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Volgens artikel 1 van richtlijn 97/81 is die richtlijn gericht op de uitvoering van de door de algemene brancheoverkoepelende organisaties, namelijk de Unie van industrie‑ en werkgeversfederaties in Europa (Unice), het Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven (CEEP) en het Europees Verbond van vakverenigingen (EVV), gesloten raamovereenkomst, zoals opgenomen in de bijlage bij die richtlijn.

4 De tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst bepaalt:

„Onder erkenning van de uiteenlopende situaties in de lidstaten en van het feit dat deeltijdwerk voor bepaalde sectoren en activiteiten kenmerkend is, verwoordt deze overeenkomst de algemene beginselen en de minimumvereisten betreffende deeltijdarbeid. De overeenkomst doet uitkomen dat de sociale partners een algemeen raamwerk wensen op te stellen om de discriminatie van deeltijdwerkers uit te bannen en om de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid te bevorderen op een manier die zowel voor werkgevers als voor werknemers aanvaardbaar is.”

5 Clausule 1 van die overeenkomst luidt:

„Het doel van deze raamovereenkomst is:

  1. de opheffing van discriminatie van deeltijdwerkers te verzekeren en de kwaliteit van deeltijdarbeid te verbeteren;

  2. de ontwikkeling van deeltijdarbeid op vrijwillige basis te vergemakkelijken en bij te dragen aan een flexibele organisatie van de arbeidstijd waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van werkgevers en werknemers.”

6 Clausule 3 van de raamovereenkomst bepaalt:

„[…]

  1. In deze overeenkomst wordt onder ‚vergelijkbare voltijdwerker’ verstaan: een voltijdwerker in dezelfde vestiging, die werkzaam is uit hoofde van dezelfde soort arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding en hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met andere overwegingen, die betrekking kunnen hebben op anciënniteit en kwalificaties/bekwaamheden.

    […] Indien geen vergelijkbare voltijdwerker in dezelfde vestiging werkzaam is, wordt de vergelijking gemaakt op basis van de van toepassing zijnde collectieve overeenkomst of, indien geen collectieve overeenkomst van toepassing is, overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.”

7 Clausule 4 van de raamovereenkomst, met als opschrift „Het beginsel van gelijke behandeling”, bepaalt in punt 1 ervan:

„Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.”

8 Clausule 5, punt 2, van de raamovereenkomst luidt als volgt:

„De weigering van een werknemer om van voltijd‑ naar deeltijdwerk over te gaan of omgekeerd, mag als zodanig geen geldige reden vormen voor ontslag, onverminderd de mogelijkheid om overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken de arbeidsverhouding te beëindigen om andere redenen, zoals deze die kunnen voortvloeien uit de eisen van bedrijfsvoering van de betrokken vestiging.”

Italiaans recht

9 Krachtens artikel 16 van legge n. 183 „Deleghe al Governo in materia di lavori usuranti, di riorganizzazione di enti, di congedi, aspettative e permessi, di ammortizzatori sociali, di servizi per l’impiego, di incentivi all’occupazione, di apprendistato, di occupazione femminile, nonché misure contro il lavoro sommerso e disposizioni in tema di lavoro pubblico e di controversie di lavoro” (machtiging aan de regering inzake zware beroepen, reorganisatie van instellingen, verloven, verloven zonder wedde en gewettigde afwezigheden, sociale beschermingsmaatregelen, werkgelegenheidsdiensten, maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid, de leertijd, de tewerkstelling van vrouwelijke werkneemsters, alsmede maatregelen ter bestrijding van zwartwerk en bepalingen inzake openbaar ambt en arbeidsgeschillen) van 4 november 2010 (gewoon supplement bij GURI nr. 262 van 9 november 2010; hierna: „wet nr. 183/2010”) mogen bij de eerste toepassing van de bepalingen, die zijn ingevoerd bij artikel 73 van decreto-legge nr. 112 van 25 juni 2008 (gewoon supplement bij GURI nr. 147 van 25 juni 2008), de overheden die zijn bedoeld in artikel 1, lid 2, van decreto legislativo nr. 165 van 30 maart 2001, en daaropvolgende wijzigingen, binnen de 180 dagen na de inwerkingtreding van wet nr. 183/2010, met inachtneming van het billijkheidsbeginsel en het beginsel van goede trouw, de beslissingen waarbij de omzetting van een arbeidsovereenkomst van voltijds‑ in deeltijdswerk wordt toegestaan en die reeds waren vastgesteld vóór de inwerkingtreding van genoemd decreto-legge nr. 112 van 2008, zoals omgezet, met wijzigingen, bij wet nr. 133 van 6 augustus 2008 (gewoon supplement bij GURI nr. 195 van 21 augustus 2008) opnieuw beoordelen.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10 Verzoekster in het hoofdgeding is werkneemster bij het Ministero della Giustizia en bekleedt een functie in deeltijd bij het verwijzende gerecht. Sinds 28 augustus 2000 vervult zij een functie in 50 % deeltijd, verdeeld over drie dagen per week.

11 Na de inwerkingtreding van wet nr. 183/2010 heeft het Ministero della Giustizia bij besluit nr. 20384 van 8 februari 2011 de aan verzoekster in het hoofdgeding toegestane deeltijdarbeidsregeling herbeoordeeld en deze op grond van artikel 16 van die wet eenzijdig beëindigd en haar gelast om met ingang van 1 april 2011 voltijds te gaan werken, waarbij de werktijd werd gespreid over zes dagen.

12 Op 16 maart 2011 heeft verzoekster in het hoofdgeding aan het Ministero della Giustizia laten weten dat zij het niet eens was met de omzetting van de arbeidsverhouding voor deeltijds‑ in voltijdswerk. De administratief directeur van het Tribunale ordinario di Trento heeft verzoekster in het hoofdgeding bij besluit nr. 1882 van 21 maart 2011 gelast zich aan die nieuwe regeling te onderwerpen.

13 Verzoekster in het hoofdgeding heeft bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld strekkende tot nietigverklaring van voornoemde besluiten van het Ministero della Giustizia en van de administratief directeur. Zij preciseert dat zij dankzij de deeltijdarbeidsregeling haar vrije tijd aan haar familie en haar beroepsopleiding heeft kunnen wijden. Volgens haar volgt uit richtlijn 97/81 het beginsel dat een deeltijdse arbeidsverhouding van een werknemer niet tegen diens wil in een voltijdse arbeidsverhouding kan worden omgezet en dat artikel 16 van wet nr. 183/2010 dus in strijd met die richtlijn is.

14 Het Ministero della Giustizia voert aan dat artikel 16 van wet nr. 183/2010 niet in strijd met richtlijn 97/81 is.

15 De verwijzende rechter is, net als verzoekster in het hoofdgeding, van oordeel dat genoemd artikel 16, voor zover het de werkgever de mogelijkheid biedt om een deeltijdse arbeidsverhouding om te zetten in een voltijdse arbeidsverhouding tegen de wil van de werknemer, in strijd is met richtlijn 97/81, aangezien dit artikel de deeltijdwerker discrimineert, die, in tegenstelling tot de voltijdwerker, onderworpen blijft aan de bevoegdheid van de publieke werkgever om eenzijdig zijn arbeidstijd te verlengen. Volgens de verwijzende rechter draagt een dergelijke maatregel noch voor de werkgever, noch voor de werknemer bij tot de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid. Daarenboven is die nationale bepaling in strijd met clausule 5, punt 2, van de raamovereenkomst, die volgens de verwijzende rechter, gelet op het erin neergelegde ontslagverbod, de instemming van de werknemer vereist om van voltijd‑ naar deeltijdwerk over te gaan.

16 In die omstandigheden heeft het Tribunale ordinario di Trento de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet clausule 5, punt 2, van de bij de richtlijn [97/81] uitgevoerde [raam]overeenkomst […] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in hun nationale wetgeving niet mogen voorzien in de mogelijkheid voor de werkgever om een deeltijdse arbeidsverhouding zelfs tegen de wil van de werknemer om te zetten in een voltijdse arbeidsverhouding?

  • Verzet richtlijn 97/81 zich tegen een nationale regeling [als artikel 16 van (wet nr. 183/2010)] die voorziet in de mogelijkheid voor de werkgever om een deeltijdse arbeidsverhouding zelfs tegen de wil van de werknemer om te zetten in een voltijdse arbeidsverhouding?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

17 Aangezien de verwijzende rechter in zijn tweede vraag verwijst naar richtlijn 97/81, moet om te beginnen worden opgemerkt dat volgens artikel 1 van die richtlijn, deze gericht is op de uitvoering van de raamovereenkomst. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat bij die rechter de vraag rijst of de omzetting krachtens artikel 16 van wet nr. 183/2010 van een deeltijdse arbeidsverhouding in een voltijdse arbeidsverhouding, zonder instemming van Mascellani, in strijd is met de bepalingen van de raamovereenkomst.

18 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of de raamovereenkomst, meer in het bijzonder clausule 5, punt 2, ervan aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een werkgever de omzetting van een deeltijdse arbeidsverhouding in een voltijdse arbeidsverhouding zonder instemming van de betrokken werknemer kan opleggen.

19 In herinnering moet worden gebracht dat richtlijn 97/81 en de raamovereenkomst ten eerste deeltijdarbeid willen bevorderen en ten tweede discriminatie tussen deeltijd‑ en voltijdwerkers willen uitbannen (zie in die zin arresten Bruno e.a., C‑395/08 en C‑396/08, EU:C:2010:329 , punten 24 en 77, en Michaeler e.a., C‑55/07 en C‑56/07, EU:C:2008:248 , punt 21).

20 Volgens punt 5 van de considerans van richtlijn 97/81 is „er in de conclusies van de Europese Raad van Essen op […] gewezen dat er maatregelen moeten worden genomen om de werkgelegenheid en de gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen en het werkgelegenheidseffect van de groei te vergroten, met name door een flexibelere organisatie van het werk waarbij ingespeeld wordt op de wensen van de werknemers alsook op de eisen van de concurrentie”. Voorts volgt uit punt 11 van de considerans van die richtlijn en uit de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst dat laatstgenoemde overeenkomst doet uitkomen dat de sociale partners de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid wensen te bevorderen op een manier die zowel voor werkgevers als voor werknemers aanvaardbaar is.

21 Tegen deze achtergrond bepaalt punt 14 van de considerans van richtlijn 97/81 dat de raamovereenkomst de lidstaten verbindt wat het te bereiken resultaat betreft, maar tegelijk de nationale instanties de bevoegdheid laat om de vorm en de middelen daartoe te bepalen. Voorts volgt uit de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst dat deze overeenkomst de algemene beginselen en de minimumvereisten betreffende deeltijdarbeid verwoordt. Volgens punt 6 van de preambule van de raamovereenkomst verwijst deze overeenkomst voor de vaststelling van de wijze van toepassing van de hierin opgenomen algemene beginselen, minimumnormen en bepalingen naar de lidstaten en de sociale partners, teneinde rekening te houden met de situatie in iedere lidstaat.

22 Een van die minimumnormen is vermeld in clausule 5, punt 2, van de raamovereenkomst, volgens welke „[d]e weigering van een werknemer om van voltijd‑ naar deeltijdwerk over te gaan of omgekeerd, […] als zodanig geen geldige reden [mag] vormen voor ontslag, onverminderd de mogelijkheid om […] de arbeidsverhouding te beëindigen om andere redenen, zoals deze die kunnen voortvloeien uit de eisen van bedrijfsvoering van de betrokken vestiging”.

23 Die clausule verplicht de lidstaten dus niet een regeling aan te nemen op grond waarvan de toestemming van de werknemer vereist is om zijn deeltijdse arbeidsovereenkomst in een voltijdse arbeidsovereenkomst om te zetten. Die bepaling wil enkel uitsluiten dat een werknemer die weigert een dergelijke omzetting van zijn arbeidsverhouding te aanvaarden, louter om die reden wordt ontslagen, zonder dat er andere objectieve redenen zijn.

24 Bijgevolg verzet clausule 5, punt 2, van de raamovereenkomst zich niet tegen een regeling volgens welke een werkgever, om dergelijke redenen, de omzetting van een deeltijdse arbeidsovereenkomst in een voltijdse arbeidsovereenkomst zonder instemming van de betrokken werknemer kan opleggen.

25 Bovendien moet een dergelijke regeling in overeenstemming zijn met het doel van de raamovereenkomst, dat er volgens clausule 1, sub b, ervan met name in bestaat bij te dragen tot een flexibele organisatie van de arbeidstijd waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van werkgevers en werknemers.

26 Voor zover de verwijzende rechter van oordeel is dat de mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid zonder instemming van de werknemer om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, discriminerend is, moet in herinnering worden gebracht dat, overeenkomstig de door de raamovereenkomst nagestreefde doelstelling om discriminatie tussen deeltijd‑ en voltijdwerkers op te heffen, clausule 4 van de raamovereenkomst zich ertegen verzet dat, met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, deeltijdwerkers louter omdat zij in deeltijd werken minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers, tenzij een verschillende behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is (arrest Bruno e.a., EU:C:2010:329 , punt 25).

27 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat een situatie waarin een arbeidsovereenkomst zonder instemming van de betrokken werknemer van deeltijds‑ in voltijdswerk wordt omgezet, niet kan worden vergeleken met die van een werknemer wiens arbeidsovereenkomst tegen zijn wil van voltijds‑ in deeltijdswerk wordt omgezet, aangezien aan de vermindering van de arbeidstijd niet dezelfde gevolgen zijn verbonden als aan een vermeerdering van de arbeidstijd, met name op het vlak van de beloning van de werknemer, die de tegenprestatie van de arbeid is.

28 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de raamovereenkomst, meer in het bijzonder clausule 5, punt 2, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, niet verzet tegen een nationale regeling, volgens welke een werkgever de omzetting van een deeltijdse arbeidsverhouding in een voltijdse arbeidsverhouding zonder instemming van de betrokken werknemer kan opleggen.

Kosten

29 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

De op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1997/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, meer in het bijzonder clausule 5, punt 2, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, niet verzet tegen een nationale regeling, volgens welke een werkgever de omzetting van een deeltijdse arbeidsverhouding in een voltijdse arbeidsverhouding zonder instemming van de betrokken werknemer kan opleggen.

ondertekeningen