Krachtens het subsidiariteitsbeginsel valt de uitvoering van de bijstandspakketten onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten op het, naargelang van de specifieke situatie van elke lidstaat, passende territoriale niveau, onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, met name op het gebied van het beheer van de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 september 2014
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 3 september 2014
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 3 september 2014
Uitspraak
Arrest van het Hof (Tweede kamer)
3 september 2014(*)
"Prejudiciële verwijzing - Structuurfondsen - Economische, sociale en territoriale samenhang - Verordening (EG) nr. 1260/1999 - Artikel 38 - Verordening (EG) nr. 2792/1999 - Artikel 19 - Visserij - Rechtsgeding op nationaal niveau - Verplichting voor de lidstaat om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om na afloop van het rechtsgeding het besluit tot bijstandsverlening correct uit te voeren"
In zaak C‑410/13,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Vilniaus apygardos administracinis teismas (Litouwen) bij beslissing van 25 juni 2013, ingekomen bij het Hof op 19 juli 2013, in de procedure
„Baltlanta” UAB
tegenLietuvos valstybė,
in tegenwoordigheid van:Nacionalinė mokėjimo agentūra prie Žemės ūkio ministerijos,
Lietuvos Respublikos žemės ūkio ministerija,
Lietuvos Respublikos finansų ministerija,
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, K. Lenaerts (rapporteur), vicepresident, J. L. da Cruz Vilaça, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en G. Taluntytė als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door Z. Malůšková en A. Steiblytė als gemachtigden,
-
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 38 van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB L 161, blz. 1), artikel 19 van verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (PB L 337, blz. 10) en de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren voor de afsluiting van bijstandspakketten (2000‑2006) uit de Structuurfondsen, die door de Commissie zijn vastgesteld bij besluit COM(2006) 3424 definitief van 1 augustus 2006 (hierna: „richtsnoeren van de Commissie”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Baltlanta” UAB, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Litouws recht (hierna: „Baltlanta”), en de Lietuvos valstybė (Litouwse staat) betreffende een door die vennootschap ingestelde vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij stelt te hebben geleden doordat zij is uitgesloten van financiële bijstand in het kader van de Structuurfondsen van de Europese Unie.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1260/1999
3 Punt 52 van de considerans van verordening nr. 1260/1999 luidde:
„Overwegende dat het noodzakelijk is, de verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake vervolging van en corrigerend optreden naar aanleiding van onregelmatigheden en overtredingen af te bakenen, alsmede die van de Commissie wanneer de lidstaten in gebreke blijven”.
4 Artikel 8, leden 3 en 4, van deze verordening bepaalde:
„3.4.De lidstaten werken met de Commissie samen om ervoor te zorgen dat de gemeenschapsfondsen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.”
5 Artikel 9 van deze verordening gaf de volgende definities van de begrippen „ontwikkelingsplan” en „verrichting”:
„In deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
‚ontwikkelingsplan’ (hierna ‚plan’ genoemd): de door een lidstaat opgestelde analyse van de situatie in het licht van de in artikel 1 bedoelde doelstellingen en van de prioritaire behoeften waarin voor het bereiken van deze doelstellingen moet worden voorzien, alsmede de overwogen strategie en actieprioriteiten, de specifieke doelstellingen daarvan en de bijbehorende indicatieve financiële middelen;
[...]
‚verrichting’: elk project of elke actie uitgevoerd door de eindbegunstigden van de bijstandspakketten”.
6 Artikel 30, leden 1, 2 en 4, van deze verordening luidde:
„1.De uitgaven voor verrichtingen komen slechts voor financiering uit de fondsen in aanmerking indien de verrichtingen een integrerend deel van het betrokken bijstandspakket uitmaken.
2.Een uitgave komt niet voor financiering uit de fondsen in aanmerking indien zij daadwerkelijk door de eindbegunstigde is betaald vóór de datum waarop de Commissie de bijstandsaanvraag heeft ontvangen. Deze datum is de begindatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven.
De einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven wordt bepaald in de beschikking inzake de bijdrage van de fondsen. Deze datum heeft betrekking op de door de eindbegunstigden verrichte betalingen. De subsidiabele periode kan door de Commissie op naar behoren gemotiveerd verzoek van de lidstaten worden verlengd overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 en artikel 15.
[...]
4.De lidstaten zien erop toe dat de bijdrage van de fondsen slechts wordt gehandhaafd indien de verrichting waarop zij betrekking heeft binnen vijf jaar na het besluit van de bevoegde nationale autoriteit of de beheersautoriteit over de bijdrage van de fondsen, geen belangrijke verandering ondergaat:
die strijdig is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden, of een onderneming of een publiekrechtelijk collectief lichaam een onrechtmatig voordeel oplevert, en
die voortvloeit hetzij uit een wijziging in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij uit de beëindiging of de overbrenging naar een andere plaats van een productieve activiteit.
De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van iedere wijziging van dien aard; in geval van zo’n wijziging is artikel 39 van toepassing.”
7 Artikel 38 van verordening nr. 1260/1999 luidde als volgt:
„1.Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen dragen de lidstaten in eerste instantie de verantwoordelijkheid voor de financiële controle van de bijstandspakketten. Te dien einde dragen de lidstaten met name zorg voor het volgende:
zij gaan na of er beheers- en controlesystemen zijn opgezet om te zorgen voor een doeltreffend en regelmatig gebruik van het gemeenschapsgeld en of deze systemen goed functioneren;
[...]
zij doen het nodige om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te herstellen; overeenkomstig de geldende wetgeving stellen zij de Commissie in kennis van onregelmatigheden, en zij houden haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures;
[...]
zij vorderen de middelen terug die ten gevolge van geconstateerde onregelmatigheden verloren zijn gegaan, in voorkomend geval verhoogd met moratoire rente.
[...]
3.De Commissie en de lidstaten werken op basis van bilaterale bestuursrechtelijke regelingen samen om plannen, methoden en uitvoering van controles te coördineren om het nut daarvan zo groot mogelijk te maken. Zij wisselen de resultaten van de verrichte controles terstond uit.
Ten minste jaarlijks, en in elk geval vóór het jaarlijks onderzoek als bedoeld in artikel 34, lid 2, worden de volgende elementen onderzocht en geëvalueerd:
[...]
de financiële effecten van de vastgestelde onregelmatigheden, de voor het herstel ervan reeds genomen of nog noodzakelijke maatregelen en, in voorkomend geval, de wijzigingen van de beheers- en controlesystemen.
4.Onverminderd de met name overeenkomstig dit artikel en artikel 39 onverwijld door de lidstaat te nemen maatregelen, kan de Commissie na dit onderzoek en deze evaluatie opmerkingen maken, die met name betrekking hebben op het financiële effect van de eventueel geconstateerde onregelmatigheden. De opmerkingen worden toegezonden aan de lidstaat en aan de autoriteit die het betrokken bijstandspakket beheert. In voorkomend geval gaan de opmerkingen vergezeld van verzoeken om correctiemaatregelen die erop gericht zijn de tekortkomingen van het beheer te verhelpen en de ontdekte onregelmatigheden die nog niet zijn gecorrigeerd, alsnog te corrigeren. De lidstaat heeft de gelegenheid op deze opmerkingen te reageren.
[...]
5.Onverminderd het bepaalde in dit artikel, kan de Commissie, na passende controle, een tussentijdse betaling geheel of gedeeltelijk opschorten indien zij vaststelt dat de betrokken uitgaven het voorwerp uitmaken van een belangrijke onregelmatigheid die niet is gecorrigeerd en oordeelt dat onmiddellijk optreden vereist is. Zij brengt de betrokken lidstaat op de hoogte van haar optreden en de motieven ervoor. Indien na vijf maanden de motieven voor de opschorting blijven bestaan of de betrokken lidstaat de Commissie niet in kennis heeft gesteld van de maatregelen die zijn genomen om de belangrijke onregelmatigheid te corrigeren, is het bepaalde in artikel 39 van toepassing.
[...]”
8 Artikel 39, lid 1, van deze verordening bepaalde:
„De lidstaten zijn in eerste instantie belast met het onderzoek naar onregelmatigheden en laten zich daarbij leiden door de vaststelling van elke belangrijke wijziging die de aard of de voorwaarden van de uitvoering of de controle van een bijstandspakket beïnvloedt, en het verrichten van de nodige financiële correcties.
De lidstaat verricht de financiële correcties die in verband met de eenmalige of systematische onregelmatigheid geboden zijn. De door de lidstaat verrichte correcties behelzen een gehele of gedeeltelijke intrekking van de communautaire bijdrage. De aldus vrijgekomen communautaire middelen kunnen door de lidstaat ten behoeve van het betrokken bijstandspakket worden hergebruikt, met inachtneming van de overeenkomstig artikel 53, lid 2, vast te stellen voorwaarden.”
9 Verordening nr. 1260/1999 is met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken bij artikel 107 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening nr. 1260/1999 (PB L 210, blz. 25). Artikel 105, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 bepaalt:
„Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van bijstand met medefinanciering uit de structuurfondsen of van projecten met medefinanciering uit het Cohesiefonds die de Commissie heeft goedgekeurd op grond van [verordening nr. 1260/1999] of van enige andere regelgeving die op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing is; de betrokken regelgeving blijft derhalve van toepassing op de bijstand of de projecten totdat deze worden afgesloten.”
Verordening (EG) nr. 438/2001
10 Artikel 4, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1260/1999 met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (PB L 63, blz. 21) luidde:
„De beheers- en controlesystemen moeten procedures behelzen om na te gaan of de medegefinancierde goederen en diensten zijn geleverd en de opgevoerde uitgaven daadwerkelijk zijn gemaakt en om te verzekeren dat de voorwaarden van de toepasselijke beschikking van de Commissie zoals bedoeld in artikel 28 van verordening [...] nr. 1260/1999 en de geldende nationale en communautaire voorschriften betreffende, in het bijzonder, de subsidiabiliteit van de uitgaven uit de structuurfondsen in het kader van het betrokken bijstandspakket, de plaatsing van overheidsopdrachten, staatssteun (met inbegrip van de voorschriften inzake het cumuleren van steun), milieubescherming en gelijke kansen zijn nageleefd.”
11 Verordening nr. 438/2001 is met ingang van 16 januari 2007 ingetrokken bij de artikelen 54 en 55 van verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1083/2006 en verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (PB L 371, blz. 1). Artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1828/2006 preciseert:
„[...]
De bepalingen van [verordening nr. 438/2001] blijven van toepassing op krachtens verordening [...] nr. 1260/1999 goedgekeurde bijstand.”
Verordening nr. 2792/1999
12 Artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, „Aanmelding van de steunregelingen”, luidde in de oorspronkelijke versie:
„1.De lidstaten melden de Commissie, overeenkomstig de artikelen 87 tot en met 89 van het Verdrag, de steunregelingen die in de in artikel 3, lid 3, bedoelde en in artikel 9, sub b, van verordening [...] nr. 1260/1999 omschreven plannen zijn opgenomen.
2.Binnen de werkingssfeer van deze verordening kunnen de lidstaten aanvullende steunmaatregelen vaststellen waarvoor voorwaarden of regels gelden die niet in de onderhavige verordening zijn vastgesteld, of die betrekking hebben op hogere bedragen dan de in bijlage IV bepaalde maximumbedragen, voor zover deze maatregelen in overeenstemming zijn met de artikelen 87 tot en met 89 van het Verdrag.”
13 Verordening nr. 2792/1999 is met name gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002 van de Raad van 20 december 2002 (PB L 358, blz. 49), die op 1 januari 2003 in werking is getreden.
14 Punt 11 van de considerans van verordening nr. 2369/2002 luidt:
„De artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag zouden van toepassing moeten zijn op door de lidstaten in de visserij- en aquacultuursector verleende steun. Om terugbetaling door de Commissie van door de lidstaten vooruitbetaalde middelen te versnellen zou evenwel een uitzondering op dat beginsel moeten worden toegestaan voor de verplichte financiële bijdragen van de lidstaten aan door de Gemeenschap gecofinancierde maatregelen in het kader van de ontwikkelingsplannen als bedoeld in verordening [...] nr. 1260/1999 [...].”
15 Artikel 1, punt 3, sub b, van verordening nr. 2369/2002 bepaalde dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2792/1999 werd vervangen als volgt:
„De in artikel 9, sub b, van verordening [...] nr. 1260/1999 bepaalde ontwikkelingsplannen moeten het bewijs leveren dat overheidssteun noodzakelijk is om de beoogde doelstellingen te kunnen verwezenlijken, en met name dat modernisering van de betrokken vissersvaartuigen zonder overheidssteun onmogelijk zou zijn, en dat de overwogen maatregelen de duurzame exploitatie van de visbestanden niet in gevaar zullen brengen.
[...]”
16 Artikel 1, punt 15, van verordening nr. 2369/2002 bepaalde dat artikel 19 van verordening nr. 2792/1999 moest worden vervangen door de volgende tekst:
„Verplichte financiële bijdragen en staatssteun
1.Onverminderd het bepaalde in lid 2, zijn de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag van toepassing op steun die door de lidstaten wordt verleend in de visserij- en de aquacultuursector.
2.De artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag zijn niet van toepassing op de verplichte financiële bijdragen van de lidstaten aan door de Gemeenschap gecofinancierde maatregelen in het kader van ontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 3, lid 3, van deze verordening en als gedefinieerd in artikel 9, sub b, van verordening [...] nr. 1260/1999 of in artikel 5 van verordening (EG) nr. 2370/2002 van de Raad van 20 december 2002 [tot vaststelling van een communautaire noodmaatregel voor de sloop van vissersvaartuigen (PB L 358, blz. 57)].
3.Maatregelen als bedoeld in lid 2 waarvoor een overheidsfinanciering wordt toegekend die verder gaat dan de bepalingen inzake verplichte financiële bijdragen als vastgesteld bij deze verordening of bij verordening [nr. 2370/2002] worden als geheel behandeld, overeenkomstig lid 1.”
17 Verordening nr. 2792/1999 is met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken bij artikel 104, lid 1, van verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223, blz. 1). Artikel 103, lid 1, van verordening nr. 1198/2006 preciseert:
„Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gedeeltelijke of volledige intrekking, van bijstand die door de Commissie is goedgekeurd op grond van [verordening nr. 2792/1999] of van enige andere regelgeving die op 31 december 2006 op de betrokken bijstand van toepassing is; de betrokken regelgeving blijft derhalve van toepassing totdat deze bijstand wordt afgesloten.”
Richtsnoeren van de Commissie
18 De afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren van de Commissie luiden als volgt:
Onvoltooide en niet-operationele projecten bij de afsluiting
De beheersautoriteit, de bemiddelende instantie, de betaalautoriteit en de lidstaat zijn verplicht ervoor te zorgen dat medegefinancierde producten en diensten worden geleverd en zich te vergewissen van de realiteit en de juistheid van de opgevoerde uitgaven overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer.
De lidstaat moet in het eindverslag per maatregel een lijst van acties opstellen die op het moment van de afsluiting nog niet voltooid of operationeel waren, rekening houdend met de vastgestelde doelstellingen van de actie, de beschikking waarbij de bijstand aan de actie is toegekend en eventuele andere voorwaarden in verband met de actie [...]. In deze lijst moet het volgende worden aangegeven:
welke acties in het kader van de volgende programmeringsperiode niet door de communautaire Fondsen worden medegefinancierd: de lidstaat moet zich ertoe verbinden alle onvoltooide of nog niet operationele acties binnen twee jaar na de uiterste datum van de indiening van het eindverslag op eigen kosten te voltooien of operationeel te maken. De lidstaat moet de Commissie aan het einde van deze periode van twee jaar ten aanzien van elk project laten weten of het is voltooid of operationeel is gemaakt. Voor acties die tegen het einde van die periode nog steeds niet zijn voltooid of operationeel gemaakt, zal de Commissie de nodige stappen ondernemen om de communautaire middelen te recupereren.
welke acties in het kader van de volgende programmeringsperiode volgens plan wel door de communautaire Fondsen worden medegefinancierd: de autoriteiten van de lidstaat moeten voor elke programmeringsperiode de actie apart en gedetailleerd in duidelijke bewoordingen beschrijven. De actie moet worden verdeeld in ten minste twee duidelijk te onderscheiden financiële en fysieke of ontwikkelingsstadia die overeenkomen met de twee betrokken bijstandsvormen. Dit moet worden gedaan om te zorgen voor transparante uitvoering en transparant toezicht en om controles te vergemakkelijken. Als het eerste deel van de actie niet in de eerste programmeringsperiode voltooid is of niet operationeel is, kunnen de uitgaven in verband met de voltooiing of het operationeel maken voor de tweede programmeringsperiode worden aanvaard, mits aan de voorwaarden voor medefinanciering en subsidiabiliteit is voldaan (opneming in het tweede programma, wettelijke en financiële verbintenis via een besluit door de verantwoordelijke autoriteit). In dergelijke gevallen moet de lidstaat ervoor zorgen dat dezelfde werkzaamheden niet tweemaal uit communautaire middelen worden gefinancierd.
Door juridische of administratieve procedures opgeschorte acties
Voor elke actie waarvoor een juridische procedure of administratief beroep met opschortende werking loopt, moet de lidstaat vóór de uiterste datum van indiening van de gecertificeerde verklaring inzake de definitieve uitgaven, met inbegrip van een verzoek om eindbetaling en het eindverslag inzake de uitvoering van het programma, besluiten of de actie:
vóór de uiterste datum geheel of gedeeltelijk moet worden teruggetrokken uit het programma en/of vervangen door een andere actie (mogelijk uit de overprogrammering); nadat de Commissie in kennis is gesteld van de terugtrekking of vervanging, blijft de lidstaat verantwoordelijk voor mogelijke gevolgen van de teruggetrokken of vervangen acties, zoals de financiële consequenties of oninbare verschuldigde bedragen; of
geheel of gedeeltelijk in het programma moet worden gehandhaafd. Na de indiening van de laatste gecertificeerde verklaring over de uitgaven voor een programma mag een actie waarvoor een juridische procedure of administratief beroep met opschortende werking loopt, niet worden vervangen, zelfs niet door een andere actie uit de ‚overprogrammering’ die wellicht vóór de einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven is voltooid.
Vervangingsacties moeten overeenkomstig artikel 9, lid 2, sub b‑ii, van verordening [...] nr. 438/2001 worden geselecteerd. De lidstaten moeten erop toezien dat de vervangingsacties voldoen aan alle van toepassing zijnde Europese en nationale regelingen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot de regels inzake beheers- en controlesystemen, subsidiabiliteit, informatie en publiciteit, alsook de aanbestedings-, concurrentie- en milieuregels.
[...]”
Litouws recht
19 Punt 16 van de richtsnoeren voor aanvragers die projecten voor financiële bijstand in 2007 indienen in het kader van de maatregel „Activiteiten met betrekking tot de vloot van vissersvaartuigen”, steunsector „Definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen”, behorend tot het prioritaire zwaartepunt „Plattelandsontwikkeling en visserij” van het enkelvoudig programmeringsdocument (EPD) van Litouwen voor de periode 2004‑2006 [Gairės pareiškėjams, teikiantiems projektus paramai gauti 2007 metais pagal Lietuvos 2004‑2006 metų bendrojo programavimo dokumento (BPD) Kaimo plėtros ir žuvininkystės prioriteto priemonės „Veikla, susijusi su žvejybos laivynu” veiklos sritį „Laivų žvejybinės veiklos nutraukimas visam laikui”], welke richtsnoeren zijn goedgekeurd bij besluit nr. 3D-96 van de minister van Landbouw van 28 februari 2007 (hierna: „richtsnoeren van het ministerie van Landbouw”), bepaalt:
„[...] Aan deze oproep tot het indienen van kandidaturen in het kader van de maatregel ‚Activiteiten met betrekking tot de vloot van vissersvaartuigen’, steunsector ‚Definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen’, van het EPD, wordt 8 000 000 LTL (acht miljoen Litouwse litas) steun toegewezen.”
20 Punt 23.4.5 van de richtsnoeren van het ministerie van Landbouw luidt:
„Een vaartuig heeft aan zeevisvangst gedaan (te weten zich op zee begeven om te vissen) gedurende ten minste 75 dagen in elk van de laatste twee periodes van 12 maanden vóór de dag waarop een aanvraag is ingediend (die periodes beginnen te lopen de dag vóór die waarop een aanvraag is geregistreerd bij het agentschap), of heeft zich op zee begeven om te vissen gedurende ten minste 80 % van het – volgens de nationale wetgeving – voor dat vaartuig toegestane aantal dagen.”
21 Punt 114 van de regels inzake het beheer en de financiering van de maatregelen van het enkelvoudig programmeringsdocument van Litouwen voor de periode 2004‑2006 en de projecten die in het kader van die maatregelen worden gefinancierd (Lietuvos 2004‑2006 m. bendrojo programavimo dokumento priemonių ir projektų, finansuojamų įgyvendinant šias priemones, administravimo ir finansavimo taisyklės), welke regels zijn vastgesteld bij besluit nr. 1K‑033 van de minister van Financiën van 28 januari 2004, bepaalt dat „de bemiddelende en de uitvoerende instanties een steunovereenkomst sluiten met de aanvragers van projecten waaraan financiële bijstand zal worden verleend”.
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
22 Naar aanleiding van de oproep tot het indienen van kandidaturen die van 9 tot 30 maart 2007 is gepubliceerd in het kader van de maatregel „Activiteiten met betrekking tot de vloot van vissersvaartuigen”, steunsector „Definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten van de vissersvaartuigen”, behorend tot het prioritaire zwaartepunt „Plattelandsontwikkeling en visserij” van het EPD, zijn drie aanvragen voor financiële bijstand ingediend, waaronder Baltlanta’s aanvraag.
23 Op 15 maart 2007 heeft Baltlanta voor het project „Definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten van het vissersvaartuig Kiras-1” financiële bijstand aangevraagd ten bedrage van 8 000 000 LTL.
24 De aanvragen voor financiële bijstand moesten worden ingediend overeenkomstig de richtsnoeren van het ministerie van Landbouw.
25 Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft het Nacionalinė mokėjimo agentura (nationaal betaalorgaan binnen het ministerie van Landbouw; hierna: „agentschap”) Baltlanta’s aanvraag afgewezen, op grond dat het voorgestelde project niet voldeed aan het subsidiabiliteitscriterium van punt 23.4.5 van de richtsnoeren van het ministerie van Landbouw, daar uit een strafrechtelijk vooronderzoek bleek dat de door Baltlanta verstrekte informatie over de visserijactiviteiten van het vissersvaartuig Kiras‑1 niet strookte met de werkelijkheid.
26 Aangezien de twee andere aanvragen die waren ingediend in het kader van de tussen 9 en 30 maart 2007 gepubliceerde oproep tot het indienen van kandidaturen evenmin aan dit subsidiabiliteitscriterium voldeden, werd het niet-toegewezen budget van 8 000 000 LTL tussen augustus 2007 en juni 2008 verdeeld over aanvragen die naar aanleiding van andere oproepen tot het indienen van kandidaturen waren ingediend.
27 Baltlanta is tegen het besluit van het agentschap van 3 augustus 2007 opgekomen bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (regionale bestuursrechter te Vilnius), die heeft vastgesteld dat het vaartuig Kiras-1 voldeed aan het in punt 23.4.5 van de richtsnoeren van het ministerie van Landbouw geformuleerde criterium en het beroep vervolgens heeft toegewezen. Derhalve heeft hij het voornoemde besluit van het agentschap bij vonnis van 27 december 2007 nietig verklaard.
28 Bij arrest van 14 mei 2012 heeft de Lietuvos vyriausiasis administracinis teismas (hoogste bestuursrechter van Litouwen) het vonnis van 27 december 2007 bevestigd. Dit vonnis is thans in kracht van gewijsde getreden.
29 Ingevolge die rechterlijke uitspraken heeft het agentschap Baltlanta’s aanvraag opnieuw onderzocht en heeft het vastgesteld dat haar project op grond van de EPD-maatregel in aanmerking kwam voor steun ten bedrage van 8 000 000 LTL.
30 Bij brief van 17 januari 2013 heeft het ministerie van Landbouw Baltlanta evenwel meegedeeld dat haar aanvraag niet meer kon worden behandeld. Als redenen daarvoor haalde het ten eerste aan dat de steunovereenkomsten op grond van de EPD-maatregel vóór 1 juli 2008 moesten worden gesloten, ten tweede dat op 30 juni 2009 de periode was verstreken waarin de uitgaven die krachtens het EPD konden worden gefinancierd subsidiabel waren, en ten derde dat vóór die datum op grond van het EPD geen enkele betaling had plaatsgevonden voor de verrichtingen van het project „Definitieve stopzetting van de visserijactiviteiten van het vissersvaartuig Kiras-1” en dat deze verrichtingen vóór die datum niet waren erkend als bij de Commissie aan te geven verrichtingen.
31 Op 20 februari 2013 heeft Baltlanta bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas een aansprakelijkheidsvordering ingesteld tegen de Litouwse staat, in het kader waarvan zij verzoekt om vergoeding van haar materiële schade (8 000 000 LTL) en haar immateriële schade (2 000 000 LTL). Zij betoogt dat het ministerie van Landbouw haar op onrechtmatige wijze heeft belet om financiële bijstand te genieten, doordat het heeft nagelaten te handelen. Volgens Baltlanta heeft het ministerie van Landbouw nagelaten om te gelegener tijd de nodige maatregelen te treffen, heeft het de Commissie niet meegedeeld dat bij de rechterlijke instanties een zaak aanhangig was over de subsidiabiliteit van het in verzoeksters steunaanvraag bedoelde project, heeft het geen steunregeling ingesteld en heeft het geen kredieten uitgetrokken voor wanneer de kwestie van de steuntoekenning zou zijn uitgeklaard. Verzoekster stelt schade te hebben geleden door dit nalaten.
32 Het ministerie van Landbouw, dat de Litouwse staat vertegenwoordigt in het hoofdgeding, betoogt in de eerste plaats dat artikel 19 van verordening nr. 2792/1999 de lidstaten er niet toe verplicht om voor EPD‑maatregelen te voorzien in een ruimere financiering dan die waarin deze verordening reeds voorziet. In de tweede plaats is het feit dat Baltlanta geen financiële steun heeft kunnen genieten volgens het ministerie niet te wijten aan zijn beweerdelijk onrechtmatig nalaten, maar wel aan de omstandigheid dat de tenuitvoerleggingsperiode van het EPD een einde had genomen toen de gerechtelijke procedures in verband met het besluit van het agentschap van 3 augustus 2007 nog aan de gang waren. In de derde plaats beklemtoont dit ministerie dat de loutere indiening van een aanvraag niet betekent dat het steunbedrag dat voor de verwezenlijking van het project wordt aangevraagd, zomaar wordt uitbetaald aan de aanvrager, zonder dat deze ook aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Het brengt in herinnering dat de begunstigde slechts bij wijze van betaling in één keer wordt vergoed indien hij binnen de in de steunovereenkomst bepaalde termijn heeft voldaan aan de verplichtingen die krachtens de richtsnoeren van het ministerie van Landbouw en de steunovereenkomst op hem rusten.
33 Het ministerie van Financiën, dat heeft geïntervenieerd aan de zijde van de Litouwse staat, preciseert dat geen steunovereenkomst is gesloten met Baltlanta en dat de Republiek Litouwen dus overeenkomstig artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 niet verplicht was om de Commissie in te lichten over de gerechtelijke procedure in verband met haar aanvraag. Bovendien betoogt het dat het ministerie van Landbouw juridisch gezien geen reserves kon aanleggen voor projecten met betrekking waartoe gerechtelijke procedures liepen.
34 Daarop heeft de Vilniaus apygardos administracinis teismas de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 38 van verordening nr. 1260/1999, waarin een verplichting voor de lidstaat is neergelegd om de Europese Commissie op de hoogte te houden van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures en met de Commissie samen te werken, aldus worden uitgelegd dat de lidstaat de Europese Commissie op de hoogte moet houden van alle rechtsgedingen betreffende het handelen of niet-handelen van uitvoerende, bemiddelende, beheers- of betalingsinstanties in verband met de beoordeling van een aanvraag, de selectie, de vaststelling van het besluit tot bijstandsverlening of de uitvoering van het project?
Moet artikel 19 van verordening nr. 2792/1999 aldus worden uitgelegd dat het de lidstaat verplicht om in overleg met de Commissie steunregelingen vast te stellen en in middelen te voorzien voor die gevallen waarin bij rechterlijke instanties procedures lopen over het handelen of niet-handelen van uitvoerende, bemiddelende, beheers- of betalingsinstanties in verband met de beoordeling van een aanvraag, de selectie, de vaststelling van het besluit tot bijstandsverlening of de uitvoering van het project?
Moeten de afdelingen 6 en 7 van [de richtsnoeren van de Commissie] aldus worden uitgelegd dat zij een lidstaat verplichten om de Europese Commissie op de hoogte te houden van alle rechtsgedingen betreffende het handelen of niet-handelen van uitvoerende, bemiddelende, beheers- of betalingsinstanties in verband met de beoordeling van een aanvraag, de selectie, de vaststelling van het besluit tot bijstandsverlening of de uitvoering van het project, en om te beslissen of de actie geheel of gedeeltelijk moet worden teruggetrokken uit het programma en/of vervangen door een andere actie etc., of in het programma moet worden gehandhaafd, dan wel dat anderszins moet worden gehandeld om na afloop van de gerechtelijke procedure te zorgen voor een correcte uitvoering van het besluit tot bijstandsverlening?
Is het feit dat de nationale wetgeving die van toepassing is op de onderhavige zaak geen specifieke regeling bevat die preciseert wat de taken zijn van de betrokken instanties in geval van rechtsgedingen over het handelen of niet-handelen van uitvoerende, bemiddelende, beheers- of betalingsinstanties in verband met de beoordeling van een aanvraag, de selectie, de vaststelling van het besluit tot bijstandsverlening of de uitvoering van het project, dat wil zeggen, het feit dat er geen bepaling is die de betrokken overheidsinstanties verplicht om de Europese Commissie op de hoogte te houden van gerechtelijke procedures die zijn ingesteld en om zodanige maatregelen te treffen dat de toegewezen middelen voor de bijstand waarover geschil bestaat, worden gereserveerd totdat de kwestie van de steuntoekenning definitief is beslecht, in overeenstemming met de uit artikel 38 van verordening nr. 1260/1999 voortvloeiende verplichting voor de lidstaat om de Commissie op de hoogte te houden van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures en om samen te werken met de Commissie, met artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, en met de vereisten van de afdelingen 6 en 7 van [de richtsnoeren van de Commissie]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
35 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, in zijn oorspronkelijke versie ratione temporis niet van toepassing is op het hoofdgeding, aangezien Baltlanta – zoals uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt – haar aanvraag voor financiële bijstand heeft ingediend in het kader van een bijstandspakket dat is goedgekeurd na de inwerkingtreding van verordening nr. 2369/2002, dus na 1 januari 2003. Artikel 1, punt 15, van laatstgenoemde verordening heeft artikel 19 van verordening nr. 2792/1999 gewijzigd.
36 Bij het onderzoek van de prejudiciële vragen inzake de uitlegging van artikel 19 van verordening nr. 2792/1999 moet dus worden uitgegaan van de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002.
37 Derhalve moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999, artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, en de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren van de Commissie aldus moeten worden uitgelegd dat zij de betrokken overheidsinstanties ertoe verplichten om aan de Commissie mee te delen dat een rechtsgeding aanhangig is in verband met een administratief besluit over de subsidiabiliteit van een project waarvoor financiële bijstand was aangevraagd, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit, en om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de voor die bijstand bedoelde middelen, waarvan de toekenning in het geding is, te reserveren tot de kwestie van die toekenning definitief is beslecht.
38 In de eerste plaats moet met betrekking tot artikel 38, lid 1, van verordening nr. 1260/1999 worden opgemerkt dat deze bepaling voorschrijft dat de lidstaten, onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de financiële controle van de bijstandspakketten. Dit artikel bevat een niet‑exhaustieve lijst van maatregelen die de lidstaten daartoe moeten nemen.
39 Een van die maatregelen staat vermeld in artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999, waarin is bepaald dat de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te herstellen. Overeenkomstig de geldende wettelijke regeling stellen de lidstaten de Commissie in kennis van deze onregelmatigheden en houden zij haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures.
40 Ter verheldering van de in artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 bedoelde situaties moet erop worden gewezen dat deze verordening het in dat artikel vermelde begrip „onregelmatigheid” niet definieert.
41 Bij gebreke van enige definitie van het begrip „onregelmatigheid” in verordening nr. 1260/1999 moeten de betekenis en de draagwijdte van die term volgens vaste rechtspraak van het Hof derhalve worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin hij wordt gebruikt en de door de regeling waarvan hij deel uitmaakt beoogde doelstellingen (zie arrest Diakité, C‑285/12, EU:C:2014:39 , punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 In de betekenis die in de omgangstaal gebruikelijk is, verwijst het begrip onregelmatigheid naar een situatie waarin een rechtsregel, in casu een regel van Unierecht, is geschonden.
43 Wat de doelstelling van verordening nr. 1260/1999 betreft, moet worden opgemerkt dat deze verordening in artikel 8, lid 3, bepaalt dat de uitvoering van de bijstandspakketten krachtens het subsidiariteitsbeginsel hoofdzakelijk moet vallen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten op het, naargelang van de specifieke situatie van elke lidstaat, passende territoriale niveau, en dit onverminderd de bevoegdheden die de Commissie met name heeft als verantwoordelijke voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie. Dit beginsel is tevens verankerd in artikel 38, lid 1, van deze verordening.
44 Door deze financiële controle op zich te nemen, wordt de betrokken lidstaat de eerste verantwoordelijke voor het doeltreffend gebruik van het geld van de Unie, wat – onverminderd de bevoegdheden van de Commissie – bijdraagt tot de goede uitvoering van de algemene begroting van de Unie.
45 Artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 heeft aldus ten doel om de algemene begroting van de Unie te beschermen tegen elke handeling die en elk nalaten dat deze begroting zou kunnen schaden.
46 Wat het wetgevend kader van artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 betreft, moet worden opgemerkt dat de leden 3 en 4 van artikel 38 van deze verordening bepalen dat de betrokken lidstaat de financiële effecten van de vastgestelde onregelmatigheden meedeelt aan de Commissie, die daarover opmerkingen kan maken. Daarnaast bepaalt artikel 38, lid 5, van deze verordening dat de Commissie een tussentijdse betaling geheel of gedeeltelijk kan opschorten indien zij vaststelt dat de betrokken uitgaven het voorwerp uitmaken van een belangrijke onregelmatigheid die niet is gecorrigeerd en oordeelt dat onmiddellijk optreden vereist is.
47 Voorts moet eraan worden herinnerd dat het Hof in punt 44 van het arrest Comune di Ancona (C‑388/12, EU:C:2013:734 ) heeft geoordeeld dat de betrokken lidstaat overeenkomstig de krachtens artikel 38, lid 1, sub e en h, van verordening nr. 1260/1999 op hem rustende verplichtingen moet onderzoeken of een verandering die buiten de werkingssfeer van artikel 30, lid 4, van deze verordening valt, een onregelmatigheid in de zin van de artikelen 38 en 39 van die verordening vormt waarvoor dan de nodige financiële correcties moeten gebeuren en de overeenkomstige verloren gegane bedragen, in voorkomend geval met vertragingsrente, moeten worden teruggevorderd.
48 Uit de algemene opzet van artikel 38 van verordening nr. 1260/1999 vloeit voort dat het begrip „onregelmatigheid” betrekking heeft op het onrechtmatige gebruik van Uniegelden.
49 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet het in artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 bedoelde begrip „onregelmatigheid” aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op elke schending van Unierecht die voortvloeit uit een handeling die of nalaten dat de algemene begroting van de Unie kan benadelen.
50 Gelet op deze definitie van het begrip „onregelmatigheid” moet artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999 aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten ertoe verplicht om schendingen van Unierecht die voortvloeien uit een optreden of nalaten dat de algemene begroting van de Unie kan benadelen te voorkomen, op te sporen en te herstellen, om de Commissie in kennis te stellen van dergelijke onregelmatigheden en om haar op de hoogte te houden van het verloop van de administratieve en gerechtelijke procedures in verband met die onregelmatigheden.
51 Daarenboven moet worden opgemerkt dat het begrip „verrichting” in artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/1999 wordt gedefinieerd als „elk project of elke actie uitgevoerd door de eindbegunstigden van de bijstandspakketten”. Het feit dat het project of de actie in het betrokken bijstandspakket is opgenomen, vormt dus een bestanddeel van dat begrip.
52 Overeenkomstig artikel 30, lid 1, van verordening nr. 1260/1999 „[komen de] uitgaven voor verrichtingen [...] slechts voor financiering uit de fondsen in aanmerking indien de verrichtingen een integrerend deel van het betrokken bijstandspakket uitmaken”. Uit de tekst van die bepaling vloeit voort dat enkel de „verrichtingen” in de zin van artikel 9, sub k, van deze verordening in aanmerking komen voor financiering uit deze fondsen.
53 Bijgevolg kunnen enkel onregelmatigheden in verband met „verrichtingen” in de zin van artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/1999 de algemene begroting van de Unie benadelen.
54 Derhalve moet worden onderzocht of een project als het door Baltlanta ingediende project dat in het hoofdgeding aan de orde is, valt onder het begrip „verrichting” in de zin van artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/1999.
55 Volgens artikel 38, lid 1, sub a, van verordening nr. 1260/1999 gaan de lidstaten na of er beheers- en controlesystemen zijn opgezet om te zorgen voor een doeltreffend en regelmatig gebruik van het geld van de Unie en of deze systemen goed functioneren. Artikel 4 van verordening nr. 438/2001 preciseert dat deze systemen procedures behelzen om te verzekeren dat de geldende nationale en Unierechtelijke regels betreffende in het bijzonder de subsidiabiliteit van de uitgaven uit de structuurfondsen in het kader van het betrokken bijstandspakket zijn nageleefd.
56 Bovendien moet eraan worden herinnerd dat het stelsel van subsidies dat in het Unierecht is uitgewerkt, er met name op berust dat de begunstigde een reeks verplichtingen vervult die hem aanspraak geven op uitkering van de in het vooruitzicht gestelde financiële bijstand (zie arrest Vereniging Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening e.a., C‑383/06–C‑385/06, EU:C:2008:165 , punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 In het kader van de procedures waarin de nationale beheers- en controlesystemen voorzien, moeten de bevoegde nationale autoriteiten zich er dus van vergewissen dat de begunstigde zich ertoe verbindt de verplichtingen na te komen die hem aanspraak geven op uitkering van de in het vooruitzicht gestelde financiële bijstand.
58 Daartoe mogen de bevoegde nationale autoriteiten vereisen dat de aanvrager die financiële bijstand ontvangt voor de uitvoering van zijn project een dergelijke verbintenis aangaat vooraleer dit project in het betrokken bijstandspakket wordt opgenomen.
59 Dit is het geval bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure, die door de Litouwse wetgever is ingevoerd en die bepaalt dat een steunovereenkomst moet worden gesloten met de aanvragers aan wie financiële bijstand wordt verleend.
60 Hieruit volgt dat een project als het door Baltlanta ingediende project bij gebreke van een dergelijke overeenkomst geen deel kan uitmaken van het betrokken bijstandspakket en dus niet kan worden aangemerkt als een „verrichting” in de zin van artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/1999.
61 Aangezien dus geen „onregelmatigheid” is begaan in verband met „verrichtingen” in de zin van artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/2009, is artikel 38, lid 1, sub e, van deze verordening niet van toepassing op het hoofdgeding.
62 In de tweede plaats moet met betrekking tot artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, worden opgemerkt dat deze bepaling een afwijking van de in artikel 108 VWEU neergelegde aanmeldingsplicht inhoudt, volgens welke de lidstaten bij de Commissie niet de steunregelingen hoeven aan te melden waarin is voorzien in de ontwikkelingsplannen als bedoeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, en als gedefinieerd in artikel 9, sub b, van verordening nr. 1260/1999. Daarentegen moeten de andere steunmaatregelen die de lidstaten in de visserijsector toekennen, wel bij de Commissie worden aangemeld.
63 Bijgevolg verplicht artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, de betrokken lidstaat er niet toe een steunregeling in te voeren die tot doel heeft om een project te financieren dat ten onrechte geen financiële bijstand heeft kunnen ontvangen.
64 Wat in de derde plaats de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren van de Commissie betreft, moet worden opgemerkt dat deze richtsnoeren weliswaar geen bindende kracht hebben, maar dat de nationale rechterlijke instanties ze met het oog op de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen wel in aanmerking moeten nemen, met name wanneer zij duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van nationale bepalingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende bepalingen van Unierecht aan te vullen (zie naar analogie arresten Grimaldi, C‑322/88, EU:C:1989:646 , punt 18, en Altair Chimica, C‑207/01, EU:C:2003:451 , punt 41).
65 Voorts moet worden opgemerkt dat deze richtsnoeren dienen te worden uitgelegd overeenkomstig de bindende bepalingen van Unierecht die zij beogen aan te vullen, te weten overeenkomstig verordening nr. 1260/1999.
66 In dit verband verwijzen de afdelingen 6 en 7 van deze richtsnoeren respectievelijk naar „onvoltooide en niet-operationele projecten bij de afsluiting” en „door juridische of administratieve procedures opgeschorte acties”. Derhalve moet het begrip „actie” in de zin van de richtsnoeren van de Commissie worden uitgelegd in overeenstemming met het begrip „verrichting” in artikel 9, sub k, van verordening nr. 1260/1999.
67 Aangezien de richtsnoeren van de Commissie enkel „acties” betreffen die deel uitmaken van het betrokken bijstandspakket, dient te worden geconstateerd dat deze richtsnoeren evenmin van toepassing zijn op het hoofdgeding.
68 Een steunaanvrager als Baltlanta kan zich ter ondersteuning van een aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, dus niet beroepen op artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999, noch op artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, noch op de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren van de Commissie.
69 Niettemin moet erop worden gewezen dat deze voorschriften van Unierecht niet afdoen aan de mogelijkheid om tegen de overheid een aansprakelijkheidsvordering in te stellen op grond van schending van het nationale recht.
70 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 38, lid 1, sub e, van verordening nr. 1260/1999, artikel 19 van verordening nr. 2792/1999, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2369/2002, en de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren van de Commissie aldus moeten worden uitgelegd dat zij de betrokken overheidsinstanties er niet toe verplichten om aan de Commissie mee te delen dat een rechtsgeding aanhangig is in verband met een administratief besluit over de subsidiabiliteit van een project waarvoor financiële bijstand is aangevraagd, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit, noch om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de voor die bijstand bedoelde middelen, waarvan de toekenning in het geding is, te reserveren tot de kwestie van die toekenning definitief is beslecht.
Kosten
71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 38, lid 1, sub e, van verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, artikel 19 van verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2369/2002 van de Raad van 20 december 2002, en de afdelingen 6 en 7 van de richtsnoeren voor de afsluiting van bijstandspakketten (2000‑2006) uit de Structuurfondsen, die door de Commissie bij besluit COM(2006) 3424 definitief van 1 augustus 2006 zijn vastgesteld, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de betrokken overheidsinstanties er niet toe verplichten om aan de Europese Commissie mee te delen dat een rechtsgeding aanhangig is in verband met een administratief besluit over de subsidiabiliteit van een project waarvoor financiële bijstand is aangevraagd, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit, noch om de maatregelen te nemen die nodig zijn om de voor die bijstand bedoelde middelen, waarvan de toekenning in het geding is, te reserveren tot de kwestie van die toekenning definitief is beslecht.
ondertekeningen