Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 30 april 2014
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 30 april 2014
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 30 april 2014
Uitspraak
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 30 april 2014 – D’Aniello e.a.
(Zaak C‑89/13)
"Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Beginsel van non‑discriminatie - Nationale regeling op grond waarvan bij onrechtmatige beperking van de duur van de arbeidsovereenkomst een andere schadevergoedingsregeling van toepassing is dan in geval van onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd - Economische gevolgen - Vergelijkbaarheid van de verzoeken"
1. Prejudiciële vragenOntvankelijkheidNoodzaak om het Hof voldoende preciseringen van het feitelijke en juridische kader te verstrekken (Art. 267 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 23, Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 94) (cf. punten 17‑22)
2. Prejudiciële vragenAntwoord dat duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleidToepassing van artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering (Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 99) (cf. punten 23‑25)
3. Sociale politiekRaamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijdRichtlijn 1999/70Verbod van discriminatie van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijdSchadevergoedingsregeling die voor het geval van onrechtmatige beperking van de duur van de arbeidsovereenkomst verschilt van die welke geldt voor het geval van onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijdSituatie van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet vergelijkbaar met die van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijdToelaatbaarheid (Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausules 4, punt 1, en 8, punt 1) (cf. punt 28‑30,33 en dictum)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Tribunale di Napoli – Uitlegging van clausule 4 van richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) – Werkingssfeer – Begrip arbeidsvoorwaarden – Horizontale werking van deze richtlijn – Begrip overheidsorgaan – Uitlegging van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en van artikel 6 EVRM – Gelijkwaardigheidsbeginsel – Nationale wettelijke regeling op grond waarvan bij onrechtmatige beperking van de duur van de arbeidsovereenkomst een globale schadevergoeding voor de periode tussen de beëindiging van de arbeidsverhouding en de wederindienstneming moet worden betaald die beperkt is tot een bedrag tussen 2,5 keer en 12 keer het laatste, daadwerkelijk ontvangen totale maandloon – Schadevergoeding die zowel lager is als die welke op grond van het gemene burgerlijk recht moet worden betaald bij ongerechtvaardigde weigering van een arbeidsprestatie, als die welke geldt bij onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd – Beginsel van loyale samenwerking
Dictum
Onverminderd de mogelijkheid die de lidstaten wordt geboden door clausule 8 van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage is gevoegd bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet clausule 4, punt 1, van die raamovereenkomst aldus worden uitgelegd dat zij niet de verplichting inhoudt om aan de onrechtmatige beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst dezelfde economische gevolgen te verbinden als aan de onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.