Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 19 juni 2014
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 19 juni 2014
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 19 juni 2014
Uitspraak
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 19 juni 2014 – Pharmacontinente e.a.
(Zaak C‑683/13)
"Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Verwerking van persoonsgegevens - Richtlijn 95/46/EG - Artikel 2 - Begrip persoonsgegevens - Artikelen 6 en 7 - Beginselen betreffende de kwaliteit van de gegevens en de toelaatbaarheid van de gegevensverwerking - Artikel 17 - Beveiliging van de verwerking - Arbeidstijd van de werknemers - Arbeidstijdregister - Toegang van de voor toezicht op de arbeidsvoorwaarden bevoegde nationale autoriteit - Verplichting voor de werkgever om op zodanige wijze toegang te geven tot het arbeidstijdregister dat dit onmiddellijk consulteerbaar is"
1. Prejudiciële vragenAntwoord waarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaanAntwoord dat duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleidToepassing van artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering (Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 99) (cf. punten 9‑11)
2. Harmonisatie van de wetgevingenBescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevensRichtlijn 95/46WerkingssfeerBegrip persoonsgegevensArbeidstijdregister met daarin voor elke werknemer het begin en het einde van de arbeidstijd alsook de bijbehorende onderbrekingen of pauzesDaaronder begrepen (Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 2, sub a) (cf. punt 12)
3. Harmonisatie van de wetgevingenBescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevensRichtlijn 95/46Nationale regeling op grond waarvan de werkgever aan de nationale autoriteit die bevoegd is voor toezicht op de arbeidsvoorwaarden, een onmiddellijk consulteerbaar arbeidstijdregister ter beschikking moet stellenToelaatbaarheidVoorwaardeNoodzaak van die verplichting (Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 6, lid 1, sub b en c, en 7, sub c en e) (cf. punt 12)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Tribunal do Trabalho da Covilhã – Uitlegging van de artikelen 2, sub a en b, en 17, lid 1, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 1) – Begrip persoonsgegevens – Gegevens geregistreerd in een arbeidstijdregistratiesysteem voor de werknemers van een vennootschap
Dictum
1) Artikel 2, sub a, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens moet aldus worden uitgelegd dat een arbeidstijdregister, zoals dat in het hoofdgeding, met daarin voor elke werknemer het begin en het einde van de arbeidstijd alsook de bijbehorende onderbrekingen of pauzes, onder het begrip „persoonsgegevens” in de zin van die bepaling valt.
2) De artikelen 6, lid 1, sub b en c, en 7, sub c en e, van richtlijn 95/46 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling, zoals die in het hoofdgeding, die een werkgever verplicht aan de nationale autoriteit die bevoegd is voor het toezicht op de arbeidsvoorwaarden, op zodanige wijze toegang te geven tot het arbeidstijdregister dat dit onmiddellijk consulteerbaar is, voor zover deze verplichting noodzakelijk is opdat die autoriteit het haar opgedragen toezicht op de toepassing van de arbeidsvoorwaardenregeling, met name inzake de arbeidstijd, kan uitoefenen.
3) Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om te onderzoeken of de verplichting voor de werkgever om aan de voor het toezicht op de arbeidsvoorwaarden bevoegde autoriteit op zodanige wijze toegang te geven tot het arbeidstijdregister dat dit onmiddellijk consulteerbaar is, kan worden geacht noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van de toezichthoudende taak door deze autoriteit, doordat zij bijdraagt tot een doeltreffendere toepassing van de regeling inzake de arbeidsvoorwaarden, met name met betrekking tot de arbeidstijd, en indien dat het geval is, of de sancties die worden opgelegd ter verzekering van de doeltreffende toepassing van de vereisten van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.