Home

Conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 16 juli 2015

Conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 16 juli 2015

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 juli 2015

Conclusie van advocaat-generaal

N. Wahl

van 16 juli 2015(1)

Zaak C‑338/14

Quenon K. SPRL

tegen

Citibank Belgium SA,

Citilife SA, thans Metlife Insurance SA

[verzoek van het Hof van Beroep te Brussel (België) om

een prejudiciële beslissing]

"Prejudiciële verwijzing - Zelfstandige handelsagenten - Richtlijn 86/653/EEG - Artikel 17, lid 2 - Rechten van de handelsagent in geval van verbreking van de agentuurovereenkomst - Klantenvergoeding of herstel van schade - Cumulatie - Aanvullende schadevergoeding op de klantenvergoeding - Toelaatbaarheid"

1. Het lijkt in het recht van de lidstaten van de Europese Unie inmiddels vast te staan dat de verbreking van een handelsagentuurovereenkomst de agent een aanzienlijk nadeel kan berokkenen en dat een dergelijke situatie hem in principe recht moet geven op een financiële compensatie. De herroeping van de volmacht van de agent, die hem zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid ontneemt, kan hem immers het deel van de markt doen verliezen dat hij tot dan toe heeft ontwikkeld of onderhouden en bijgevolg de mogelijke financiële voordelen die voortvloeien uit de commerciële inspanningen die hij samen met de principaal aan de dag heeft gelegd.

2. De door artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG(2) aan de lidstaten geboden keuzemogelijkheid tussen twee schadeloosstellingsregelingen, namelijk de toekenning van een vergoeding die is berekend met inachtneming van het aanbrengen van nieuwe klanten en het uitbreiden van de transacties met bestaande klanten door de agent, of het herstel van het nadeel dat voortvloeit uit de beëindiging van de overeenkomst, heeft evenwel problemen opgeleverd.(3) Deze keuzemogelijkheid blijft een groot aantal vragen oproepen, zoals blijkt uit het onderhavige prejudiciële verzoek.

3. In het onderhavige geval tracht het Hof van beroep te Brussel (België) van het Hof namelijk bepaalde verduidelijkingen te verkrijgen omtrent de uitlegging van artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653. Dat verzoek wordt gedaan in het kader van een geding van Quenon K. SPRL (hierna: „Quenon”) tegen Citibank Belgium SA (hierna: „Citibank”) en Citilife SA (hierna: „Citilife”) (thans Metlife Insurance SA) wegens de door Quenon gevorderde betaling van vergoedingen en herstel van het nadeel na de opzegging van de agentuurovereenkomsten, die hen verbond. De verwijzende rechter verzoekt het Hof meer in het bijzonder om zich uit te spreken betreffende de samenhang tussen de in de punten a) en b) van artikel 17, lid 2, van deze richtlijn vastgestelde vergoedingsregeling en de eventuele mogelijkheid voor de handelsagent om overeenkomstig punt c) van deze zelfde bepaling, een schadevergoeding te vorderen.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Recht van de Unie

4. Artikel 1 van richtlijn 86/653 bepaalt:

„1.

De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.

2.

Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.

[...]”

5. Artikel 17, leden 1 tot en met 3, van deze richtlijn bepaalt:

„1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, [een] vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.

2.

  1. De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:

    • hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en

    • de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. [...]

  2. Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.

  3. De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.

3.

De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.

Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:

  • de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;

  • en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.”

B – Belgisch recht

6. Richtlijn 86/653 is omgezet in Belgisch recht bij wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst.(4) Artikel 20 daarvan bepaalt:

„Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.

Indien de overeenkomst voorziet in een concurrentiebeding, wordt de principaal geacht, behoudens tegenbewijs, nog aanzienlijke voordelen te krijgen.

Het bedrag van deze uitwinningsvergoeding wordt bepaald rekening houdend zowel met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten.

De uitwinningsvergoeding mag niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding berekend op basis van het gemiddelde van de vijf voorafgaande jaren of op basis van de gemiddelde vergoeding in de voorafgaande jaren indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd. [...]”

7. Artikel 21 van de wet van 1995 bepaalt:

„Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.”

II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8. Uit het aan het Hof verstrekte dossier blijkt dat Quenon, dat in 1997 is opgericht om de activiteiten voort te zetten van K. Quenon, vanaf 1 december 1997 op grond van twee verschillende agentuurovereenkomsten handelsagent is geworden van Citibank en van Citilife. De bank‑ en verzekeringsactiviteiten zijn samengebracht in één en dezelfde agentuur, en Quenon werd uitsluitend via commissies vergoed, die respectievelijk door Citibank voor de verkoop van bankproducten en door Citilife voor de verkoop van verzekeringsproducten werden betaald.

9. Op 9 januari 2004 heeft Citibank de agentuurovereenkomst die haar aan Quenon bond met onmiddellijke ingang en zonder opgave van redenen, verbroken. Citibank heeft Quenon een opzeggingsvergoeding van 95 268,30 EUR en een uitwinningsvergoeding van 203 326,80 EUR betaald. Citibank heeft Quenon verboden haar nog langer te vertegenwoordigen en haar naam en merk te blijven gebruiken. Vanaf deze datum had Quenon geen toegang meer tot het computerprogramma waarmee zij haar portefeuille met verzekeringsproducten van Citilife kon beheren. Volgens Quenon was het derhalve de facto onmogelijk om de verzekeringsagentuurovereenkomst te blijven uitvoeren.

10. Op 20 december 2004 heeft Quenon Citibank en Citilife gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Brussel en heeft zij in wezen hun veroordeling gevorderd, afzonderlijk of hoofdelijk, tot betaling van een opzeggingsvergoeding en een uitwinningsvergoeding wegens het verbreken van de verzekeringsagentuurovereenkomst, van een aanvullende schadevergoeding evenals van de commissies met betrekking tot de na het einde van de agentuurovereenkomst afgesloten zaken.

11. Aangezien haar vordering bij vonnis van 8 juli 2009 is afgewezen, heeft Quenon hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarbij zij de in eerste aanleg gevorderde bedragen heeft gewijzigd.

12. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Quenon ter ondersteuning van haar hoger beroep aanvoert dat de door Citibank aan haar betaalde uitwinningsvergoeding in verband met de opzegging van de bankagentuurovereenkomst niet voldoende is. Zij is van mening dat overeenkomstig artikel 21 van de wet van 1995 compensatoire opzeggings‑ en uitwinningsvergoedingen, die verschuldigd zijn wegens de de-facto-opzegging van haar verzekeringsagentuurovereenkomst, evenals het geheel van de schade die zij heeft geleden, in aanmerking moeten worden genomen.

13. Verweersters in het hoofdgeding stellen dat deze nationale bepaling, met de uitlegging die Quenon eraan geeft, in strijd is met richtlijn 86/653, die de lidstaten niet toestaat de twee schadeloosstellingsregelingen, namelijk de vergoedingsregeling en de regeling inzake het herstel van het nadeel, te cumuleren.

14. Volgens de verwijzende rechter rijzen derhalve de vragen of richtlijn 86/653 aldus kan worden uitgelegd dat zij een verplichting oplegt tot het herstellen van het geheel van de door een handelsagent geleden schade en of de lidstaten, wanneer de principaal niets valt te verwijten, kunnen voorzien in de toekenning van een uitwinningsvergoeding die niet meer mag bedragen dan een jaar vergoeding, mogelijk verhoogd met een schadevergoeding die het verschil dekt tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van deze vergoeding.

15. In deze omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

  • Moet artikel 17 van [richtlijn 86/653] aldus worden uitgelegd dat het de nationale wetgever toestaat te bepalen dat de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst recht heeft op een klantenvergoeding waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan de beloning van één jaar evenals, wanneer het bedrag van die vergoeding niet de volledige, werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding?

  • Moet meer in het bijzonder artikel 17, [lid] 2, [onder] c), van [richtlijn 86/653] aldus worden uitgelegd dat het slechts een aanvullende schadevergoeding naast de klantenvergoeding toestaat voor zover de principaal de overeenkomst heeft miskend of een onrechtmatige daad heeft gesteld die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en voor zover er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding?

  • Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet het dan om een andere onrechtmatige daad gaan dan de eenzijdige verbreking van de overeenkomst, zoals de betekening van een ontoereikende opzeggingstermijn, de toekenning van een ontoereikende compensatoire opzeggingsvergoeding en van een ontoereikende klantenvergoeding, het bestaan van dringende redenen bij de principaal, een misbruik van het recht om de overeenkomst te verbreken of enige andere onrechtmatige handelwijze, met name inzake marktpraktijken?”

16. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Quenon, Citibank, de Belgische en de Duitse regering en door de Europese Commissie.

III – Analyse

A – Bevoegdheid van het Hof

17. De Commissie heeft twijfels inzake de „ontvankelijkheid” van het onderhavige prejudiciële verzoek. Zij voert aan dat de in het hoofdgeding litigieuze situatie niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/653 valt, aangezien de bank‑ en verzekeringsactiviteiten die door Quenon voor rekening van Citibank en Citilife zijn verricht, betrekking hebben op dienstverrichtingen en niet op de „verkoop of de aankoop van goederen”, de enige handelingen waarop artikel 1, lid 2, van deze richtlijn betrekking heeft. De Duitse regering, zonder formeel een exceptie van onbevoegdheid op te werpen, heeft opmerkingen van dezelfde strekking ingediend.

18. Deze twijfel kan volgens mij gemakkelijk worden weggenomen.

19. Zoals trouwens de Commissie en de Duitse regering zeer terecht hebben benadrukt is de wet van 1995, die richtlijn 86/653 in Belgisch recht omzet, overeenkomstig artikel 1(5) ervan zonder onderscheid toepasselijk op handelsagenten die voor rekening van een principaal zowel met de aankoop of de verkoop van goederen als met het verrichten van diensten, zijn belast.

20. Het Hof heeft zich met het oog op een uniforme uitlegging herhaaldelijk bevoegd verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van het recht van de Unie, in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van dat recht vielen, maar waarin deze bepalingen toepasselijk waren geworden doordat het nationale recht naar de inhoud ervan verwees.(6)

21. Aangaande de bepalingen die beogen richtlijn 86/653 in Belgisch recht om te zetten, volstaat de opmerking dat het Hof, zich baserend op de oplossingen die in aanmerking zijn genomen in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poseidon Chartering(7) en Volvo Car Germany(8), in het arrest Unamar(9) heeft geoordeeld dat hoewel de door de verwijzende rechter gestelde vraag geen betrekking heeft op een overeenkomst voor de verkoop of aankoop van goederen, maar op een handelsagentuurovereenkomst inzake de exploitatie van een maritieme vervoersdienst, dit niet wegneemt dat de Belgische wetgever bij de omzetting van de bepalingen van deze richtlijn in het nationale recht heeft beslist om deze twee soorten situaties op dezelfde manier te behandelen.

22. Bijgevolg ben ik van mening dat het Hof bevoegd is uitspraak te doen inzake het onderhavige prejudiciële verzoek.

B – Prejudiciële vragen

23. Met zijn prejudicieel verzoek wenst de verwijzende rechter bepaalde verduidelijkingen te verkrijgen omtrent de uitlegging die hij moet geven aan artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653. Hoewel het Hof er herhaaldelijk(10) toe is gebracht zich uit te spreken betreffende de krachtens artikel 17 van deze richtlijn door de lidstaten vast te stellen schadeloosstellingsmaatregelen, is het daarentegen de eerste maal dat het wordt verzocht zich uit te spreken met betrekking tot de reikwijdte van artikel 17, lid 2, onder c), dat bepaalt dat „[d]e toekenning van [de klantenvergoeding] [...] het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet [laat]”.

24. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de reikwijdte van de door deze bepaling bedoelde vordering tot schadevergoeding (eerste aspect). De tweede en de derde prejudiciële vraag hebben betrekking op de aansprakelijkheidsregeling waarop deze vordering mogelijk betrekking heeft (tweede aspect).

1. Eerste aspect (eerste prejudiciële vraag): reikwijdte en grenzen van de cumulatie van een klantenvergoeding en een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653

25. Ik moet eraan herinneren dat artikel 17 van richtlijn 86/653 deel uitmaakt van de bepalingen die in de algemene opzet van deze richtlijn van doorslaggevend belang zijn, omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt.(11)

26. Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, vereist de uitlegging van artikel 17 van richtlijn 86/653 dat de door deze richtlijn nagestreefde doelen in herinnering worden geroepen.

27. Dienaangaande staat het sinds de arresten Bellone en Ingmar(12) vast dat het door richtlijn 86/653 nagestreefde doel tweeledig is: het gaat immers niet alleen om de bescherming van de belangen van handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen (doel van bescherming van de handelsagent), maar eveneens om het bevorderen van de zekerheid van de handelstransacties en het vergemakkelijken van het handelsverkeer tussen de lidstaten, door de nationale wetgevingen te harmoniseren (doel van harmonisatie met name omwille van de rechtszekerheid).

28. Zoals het Hof voor recht heeft verklaard, moet artikel 17 van richtlijn 86/653, dat de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor de vergoeding van de handelsagent na de beëindiging van zijn overeenkomst, worden uitgelegd in het licht van dat tweeledige doel.(13)

29. Overigens zij erop gewezen dat artikel 17 van richtlijn 86/653 past in het kader van een geheel van harmonisatiemaatregelen die zowel een dwingend als een minimumkarakter hebben. De bescherming waarin de richtlijn voorziet, bindt aldus niet alleen de lidstaten, die slechts een ruimere bescherming kunnen vaststellen, maar bindt eveneens de partijen bij de handelsovereenkomst die, voordat de overeenkomst is beëindigd, niet ten nadele van de handelsagent van de richtlijn mogen afwijken (zie artikel 19 van richtlijn 86/653).

30. Toch laat artikel 17 van deze richtlijn, dat het resultaat is van een compromis, gelet op de tot dan uiteenlopende benaderingen in het recht van de lidstaten(14), aan de lidstaten de keuze tussen twee oplossingen: hetzij de door de Duitse praktijk ingegeven methode van de vergoeding volgens de criteria van lid 2 van datzelfde artikel, hetzij de aan het Franse recht verwante werkwijze van het herstel van het nadeel volgens de criteria van lid 3. Het alternatieve karakter van deze schadeloosstellingsmethode is bevestigd door het Hof, dat duidelijk heeft geoordeeld dat artikel 17 van genoemde richtlijn de cumulatie verbiedt van de toekenning van de in lid 2 van dat artikel bedoelde vergoeding en het in lid 3 van datzelfde artikel bedoelde herstel van het nadeel.(15)

31. Ik ben evenwel van mening dat de bij artikel 17 van richtlijn 86/653 voorgeschreven harmonisatiemaatregelen slechts beogen, met name met het doel de mededingingsvoorwaarden te uniformeren en de zekerheid van de handelstransacties te vergroten, de voorwaarden te coördineren met betrekking tot de vergoeding van de handelsagent voor de economische schade die rechtstreeks voortvloeit uit de verbreking van de betrekkingen met de principaal en ten slotte van het verlies zelve van klanten.

32. De uit deze richtlijn voortvloeiende harmonisatie van de voorwaarden betreffende de vergoeding van handelsagenten is met andere woorden slechts uitputtend voor zover deze betrekking heeft op de uitwinningsvergoeding, de zogenaamde „klantenvergoeding”. Zij beoogt niet het geheel van mogelijkheden te regelen tot herstel van door handelsagenten geleden schade krachtens het recht van de lidstaten inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad of uit contractuele aansprakelijkheid. Aldus behouden de verwijderde agenten de mogelijkheid om krachtens het toepasselijke nationale recht hun principalen aansprakelijk te stellen teneinde herstel van een nadeel te verkrijgen, dat losstaat van de schade die wordt gedekt door de compensatoire klantenvergoeding als bedoeld in artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653.

33. Op dat punt moet ik verduidelijken dat, hoewel de bij artikel 17 van de richtlijn ingevoerde regeling dwingend is en een kader heeft vastgesteld, deze nochtans geen nadere aanwijzingen geeft omtrent de methode voor de berekening van de vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst. Derhalve beschikken de lidstaten binnen het door deze bepaling vastgestelde kader over een bepaalde beoordelingsmarge.(16)

34. Dat geldt volgens mij zowel wat betreft de daadwerkelijke wijze van berekening van de in artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653 bedoelde vergoeding, waar punt b) van deze laatstgenoemde bepaling zich beperkt tot de vaststelling van het maximumbedrag, als voor de mogelijke samenhang ervan met een vordering tot schadevergoeding zoals bedoeld in punt c) van deze laatstgenoemde bepaling. Zoals de Commissie in haar verslag van 1996 heeft opgemerkt, regelt artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653 de situaties waarbij de handelsagent krachtens de nationale wettelijke bepalingen het recht heeft schadevergoeding te vorderen wegens contractbreuk of het niet in acht nemen van de in de richtlijn opgenomen opzegtermijn.

35. Zoals reeds is gezegd(17), is de vergoeding van artikel 17, lid 2, van richtlijn 86/653 vanuit het gezichtspunt van de handelsagent gezien, in wezen compenserend van aard. Uit de bij richtlijn 86/653 voor de toekenning van de vergoeding vastgestelde voorwaarden (de handelsagent heeft nieuwe klanten aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk uitgebreid, voortduren van aanzienlijke voordelen voor de principaal na de beëindiging van de agentuurovereenkomst, geen omstandigheden als bedoeld in artikel 18 van de richtlijn, die het recht op vergoeding uitsluiten) blijkt immers dat deze vergoeding, gewoonlijk „klantenvergoeding” genoemd, voor alles beoogt de agent te vergoeden voor de inspanningen die hij heeft verricht, aangezien de principaal zelfs na de beëindiging van de agentuurovereenkomst blijft profiteren van de economische voordelen die uit deze inspanningen voortvloeien en om, daarmee samengaand, situaties van ongerechtvaardigde verrijking en opportunistische gedragingen op het moment van de verbreking van de overeenkomst, te vermijden. Bij afwezigheid van een verplichting tot vergoeding van de agent na het einde van de agentuurovereenkomst, zou de principaal namelijk – zonder de handelsagent een tegenprestatie verschuldigd te zijn – kunnen blijven profiteren van meerwaarden waartoe de handelsagent op de een of andere manier met zijn activiteit heeft bijgedragen.

36. Het recht op vergoeding, zoals beoogd door richtlijn 86/653, dekt derhalve niet het geheel van de aan de agent berokkende schade naar aanleiding van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal, maar uitsluitend de schade die rechtstreeks door het verlies van klanten is veroorzaakt.

37. Aldus is bij diverse gelegenheden benadrukt dat de in artikel 17, lid 3, van deze richtlijn bedoelde methode van herstel van het nadeel, dat niet uitsluitend is verbonden met het verlies van klanten en dat niet is beperkt wat het bedrag ervan betreft, het geheel van de door de agent geleden schade omvat en in bepaalde opzichten gunstiger voor de handelsagent kan zijn.(18)

38. Ik ben derhalve van mening dat het bij artikel 17, lid 2, onder b), van richtlijn 86/653 vastgestelde maximum, namelijk een jaar vergoeding, uitsluitend betrekking heeft op de klantenvergoeding en geen beperking vormt van de schadevergoeding die een van deze vergoeding verschillend voorwerp zou moeten hebben. Ik kan bijgevolg niet uitsluiten dat, zoals artikel 17, lid 2, onder c), van deze richtlijn bepaalt, de handelsagent naast deze vergoeding schadevergoeding kan vorderen ter dekking van een ander soort schade. Hoewel, gelet op de uit artikel 17 van genoemde richtlijn voortvloeiende harmonisatie, de cumulatie van twee vorderingen die beide beogen de schade te vergoeden welke voortvloeit uit het verlies van klanten niet mogelijk is, moet worden erkend dat twee vorderingen die het herstel van onderscheiden nadelen tot voorwerp hebben, naast elkaar kunnen bestaan.

39. Het lijkt mij overigens voldoende duidelijk uit de bewoordingen en de structuur van artikel 17 van richtlijn 86/653 voort te vloeien dat de vordering tot schadevergoeding van artikel 17, lid 2, onder c), van genoemde richtlijn wordt beschouwd als mogelijke aanvulling op de toekenning van een vergoeding en dat daarvoor het vaststellen van een maximum voor het bedrag van de uitwinningsvergoeding, zoals bepaald in punt b) van datzelfde lid, niet geldt. Zoals Quenon heeft opgemerkt, blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van richtlijn 86/653 dat de Uniewetgever uiteindelijk heeft beslist het deel van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, dat het maximum van de vergoeding als absoluut beschouwde, niet over te nemen.(19)

40. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat zodra de lidstaten een van de twee in dat artikel 17 bedoelde mogelijkheden kiezen, de uitwinningsvergoeding gelijk aan of groter moet zijn dan de uit de toepassing van lid 2 van genoemd artikel voortvloeiende vergoeding.(20) Het gebruik van de term „groter” duidt erop dat de door richtlijn 86/653 tot stand gebrachte harmonisatie minimaal is en dat de lidstaten derhalve over de mogelijkheid beschikken om naast de in deze bepaling bedoelde specifieke vergoeding, overeenkomstig punt c) van genoemde bepaling, te voorzien in een vordering tot schadevergoeding.(21)

41. Dat zou met name het geval moeten zijn wanneer de handelsagent van mening is dat hij, behalve de vergoeding die hij heeft verkregen voor het aanbrengen van nieuwe klanten of het uitbreiden van de transacties met bestaande klanten bij de principaal en voor het verlies van toekomstige inkomsten als gevolg van het verlies van genoemde klanten, waarop hij volgens de agentuurovereenkomst eigenlijk recht heeft, bij de verbreking van de overeenkomst een bijzondere schade heeft geleden. Artikel 17 belet de handelsagent niet om jegens de principaal rechten op aanvullende schadeloosstelling geldend te maken teneinde vergoeding te verkrijgen van zijn materiële of immateriële schade, die verder gaat dan het recht op een schadevergoeding na de beëindiging van de overeenkomst. Als voorbeelden van een afzonderlijk te vergoeden schade zijn in het kader van een overeenkomstig artikel 17, lid 3, onder c), van richtlijn 86/653 ingestelde vordering tot schadevergoeding aldus aangevoerd, de niet-afgeschreven kosten van investeringen door de agent, de opzeggingsvergoedingen voor het ontslagen personeel of verder de kosten verbonden aan huurovereenkomsten of leaseovereenkomsten.(22)

42. Dat lijkt overigens in het hoofdgeding het geval te zijn, waar het duidelijk is dat de plotselinge verbreking van de bankagentuurovereenkomst tussen Quenon en de verwerende vennootschappen, de uitvoering van de verzekeringsagentuurovereenkomst de facto onmogelijk heeft gemaakt. In het onderhavige geval kan de schade die Quenon vordert, worden geacht niet uitsluitend betrekking te hebben op het verkrijgen van een vergoeding voor de schade die rechtstreeks voortvloeit uit de verbreking van de bankagentuurovereenkomst en uit het verlies van toekomstige inkomsten, maar eveneens op het herstel van de indirecte schade die is ontstaan door de onmogelijkheid om de verzekeringsagentuurovereenkomst uit te voeren en op de bijkomende schade die is veroorzaakt door de niet-inachtneming van de opzegtermijn.

43. Het is niettemin van belang te preciseren dat de vordering krachtens artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653, onder voorbehoud dat in strijd met de door deze richtlijn nagestreefde doelen een situatie van financiële overcompensatie ten gunste van de agent tot stand wordt gebracht, niet mag neerkomen op het omzeilen van de door de rechtspraak bekrachtigde anticumulatieregel. De onder deze vordering vallende beweerde schade moet dus duidelijk verschillen van de schade die door de vergoeding wordt gedekt. Erkennen dat de door deze bepaling bedoelde aanvullende schadevergoeding eveneens het verlies van toekomstige inkomsten kan compenseren, zou bovendien neerkomen op een miskenning van het in richtlijn 86/653 voorziene maximumbedrag van de uitwinningsvergoeding.

44. Artikel 17 van richtlijn 86/653 mag kortom niet in de weg staan aan een nationale regeling die in geval van beëindiging van een handelsovereenkomst bepaalt dat de agent, naast de toekenning van een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan een jaar vergoeding van de agent, eveneens recht heeft op de toekenning van een schadevergoeding ter dekking van de werkelijk geleden schade die door genoemde klantenvergoeding niet wordt gedekt.

45. Aangaande de vraag of de schadevergoeding, wanneer deze met de klantenvergoeding wordt samengevoegd, al dan niet groter kan zijn dan het in artikel 17, lid 2, onder b), van de richtlijn vastgestelde maximumbedrag, lijkt het mij voldoende duidelijk dat het door deze bepaling vastgestelde maximum uitsluitend betrekking heeft op de klantenvergoeding en niet het bedrag van de aanvullende schadevergoeding, die een van de klantenvergoeding verschillend voorwerp heeft, begrenst. Aangezien deze vordering betrekking heeft op een schade die verschilt van die welke wordt gedekt door de klantenvergoeding, kan niet worden uitgesloten dat het totaal van de aan de handelsagent toekomende bedragen deze grens overschrijdt.

46. Gelet op het bovenstaande geef ik in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 17 van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat na de beëindiging van de overeenkomst de handelsagent recht heeft op een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan het bedrag van een jaar vergoeding, en, indien het bedrag van deze vergoeding niet het geheel van de werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding.

2. Tweede aspect (tweede en derde prejudiciële vraag): vereiste van onrechtmatige daad en de kwalificatie daarvan met het oog op de toekenning van een schadevergoeding

47. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het in het kader van een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653 is vereist dat enerzijds een onrechtmatige daad van de principaal wordt aangetoond die in oorzakelijk verband staat met de beweerde schade, en anderzijds dat er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door de forfaitaire klantenvergoeding.

48. Het antwoord op deze vraag lijkt mij vanzelfsprekend. Zoals door Quenon, de Belgische en de Duitse regering en de Commissie is benadrukt, bevat deze richtlijn geen enkele verduidelijking omtrent de aansprakelijkheidsregeling die toepasselijk is in het kader van door de handelsagent ingestelde vorderingen tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653.

49. Voor zover de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht worden genomen, zijn de lidstaten derhalve vrij om binnen het door deze richtlijn omschreven kader de toepasselijke voorwaarden vast te stellen voor een vordering tot schadevergoeding, zoals het vereiste van onrechtmatige daad, het al dan niet gekwalificeerde karakter van genoemde onrechtmatige daad en de omvang van de te vergoeden schade.

50. Zoals ik reeds eerder heb gesteld moet de op deze grondslag gevorderde schade daarentegen, tenzij wordt miskend dat de in de richtlijn voorziene twee keuzemogelijkheden niet cumulatief toepasselijk kunnen zijn, verschillen van de schade die rechtstreeks uit de verbreking van de agentuurovereenkomst voortvloeit en die al wordt gedekt door de klantenvergoeding.

51. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de aard en het belang moet zijn van de in het kader van een vordering tot schadevergoeding krachtens artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653, vereiste onrechtmatige daad.

52. Gelet op het antwoord op de tweede prejudiciële vraag hoeft deze derde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.

IV – Conclusie

53. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Brussel te beantwoorden als volgt:

„Artikel 17 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, staat niet in de weg aan een nationale regeling die bepaalt dat na de beëindiging van de agentuurovereenkomst de handelsagent recht heeft op een klantenvergoeding, waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan het bedrag van een jaar vergoeding, en, indien het bedrag van deze vergoeding niet het geheel van de werkelijk geleden schade dekt, op een schadevergoeding.

Artikel 17, lid 2, onder c), van richtlijn 86/653 moet aldus worden uitgelegd dat het een voorwaarde is voor de toekenning van een aanvullende schadevergoeding, naast de klantenvergoeding, dat er een schade bestaat die verschilt van de schade die wordt vergoed door deze klantenvergoeding, maar niet dat er sprake moet zijn van een schending van de overeenkomst of van een onrechtmatige daad bij de principaal, die in oorzakelijk verband staat met de gestelde schade.”