Home

Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 21 juli 2016

Conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston van 21 juli 2016

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
21 juli 2016

Conclusie van advocaat-generaal

E. Sharpston

van 21 juli 2016(1)

Zaak C‑127/15

Verein für Konsumenteninformation

tegen

INKO, Inkasso GmbH

[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hooggerechtshof, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]

"Bescherming van de consument - Consumentenkredietovereenkomsten - Richtlijn 2008/48/EG - Uitlegging van artikel 3, onder f) - Term kredietbemiddelaar - Vraag of overeenkomsten inzake betaling in termijnen die door een incassobureau worden gesloten namens kredietgevers, kunnen worden aangemerkt als kredietovereenkomsten die voorzien in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld in de zin van artikel 2, lid 2, onder j)"

1. Treedt een incassobureau voor de toepassing van richtlijn 2008/48/EG(2) op als kredietbemiddelaar indien het in opdracht van kredietgevers uitstaande schulden van kredietnemers die de krachtens een kredietovereenkomst (hierna: „oorspronkelijke overeenkomst”) op hen rustende verplichtingen niet nakomen tracht in te vorderen door aan hen overeenkomsten met uitstel van betaling voor te stellen? Zo ja, vallen de door dit bureau getroffen regelingen dan buiten de werkingssfeer van die richtlijn indien de vergoedingen die het voor zijn diensten in rekening brengt, niet hoger zijn dan de in de oorspronkelijke kredietovereenkomst vermelde vergoedingen die de kredietnemer hoe dan ook aan de kredietgever dient te betalen? Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing vraagt het Oberste Gerichtshof (hooggerechtshof, Oostenrijk) aan het Hof van Justitie opheldering over de werkingssfeer van richtlijn 2008/48, die de kredietovereenkomsten voor consumenten regelt.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2008/48

2. Richtlijn 2008/48 heeft een aantal doelstellingen. Ten eerste bestaat een van haar overkoepelende doelstellingen erin het rechtskader op een aantal kerngebieden te harmoniseren, met name om „de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken”(3), om „voldoende bescherming [te bieden] teneinde [het] vertrouwen [van de consument] niet te schaden”(4) en om „te waarborgen dat alle consumenten […] een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren”(5). Ten tweede moeten kredietgevers informatie verstrekken aan consumenten om te garanderen dat zij tegen oneerlijke of misleidende praktijken worden beschermd, en moeten consumenten in staat worden gesteld met kennis van zaken te beslissen, wat concreet inhoudt dat zij vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en hun verplichtingen moeten krijgen, die zij mogen meenemen en nader bestuderen.(6) Ten derde beoogt de richtlijn bepaalde verplichtingen van kredietbemiddelaars te regelen en ervoor te zorgen dat de voorschriften inzake precontractuele informatie in het algemeen ook voor hen gelden.(7) Ten vierde stimuleert zij de lidstaten om „passende maatregelen [te] nemen ter bevordering van verantwoordelijke praktijken in alle stadia van de kredietrelatie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van hun kredietmarkt. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld voorlichting of scholing van de consument inhouden, inclusief waarschuwingen over de risico’s van het niet nakomen van betalingsverplichtingen of overmatige schuldenlast.”(8)

3. Artikel 1 van richtlijn 2008/48 bepaalt dat deze richtlijn tot doel heeft bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.

4. Deze richtlijn is volgens artikel 2 ervan van toepassing op alle kredietovereenkomsten die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de werkingssfeer ervan. In lid 2 van artikel 2 worden twaalf soorten kredietovereenkomsten opgesomd die niet binnen die werkingssfeer vallen, onder meer de kredietovereenkomsten voor onroerende en voor bewoning bestemde goederen(9). Daarnaast worden onder meer ook de volgende soorten kredietovereenkomsten vermeld in deze bepaling:

  • kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend;

[…]

  • kredietovereenkomsten die voorzien in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld;

[…]”

5. Artikel 2, lid 6, luidt:

„De lidstaten mogen bepalen dat uitsluitend de artikelen 1 tot en met 4, de artikelen 6, 7 en 9, artikel 10, lid 1, lid 2, punten a) tot en met i), l) en r), en lid 4, de artikelen 11, 13 en 16 en de artikelen 18 tot en met 32 van toepassing zijn op kredietovereenkomsten die erin voorzien dat de kredietgever en de consument regelingen voor uitstel of aflossing treffen als de consument zijn verplichtingen op grond van de oorspronkelijke kredietovereenkomst niet is nagekomen, en:(10)

  • met deze regelingen een rechtsvordering tot ingebrekestelling zou kunnen worden vermeden, en

  • de voorwaarden voor de consument daardoor niet ongunstiger worden dan voorwaarden van de oorspronkelijke kredietovereenkomst.

[…]”

6. In casu zijn de volgende definities uit artikel 3 relevant:

  • ‚consument’: een natuurlijk persoon die bij transacties in de zin van [richtlijn 2008/48] handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen;

  • ‚kredietgever’: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten krediet verleent of toezegt;

  • ‚kredietovereenkomst’: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten c.q. goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt;

[…]

  1. ‚kredietbemiddelaar’: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die niet optreedt als kredietgever en die in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten tegen een vergoeding in de vorm van geld of een andere overeengekomen financiële beloning:

    1. aan consumenten kredietovereenkomsten voorstelt of aanbiedt;

    2. consumenten anderszins dan onder i) bedoeld, bijstaat bij de voorbereiding van het sluiten van andere dan de onder i) bedoelde kredietovereenkomsten, of

    3. namens de kredietgever met consumenten kredietovereenkomsten sluit;

  2. ‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn […]”

7. Artikel 5, lid 1, schrijft voor welke precontractuele informatie aan de consumenten moet worden verstrekt.(11) Dit artikel luidt als volgt: „Geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en, in voorkomend geval, de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. […]

Deze informatie heeft betrekking op:

  1. het soort krediet;

  2. de identiteit en het geografische adres van de kredietgever en, in voorkomend geval, de identiteit en het geografische adres van de betrokken kredietbemiddelaar;

  3. het totale kredietbedrag en de voorwaarden voor kredietopneming;

  4. de duur van de kredietovereenkomst;

[…]

  1. de geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand alsmede de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming;

  2. een waarschuwing betreffende de gevolgen van wanbetaling;

[…]”

8. Volgens artikel 5, lid 6, moeten de lidstaten erop toezien dat de kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars de consument een passende toelichting verstrekken om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door onder meer toe te lichten wat de gevolgen zijn indien de consument niet betaalt.(12)

9. Artikel 21 legt bepaalde specifieke verplichtingen op aan kredietbemiddelaars. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de kredietbemiddelaar met name vermeldt of hij exclusief met een of meer kredietgevers dan wel als onafhankelijk makelaar werkt.(13) Bovendien moeten kredietbemiddelaars de consumenten op de hoogte stellen van eventuele vergoedingen die voor hun diensten dienen te worden betaald en moeten zij de details van dergelijke vergoedingen meedelen aan de kredietgevers.(14)

Richtlijn 2009/22

10. Richtlijn 2009/22/EG(15) heeft tot doel de nationale voorschriften betreffende verbodsacties ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten te harmoniseren, teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen. Deze richtlijn is van toepassing op schendingen van nationale regels die de omzetting vormen van een in bijlage I bij deze richtlijn opgesomde richtlijn, voor zover die schendingen de collectieve belangen van consumenten schaden.(16) In de voornoemde bijlage I is onder meer richtlijn 87/102/EEG(17) vermeld, die thans is vervangen door richtlijn 2008/48. Een „bevoegde instantie” mag acties instellen in het collectieve belang van consumenten.(18) Onder „bevoegde instantie” moet worden verstaan elk lichaam dat of elke organisatie die volgens de wetgeving van een lidstaat naar behoren is opgericht en een rechtmatig belang heeft om de in artikel 1 bedoelde bepalingen te doen naleven.(19)

Richtlijn 2014/17

11. Richtlijn 2014/17/EU(20) beoogt een EU-markt voor hypothecair krediet te creëren met een hoog niveau van consumentenbescherming.(21) De term kredietbemiddelaar wordt in artikel 4, lid 5, in soortgelijke termen omschreven als in artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48. De artikelen 29 tot en met 34, die samen hoofdstuk 11 van richtlijn 2014/17 vormen, bevatten diverse voorschriften betreffende de vestiging van en het toezicht op kredietbemiddelaars en aangestelde vertegenwoordigers.(22)

Nationaal recht

12. Richtlijn 2008/48 is door het Verbraucherkreditgesetz (wet op het consumentenkrediet; hierna: „VKrG”) omgezet in Oostenrijks recht. De in artikel 5 van richtlijn 2008/48 neergelegde plicht om precontractuele informatie te verstrekken, is opgenomen in § 6 VKrG. Die verplichting is ook van toepassing op kredietovereenkomsten waarbij uitstel van betaling wordt verleend of een betaling in termijnen wordt afgesproken (§ 25 VKrG). De Oostenrijkse wetgever heeft geen gebruikgemaakt van de bij artikel 2, lid 6, van richtlijn 2008/48 geboden mogelijkheid om in een beperktere toepassing te voorzien.

13. De gevolgen van het feit dat een kredietnemer zijn lening niet afbetaalt zoals afgesproken, worden geregeld door het Allgemeine Bürgerliche Gesetzbuch (Oostenrijks burgerlijk wetboek; hierna: „ABGB”). § 1333 daarvan luidt:

  • De schade die de schuldeiser ten gevolge van de te late betaling van een geldvordering door de schuldenaar heeft geleden, wordt vergoed door de betaling van de wettelijke rente […]

  • Naast de wettelijke rente kan de schuldeiser ook vergoeding vorderen van andere schade die de schuldenaar hem heeft berokkend, met name de noodzakelijke kosten van doelmatige buitengerechtelijke invorderings- of inningsmaatregelen, voor zover deze in een redelijke verhouding staan tot de betrokken vordering.”(23)

Feiten, procedure en prejudiciële vragen

14. De Verein für Konsumenteninformation (vereniging voor informatieverstrekking aan de consument, Wenen; hierna: „Verein”) is een vereniging die bevoegd is om verbodsacties in te stellen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten in de zin van richtlijn 2009/22. Zij heeft een beroep ingesteld waarmee zij de rechter verzoekt om INKO, Inkasso GmbH, Linz (hierna: „Inko”) te verbieden nog langer tegen vergoeding overeenkomsten inzake uitstel van betaling (hierna: „terugbetalingsovereenkomsten”) te sluiten, indien zij de consumenten niet eerst de in §§ 6 en 25 VKrG voorgeschreven precontractuele informatie heeft verstrekt.(24)

15. Inko biedt kredietgevers aan om hun schuldvordering voor hen te innen in gevallen waarin de kredietnemer tekortschiet in de krachtens de kredietovereenkomst op hem rustende verplichtingen. Inko benadert deze kredietnemers dan namens de kredietgever en biedt hun een terugbetalingsovereenkomst aan. Aan de kredietnemer wordt drie dagen de tijd gegeven om te kiezen tussen de integrale terugbetaling van de uitstaande schuld of het invullen van een voorgedrukt formulier (een „overeenkomst inzake betaling in termijnen”) dat aan Inko moet worden terugbezorgd. In deze overeenkomst i) erkent de kredietnemer dat hij niet alleen de uitstaande schuld verschuldigd is, maar ook de kosten die op grond van de oorspronkelijke overeenkomst uit zijn wanbetaling voortvloeien, ii) stemt hij in met een terugbetalingsplan, iii) verbindt hij zich ertoe de schuld in maandelijkse termijnen af te betalen, en iv) aanvaardt hij dat zijn betalingen eerst zullen worden toegerekend op de aan Inko verschuldigde vergoedingen en daarna op de aan de kredietgever verschuldigde hoofdsom en rente. De kosten en rente (hierna: „invorderingskosten”) vormen Inko’s vergoeding voor de door haar verrichte diensten.

16. De Verein voert aan dat Inko aan de kredietnemers de verplichte precontractuele informatie moet verstrekken voordat zij dergelijke overeenkomsten met hen afsluit. Inko betwist dat. Zij betoogt dat de terugbetalingsovereenkomsten worden gesloten tussen de kredietgever en de kredietnemer. Zij stelt dat zij zelf geen partij is bij deze overeenkomsten en dus ook niet verplicht is om enige precontractuele informatie te verstrekken. Volgens Inko vallen haar activiteiten hoe dan ook buiten de werkingssfeer van richtlijn 2008/48, aangezien de regelingen die zij namens haar klanten treft geen uitstel van betaling tegen vergoeding uitmaken.

17. De verwijzende rechter stelt dat de Verein niet heeft aangetoond dat Inko hogere rentes en vergoedingen aanrekent dan die welke krachtens Oostenrijks recht aan de kredietgevers verschuldigd zouden zijn indien de kredietgevers er zelf, zonder Inko’s tussenkomst, mee zouden instemmen om betalingen in termijnen te aanvaarden. De Verein heeft gelijk gekregen in eerste aanleg. Inko’s hoger beroep is ten dele toegewezen. Beide partijen hebben daarop hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter, die wenst te vernemen of de door Inko getroffen regelingen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 vallen en het Hof daarom verzoekt om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  1. Is een incassobureau dat in het kader van de bedrijfsmatige inning van vorderingen namens zijn opdrachtgevers overeenkomsten inzake betaling in termijnen aanbiedt aan de schuldenaren [(kredietnemers)] van deze opdrachtgevers en voor zijn werkzaamheden kosten in rekening brengt die uiteindelijk door de [kredietnemers] dienen te worden betaald, aan te merken als een „kredietbemiddelaar” in de zin van artikel 3, onder f), van [richtlijn 2008/48]?

  2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

    Is een overeenkomst inzake betaling in termijnen die na bemiddeling van een incassobureau tot stand komt tussen een [kredietnemer] en diens [kredietgever], een „kosteloos uitstel van betaling” in de zin van artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48, indien de [kredietnemer] zich daarin slechts verbindt tot betaling van de uitstaande schuld en van de rente en kosten die hij ter zake van zijn betalingsverzuim toch al had moeten betalen op grond van de wet, dus ook zonder een dergelijke overeenkomst?”

18. De Verein, Inko, de Franse, de Duitse en de Litouwse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 25 februari 2016 hebben diezelfde partijen, met uitzondering van de Franse en de Litouwse regering, pleidooi gehouden.

Beoordeling

Voorafgaande opmerkingen

19. Het hoofdgeding betreft een collectieve vordering die de Verein heeft ingesteld namens de consumenten in het algemeen. Derhalve is er geen specifieke oorspronkelijke overeenkomst die moet worden onderzocht en er zijn geen aanwijzingen dat een welbepaalde oorspronkelijke overeenkomst wel of juist niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 valt. Verder blijkt nergens uit of incassobureaus als Inko bij wijze van nevenactiviteit goederen leveren of diensten verrichten als bedoeld in artikel 7 van richtlijn 2008/48.

20. Zowel de aan de juridische regelingen tussen kredietgevers, in gebreke blijvende kredietnemers en incassobureaus toe te kennen kwalificatie als de regels die op dergelijke afspraken van toepassing zijn, verschillen van lidstaat tot lidstaat. De toestand naar Oostenrijks recht is niet geheel duidelijk. Zo stelt de Verein dat wanneer een kredietnemer een overeenkomst inzake betaling in termijnen afsluit met een incassobureau, zijn wanbetaling op grond van de oorspronkelijke overeenkomst komt te vervallen, aangezien hij dan niet langer te laat is met de aflossing van zijn schuld. Inko heeft over dat specifieke punt haar mening niet te kennen gegeven. Zij is van mening dat incassobureaus krachtens Oostenrijks recht geen juridische procedures ter inning van uitstaande schulden namens kredietgevers kunnen instellen. Zij zijn geen partij bij de oorspronkelijke overeenkomst en zij mogen krachtens die overeenkomst geen uitstaande schuld verwerven. Volgens Inko treden entiteiten die uitstaande schulden innen, louter op als gemachtigden van de kredietgevers.

21. Dit zijn kwesties van nationaal recht die onder de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties vallen. Zij hoeven niet te zijn beslecht opdat het Hof uitspraak zou kunnen doen over de onderhavige kwestie, die betrekking heeft op de vraag of overeenkomsten inzake betaling in termijnen als de door Inko opgestelde overeenkomsten, kredietovereenkomsten zijn in de zin van richtlijn 2008/48. Mijns inziens vallen dergelijke regelingen onder de in artikel 3, onder c), van deze richtlijn vervatte definitie van „kredietovereenkomst”. Een overeenkomst inzake betaling in termijnen vormt een „uitstel van betaling” of een „andere, soortgelijke betalingsfaciliteit” in de zin van deze bepaling, aangezien de kredietgever (krachtens de oorspronkelijke overeenkomst) met dergelijke terugbetalingsregelingen extra of nieuw krediet in die vorm verschaft aan de kredietnemer.

22. Artikel 6 somt de gedetailleerde voorschriften inzake precontractuele informatie voor kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening en voor bepaalde specifieke kredietovereenkomsten op. De verwijzingsbeslissing bevat geen informatie waaruit kan worden opgemaakt of de aan de orde zijnde kredietovereenkomsten binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen en de verwijzende rechter heeft het Hof hierover niet om opheldering gevraagd. Artikel 6 vormt echter het spiegelbeeld van artikel 5, zodat mijn opvattingen betreffende artikel 5 naar analogie ook van toepassing zijn op artikel 6.(25)

Vraag 1

23. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een incassobureau dat namens kredietgevers overeenkomsten inzake betaling in termijnen voorstelt aan in gebreke blijvende kredietnemers met het oog op de invordering van uitstaande schulden tegen een vergoeding, onder de definitie van kredietbemiddelaar in de zin van artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48 valt.

24. Ik ben van mening dat een incassobureau dat dergelijke diensten aanbiedt, onder die bepaling valt.

25. Ten eerste biedt de tekst van artikel 3, onder f), steun aan deze uitlegging.(26) Volgens deze tekst wordt een persoon voor de toepassing van richtlijn 2008/48 aangemerkt als kredietbemiddelaar indien hij aan vier voorwaarden voldoet, te weten dat hij i) een natuurlijke of rechtspersoon is, ii) niet optreedt als kredietgever, iii) handelt in het kader van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten [en de in de punten i) tot en met iii) van artikel 3, onder f), vermelde diensten aanbiedt], en iv) een vergoeding voor zijn diensten aanrekent.(27)

26. Onder voorbehoud van verificatie van de feiten door de verwijzende rechter, blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de standaardterugbetalingsovereenkomst van Inko, die in het dossier van de nationale rechter is opgenomen, dat Inko onder meer overeenkomsten inzake betaling in termijnen voorstelt aan kredietnemers die in gebreke blijven krachtens de oorspronkelijke overeenkomst. Volgens artikel 3, onder f), bestaan de activiteiten van kredietbemiddelaars hierin: „i) aan consumenten kredietovereenkomsten [voorstellen] of [aanbieden]; ii) consumenten anderszins dan onder i) bedoeld, [bijstaan] bij de voorbereiding van het sluiten van andere dan de onder i) bedoelde kredietovereenkomsten, of iii) namens de kredietgever met consumenten kredietovereenkomsten [sluiten]”. Die bewoordingen zijn voldoende ruim om Inko’s activiteiten te omvatten.(28)

27. Ten tweede strookt een dergelijke uitlegging volgens mij met de dubbele doelstelling van richtlijn 2008/48, te weten de consument te beschermen en een echte interne markt te creëren.(29)

28. Geruime tijd voordat de kredietnemer wordt gebonden door een kredietovereenkomst of een aanbod, moeten de kredietgevers en – in voorkomend geval – de kredietbemiddelaars precontractuele informatie verstrekken over de 19 punten die in artikel 5, lid 1, zijn opgesomd. Het gaat dan onder meer om informatie over de positie van de kredietnemer die zijn schuld niet of te laat terugbetaalt.(30) De meeste kredietnemers gaan er bij de sluiting van een kredietovereenkomst niet van uit dat zij in gebreke zullen blijven, en het is bekend dat niet alle kredietnemers de precontractuele informatie over de gevolgen van hun eventuele wanbetaling zorgvuldig lezen en ten volle begrijpen. De in Inko’s standaardovereenkomst vermelde termijn van drie dagen is te kort om een kredietnemer de mogelijkheid te bieden zijn situatie te evalueren. Indien een kredietnemer de keuze wordt geboden om ofwel de uitstaande schuld volledig terug te betalen, ofwel de overeenkomst inzake betaling in termijnen in te vullen, is het onwaarschijnlijk dat hij echt kan kiezen. Indien hij in staat was de uitstaande schuld dadelijk af te betalen (de goedkoopste optie, aangezien hij zich daardoor minder verplichtingen tot betaling van extra kosten op de hals haalt), dan zou hij waarschijnlijk geen betalingsachterstand hebben opgelopen. Op drie dagen tijd kan de kredietnemer bovendien onmogelijk vergelijken hoeveel de instemming met de overeenkomst inzake betaling in termijnen hem kost in vergelijking met alternatieven die door andere kredietgevers worden aangeboden.

29. De conclusie die het best in overeenstemming is met de doelstelling een hoog niveau van consumentenbescherming te bieden, is volgens mij dus dat de kredietbemiddelaar verplicht is de in artikel 5, lid 1, opgesomde informatie te verstrekken, in het bijzonder indien die informatie niet wordt verstrekt door de kredietgever. Zo niet, dan wordt de kredietnemer de bescherming ontzegd die hem krachtens richtlijn 2008/48 moet worden geboden.(31) Aan de verplichting van artikel 5, lid 1, wordt slechts voldaan indien de informatie aan de kredietnemer wordt verstrekt geruime tijd voordat de overeenkomst inzake betaling in termijnen bindend wordt.(32) Het incassobureau is namelijk de persoon die i) de overeenkomst inzake betaling in termijnen voorstelt of aanbiedt aan de kredietnemer, of ii) de sluiting van een dergelijke overeenkomst voorbereidt, of iii) namens de kredietgevers een overeenkomst inzake betaling in termijnen afsluit, in de zin van artikel 3, onder f). Aan de voornoemde verplichting wordt duidelijk slechts voldaan indien een langere termijn wordt geboden dan de drie dagen waarin Inko voorziet. Krachtens artikel 5, lid 1, rust de verplichting tot het verstrekken van precontractuele informatie op „de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar”. In theorie zou de kredietgever de informatie dus kunnen verstrekken vóór de aanvaarding van de overeenkomst inzake betaling in termijnen door de kredietnemer. Niets wijst er echter op dat de kredietgevers deze precontractuele informatie in de praktijk verstrekken. (En zelfs indien zij dit zouden doen, zou dit niets veranderen aan het principeoordeel dat op kredietbemiddelaars dezelfde verplichting rust.)

30. Die uitlegging vindt steun in artikel 5, lid 6, volgens hetwelk de lidstaten erop moeten toezien dat kredietgevers en kredietbemiddelaars aan de kredietnemers passende toelichting verstrekken om hen in staat te stellen bepaalde factoren – zoals de gevolgen van wanbetaling – in de precontractuele fase te beoordelen. Zij strookt ook met de doelstelling verantwoordelijke praktijken in alle stadia van de kredietrelatie te bevorderen.(33)

31. Evenzo is zij verenigbaar met de doelstelling een echte interne markt te creëren, aangezien het concept kredietbemiddelaar dezelfde betekenis moet hebben in alle lidstaten. De verplichting precontractuele informatie te verstrekken moet bijgevolg van toepassing zijn op al degenen die incassodiensten aanbieden als die welke door Inko worden aangeboden.

32. Inko voert aan dat kredietbemiddelaars kredietgevers en ‑nemers samenbrengen. Een incassobureau kan volgens haar echter geen kredietbemiddelaar zijn. De activiteiten ervan houden immers verband met een kredietovereenkomst die reeds bestaat voordat het incassobureau een regeling voorstelt aan de kredietnemer. De verplichtingen die zijn opgesomd in artikel 21 van richtlijn 2008/48 („Bepaalde verplichtingen van kredietbemiddelaars tegenover consumenten”), kunnen bijgevolg niet van toepassing zijn op een incassobureau. Inko voegt eraan toe dat de in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2014/17 opgenomen definitie van kredietbemiddelaar vergelijkbaar is met de definitie in richtlijn 2008/48 en dat beide bepalingen op onderling overeenstemmende wijze moeten worden uitgelegd. Uit de context van richtlijn 2014/17 blijkt duidelijk dat de activiteiten van incassobureaus niet onder de in die richtlijn opgenomen bepalingen houdende regeling van de activiteiten van kredietbemiddelaars vallen. Tot slot betoogt Inko dat de werkingssfeer van artikel 3, onder f), te ruim zou zijn indien deze bepaling aldus wordt uitgelegd dat zij ook incassobureaus betreft. Zij zou dan immers betrekking hebben op professionele activiteiten waarvan het nooit de bedoeling was dat zij onder richtlijn 2008/48 zouden vallen, in het bijzonder activiteiten van advocaten die in Oostenrijk incassodiensten mogen verstrekken.

33. Het komt mij voor dat „kredietbemiddelaar” een algemene term is die verschillende soorten activiteiten omvat.(34) Welke definitie aan deze term wordt gegeven en op welke soorten handelsactiviteiten hij wordt toegepast, verschilt van lidstaat tot lidstaat.(35) Het is juist dat incasso geen verband houdt met de traditionelere kredietbemiddeling (van bijvoorbeeld een makelaar in consumentenkredieten). Zulke makelaars zijn echter slechts één type van de in artikel 21 van richtlijn 2008/48 bedoelde kredietbemiddelaars. Op grond van die bepaling dient de kredietbemiddelaar aan te geven of hij exclusief met één of meer kredietgevers dan wel als onafhankelijk makelaar werkt, dient hij in voorkomend geval te vermelden welke vergoeding hij voor zijn diensten vraagt, en dient hij de kredietgever – met het oog op de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (hierna: „JKP”) – op de hoogte te stellen van deze vergoeding. Logischerwijze gelden deze verplichtingen evenzeer voor incassobureaus wanneer zij overeenkomsten inzake betaling in termijnen aanbieden, aangezien zij werken voor klanten en vergoedingen voor hun diensten aanrekenen.(36)

34. Richtlijn 2014/17 voert een gemeenschappelijk kader in voor overeenkomsten die betrekking hebben op door een hypotheek of op andere wijze gedekt krediet voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde goederen. Het bevat in die context een specifieke regeling voor kredietbemiddelaars.(37) De definities van de term „kredietbemiddelaar” in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2014/17 en in artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48 lijken weliswaar op elkaar, maar dat betekent nog niet dat de eerstbedoelde de werkingssfeer van de laatstbedoelde beperkt. Richtlijn 2008/48 is niet van toepassing op kredietovereenkomsten die gewaarborgd worden door een hypotheek of kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten [artikel 2, lid 2, onder a) en b)]. Of een incassobureau in staat is de verplichtingen van bijvoorbeeld hoofdstuk 11 van richtlijn 2014/17 na te komen, kan mijns inziens niet relevant zijn voor de bepaling van de inhoud van artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48. Inko oppert dat een ruime uitlegging ertoe zou leiden dat advocaten die geen incassodiensten verstrekken toch onder richtlijn 2008/48 zouden vallen. Daarop kan echter eenvoudigweg worden geantwoord dat advocaten niet de in artikel 3, onder f), i) tot en met iii), opgesomde taken vervullen wanneer zij juridisch advies verstrekken.(38)

35. Tot slot stelt de Litouwse regering (die enkel met betrekking tot vraag 1 een voorstel van antwoord heeft ingediend) dat de activiteiten van een kredietbemiddelaar voor de toepassing van artikel 3, onder f), moeten plaatsvinden vóór het sluiten van de kredietovereenkomst. Het beheer van uitstaande schulden houdt geen verband met het voorstellen of voorbereiden van de oorspronkelijke overeenkomst.

36. Daar ben ik het niet mee eens. Ten eerste bepaalt artikel 3, onder f), niet dat de activiteiten van de kredietbemiddelaars moeten plaatsvinden vóór de sluiting van de kredietovereenkomst. Het strookt beter met de tekst en de doelstellingen van richtlijn 2008/48 om het begrip „kredietbemiddelaar” niet aldus te beperken. De verplichting om informatie te verstrekken is integendeel van toepassing tijdens de gehele looptijd van de overeenkomst, in het bijzonder wanneer de kredietnemer een financiële regeling wordt aangeboden die binnen de definitie van kredietovereenkomst in artikel 3, onder c), van richtlijn 2008/48 valt.(39) Ten tweede is in casu niet de oorspronkelijke overeenkomst tussen de kredietgever en de kredietnemer relevant, maar wel de overeenkomst inzake betaling in termijnen die door toedoen van het incassobureau is gesloten.(40) Aangezien nergens uit kan worden opgemaakt of de oorspronkelijke overeenkomsten binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 vallen, kan niet worden verondersteld dat kredietnemers precontractuele informatie ontvangen vóór die overeenkomsten bindend worden. Indien entiteiten zoals Inko geen kredietbemiddelaars zijn in de zin van artikel 3, onder f), bestaat er ook geen verplichting om de informatie te verstrekken vóór het ogenblik waarop de overeenkomst inzake betaling in termijnen bindend wordt. Bijgevolg zouden kredietnemers de hun bij richtlijn 2008/48 geboden bescherming niet genieten, daar hun in geen enkel stadium van het proces precontractuele informatie zou worden verstrekt en in het bijzonder niet bij de sluiting van een kredietovereenkomst met uitstel van betaling. Hoe dan ook lijkt uit de toelichting die de verwijzende rechter in de verwijzingsbeslissing heeft gegeven te volgen dat de activiteiten van Inko een aanvang nemen voordat de kredietnemer deze overeenkomsten afsluit.(41)

37. Derhalve luidt mijn conclusie dat een incassobureau dat namens kredietgevers aan consumenten overeenkomsten inzake betaling in termijnen voorstelt met het oog op de invordering van hun uitstaande schulden tegen een vergoeding, een kredietbemiddelaar is in de zin van artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48.

Vraag 2

38. Valt een door een kredietnemer afgesloten overeenkomst inzake betaling in termijnen, waarbij deze zich ertoe verbindt de uitstaande schuld te voldoen samen met de kosten en vertragingsrente die voortvloeien uit zijn verzuim om op grond van de oorspronkelijke overeenkomst (of de relevante nationale regels) te betalen, buiten de werkingssfeer van richtlijn 2008/48, aangezien het gaat om een kredietovereenkomst die voorziet in „kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld” in de zin van artikel 2, lid 2, onder j)?

39. De Duitse regering betoogt dat een regeling volgens welke de kredietnemer een vergoeding moet betalen, niet als kosteloos kan worden aangemerkt in de zin van artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48, ook niet wanneer de invorderingskosten die zijn vastgelegd in de overeenkomst inzake betaling in termijnen de in de oorspronkelijke overeenkomst bepaalde invorderingskosten niet overstijgen. Laatstbedoelde invorderingskosten vormen kosten in de zin van artikel 2, lid 2, onder j). Naar het oordeel van de Franse regering (die enkel antwoordt op vraag 2), leidt een overeenkomst inzake betaling in termijnen tot extra kosten voor de kredietnemer wanneer hij i) krachtens een dergelijke overeenkomst meer betaalt dan hij zou hebben betaald indien de terugbetaling op een andere manier was gebeurd, of ii) rechtstreeks of indirect de kosten van het incassobureau draagt. De Commissie stelt dat moet worden bepaald of de kredietnemer krachtens de overeenkomst inzake betaling in termijnen meer kosten moet dragen dan hij had moeten dragen zonder die overeenkomst.

40. Wat wordt bedoeld met de term „kosteloos” in artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48? Vallen Inko’s overeenkomsten onder die bepaling?

41. Van de term „kosteloos” in artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48 wordt geen definitie gegeven. Mijns inziens strookt het met de systematiek van de richtlijn om deze term uit te leggen in overeenstemming met de uitdrukking „zonder rente en andere kosten” in artikel 2, lid 2, onder f).(42) Bovendien moet het woord „kosten” in overeenstemming met de definitie van de uitdrukking „totale kosten van het krediet voor de consument” in artikel 3, onder g), worden opgevat. Deze definitie is ruim en omvat „alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn”. Zij is ruim genoeg om ook de invorderingskosten te omvatten die een kredietnemer moet dragen wanneer hij niet aan zijn verplichtingen krachtens de oorspronkelijke overeenkomst voldoet, ongeacht of die kosten hem worden aangerekend door de kredietgever zelf of door een incassobureau dat namens deze laatste optreedt.

42. Artikel 2, lid 2, onder j), strekt ertoe om kredietovereenkomsten waarbij de kredietnemer geen extra kosten voor de hem verstrekte kredietfaciliteiten hoeft te dragen, buiten de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 te houden. Het woord „kosteloos” moet worden uitgelegd binnen zijn wettelijke context, rekening houdend met de doelstellingen van de regels waar het deel van uitmaakt, maar ook met zijn gewone betekenis.(43) De cruciale vraag luidt volgens mij dus of de kwestieuze overeenkomsten inzake betaling in termijnen kosteloos zijn voor de kredietnemer. Of om het simpel te zeggen: zijn die overeenkomsten gratis?

43. Welke invorderingskosten verschuldigd zijn bij niet-nakoming moet worden bepaald in de oorspronkelijke kredietovereenkomst.(44) Het is niet ongebruikelijk dat kredietgevers het invorderingsproces delegeren aan een derde, aangezien dit voor hen efficiënter is dan zelf te trachten de uitstaande schulden te innen. Aangezien de invordering kosten meebrengt, waarvoor de in gebreke blijvende kredietnemer krachtens de oorspronkelijke overeenkomst moet opdraaien, kan deze procedure niet worden geacht gratis te zijn voor de kredietnemer. Inko ontkent niet dat zij een vergoeding vraagt voor haar diensten. Bijgevolg kunnen haar diensten niet als kosteloos worden omschreven. De eerste vraag is of de regelingen die Inko namens kredietgevers treft met kredietnemers aanleiding geven tot kosten voor deze kredietnemers in de zin van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48. Uit de standaardterugbetalingsovereenkomst die in het dossier van de nationale rechter terug te vinden is, blijkt dat de kredietnemers de invorderingskosten effectief dragen.(45)

44. In het standaardformulier wordt onder meer melding gemaakt van: i) de vordering en kosten van de kredietgever (98,75 EUR), ii) de kosten die Inko in rekening brengt wanneer zij aanvaardt op te treden voor een kredietgever, te weten 15,65 EUR aan verwerkingskosten, 14,28 EUR voor de eerste aanmaning en 9,36 EUR aan documentatiekosten, wat een subtotaal van 39,29 EUR oplevert, en iii) het bedrag van de nieuwe schuld, te weten 138,04 EUR (zijnde 39,29 EUR plus 98,75 EUR). Daarnaast moeten nog de volgende kosten worden voldaan: rente (0 EUR)(46), de maandelijkse kosten voor het bijhouden van het dossier (3,12 EUR per maand), een extra bedrag van 15,96 EUR per aanmaning, en 45 EUR aan invorderingskosten – in totaal 64,08 EUR.(47)

45. Inko biedt geen kosteloze regeling aan. De door haar aangeboden regeling heeft financiële implicaties en de kredietnemers moeten in staat zijn met kennis van zaken een keuze te maken.

46. Is het voor de toepassing van artikel 2, lid 2, onder j), van belang of de kredietnemer de kosten van de overeenkomst inzake betaling in termijnen betaalt aan de kredietgever, die vervolgens het incassobureau betaalt, dan wel of hij het incassobureau rechtstreeks betaalt?

47. Ik meen van niet.

48. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de informatie in het nationale dossier duidelijk dat de kredietnemer deze kosten krachtens de oorspronkelijke kredietovereenkomst (minstens indirect) moet dragen.(48)

49. Valt een regeling enkel buiten artikel 2, lid 2, onder j), wanneer de betrokken kosten groter zijn dan de kosten die krachtens de oorspronkelijke kredietovereenkomst moesten worden voldaan bij niet-nakoming door de kredietnemer?(49)

50. Ik ben de mening toegedaan dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

51. Een dergelijke voorwaarde, die niet terug te vinden is in de tekst van artikel 2, lid 2, onder j), lijkt mij onverenigbaar met de door richtlijn 2008/48 nagestreefde doelstelling de consument te beschermen. De basisgedachte van de richtlijn is dat een consument die naar behoren en volledig is geïnformeerd, beter in staat is de verantwoordelijkheid voor de gemaakte leningsafspraken op zich te nemen.(50)

52. De verwijzende rechter vraagt zich af of de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder j), invloed heeft op de werking van artikel 2, lid 6, van richtlijn 2008/48.

53. Volgens mij is dat niet het geval. Deze twee bepalingen voeren immers onderscheiden regelingen in. Artikel 2, lid 2, onder j), biedt geen enkele beoordelingsmarge. Het sluit overeenkomsten waarbij kredietnemers kosteloos krediet verkrijgen, uit van de werkingssfeer van richtlijn 2008/48.

54. Daarentegen mogen lidstaten zelf beslissen of zij de bij artikel 2, lid 6, ingevoerde lichtere regelgeving willen toepassen.(51) Krachtens dat voorschrift kunnen zij bepalen dat slechts bepaalde artikelen van richtlijn 2008/48 van toepassing zijn op kredietovereenkomsten die erin voorzien dat de kredietgever en de kredietnemer regelingen voor uitstel of aflossing treffen(52) als de kredietnemer zijn verplichtingen op grond van de oorspronkelijke kredietovereenkomst niet is nagekomen, en er met deze regelingen een rechtsvordering tot ingebrekestelling kan worden vermeden en de voorwaarden voor de kredietnemer daardoor niet ongunstiger worden dan de voorwaarden van de oorspronkelijke kredietovereenkomst. Artikel 6 (dat onder meer van toepassing is op een „kredietovereenkomst of een aanbod voor een kredietovereenkomst” en waarnaar inzonderheid in artikel 2, lid 6, wordt verwezen) bevat een reeks inlichtingen die de kredietgevers en in voorkomend geval de kredietbemiddelaars aan de consument moeten verstrekken geruime tijd voordat deze wordt gebonden. Aangezien Oostenrijk er echter voor heeft geopteerd geen gebruik te maken van de door artikel 2, lid 6, geboden mogelijkheid, blijft artikel 5 relevant in het hoofdgeding.(53)

55. Mijn conclusie luidt bijgevolg dat ingeval in de oorspronkelijke kredietovereenkomst is bepaald dat de kredietnemer bij niet-nakoming de invorderingskosten moet dragen en deze kredietnemer vervolgens, door tussenkomst van een incassobureau, een overeenkomst inzake betaling in termijnen sluit met de kredietgever, een dergelijke regeling geen kredietovereenkomst is die voorziet in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld in de zin van artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48, ook niet wanneer de kredietnemer de in de oorspronkelijke kredietovereenkomst vastgelegde invorderingskosten reeds dient te betalen of deze kosten anderszins krachtens de nationale regels moet voldoen.

Conclusie

56. Gelet op al het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vragen van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:

  • Een incassobureau dat namens kredietgevers aan consumenten overeenkomsten inzake betaling in termijnen voorstelt met het oog op de invordering van hun uitstaande schulden tegen een vergoeding, is een kredietbemiddelaar in de zin van artikel 3, onder f), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad.

  • Ingeval in de oorspronkelijke kredietovereenkomst is bepaald dat de kredietnemer bij niet-nakoming de invorderingskosten moet dragen en deze kredietnemer vervolgens, door tussenkomst van een incassobureau, een overeenkomst inzake betaling in termijnen sluit met de kredietgever, is een dergelijke regeling geen kredietovereenkomst die voorziet in kosteloos uitstel van betaling van een bestaande schuld in de zin van artikel 2, lid 2, onder j), van richtlijn 2008/48, ook niet wanneer de kredietnemer de in de oorspronkelijke kredietovereenkomst vastgelegde invorderingskosten reeds dient te betalen of deze kosten anderszins krachtens de nationale regels moet voldoen.”