Home

Conclusie van advocaat-generaal M. Bobek van 28 juli 2016

Conclusie van advocaat-generaal M. Bobek van 28 juli 2016

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
28 juli 2016

Conclusie van advocaat-generaal

M. Bobek

van 28 juli 2016(1)

Zaak C‑256/15

Drago Nemec

tegen

Republika Slovenija

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije (hoogste rechterlijke instantie van de Republiek Slovenië)]

"Recht van de Unie - Toepasselijkheid ratione temporis - Richtlijn 2000/35 - Betalingsachterstand in handelstransacties - Begrip handelstransactie - Begrip onderneming - Nationale regel die maximumbedrag van vertragingsrente beperkt"

I – Inleiding

1. In juni 1993 heeft Nemec met Gasilsko društvo (vereniging van vrijwillige brandweerlieden) van de stad Murska Sobota een overeenkomst gesloten voor de huur van een reservoir voor de watervoorziening in droogteperiodes (hierna: „huurovereenkomst”). Sinds 1996 is Nemec voortdurend in procedures voor de Sloveense rechterlijke instanties verwikkeld wegens een geldvordering uit hoofde van de huurovereenkomst en de verkrijging van vertragingsrente. Voor de na verloop van tijd vervallen rente gold op grond van de aan de orde zijnde nationale wetgeving een bovengrens.

2. De kernvraag in de in casu aan het Hof voorgelegde zaak is of een nationale regel op grond waarvan de vertragingsrente het bedrag van de hoofdsom niet kan overschrijden (ne ultra alterum tantum-regel), in strijd is met richtlijn 2000/35 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.(2)

3. Naast deze kernvraag zijn twee bijkomstige vragen aan de orde. In de eerste plaats de toepasselijkheid van het recht van de Unie ratione temporis op het onderhavige geval, en in de tweede plaats de vraag of Nemec voor de onderhavige zaak kan worden beschouwd als „onderneming” en de huurovereenkomst als een „handelstransactie” in de zin van richtlijn 2000/35.

II – Toepasselijke bepalingen

A – Recht van de Unie

4. Volgens artikel 1 van richtlijn 2000/35 is deze „van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties”.

5. In artikel 2, punt 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/35 wordt het begrip „handelstransactie” omschreven als „transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leid[t] tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”.

6. Artikel 2, punt 1, tweede alinea, van de richtlijn definieert „overheidsinstantie” als „elke aanbestedende instantie of entiteit, zoals omschreven in de richtlijnen […] betreffende overheidsopdrachten”.

7. Volgens artikel 2, punt 1, derde alinea, van dezelfde richtlijn wordt onder „onderneming” verstaan „elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend”.

8. Ingevolge artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/35 dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat „c) de schuldeiser recht heeft op interest voor betalingsachterstand voor zover: i) hij zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld, ii) hij het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvangen, tenzij de schuldenaar niet voor de vertraging verantwoordelijk is”.

9. In artikel 6, lid 3, van richtlijn 2000/35 is bepaald dat „de lidstaten [b]ij de omzetting van deze richtlijn mogen […] uitsluiten […] b) overeenkomsten die gesloten zijn vóór 8 augustus 2002”.

B – Nationaal recht

10. Sinds 1 januari 2002 zijn de bepalingen betreffende betalingsachterstanden neergelegd in het Obligacijski zakonik (verbintenissenwetboek; hierna: „OZ”). Artikel 376 van het OZ bevat de zogenoemde ne ultra alterum tantum-regel. Op grond van die regel, die onder de vroegere wetgeving niet bestond, kan het bedrag van de vertragingsrente het bedrag van de hoofdsom niet overschrijden.

11. Ten tijde van de sluiting van de huurovereenkomst waren de voorwaarden voor de uitoefening van een economische activiteit door natuurlijke personen neergelegd in de Obrtni zakon (ambachtswet; hierna: „ObrZ/88”). Natuurlijke personen mochten enkel een economische activiteit als zelfstandige uitoefenen indien die activiteit was vermeld op de daartoe afgegeven vergunning.

12. De ObrZ/88 is gewijzigd bij latere wetgeving, waaronder een zelfstandige ondernemer zijn werkzaamheden kan aanvangen na zich te hebben aangemeld bij de bevoegde autoriteit en na inschrijving in het register van zelfstandigen.

III – Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen

13. In juni 1993 heeft Nemec (verzoeker in het hoofdgeding; hierna: „verzoeker”) in de hoedanigheid van verhuurder met de Gasilsko društvo Murska Sobota (vrijwillige brandweer van Murska Sobota; hierna: „vrijwillige brandweer”), in de hoedanigheid van huurder, een verhuurovereenkomst voor een tankwagen voor watertransport gesloten. Ten tijde van de sluiting van de overeenkomst had verzoeker een vergunning naar Sloveens recht om werkzaam te zijn meer in het bijzonder op het gebied van „de bouw van mechanische onderdelen en lasonderdelen”.

14. De vrijwillige brandweer verzuimde de volgens de verhuurovereenkomst verschuldigde tegenprestatie te betalen. In 1996 diende verzoeker een vordering in strekkende tot betaling van een bedrag van 17 669,51 EUR. Na langdurig procederen verkreeg verzoeker een uitspraak van de Višje sodišče Maribor (hof van beroep, Maribor) van 17 februari 2010, waarbij de vrijwillige brandweer werd veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag 15 061,44 EUR, vermeerderd met vertragingsrente voor het tijdvak van 25 maart 1996 tot en met 31 december 2001. De Višje sodišče Maribor wees de vordering tot betaling van vertragingsrente voor het tijdvak tussen 1 januari 2002 en de datum van betaling van het verschuldigde bedrag (die uiteindelijk plaatsvond op 18 mei 2010) af. De reden voor de afwijzing van deze laatste vordering was dat per 1 januari 2002 het OZ – waarin de ne ultra alterum tantumregel was neergelegd – in werking was getreden, en dat op 31 december 2001 het bedrag van de vertragingsrente al even hoog was als het bedrag van de hoofdschuld, zodat de vertragingsrente niet verder kon oplopen.

15. In reactie op de uitspraak van de Višje sodišče Maribor heeft verzoeker tegen de Republiek Slovenië (verweerster in het hoofdgeding; hierna: „verweerster”) een schadevordering voor een totaalbedrag van 84 614, 02 EUR en een vordering tot betaling van vertragingsrente en proceskosten ingediend. Verzoeker heeft daarbij aangevoerd dat de ne ultra alterum tantum-regel onverenigbaar is met richtlijn 2000/35 en dat hij schadeloos moet worden gesteld voor de gevolgen die hij heeft ondervonden van het feit dat die richtlijn in Sloveens recht niet juist is uitgevoerd.

16. Bij beslissing van 18 mei 2011 heeft de rechter in eerste aanleg verzoekers vordering afgewezen. Het hoger beroep van verzoeker tegen die beslissing is door de rechter in tweede aanleg bij uitspraak van 24 januari 2012 afgewezen. Beide instanties hebben hun beslissing gebaseerd op de overweging dat de verhuurovereenkomst niet onder de geregistreerde ondernemersactiviteit van verzoeker viel. Verzoeker handelde dus niet als „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35, zodat deze laatste niet van toepassing was op verzoekers geval.

17. Verzoeker vecht de beslissing van de Višje sodišče Maribor thans aan voor de Vrhovno sodišče Republike Slovenije (hoogste rechterlijke instantie van de Republiek Slovenië). Hij heeft aangevoerd dat de verhuurovereenkomst niet enkel betrekking had op de verhuur van de tankwagen voor het waterreservoir. Naar zijn oordeel was de verhuurovereenkomst een „complexe transactie” met als doel, ervoor te zorgen dat de inwoners van Goričko van drinkwater zouden worden voorzien in perioden van droogte. Voorts heeft hij betoogd dat hij een factuur heeft uitgereikt, wat erop wijst dat hij optrad als „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35.

18. Verweerster betoogt dat richtlijn 2000/35 op het onderhavige geval niet van toepassing is omdat toen die richtlijn in Sloveens recht werd omgezet, toepassing ervan op vóór de toetreding van Slovenië tot de Unie gesloten overeenkomsten was uitgesloten. Bovendien, aldus verweerster, is de verhuurovereenkomst geen „handelstransactie” in de zin van richtlijn 2000/35. Verzoeker heeft de verhuurovereenkomst gesloten buiten het kader van zijn commerciële activiteit en trad dus niet op als „onderneming” voor de toepassing van die richtlijn.

19. In die omstandigheden heeft de Vrhovno sodišče Republike Slovenije de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 aldus worden uitgelegd dat in een stelsel waaronder aan een natuurlijke persoon ten behoeve van de uitoefening van een economische activiteit een vergunning wordt verstrekt die de activiteit vermeldt waarvoor de vergunning is afgegeven, geen sprake is van een onderneming en dus evenmin van een handelstransactie in de zin van voormelde bepaling van de richtlijn, wanneer de transactie naar aanleiding waarvan de betalingsachterstand is ontstaan betrekking heeft op een activiteit waarvoor de vergunning niet is afgegeven?

    Voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

  • Moet artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon is te beschouwen als een onderneming en de transactie naar aanleiding waarvan de betalingsachterstand is ontstaan een handelstransactie in de zin van voormelde bepaling vormt, wanneer het gaat om een transactie die niet valt onder de geregistreerde activiteit van die natuurlijke persoon maar die voortvloeit uit een activiteit die naar haar aard een economische activiteit kan zijn, en voor die transactie een factuur is uitgereikt?

    en

  • Is de regel op grond waarvan de vertragingsrente niet langer verschuldigd wordt wanneer het bedrag van de vervallen en niet betaalde rente het bedrag van de hoofdsom heeft bereikt (ne ultra alterum tantum-regel), in strijd met de vereisten van richtlijn 2000/35?”

20. Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Sloveense en de Letse regering en door de Commissie. De Sloveense regering en de Commissie hebben ter terechtzitting van 4 mei 2016 mondelinge opmerkingen gemaakt.

IV – Beoordeling

21. Aangezien de feiten in deze zaak dateren van vóór de toetreding van de Republiek Slovenië tot de Europese Unie, zal ik eerst de vraag onderzoeken of het recht van de Unie in het algemeen en richtlijn 2000/35 in het bijzonder ratione temporis op het onderhavige geval van toepassing zijn (A).

22. Wat de beoordeling te gronde van de aan het Hof voorgelegde vragen betreft, naar mijn oordeel is de ne ultra alterum tantum-regel niet noodzakelijkerwijs in strijd met richtlijn 2000/35. Daarom lijkt het mij beter, eerst de derde prejudiciële vraag te onderzoeken (B). Ingeval het Hof het eens is met mijn standpunt over deze vraag, hoeven de eerste en de tweede vraag immers niet te worden beantwoord. Volledigheidshalve, en om het Hof zo volledig mogelijk bij te staan, zal ik echter toch onderzoeken of de uit de huurovereenkomst voortvloeiende betrekking onder de materiële werkingssfeer van richtlijn 2000/35 valt (C).

A – Toepasselijkheid van het recht van de Unie in de tijd

23. De toepasselijkheid van het recht van de Unie in de tijd moet worden beoordeeld vanuit twee invalshoeken. In de eerste plaats de algemene toepasselijkheid van het recht van de Unie ratione temporis, die door primair recht wordt bepaald. Het antwoord op deze vraag is ook bepalend voor de bevoegdheid van het Hof. Het tweede aspect betreft het specifieke wetgevingsinstrument dat op de zaak moet worden toegepast: wanneer is komen vast te staan dat het recht van de Unie in het algemeen op de zaak kan worden toegepast, komt vervolgens de vraag aan de orde of de specifieke maatregel van afgeleid recht de algemene regel in enig opzicht nuanceert.

24. Deze benadering is vanuit constitutioneel oogpunt van belang omdat om het even welke bepaling van afgeleid recht (richtlijn 2000/35 daaronder begrepen) pas in de beschouwing kan worden betrokken wanneer is komen vast te staan dat het recht van de Unie algemeen op de betrokken feiten kan worden toegepast. Er moet worden uitgegaan van een algemene benadering, die kan worden genuanceerd aan de hand van het relevante instrument van afgeleid recht indien dit laatste dat bepaalt.

1. Bevoegdheid van het Hof

25. Slovenië is op 1 mei 2004 tot de Europese Unie toegetreden. Volgens artikel 2 en artikel 54 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden (hierna: „Toetredingsakte”)(3) werd het recht van de Unie in Slovenië onmiddellijk verbindend op de datum van toetreding, tenzij in de Toetredingsakte of in de bijlagen daarbij een andere termijn was vastgesteld. De algemene constitutionele regel is dus onmiddellijke bindende kracht of onmiddellijke werking van het recht van de Unie, behoudens andersluidende bepalingen in de Toetredingsakte.

26. In de onderhavige zaak is de verhuurovereenkomst in 1993 gesloten. Zij was halverwege de jaren 90 ten dele uitgevoerd.(4) In 1996 heeft Nemec de vrijwillige brandweer gedagvaard wegens niet-nakoming van zijn contractuele verplichting, de huur te betalen. Al deze gebeurtenissen dateren van vóór 1 mei 2004. De vraag luidt dan ook of het recht van de Unie ratione temporis op de onderhavige rechtssituatie toepasselijk kan zijn.

27. Het is niet zo gemakkelijk – dat geef ik toe – grip te krijgen op de rechtspraak van het Hof over de toepasselijkheid ratione temporis van het recht van de Unie op toetredende staten.

28. In de zaak Ynos(5) (Grote kamer) heeft het Hof zich onbevoegd verklaard om de prejudiciële vragen te beantwoorden, op grond dat de feiten in die zaak zich hadden voorgedaan vóór de toetreding van Hongarije tot de Unie. Toepassing van het arrest Ynos en van de overeenkomstige latere rechtspraak op het onderhavige geval leidt tot de conclusie dat het recht van de Unie ratione temporis niet van toepassing is.

29. Naast de nogal categorische benadering door het Hof in de zaak Ynos, is er echter ook een aanzienlijk aantal uitspraken, zowel van vóór als van na het arrest Ynos, met een meer genuanceerde benadering over de toepasselijkheid van het recht van de Unie in de tijd. Gezegd kan worden dat in die zaken onderscheid wordt gemaakt tussen feiten van vóór de toetreding en rechtsgevolgen van die feiten die na de toetreding voortduren. Naar mijn oordeel moet het arrest Ynos dan ook in deze ruimere context van uitspraken worden gezien. Indien die benadering door het Hof wordt aanvaard, zal de onderhavige zaak ratione temporis ontvankelijk kunnen worden geacht.

a) Ynos

30. De zaak Ynos had betrekking op de toepassing van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten(6) op een bemiddelingsovereenkomst. Partijen waren het oneens over de uitvoering van die overeenkomst en over de vraag of het contractuele beding betreffende de provisie van de bemiddelaar oneerlijk was. Zonder de details betreffende de uitvoering van de overeenkomst in de beschouwing te betrekken stelde het Hof vast dat de feiten in de zaak dateerden van vóór de toetreding van Hongarije tot de Unie en dat het Hof dus niet bevoegd was de richtlijn uit te leggen.(7)

31. Indien het in de zaak Ynos aangelegde criterium zonder meer werd toegepast, zouden de door de verwijzende rechterlijke instantie gestelde vragen moeten worden geacht ratione temporis buiten de bevoegdheid van het Hof te vallen, zoals de Sloveense regering ter terechtzitting heeft betoogd. Zoals in de zaak Ynos het geval was met de bemiddelingsovereenkomst, is in het onderhavige geval de huurovereenkomst gesloten vóór de toetreding van Slovenië tot de Unie. Het feit dat de procedure voor de nationale rechter wegens niet-nakoming van die overeenkomst na de toetreding van Slovenië nog aanhangig was, zou niet ter zake doen, daar in de zaak Ynos de nationale procedure betreffende de uitvoering van de overeenkomst ook na de toetreding van Hongarije nog aanhangig was.(8)

32. Het Hof zou naar mijn oordeel het arrest Ynos echter op grotere afstand moeten zien en het grote aantal uitspraken van vóór en na dat arrest alsook de bijzondere feitelijke en juridische achtergrond van de zaak Ynos zelf in de beschouwing moeten betrekken. In plaats van te focussen op een binair onderscheid tussen feiten van voor de toetreding en feiten van daarna, wordt in die meer genuanceerde uitspraken in de beschouwing betrokken of een rechtsbetrekking van vóór de toetreding nog rechtsgevolgen sorteerde na de datum van de toetreding.

b) Het arrest Ynos in zijn ruimere jurisprudentiële context

33. In zijn uitspraken vóór het arrest Ynos betrachtte het Hof meer openheid voor het beantwoorden van prejudiciële vragen in zaken waarin de relevante feiten zich vóór de toetreding hadden voorgedaan.

34. De prejudiciële vragen bij voorbeeld in de zaken Data Delecta en Forsberg(9) en Saldanha en MTS(10) hadden betrekking op de toelaatbaarheid van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan een buitenlandse verzoeker een zekerheid moest stellen voor de proceskosten. In beide zaken dateerden de rechterlijke beslissingen waarbij het stellen van een zekerheid voor de proceskosten was gelast van vóór de toetreding van Zweden en Oostenrijk tot de EU. De beroepen tegen die beslissingen waren echter aanhangig na de toetreding. In de zaak Data Delecta en Forsberg heeft het Hof rechtstreeks ten gronde beslist, wat dus impliceerde dat het recht van de Unie van toepassing was ratione temporis. In de zaak Saldhana en MTS heeft het Hof beslist dat artikel 6 EG (thans artikel 18 VWEU) onmiddellijk bindend was vanaf de datum van de toetreding en de betrokken nationale regel opzij zette. Volgens het Hof was het recht van de Unie ratione temporis van toepassing op „de toekomstige gevolgen van vóór de toetreding […] ontstane situaties”.(11)

35. Deze twee zaken(12) tonen aan dat ofschoon de geschillen tussen partijen waren ontstaan vóór de respectieve toetredingen tot de Europese Unie, het Hof van oordeel was dat de nog voortdurende rechtsgevolgen van de vóór die toetredingen ontstane situaties aan het recht van de Unie en dus aan zijn bevoegdheid onderworpen moesten zijn. Dat resultaat was wel gekoppeld aan de voorwaarde dat de gerechtelijke procedures in die zaken na de toetredingen nog aanhangig waren.(13)

36. De rechtspraak van na het arrest Ynos is ingewikkelder. De benadering door het Hof lijkt echter weer genuanceerder te zijn geworden, waarbij vooral in aanmerking wordt genomen of de rechtssituatie ten tijde van de toetreding niet meer bestond.

37. In het arrest Telefónica O2 Czech Republic heeft het Hof zich bevoegd verklaard, ook al waren de feiten in die zaak van eerdere datum dan de toetreding van Tsjechië tot de Unie. De reden daarvoor was dat de aangevochten beslissing door de regelgevende instantie opnieuw was vastgesteld met gevolgen voor de toekomst, na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Unie.(14)

38. Evenzo heeft het Hof in de zaak CIBA toegegeven dat in die zaak de belastingjaren 2003 en 2004 aan de orde waren, terwijl Hongarije pas op 1 mei 2004 tot de Europese Unie was toegetreden. Het heeft daar echter aan toegevoegd dat „aangezien de feiten in het hoofdgeding gedeeltelijk van latere datum [waren], […] het Hof bevoegd [was] om de gestelde vraag te beantwoorden”.(15)

39. De zaak Kuso had betrekking op een Oostenrijkse werknemer die haar arbeidsovereenkomst had gesloten in 1980. Nadien vocht zij de datum van haar verplichte pensioenleeftijd van 60 jaar aan met het betoog dat deze discriminatie op grond van geslacht opleverde in de zin van richtlijn 76/207(16). Het Hof heeft zich bevoegd geacht zich over de zaak uit te spreken met de verklaring dat „aan het vertrouwensbeginsel niet een dusdanig ruime draagwijdte [mag] worden gegeven dat een nieuwe regeling nooit van toepassing kan zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan”.(17)

40. Wanneer het arrest Ynos wordt gelezen in zijn ruimere jurisprudentiële context, blijkt het uitgangspunt van de algemene benadering voor de toepasselijkheid van het recht van de Unie ratione temporis dus het voortduren van rechtsgevolgen te zijn. Rechtsbetrekkingen die op het moment van de toetreding van een lidstaat niet zijn beëindigd, zijn vanaf dat moment onderworpen aan de nieuwe regelgeving. Die aanpassing dient uiteraard enkel ex nunc te werken: de onmiddellijke werking van het recht van de Unie betekent dat nog bestaande rechtsbetrekkingen waarvan de gevolgen niet hebben opgehouden te bestaan op het moment van de toetreding voor de toekomst kunnen worden gewijzigd. Omgekeerd zijn wijzigingen met terugwerkende kracht, waarbij feiten of gebeurtenissen in het verleden opnieuw worden geëvalueerd, verboden.

41. In het voorbeeld van een vóór de toetreding van een lidstaat tot de Europese Unie gesloten overeenkomst is de voornaamste vraag, of de overeenkomst en de eruit voortvloeiende rechtsbetrekking na de toetreding nog rechtsgevolgen hebben. Indien dat het geval is (bij voorbeeld bij overeenkomsten voor onbepaalde duur en/of overeenkomsten waarbij partijen doorlopend presteren) gaat het recht van de Unie voor de overeenkomst gelden op het moment van de toetreding, ook indien alle (constitutieve) feiten van eerdere datum dan de toetreding zijn. De inhoud van de rechtsbetrekking zal voor de toekomst worden gewijzigd door het recht van de Unie.

42. Bovendien wordt algemeen aanvaard dat procedureregels onmiddellijk van toepassing zijn vanaf hun inwerkingtreding, ook op aanhangige zaken, behoudens andersluidende bepalingen in de bijzondere maatregel.(18)

43. Hoe dan ook zullen de hogere beginselen van bescherming van verkregen rechten en van bescherming van gewettigd vertrouwen alsook het verbod van daadwerkelijke terugwerkende kracht in alle individuele gevallen als een correctief op de onmiddellijke werking van het recht van de Unie werken.

44. Vanuit deze invalshoek bezien is de door het Hof in de zaak Ynos gekozen oplossing niet verbazingwekkend wat het resultaat betreft: in die zaak ging het om de toelaatbaarheid van een contractueel beding dat dateerde van vóór de toetreding van Hongarije tot de Unie. De aan het Hof gestelde vraag zou, indien zij was beantwoord, tot een daadwerkelijke revaluatie met terugwerkende kracht van een lange tijd vóór de toetreding overeengekomen contractueel beding hebben geleid.

c) Toepassing van de ruimere benadering op de onderhavige zaak

45. Naar mijn oordeel waren de rechtsgevolgen van de verhuurovereenkomst op het moment van de toetreding van Slovenië in twee opzichten nog niet beëindigd.

46. In de eerste plaats was de verhuurovereenkomst gesloten in juni 1993. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat verzoeker zijn verplichtingen is nagekomen voordat Slovenië tot de Unie toetrad, maar dat de vrijwillige brandweer pas aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft voldaan door de tegenprestatie te betalen in mei 2010, dus duidelijk na de toetreding van Slovenië. Op het moment van de toetreding van Slovenië ressorteerde de verhuurovereenkomst dan ook nog bepaalde rechtsgevolgen en moesten eruit voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen nog worden nagekomen.

47. In de tweede plaats – en dit is wellicht belangrijker – gaat het in de onderhavige zaak, anders dan in de zaak Ynos, niet om een revaluatie van een in het verleden overeengekomen contractueel beding. De inhoud van de overeenkomst en de geldigheid van de contractuele bedingen zijn niet aan de orde. Het gaat in het onderhavige geval om de afdwinging van een contract, meer in het bijzonder de vordering van rente wegens te late uitvoering (dat wil zeggen betaling van de tegenprestatie). Deze situatie is ontstaan vóór de toetreding van Slovenië tot de EU en is sinds de toetreding nog steeds niet definitief opgelost.

48. Dat nieuwe wetgeving op het gebied van vertragingsrente voor de toekomst op aanhangige zaken zal worden toegepast vanaf het moment van de toetreding van een lidstaat tot de Europese Unie, is dus in overeenstemming met de onmiddellijke werking van het recht van de Unie in toetredende staten.

2. Toepasselijkheid van richtlijn 2000/35 op de verhuurovereenkomst

49. Nu vaststaat dat het Hof algemeen bevoegd is, moet in deze zaak vervolgens de vraag worden beantwoord of richtlijn 2000/35 in het bijzonder op de verhuurovereenkomst toepassing kan vinden, gelet op de specifieke bepalingen die zij bevat aangaande de toepassing ervan ratione temporis.

50. Ingevolge artikel 6, lid 3, onder b), van richtlijn 2000/35 is deze in beginsel van toepassing op vóór het verstrijken van de overgangsperiode gesloten overeenkomsten. Een lidstaat kan dergelijke overeenkomsten uitsluiten. Met andere woorden, bij gebreke van uitdrukkelijk handelen van de lidstaat geldt de richtlijn voor bestaande overeenkomsten.

51. In de relevante toetredingsdocumenten is, zoals de vertegenwoordiger van de Sloveense regering ter terechtzitting heeft verklaard, een dergelijke uitsluiting van de toepasselijkheid van richtlijn 2000/35 niet opgenomen.(19) Ingevolge de artikelen 2 en 54 van de Toetredingsakte is de overgangsperiode van richtlijn 2000/35 voor Slovenië dus verstreken op 1 mei 2004, terwijl met betrekking tot die richtlijn geen afwijking van toepassing was.

52. De regel van artikel 6, lid 3, onder b), is ook relevant voor het maken van een onderscheid met het afgeleide recht dat in de zaak Ynos aan de orde was. Richtlijn 93/13, die in de zaak Ynos aan de orde was, bepaalde in artikel 10, lid 1, dat de bepalingen ervan enkel voor de toekomst golden voor overeenkomsten die waren gesloten na het verstrijken van de overgangsperiode (wat voor een nieuwe lidstaat de datum van toetreding was, dat wil zeggen 1 mei 2004). Dit is in feite het tegenovergestelde van artikel 6, lid 3, onder b), van richtlijn 2000/35, omdat deze laatste van toepassing is op vóór het verstrijken van de overgangsperiode van de richtlijn gesloten overeenkomsten.(20)

53. Uit de gezamenlijke bepalingen van de artikelen 6, lid 1, en 6, lid 3, onder b), van richtlijn 2000/35 en van de Toetredingsakte blijkt dus dat richtlijn 2000/35 bij de toetreding van Slovenië tot de Unie onmiddellijk ging gelden voor bestaande overeenkomsten die vóór die datum waren gesloten, de in het onderhavige geval aan de orde zijnde verhuurovereenkomst daaronder begrepen. Ik kom dan ook tot de conclusie dat richtlijn 2000/35 op 1 mei 2004 ratione temporis van toepassing is geworden op het onderhavige geval.

54. Bijgevolg is het Hof naar mijn oordeel bevoegd om de door de nationale rechter gestelde vragen te beantwoorden.

B – Derde prejudiciële vraag

55. Met de derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of de ne ultra alterum tantum-regel verenigbaar is met richtlijn 2000/35. Naar mijn oordeel is de regel, zoals ook de Sloveense en de Letse regering in hun schriftelijke opmerkingen en de Sloveense regering en de Commissie ter terechtzitting hebben betoogd, verenigbaar met richtlijn 2000/35.

56. Zoals het Hof reeds eerder heeft verklaard(21) en zoals de Commissie uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven ter terechtzitting in de onderhavige zaak, is richtlijn 2000/35 een instrument van minimumharmonisatie.

57. De richtlijn dekt dus enkel specifieke en daarmee beperkte aspecten in verband met betalingsachterstand in handelstransacties, waaronder (i) vertragingsrente, (ii) eigendomsvoorbehoud en (iii) invorderingsprocedures voor onbetwiste schulden.

58. Wat de regels voor vertragingsrente betreft, artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2000/35 is een vrij gedetailleerde bepaling betreffende de minimumrentevoet en de wijze van berekening daarvan. Richtlijn 2000/35 bevat echter geen regel op grond waarvan het verboden zou zijn, aan de accumulatie van rente een bovengrens te stellen.

59. De lidstaten kunnen dus blijven bepalen of zij een dergelijke bovengrens vastleggen, mits zij de tweevoudige eis van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in acht nemen.(22)

60. Het gelijkwaardigheidsbeginsel verbiedt, kort gezegd, discriminatie tussen op nationaal recht gebaseerde vorderingen en vergelijkbare vorderingen op basis van het Unierecht. Met andere woorden, uit het recht van de Unie voortvloeiende rechten mogen niet minder gunstig worden behandeld dan rechten die aan het nationale recht worden ontleend.

61. De feiten in de onderhavige zaak leveren geen moeilijkheden op met betrekking tot de verenigbaarheid van de ne ultra alterum tantum-regel met dat beginsel. Geen van partijen heeft dit aan de orde gesteld.

62. Op grond van het doeltreffendheidsvereiste mogen de lidstaten de uitoefening van door het Unierecht verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

63. Uiteraard kan worden opgemerkt dat het algemene doel van doeltreffendheid van de bestrijding van betalingsachterstand in handelstransacties alleen maar gediend is indien vertragingsrente onbeperkt kan oplopen. Wanneer de bovengrens bereikt is, is het duidelijk dat de schuldenaar niet snel zal besluiten te betalen. Het bedrag van de vertragingsrente heeft immers zijn maximum bereikt.

64. Bij toepassing van deze redenering zou echter iedere willekeurige nationale regel ter discussie kunnen worden gesteld of de invoering van een nieuwe regel kunnen worden gevorderd. Zou bij voorbeeld het nuttig effect van een richtlijn die tot doel heeft betalingsachterstand te bestrijden niet ook worden versterkt indien gevangenisstraf wegens het hebben van schulden(23) weer werd ingevoerd en de schuldenaar automatisch de gevangenis zou ingaan bij niet-tijdige betaling? Dat zou vrij doeltreffend zijn om die persoon en/of zijn of haar familieleden te dwingen, snel tot betaling over te gaan.

65. Absurde voorbeelden dragen bij tot een beter begrip van de noodzaak, redelijke beperkingen te stellen aan het – potentieel grenzeloze – doeltreffendheidsvereiste. Naar mijn oordeel dient het doeltreffendheidsvereiste te worden beperkt tot twee situaties: onmogelijkheid of daadwerkelijk excessieve moeilijkheid. Het komt mij voor dat de ne ultra alterum tantum-regel aan geen van beide maatstaven voldoet. Met betrekking tot dit laatste zijn twee punten bijzonder relevant.

66. In de eerste plaats drukt de ne ultra alterum tantum-regel, in de nationale regelgevingsruimte die naast de minimumharmonisatie van richtlijn 2000/35 kan voortbestaan, een zekere keuze van de wetgever aangaande de verdeling van de kosten van betalingsachterstand over de schuldeiser en de schuldenaar uit. De regel weerspiegelt een maatschappelijke visie op de lastenverdeling bij de invordering van schulden. Op zich lijkt een dergelijke keuze niet willekeurig of ongehoord. Bepaalde vormen van beperking van de rente tot het bedrag van de hoofdschuld kunnen al worden teruggevonden in Romeins recht.(24)

67. Daarnaast zou de ultra alterum tantum-regel kunnen worden gezien als het waarborgen van een zeker evenwicht tussen het streven naar snelle betaling en andere belangen of waarden. Betalingsachterstand is in de regel het gevolg van het feit dat de schuldenaar niet kan of niet wil betalen. Stilzitten van de schuldeiser kan de schuld echter doen oplopen. Daarom vormt de ne ultra alterum tantum-regel een stimulans voor de schuldeiser om zijn rechten snel geldend te maken. Een vergelijkbare regel is ook terug te vinden in verschillende contexten in andere nationale rechtsstelsels. Zo beperken het Oostenrijkse en het Tsjechische burgerlijk wetboek de mogelijkheid van de schuldeiser, vertragingsrente boven het bedrag van de hoofdschuld te vorderen over het tijdvak vóór de aanhangigmaking van de zaak, indien de schuldenaar niet tijdig tot invordering van de schuld is overgegaan.(25)

68. In de tweede plaats moet, zoals de Sloveense regering heeft opgemerkt, een nationale regel als de ne ultra alterum tantum-regel niet op zich in de beschouwing worden betrokken, maar veeleer in de context van andere relevante instrumenten van nationaal recht waarbinnen de bovengrensregel geldt.

69. Een van die instrumenten is de mogelijkheid, van de schuldenaar vergoeding te vorderen voor het daadwerkelijk geleden verlies (indien dat verlies groter is dan het bedrag van de vertragingsrente). Want ofschoon het vorderen van vertragingsrente „algemeen wordt gezien als een handige manier om de schuldeiser de mogelijkheid te bieden, de door hem geleden schade te dekken zonder specifiek bewijs te hoeven leveren”(26), betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat de schuldeiser zijn schade die de vertragingsrente te boven gaat niet kan claimen. Of die mogelijkheid bestaat, hangt af van de toepasselijke nationale bepalingen in staat ter beoordeling aan de nationale rechter. Zoals de Sloveense regering ter terechtzitting uiteen heeft gezet, kan de schuldeiser naar Sloveens recht inderdaad volledige en daadwerkelijke vergoeding van zijn schade vorderen.

70. Indien voorts de door de schuldeiser geleden schade te wijten mocht zijn aan het slechte functioneren van het gerechtelijk apparaat, zoals buitensporige vertragingen en buitensporig lange procedures, kan een schadevordering tegen de staat een andere mogelijke vorm van herstel zijn.(27)

71. Om bovenstaande redenen geef ik het Hof in overweging, de derde vraag van de verwijzende rechterlijke instantie aldus te beantwoorden dat richtlijn 2000/35 niet in de weg staat aan een regel van nationaal recht op grond waarvan het bedrag aan vertragingsrente niet hoger kan zijn dan het bedrag van de hoofdschuld.

C – Eerste en tweede prejudiciële vraag

72. Ik heb al opgemerkt dat ingeval het Hof de derde vraag van de nationale rechter ontkennend beantwoordt, de eerste en de tweede vraag niet hoeven te worden beantwoord. Aangezien richtlijn 2000/35 niet in de weg staat aan de ne ultra alterum tantum-regel, kan de vordering van verzoeker niet slagen, ook al komt vast te staan dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechtsbetrekking onder richtlijn 2000/35 valt. Zo het Hof echter beslist dat richtlijn 2000/35 wel in de weg staat aan de in geding zijnde regel, zullen de eerste en de tweede vaag relevant zijn.

73. In dit onderdeel worden de eerste en de tweede vraag samen onderzocht. Beide strekken ertoe dat komt vast te staan of verzoeker bij het sluiten van de overeenkomst handelde als „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35, in aanmerking genomen dat het voorwerp van de huurovereenkomst niet wordt gedekt door zijn nationale vergunning. In die context verzoekt de verwijzende rechter het Hof uitdrukkelijk, bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag in de beschouwing te betrekken dat de aan de orde zijnde transactie van economische aard was en dat verzoeker daarvoor een factuur heeft uitgereikt.

74. In artikel 1van richtlijn 2000/35 wordt bepaald dat „[d]eze richtlijn […] van toepassing [is] op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties”. Voor het antwoord op de vraag of de in de huurovereenkomst vervatte transactie onder richtlijn 2000/35 valt, moet dan ook het begrip „handelstransactie”, dat op zijn beurt de term „onderneming” gebruikt, worden verduidelijkt.

75. Beide begrippen zullen (respectievelijk onder a en onder b) worden onderzocht voordat (onder c) zal worden ingegaan op de vraag of een nationale vergunning voor een bepaalde activiteit relevant is voor de definitie van onderneming. Tot slot zal (onder d) worden stilgestaan bij de rechtsvorm van de wederpartij bij de verhuurovereenkomst, de vrijwillige brandweer.

a) Begrip „handelstransactie”

76. Artikel 2, punt 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/35 definieert „handelstransactie” als „transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leid[t] tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”.

77. Die definitie bevat de volgende bestanddelen: i) partijen bij de transactie moeten ondernemingen of een onderneming en een overheidsinstantie zijn, ii) er moeten goederen worden geleverd of diensten worden verricht, en iii) voor die goederen of diensten moet een vergoeding worden betaald.

78. Er bestaat geen twijfel over dat de huurovereenkomst aan de voorwaarden ii) en iii) voldoet. Er is een dienst verricht: de verhuur van de tankwagen voor watervoorziening. Een vergoeding voor die dienst is overeengekomen en uiteindelijk betaald. Rest derhalve nog de vraag of ook voorwaarde i) vervuld is. Verzoeker is duidelijk geen overheidsinstantie. Kan hij als „onderneming” worden beschouwd?

b) Begrip „onderneming”

79. Het begrip „onderneming” wordt in artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 omschreven als „elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend”.(28)

80. Om te kunnen spreken van „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35 moet i) de betrokken persoon een „organisatie” zijn en ii) de activiteit een „zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit” zijn.

81. Ik wijs erop dat artikel 2, punt 1, derde alinea, van richtlijn 2000/35 uitdrukkelijk spreekt van „elke organisatie”, daaronder begrepen de eenmansorganisatie, die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit.

82. De formulering van die bepaling geeft aan dat het begrip „organisatie” niet aldus moet worden opgevat dat het doelt op een specifieke rechtsvorm, maar veeleer aldus dat sprake moet zijn van een gestructureerde, doorlopende activiteit. De betrokken persoon moet zich dus organiseren om de activiteit doorlopend op lange termijn uit te oefenen.

83. Zoals het Hof ook in een andere context heeft verklaard, kan de structuur van een dergelijke organisatie vrij eenvoudig zijn omdat in bepaalde sectoren „arbeidskrachten de voornaamste factor [zijn]”.(29)

84. Het feit dat verzoeker voor de in het kader van de verhuurovereenkomst verrichte dienst een factuur heeft uitgereikt, vormt naar mijn oordeel een belangrijke aanwijzing dat hij heeft gehandeld in het kader van een georganiseerde economische activiteit.

85. De aard van de in de verhuurovereenkomst vervatte transactie was duidelijk economisch, want de tankwagen is door verzoeker aan de vrijwillige brandweer verhuurd tegen vergoeding. Er zou of er moest een betaling plaatsvinden.

86. Op het eerste gezicht lijkt de transactie dus te voldoen aan de definitie van „handelstransactie” in artikel 2, punt 1, derde streepje, van richtlijn 2000/35.

c) Relevantie van de nationale vergunning

87. De verwijzende rechterlijke instantie staat niettemin stil bij het feit dat het voorwerp van de huurovereenkomst niet was gedekt door verzoekers nationale vergunning. De Sloveense regering en de Commissie leiden daaruit af dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35. Hun standpunt luidt in hoofdzaak dat het precieze voorwerp van de nationale vergunning bepalend is om te kunnen vaststellen of aan de vereisten om van „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35 te kunnen spreken is voldaan.

88. Ik ben het hier om hoofdzakelijk twee redenen niet mee eens.

89. In de eerste plaats verwijst de hierboven geschetste definitie van „onderneming” niet naar de wetgeving van de lidstaten. Het betreft hier dus een volledig autonoom begrip van Unierecht, dat moet worden uitgelegd los van de nationale vergunning- of registratiestelsels.(30)

90. In de tweede plaats heeft de autonome definitie van het Unierecht in de onderhavige zaak een aanvullend, nogal belangrijk doel: het staat tevoren vast welke handelstransacties onder de richtlijn vallen. Indien de draagwijdte van het begrip „onderneming” in de zin van de richtlijn gekoppeld was aan de draagwijdte van de naar nationaal recht afgegeven vergunning om bepaalde beroepswerkzaamheden te verrichten, zouden partijen bij een overeenkomst in ieder concreet geval moeten nagaan of de wederpartij de overeenkomst aangaat in het kader van zijn activiteit naar nationaal recht. De eruit voortvloeiende juridische versplintering op zich zou al onwenselijk zijn, maar daarnaast zou een en ander bijzonder belastend zijn in de praktijk, vooral bij grensoverschrijdende transacties.

91. Naar mijn oordeel is de draagwijdte van de nationale vergunning dan ook niet bepalend voor de definitie van „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35. Dat betekent echter niet dat het bestaan van een nationaal vergunning- of registratiestelsel geheel irrelevant is. Het kan echter enkel een vermoeden doen ontstaan dat een contractpartij in het kader van haar economische of beroepsmatige activiteit optreedt.

92. Met andere woorden, indien de huurovereenkomst onder verzoekers nationale vergunning was gevallen, zou het vermoeden hebben bestaan dat verzoeker in het kader van een zelfstandige economische activiteit handelde. Omgekeerd sluit het feit dat het voorwerp van de huurovereenkomst niet door verzoekers vergunning was gedekt niet uit dat verzoeker als onderneming handelde, mits is voldaan aan de hierboven genoemde autonome voorwaarden van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/35.

93. Volledigheidshalve merk ik nog op dat de scenario’s die, naar mijn oordeel, niet worden gedekt door het begrip „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35 situaties zijn waarin personen incidenteel handelingen verrichten in het kader van een activiteit die als „economisch” kan worden aangemerkt. Die handelingen zijn weliswaar economische handelingen, maar kunnen niet worden beschouwd als een gestructureerde of doorlopende commerciële activiteit.

94. Wat het onderhavige geval betreft, het verhuren van een tankwagen voor watervoorziening kan worden beschouwd als deel uitmakend van verzoekers algemene, doorlopende beroepsmatige activiteit. Indien verzoeker bij voorbeeld op een zondagsmarkt kindertaart in het kader van het jaarlijkse schoolfeest verkoopt, kan dat moeilijk als vergelijkbaar worden gezien. Evenzo kan tuinhulp van een elders gevestigde zakenman aan zijn buren in ruil voor een uitnodiging voor een kop thee of misschien zelfs gebak, moeilijk worden gezien als vallend onder de gestructureerde doorlopende economische activiteit van die zakenman.

95. Met andere woorden, mensen verrichten talrijke vormen van activiteiten van economische aard, maar slechts enkele van die activiteiten zullen deel uitmaken van de gestructureerde doorlopende economische activiteiten van een persoon. Bij de beoordeling of de betrokken activiteit onder die gestructureerde doorlopende activiteit valt, dient de nationale rechter alle relevante bewijs dat die conclusie staaft of eraan in de weg staat in de beschouwing te betrekken.

96. Het is aan de nationale rechter, deze algemene richtsnoeren op de onderhavige feiten toe te passen. Gelet op de aan het Hof meegedeelde feiten, namelijk het feit dat de aan de orde zijnde transactie redelijkerwijs kan worden geacht deel uit te maken van een ruimere, gestructureerde en doorlopende zelfstandige economische activiteit van verzoeker, waarvoor deze een factuur heeft uitgereikt, kom ik tot de conclusie dat verzoeker bij het sluiten van de huurovereenkomst kon worden geacht te handelen als „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35.

97. Gelet op het voorgaande luidt mijn standpunt dat de autonome definitie van „onderneming” in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/35 mede personen omvat die een gestructureerde en doorlopende, zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit uitoefenen. Voor die definitie is niet bepalend of een incidentele handeling in het kader van een dergelijke activiteit, zoals een individuele overeenkomst, onder een nationaal vergunning- of registratiestelsel viel. Wel vestigt het feit dat een persoon in het kader van het nationale vergunning- of registratiestelsel heeft gehandeld een vermoeden dat die persoon optrad in het kader van zijn economische of beroepsmatige activiteit. Het feit dat een factuur is uitgereikt vormt eveneens een aanwijzing dat de betrokken persoon handelde in de uitoefening van een gestructureerde en doorlopende economische activiteit.

d) Aard van de vrijwillige brandweer

98. Bij wege van postscriptum merk ik nog op dat de eerste en de tweede prejudiciële vraag gericht zijn op de definitie van „onderneming” in de zin van richtlijn 2000/35, enkel voor wat verzoeker betreft. De vraag echter of de uit de huurovereenkomst voortvloeiende betrekking kan worden beschouwd als „handelstransactie” in de zin van die richtlijn, zal uiteindelijk mede afhangen van de kwalificatie van de wederpartij, de vrijwillige brandweer.

99. Zoals gezegd is een „handelstransactie” in de zin van richtlijn 2000/35 een transactie „tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties”. Voor dit laatste begrip verwijst richtlijn 2000/35 naar „aanbestedende instantie of entiteit, zoals omschreven in de richtlijnen […] betreffende overheidsopdrachten”.

100. Die richtlijnen betreffende overheidsopdrachten definiëren „aanbestedende instantie of entiteit” als „de staat, zijn territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen en verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of instellingen”. Onder „publiekrechtelijke instelling” wordt in de zin van de toepasselijke richtlijnen verstaan iedere instelling die „is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard, en rechtspersoonlijkheid heeft en waarvan ofwel de activiteiten in hoofdzaak door de Staat of de territoriale of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, ofwel het beheer is onderworpen aan toezicht door deze laatste, ofwel de leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht voor meer dan de helft door de Staat, de territoriale lichamen of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen”.(31)

101. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om, gelet op deze criteria, na te gaan wat naar nationaal recht precies de rechtsvorm van de vrijwillige brandweer ten tijde van de feiten was, om te bepalen of sprake was van een „handelstransactie” in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/35.

V – Conclusie

102. Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Vrhovno sodišče Republike Slovenije gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

„Eerste en tweede vraag:

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, moet aldus worden uitgelegd dat het een autonome definitie geeft van het begrip ‚onderneming’, dat mede omvat personen die een gestructureerde en doorlopende zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit verrichten. Voor die definitie is niet bepalend of een incidentele handeling in het kader van een dergelijke activiteit, zoals een individuele overeenkomst, onder het nationale vergunning- of inschrijvingsstelsel viel. Wel vestigt het feit dat een persoon in het kader van het nationale vergunning- of registratiestelsel heeft gehandeld een vermoeden dat die persoon optrad in het kader van zijn economische of beroepsmatige activiteit. Het feit dat een factuur is uitgereikt vormt ook een aanwijzing dat die persoon heeft gehandeld in de uitoefening van een gestructureerde en doorlopende economische activiteit.

Vraag 3:

Richtlijn 2000/35 moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een regel van nationaal recht op grond waarvan het maximumbedrag aan vertragingsrente niet hoger kan zijn dan het bedrag van de hoofdschuld.”