Arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 17 januari 2019
Arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 17 januari 2019
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof EU
- Datum uitspraak
- 17 januari 2019
Uitspraak
Arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 17 januari 2019 –
Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis/ERCEA
(Zaak T‑348/16 OP)
"„Arbitraal beding - Zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie - Project Minatran - Subsidiabele kosten - Verrekening - Bij verstek gewezen arrest - Verzet”"
1. Gerechtelijke procedureVerzetVoorwaarde voor het bewijs dat er een gegronde reden bestaat voor de vertraging bij de indiening van het verweerschriftGeen
(Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, art. 41; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 166, lid 2)
(zie punten 53‑57)
2. Gerechtelijke procedureAanhangigmaking bij het Gerecht op basis van een arbitraal bedingOvereenkomsten die zijn gesloten in het kader van een specifiek programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratieGeschil dat voortvloeit uit of verband houdt met de uitvoering van een overeenkomstUitlegging op basis van de bedingen van de overeenkomst
(zie punt 75)
3. Gerechtelijke procedureAanhangigmaking bij het Gerecht op basis van een arbitraal bedingBetwisting van de geldigheid van een besluit tot verrekeningOp de grondslag van verordening nr. 1605/2002 vastgesteld besluit van de Commissie tot buitengerechtelijke verrekening van schulden en schuldvorderingenOnder het Unierecht vallende handelingHandeling waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld
(Art. 263 en 272 VWEU; verordening nr. 1605/2002)
(zie punten 164‑167)
4. Gerechtelijke procedureRechtsgrondslag van een beroepKeuze die aan verzoeker en niet aan de Unierechter toekomt
(zie punt 168)
Voorwerp
Verzet van Ercea tegen het arrest van 6 april 2017, Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis/Ercea (T‑348/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:268 )
Dictum
1) De punten 1, 2 en 3 van het dictum van het arrest van 6 april 2017, Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis/Ercea (T‑348/16), worden vernietigd.
2) De vordering in debetnota nr. 3241606289 van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (Ercea) van 26 mei 2016 tot terugbetaling door Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis van een gedeelte – ten belope van 245 525,43 EUR – van de subsidie die zij voor het project Minatran heeft ontvangen, is ongegrond ten belope van 233 611,75 EUR, en dit laatste bedrag stemt overeen met de subsidiabele uitgaven.
3) Het door Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis ingestelde beroep en het door Ercea ingestelde verzet worden verworpen respectievelijk afgewezen voor het overige.
4) Ercea wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis in de zaken T‑348/16 en T‑348/16 OP.
5) Ercea wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis in zaak T‑348/16 OP-R.