Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juli 2018
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 5 juli 2018
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 5 juli 2018
Uitspraak
Arrest van het Hof (Eerste kamer)
5 juli 2018(*)
"„Hogere voorziening - Arbitragebeding - Personeel van internationale missies van de Europese Unie - Bevoegdheid om uitspraak te doen in geschillen inzake arbeidsovereenkomsten - Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Arbitragebedingen waarbij in de laatste overeenkomst de rechterlijke instanties van de Unie zijn aangewezen en in de eerdere overeenkomsten de rechtbanken van Brussel (België) - Besluit om de laatste overeenkomst niet te vernieuwen - Verzoek om herkwalificatie van de gehele contractuele verhouding als ,overeenkomst voor onbepaalde tijd’ - Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag - Inaanmerkingneming van de aan de laatste overeenkomst voorafgaande contractuele relaties - Bevoegdheid van het Gerecht van de Europese Unie”"
In zaak C‑43/17 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 25 januari 2017,
Liam Jenkinson, wonende te Killarney (Ierland), vertegenwoordigd door N. de Montigny en J.‑N. Louis, avocats,
rekwirant, andere partijen in de procedure:Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Vitro en M. Bishop als gemachtigden,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Gattinara, L. Radu Bouyon en S. Bartelt als gemachtigden, vervolgens door Gattinara, A. Aresu en Radu Bouyon als gemachtigden,
Europese dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door S. Marquardt, R. Spac en E. Orgován als gemachtigden,
Eulex Kosovo, gevestigd te Pristina (Kosovo), vertegenwoordigd door M. Vicente Hernandez, avocate, vervolgens door E. Raoult, avocate,
verweerders in eerste aanleg,
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, C. G. Fernlund, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur) en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 januari 2018,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2018,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Liam Jenkinson om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2016, Jenkinson/Raad e.a. (T‑602/15, EU:T:2016:660 ; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht zijn beroep betreffende, primair, een vordering krachtens artikel 272 VWEU, strekkende, ten eerste, tot herkwalificatie van de gehele contractuele verhouding van Jenkinson als „arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd” en tot vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en onrechtmatig ontslag, en, ten tweede, tot verklaring dat de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) rekwirant hebben gediscrimineerd en hen bijgevolg te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, en, subsidiair, een vordering uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese instellingen.
Voorgeschiedenis van het geding
2 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 6 van de bestreden beschikking samengevat als volgt:
Verzoeker, Liam Jenkinson, Iers staatsburger, is aanvankelijk op basis van een reeks tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 20 augustus 1994 tot en met 5 juni 2002 werkzaam geweest voor de Waarnemersmissie van de Europese Unie, die is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2000/811/GBVB van de Raad van 22 december 2000 betreffende de Waarnemersmissie van de Europese Unie (PB 2000, L 328, blz. 53).
Hij is vervolgens op basis van een reeks tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 17 juni 2002 tot en met 31 december 2009 werkzaam geweest voor de politiemissie van de Europese Unie die is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2002/210/GBVB van de Raad van 11 maart 2002 inzake de politiemissie van de Europese Unie (PB 2002, L 70, blz. 1).
Ten slotte is verzoeker op basis van elf opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten van 5 april 2010 tot en met 14 november 2014 werkzaam geweest voor de Missie Eulex Kosovo. De Missie Eulex Kosovo is opgezet bij gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, Eulex Kosovo (PB 2008, L 42, blz. 92). Het gemeenschappelijk optreden is herhaaldelijk verlengd. Het is verlengd tot en met 14 juni 2016 bij besluit 2014/349/GBVB van de Raad van 12 juni 2014 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124 (PB 2014, L 174, blz. 42), dat in dit geval van toepassing is.
Het gemeenschappelijk optreden is ten laatste verlengd tot en met 14 juni 2018 bij besluit 2016/947/GBVB van de Raad van 14 juni 2016 tot wijziging van gemeenschappelijk optreden 2008/124 (PB 2016, L 157, blz. 26).
Tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst die liep van 15 juni tot en met 14 oktober 2014 is verzoeker bij brief van het hoofd van de Missie Eulex Kosovo van 26 juni 2014 meegedeeld dat zijn missie zou worden beëindigd en zijn arbeidsovereenkomst na 14 november 2014 niet zou worden vernieuwd.
Een laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst is tussen [de Missie] Eulex Kosovo en verzoeker afgesloten voor de periode van 15 oktober tot en met 14 november 2014 (hierna: ,laatste overeenkomst’), en deze is niet vernieuwd. In artikel 21 van deze laatste overeenkomst is bepaald dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van artikel 272 VWEU bevoegd is om kennis te nemen van alle geschillen inzake die overeenkomst.”
Procesverloop bij het Gerecht en bestreden beschikking
3 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 oktober 2015, heeft rekwirant beroep ingesteld tegen de Raad, de Commissie en de EDEO alsmede tegen de Missie Eulex Kosovo, waarbij hij het Gerecht verzocht:
-
primair, zijn contractuele verhouding te herkwalificeren als „arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd”, vast te stellen dat verweerders hun contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen, met name de verplichting tot inachtneming van een opzegtermijn voor de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, vast te stellen dat het ontslag onrechtmatig is en bijgevolg verweerders te veroordelen tot vergoeding van de schade als gevolg van het misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, het niet in acht nemen van een opzegtermijn en het onrechtmatige ontslag;
-
primair, te verklaren dat de Raad, de Commissie en de EDEO hem tijdens zijn dienstverband bij de internationale missies van de Europese Unie (hierna: „Missies”) hebben gediscrimineerd op het punt van beloning, pensioenrechten en andere arbeidsvoorwaarden, vast te stellen dat hij als tijdelijke functionaris van een van verweerders in dienst had moeten worden genomen, en verweerders bijgevolg te veroordelen tot schadevergoeding, en
-
subsidiair, verweerders te veroordelen tot schadevergoeding uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid ter vergoeding van de schade die het gevolg was van het niet nakomen van hun verplichtingen.
4 Het Gerecht heeft zich bij de bestreden beschikking kennelijk onbevoegd verklaard om zich uit te spreken over de twee onderdelen van de primaire vordering en heeft de subsidiaire vordering afgewezen op grond van kennelijke niet-ontvankelijkheid. Dientengevolge heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen en Jenkinson verwezen in de kosten.
Conclusies van partijen
5 Jenkinson verzoekt het Hof:
-
de bestreden beschikking te vernietigen;
-
het beroep toe te wijzen;
-
verweerders te verwijzen in de kosten van de procedures in eerste en tweede aanleg.
6 De Raad en de Commissie concluderen tot afwijzing van de hogere voorziening en verwijzing van Jenkinson in de kosten.
7 De EDEO en de Missie Eulex Kosovo verzoeken het Hof:
-
primair, zich onbevoegd te verklaren om uitspraak te doen op de hogere voorziening;
-
subsidiair, de hogere voorziening af te wijzen, en
-
Jenkinson te verwijzen in de kosten.
8 De Raad en de EDEO verzoeken het Hof voorts om, ingeval de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, de hogere voorziening en het beroep, voor zover deze tegen hen zijn gericht, niet-ontvankelijk te verklaren.
Hogere voorziening
9 Met de eerste vordering van zijn hogere voorziening verzoekt Jenkinson het Hof om vernietiging van de bestreden beschikking en met zijn tweede vordering verzoekt hij het Hof om toewijzing van het beroep.
10 De EDEO en de Missie Eulex Kosovo bestrijden dat het Hof bevoegd is om de hogere voorziening te behandelen. Daarenboven betwist de Missie Eulex Kosovo de ontvankelijkheid van de hogere voorziening in haar geheel, terwijl de Commissie alleen de ontvankelijkheid van de tweede vordering van de hogere voorziening aanvecht.
Bevoegdheid van het Hof
11 De EDEO en de Missie Eulex Kosovo stellen in wezen dat het Hof niet bevoegd is om de onderhavige hogere voorziening te behandelen op grond dat Jenkinson zijn argumentatie baseert op de voorafgaand aan de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomsten en dat uit hoofde van de in deze overeenkomsten opgenomen arbitragebedingen alleen de rechtbanken van Brussel bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk geschil. Daarenboven heeft Jenkinson ondertussen een in wezen identiek beroep ingesteld bij de Tribunal du travail francophone de Bruxelles (België).
12 In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en in artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bepaald dat laatstgenoemde bevoegd is om kennis te nemen van de hogere voorzieningen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van het Gerecht als bedoeld in de eerste alinea van artikel 256, lid 1, VWEU. Vast staat dat de bestreden beschikking tot de in deze laatste bepaling bedoelde beslissingen behoort.
13 Voorts moet worden vastgesteld dat de kwestie van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie om te oordelen of de door Jenkinson in eerste aanleg geldend gemaakte aanspraken al dan niet gegrond zijn, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de vorderingen die Jenkinson bij het Hof aanhangig heeft gemaakt, een van de vragen ten gronde is die in de onderhavige hogere voorziening zijn opgeworpen.
14 Het Hof is derhalve bevoegd om kennis te nemen van deze hogere voorziening.
Eerste vordering van de hogere voorziening
15 Ter onderbouwing van de eerste vordering, die strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, voert Jenkinson in wezen vier middelen aan waarvan het eerste middel betrekking heeft op de beoordeling door het Gerecht van de reikwijdte van de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie om kennis te nemen van het contractuele gedeelte van het geding. Met zijn tweede middel beroept hij zich op contractuele banden tussen Jenkinson enerzijds en de Raad, de Commissie en de EDEO anderzijds. Het derde en vierde middel zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de beoordeling van de vorderingen betreffende respectievelijk de niet-contractuele aansprakelijkheid van de instellingen en de verdeling van de kosten.
16 De Raad, de EDEO en de Missie Eulex Kosovo betwisten met name de ontvankelijkheid van de tot staving van deze eerste vordering aangevoerde argumenten.
Ontvankelijkheid van de eerste vordering
17 De Raad en de EDEO zijn van mening dat de hogere voorziening, voor zover deze tegen hen gericht is, niet-ontvankelijk is. Ten eerste waren zij geen partij bij de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en kunnen zij niet als „werkgevers” van Jenkinson worden aangemerkt, wat het Gerecht in punt 40 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, zonder dat dit punt tijdens de procedure in hogere voorziening voorwerp van betwisting was. Ten tweede heeft Jenkinson niet gepreciseerd op grond van welke handeling zij niet-contractueel aansprakelijk zouden zijn.
18 Voorts stelt de Missie Eulex Kosovo dat de hogere voorziening onvoldoende duidelijk en precies is om haar in staat te stellen haar verweer voor te bereiden en het Hof in staat te stellen uitspraak te doen.
19 Wat de door de Raad en de EDEO geopperde bezwaren betreft, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 171 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de hogere voorziening wordt betekend aan de andere partijen in de desbetreffende zaak bij het Gerecht. Vast staat dat de Raad en de EDEO partijen waren in de procedure bij het Gerecht.
20 Bovendien moet worden vastgesteld dat het betoog van de Raad en de EDEO om de vermeende niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening ten aanzien van hen aan te tonen, berust op argumenten die verband houden met de grond van de zaak, te weten de bevoegdheid van het Gerecht om te oordelen of de aanspraken van Jenkinson tegen hen gegrond zijn, en niet met de ontvankelijkheid van de onderhavige hogere voorziening.
21 Aangaande het op de exceptio obscuri belli gebaseerde betoog van de Missie Eulex Kosovo zij opgemerkt dat deze Missie in dit verband weliswaar specifieke argumenten verstrekt voor wat betreft de argumenten van Jenkinson inzake de tweede vordering van zijn hogere voorziening, maar niet voor wat betreft de ter ondersteuning van de eerste vordering van deze hogere voorziening aangevoerde argumenten.
22 Voorts moet worden vastgesteld dat Jenkinson in de vier tot staving van de eerste vordering van de hogere voorziening aangevoerde middelen nauwkeurig aangeeft welke punten van de motivering van de bestreden beschikking hij aanvecht, zodat zijn argumentatie dienaangaande voldoende duidelijk en precies is om de verwerende partijen in staat te stellen hun verweer voor te bereiden, zoals uit hun memories van antwoord blijkt. Bijgevolg is het Hof in staat om uitspraak te doen op de vier ter onderbouwing van de eerste vordering aangevoerde middelen.
23 Hieruit volgt dat de door de Raad, de Missie Eulex Kosovo en de EDEO geuite bezwaren inzake de ontvankelijkheid van de eerste vordering ongegrond moeten worden verklaard.
Eerste en tweede middel
24 Het eerste middel valt uiteen in vier onderdelen waarvan in de eerste plaats het derde onderdeel samen met het tweede middel moet worden onderzocht.
– Argumenten van partijen
25 Met het derde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening wijst Jenkinson erop dat het Gerecht in punt 39 van de bestreden beschikking van oordeel was dat het uitsluitend voor de laatste overeenkomst voor bepaalde tijd bevoegd was, zodat het geen uitspraak kon doen over de gevolgen van de eerder gesloten arbeidsovereenkomsten. De herkwalificatie van zijn gehele contractuele verhouding met verweerders als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan evenwel niet los worden gezien van de laatste overeenkomst voor bepaalde tijd en het einde van deze overeenkomst. Het zou voor hem immers onmogelijk zijn om deels bij de rechtbanken van Brussel en deels bij de rechterlijke instanties van de Unie een herkwalificatie van zijn contractuele relaties te verkrijgen. Het Gerecht heeft in de bestreden beschikking dus, onder meer, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
26 Met zijn tweede middel voert Jenkinson onder andere aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in punt 40 van de bestreden beschikking onbevoegd te verklaren om te oordelen over zijn vorderingen die ertoe strekken dat het Gerecht verklaart dat de Raad, de Commissie en de EDEO aansprakelijk zijn voor de discriminerende behandeling die hij op het punt van beloning, pensioenrechten en andere arbeidsvoorwaarden heeft ondergaan. Jenkinson merkt in dit verband op dat zijn contractuele relaties met andere Missies dan de Missie Eulex Kosovo ten gevolge van beslissingen van de betrokken instellingen, althans van de Raad, zijn beëindigd en leidt daaruit af dat deze instellingen dus in de rechten en plichten van die Missies zijn gesubrogeerd. Zij zouden bijgevolg moeten instaan voor de gevolgen van de contractuele verbintenissen van die Missies jegens hun personeel.
27 De Commissie brengt met betrekking tot de argumenten die met name in het kader van het derde onderdeel van het eerste middel zijn aangevoerd, in herinnering dat een onbevoegde rechter zich niet kan buigen over het voorwerp van het geding daar eerst de bevoegdheidsvraag moet worden afgehandeld om de zaak ten gronde te kunnen behandelen.
28 Aangaande het tweede middel is de Commissie van mening dat de argumenten van Jenkinson falen aangezien hij de punten 30, 31 en 35 van de bestreden beschikking niet heeft betwist en het Gerecht erop heeft gewezen dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uitsluitend met de Missie Eulex Kosovo, in haar hoedanigheid van „werkgever”, was gesloten, zodat alleen laatstgenoemde, die over de rechtsbevoegdheid beschikt om dergelijke contracten af te sluiten, als werkgever kan worden aangemerkt. Aan die overwegingen van het Gerecht kan niet worden afgedaan door de argumenten betreffende de vermeende subrogatie van de Missies waarbij rekwirant werkzaam was, door de drie betrokken instellingen.
29 Aangaande het derde onderdeel van het eerste middel wijst de Raad erop dat de duur van de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de rechten van rekwirant om de gewenste herkwalificatie van zijn positie voor de Belgische rechtbanken te verkrijgen, niet kan wijzigen en dat Jenkinson niet aantoont dat als gevolg van het in de laatste overeenkomst voor bepaalde tijd opgenomen bevoegdheidsbeding de in de voorgaande overeenkomsten vervatte bedingen waarbij de Belgische rechtbanken bevoegd zijn verklaard, zijn komen te vervallen, noch dat dit de bedoeling van de contractpartijen was.
30 Wat het tweede middel betreft, stelt de Raad dat hij bij geen van de door Jenkinson afgesloten overeenkomsten partij was en wijst hij erop dat de besluiten tot oprichting van de Missies alsmede de strategische leiding waarmee de Raad is belast, geen elementen bevat betreffende de specifieke contracten die met het personeel van de Missies zijn gesloten. De Raad is weliswaar bevoegd om te beslissen over een beperking van de omvang van een Missie op het gebied van crisisbeheersing, de eventuele opheffing ervan en het organigram van een Missie, maar hij beslist niet over de contractuele arbeidsvoorwaarden en de uitvoering ervan. De betwiste specifieke behandeling is dus niet het gevolg van een beslissing van de Raad en er zijn geen handelingen van de Raad ter discussie gesteld. Het staat namelijk vast dat de Missie Eulex Kosovo over de rechtsbevoegdheid beschikt en verantwoordelijk is voor alle uit de uitvoering van zijn mandaat voortvloeiende klachten en verplichtingen.
31 Aangaande het derde onderdeel van het eerste middel stelt de EDEO dat uit het verzoekschrift en de door Jenkinson aangevoerde argumenten blijkt dat hij zijn vorderingen baseert op zijn gehele arbeidsverhouding met de Missie Eulex Kosovo en, meer bepaald, op het niet-vernieuwen van zijn arbeidsovereenkomst, waarvan hij in de loop van de voorlaatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in kennis was gesteld. Het geding heeft dus geen betrekking op de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd maar op de daaraan voorafgaande contractuele relatie. Aangezien partijen het erover eens zijn dat alle eerdere arbeidsovereenkomsten een beding bevatten waarbij de rechterlijke bevoegdheid bij de Belgische rechtbanken wordt gelegd, heeft het Gerecht in geen enkel opzicht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts heeft Jenkinson niet uiteengezet op grond waarvan zijn eerdere overeenkomsten door de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zouden zijn gewijzigd.
32 De EDEO werpt tegen het tweede middel op dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat hij geen partij was bij de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
33 Aangaande het derde onderdeel van het eerste middel is de Missie Eulex Kosovo van mening dat, gelet op het feit dat alleen de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een beding bevatte waarbij de rechterlijke instanties van de Unie bevoegd werden verklaard, en dat dergelijke arbitragebedingen strikt moesten worden uitgelegd, het Gerecht in geen enkel opzicht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting toen het zich onbevoegd heeft verklaard voor de aanspraken van Jenkinson op basis van diens eerdere overeenkomsten. Er is geen enkele reden om de instemming van Jenkinson met de in de eerdere overeenkomsten opgenomen bedingen waarbij de Belgische rechtbanken bevoegd werden verklaard, achteraf in twijfel te trekken.
– Beoordeling door het Hof
34 Daar Jenkinson met de in het derde onderdeel van het eerste middel en in het tweede middel aangevoerde argumenten in wezen opkomt tegen de beoordeling van het Gerecht dat zijn bevoegdheid zich niet uitstrekt tot de overeenkomsten die voorafgingen aan de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht in de punten 23, 26 en 38 tot en met 40 van de bestreden beschikking met name heeft geoordeeld als volgt:
[...] Nu het voorliggende beroep is ingesteld op grond van artikel 272 VWEU, [is] het Gerecht enkel bevoegd [...] ten aanzien van de laatste overeenkomst op basis van het daarin opgenomen arbitragebeding. Het Gerecht is kennelijk onbevoegd om te oordelen over geschillen die zouden kunnen voortvloeien uit de uitvoering van de voorafgaand aan de laatste overeenkomst met verzoeker gesloten arbeidsovereenkomsten, waarin uitdrukkelijk de Belgische rechtbanken bevoegd worden verklaard, zodat het Gerecht kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het voorliggende beroep voor zover het betrekking heeft op de gevolgen van die overeenkomsten.
[...]
De reikwijdte van het bevoegdheidsbeding ten gunste van het Hof van Justitie van de Europese Unie is uitdrukkelijk beperkt tot geschillen met betrekking tot de laatste overeenkomst en kan niet worden uitgebreid tot de eerdere overeenkomsten waarin andere rechters bevoegd zijn verklaard.
[...]
De bevoegdheid van het Gerecht op grond van artikel 272 VWEU geldt enkel voor de laatste overeenkomst die tussen verzoeker en Eulex Kosovo is gesloten.
Ten eerste blijkt uit het voorgaande dat het Gerecht kennelijk onbevoegd is om te oordelen over het eerste deel van de primaire vorderingen. De eerste vordering, die ertoe strekt dat de gehele contractuele betrekking tussen verzoeker en de verschillende missies die zijn achtereenvolgende werkgevers zijn geweest, wordt geherkwalificeerd als overeenkomst voor onbepaalde tijd, veronderstelt dat rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgaande arbeidsovereenkomsten tussen die missies en verzoeker, waarin uitdrukkelijk de Belgische rechtbanken bevoegd zijn verklaard. Aangezien de bevoegdheid van het Gerecht zich beperkt tot de laatste overeenkomst, kan het op grond daarvan niet oordelen over deze vordering. Het Gerecht is ook kennelijk onbevoegd ten aanzien van de nevenvorderingen die ertoe strekken dat wordt vastgesteld dat verweerders hun verplichting tot opzegging in het kader van de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben geschonden, en dat zijn ontslag onrechtmatig is. Derhalve is het Gerecht ook kennelijk onbevoegd om te oordelen over de met die vorderingen samenhangende nevenvorderingen tot schadevergoeding die strekken tot vergoeding van de schade als gevolg van het misbruik van opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten, de schending van de verplichting tot opzegging en een onrechtmatig ontslag.
Ten tweede is het Gerecht kennelijk onbevoegd om te oordelen over het tweede deel van de primaire vorderingen, voor zover deze ertoe strekken dat wordt verklaard dat [...] de Raad, de Commissie en [de EDEO] verzoeker tijdens zijn dienstverband bij de [Missies] hebben gediscrimineerd op het punt van zijn beloning, zijn pensioenrechten en overige voordelen en dat hij als tijdelijke functionaris van een van hen had moeten worden aangeworven, en ertoe strekken dat hem de daaruit voortvloeiende schade wordt vergoed. Deze vorderingen zijn immers gericht tegen de Raad, de Commissie en de EDEO, die geen partij zijn bij de laatste overeenkomst, zodat deze vorderingen zien op eerdere contractuele betrekkingen waarvoor het Gerecht niet bevoegd is.”
35 Volgens artikel 274 VWEU zijn de geschillen waarin de Unie partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties, behoudens de bevoegdheid die bij de Verdragen aan het Hof wordt verleend.
36 Overeenkomstig artikel 272 VWEU is het Hof bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.
37 Artikel 256, lid 1, VWEU bepaalt dat het Gerecht bevoegd is in eerste aanleg kennis te nemen van, onder andere, de in artikel 272 VWEU bedoelde beroepen.
38 Gelet op deze bepalingen vormt de bevoegdheid van het Gerecht op grond van een arbitragebeding een afwijking van het gemene recht en moet zij derhalve beperkend worden uitgelegd (arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, EU:C:1986:501, punt 11 ).
39 Voorts is het zo dat, ook wanneer het Gerecht in het kader van een krachtens artikel 272 VWEU overeengekomen arbitragebeding het geschil met toepassing van het op de overeenkomst toepasselijke nationale recht heeft te beslechten, zijn bevoegdheid om kennis te nemen van een uit die overeenkomst voortvloeiend geschil uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van dat artikel en het arbitragebeding, zonder dat aan het Gerecht bepalingen van nationaal recht kunnen worden tegengeworpen die zijn bevoegdheid zouden uitsluiten (arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie, C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Hieruit volgt dat het Gerecht enkel kennis mag nemen van vorderingen die voortvloeien uit een door de Unie gesloten overeenkomst waarin een arbitragebeding is opgenomen, of van vorderingen die rechtstreeks verband houden met de verbintenissen uit die overeenkomst (zie in die zin arrest van 18 december 1986, Commissie/Zoubek, 426/85, EU:C:1986:501, punt 11 ).
41 Bijgevolg moet worden nagegaan of, anders dan het Gerecht heeft overwogen, de in de betrokken arbeidsovereenkomsten opgenomen arbitragebedingen het Gerecht bevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen die Jenkinson heeft ingediend in het kader van het beroep dat hij bij het Gerecht heeft ingesteld.
42 In dit verband staat het vast, zoals het Gerecht in de punten 21 en 22 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, dat alle voorafgaande arbeidsovereenkomsten tussen de Missies en rekwirant een beding bevatten dat uitdrukkelijk de rechtbanken van Brussel bevoegd verklaart voor geschillen die voortvloeien uit of verband houden met die overeenkomsten, en dat enkel de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uitdrukkelijk, in artikel 21, bepaalt dat geschillen die voortvloeien uit of verband houden met die overeenkomst, op grond van artikel 272 VWEU tot de bevoegdheid van het Hof behoren.
43 Hieruit volgt dat nu het beroep is ingesteld op grond van artikel 272 VWEU, het Gerecht in beginsel slechts bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die voortvloeien uit de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een rechtstreekse band hebben met de verbintenissen uit deze overeenkomst.
44 Zoals de advocaat-generaal in de punten 45 en 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Hof aangaande een arbeidsverhouding die vergelijkbaar is met die in het onderhavige geval, voor zover zij betrekking had op een reeks opeenvolgende arbeidsovereenkomsten die over een periode van vijftien jaar waren afgesloten en waarvan alleen de vier laatste overeenkomsten een arbitragebeding bevatten dat het Hof bevoegd verklaarde om te oordelen over alle geschillen betreffende de geldigheid, de uitlegging of de uitvoering van die overeenkomsten, echter geoordeeld dat het feit dat dit beding niet in de eerdere contracten voorkomt en dat er voor wat de eerste vijf jaren betreft, zelfs geen schriftelijke contracten bestaan, niet belet dat het Hof bij de beoordeling van de verhouding tussen de partijen, alle overeenkomsten die voorheen tussen hen hebben bestaan, in aanmerking kan nemen (arrest van 1 juli 1982, Porta/Commissie, 109/81, EU:C:1982:253, punt 10 ).
45 Hieruit volgt dat, anders dan het Gerecht in de punten 23, 26 en 38 tot en met 40 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, zijn bevoegdheid zich kan uitstrekken tot de eerdere arbeidsovereenkomsten die de rechtbanken van Brussel bevoegd verklaarden, mits het door Jenkinson ingestelde beroep vorderingen bevat die voortvloeien uit de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een rechtstreekse band hebben met de verbintenissen uit deze overeenkomst.
46 In dit verband heeft Jenkinson, zoals uit punt 10 van de bestreden beschikking blijkt, met de aangevoerde primaire vorderingen het Gerecht in wezen verzocht zijn gehele arbeidsverhouding als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te herkwalificeren en hem de rechten toe te kennen die volgens hem door een dergelijke herkwalificatie in het leven kunnen worden geroepen.
47 Aangezien de vorderingen van Jenkinson betrekking hebben op het bestaan van één en dezelfde doorlopende arbeidsverhouding die op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd berust, zoals de advocaat-generaal in punt 47 van zijn conclusie heeft opgemerkt, beogen zij echter de herkwalificatie van alle gesloten overeenkomsten en zijn zij gebaseerd op al die overeenkomsten, waaronder de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
48 Derhalve moet worden vastgesteld dat het door Jenkinson ingestelde beroep ook vorderingen bevat die voortvloeien uit de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
49 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het Gerecht in de punten 39 en 40 van de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich kennelijk onbevoegd te verklaren om te oordelen over de twee onderdelen van de primaire vordering, op grond dat voor Jenkinsons vorderingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de voorafgaande arbeidsovereenkomsten.
50 In het licht van de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak diende het Gerecht in casu immers na te gaan of, en in voorkomend geval in hoeverre, het bij zijn beoordeling van de vorderingen van Jenkinson rekening mocht houden met de voorafgaande arbeidsovereenkomsten.
51 Gelet op een en ander moeten het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel, die ter ondersteuning van de eerste vordering zijn aangevoerd, worden aanvaard, en dientengevolge moet de bestreden beschikking worden vernietigd, zonder dat de overige onderdelen van het eerste middel en het ter onderbouwing van de eerste vordering aangevoerde derde en vierde middel, die respectievelijk zien op de beoordeling door het Gerecht van subsidiair aangevoerde argumenten en de verdeling van de kosten in eerste aanleg, hoeven te worden onderzocht.
Tweede vordering van de hogere voorziening
52 Met zijn tweede vordering verzoekt Jenkinson het Hof om toewijzing van het beroep dat hij bij het Gerecht heeft ingesteld.
53 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat laatstgenoemde, ingeval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf kan afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
54 Anders dan Jenkinson beweert, is de zaak echter niet in staat van wijzen.
55 Aangezien het Gerecht enkel uitspraak heeft gedaan over zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van het beroep zonder in te gaan op de grond van de zaak, moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een zaak in beginsel immers niet in staat van wijzen is wat de grond van het bij het Gerecht ingestelde beroep betreft, wanneer het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard door een exceptie van niet-ontvankelijkheid te aanvaarden zonder deze bij de zaak ten gronde te voegen (arrest van 17 december 2009, M/EMEA, C‑197/09 RX‑II, EU:C:2009:804, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Het is inderdaad zo dat in bepaalde omstandigheden over een beroep ten gronde kan worden beslist hoewel de procedure in eerste aanleg werd beperkt tot een exceptie van niet-ontvankelijkheid die het Gerecht in eerste aanleg heeft aanvaard. Dat kan het geval zijn wanneer de vernietiging van het bestreden arrest of de bestreden beschikking noodzakelijkerwijs leidt tot een bepaalde oplossing met betrekking tot de grond van het betrokken beroep, of wanneer het onderzoek ten gronde van het beroep tot nietigverklaring berust op argumenten die partijen in het kader van de hogere voorziening hebben aangevoerd als gevolg van een redenering van de rechter in eerste aanleg (arrest van 17 december 2009, M/EMEA, C‑197/09 RX‑II, EU:C:2009:804, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 In casu is evenwel, zoals de Commissie terecht opmerkt, geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden waarin het Hof zelf over het beroep ten gronde kan beslissen.
58 Hieruit volgt dat de onderhavige zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht en dat de tweede vordering moet worden afgewezen.
Kosten
59 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
-
De beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2016, Jenkinson/Raad e.a. (T‑602/15, EU:T:2016:660 ), wordt vernietigd.
-
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
-
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen