Home

Zaak C-586/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 6 oktober 2017 — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, I., D.

Zaak C-586/17: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 6 oktober 2017 — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, I., D.

8.1.2018

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 5/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 6 oktober 2017 — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, I., D.

(Zaak C-586/17)

(2018/C 005/28)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, I.

Andere partij: D.

Prejudiciële vragen

1)

a)

Staat artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU(1) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (herschikking) […] gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de weg aan een systeem waarin de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken een door een vreemdeling voor het eerst bij hem in beroep aangevoerd asielmotief in beginsel niet bij de beoordeling van dat beroep mag betrekken?

b)

Maakt het daarbij uit of een daadwerkelijk nieuw asielmotief wordt aangevoerd, dat wil zeggen een reden om te vragen om internationale bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van ná het besluit van de beslissingsautoriteit op het verzoek om internationale bescherming, of een achtergehouden asielmotief, dat wil zeggen een reden om te vragen om internationale bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van vóór het besluit van de beslissingsautoriteit op het verzoek om internationale bescherming en die een vreemdeling hoewel deze bij hem bekend waren, verwijtbaar niet reeds in de bestuurlijke fase kenbaar maakte?

c)

Maakt het daarbij uit of het asielmotief wordt aangevoerd in het kader van een beroep bij de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken tegen een besluit van de beslissingsautoriteit op een eerste of een volgend verzoek om internationale bescherming?

2)

Als vraag 1)a) bevestigend wordt beantwoord, staat het Unierecht er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken ervoor kan kiezen om de behandeling van een voor het eerst bij hem in beroep aangevoerd asielmotief te verwijzen naar een nieuwe procedure bij de beslissingsautoriteit, om zo de goede procesorde in de rechterlijke procedure te waarborgen of om ontoelaatbare vertraging daarin te voorkomen?