Home

Zaak C-452/18: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 9 juli 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 3 de Teruel — Spanje) — XZ / Ibercaja Banco, SA (Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Hypothecaire leningsovereenkomst – Beding dat ertoe strekt de variabiliteit van het rentetarief te beperken (,bodemrentebeding’) – Schuldvernieuwingsovereenkomst – Afstand van het recht om rechtsvorderingen in te stellen tegen bedingen in een overeenkomst – Geen bindend karakter)

Zaak C-452/18: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 9 juli 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 3 de Teruel — Spanje) — XZ / Ibercaja Banco, SA (Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Hypothecaire leningsovereenkomst – Beding dat ertoe strekt de variabiliteit van het rentetarief te beperken (,bodemrentebeding’) – Schuldvernieuwingsovereenkomst – Afstand van het recht om rechtsvorderingen in te stellen tegen bedingen in een overeenkomst – Geen bindend karakter)

31.8.2020

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 287/2


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 9 juli 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 3 de Teruel — Spanje) — XZ / Ibercaja Banco, SA

(Zaak C-452/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Bescherming van de consument - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Hypothecaire leningsovereenkomst - Beding dat ertoe strekt de variabiliteit van het rentetarief te beperken (,bodemrentebeding’) - Schuldvernieuwingsovereenkomst - Afstand van het recht om rechtsvorderingen in te stellen tegen bedingen in een overeenkomst - Geen bindend karakter)

(2020/C 287/02)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 3 de Teruel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: XZ

Verwerende partij: Ibercaja Banco, SA

Dictum

1)

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen beding, waarvan het oneerlijke karakter in rechte kan worden vastgesteld, het voorwerp kan uitmaken van een schuldvernieuwingsovereenkomst tussen die verkoper en die consument waarbij laatstgenoemde afstand doet van de gevolgen die een oneerlijkverklaring van dat beding met zich zou brengen, mits die afstand is gebaseerd op vrije en geïnformeerde instemming van de consument, hetgeen aan de nationale rechter staat om na te gaan.

2)

Artikel 3, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument met het oog op de wijziging van een potentieel oneerlijk beding in een eerdere overeenkomst tussen hen of met het oog op de regeling van de gevolgen van het oneerlijke karakter van dat andere beding, zelf kan worden beschouwd als een beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, en in voorkomend geval oneerlijk kan worden verklaard.

3)

Artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13 moeten aldus worden uitgelegd dat het krachtens die bepalingen door de verkoper na te leven transparantievereiste inhoudt dat wanneer de verkoper met een consument een hypothecaire leningsovereenkomst sluit waarin een variabel rentetarief is overeengekomen en een bodemrentebeding is vastgelegd, de consument in staat moet worden gesteld, met name door de verstrekking van informatie over de evolutie in het verleden van de index op basis waarvan dat rentetarief wordt berekend, om de economische gevolgen die voor hem uit het door dat bodemrentebeding teweeggebrachte mechanisme voortvloeien, te begrijpen.

4)

Artikel 3, lid 1, juncto punt 1, onder q), van de bijlage bij richtlijn 93/13 en artikel 6, lid 1, van deze richtlijn moeten aldus worden uitgelegd dat

het beding dat in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument is vastgelegd met het oog op de beslechting van een bestaand geschil, waarbij de consument afstand doet van het recht om voor de nationale rechter rechtsvorderingen in te stellen die hij zonder dat beding had kunnen inroepen, als “oneerlijk” kan worden beschouwd, met name wanneer de consument niet beschikt over relevante informatie die hem in staat stelt de daaruit voor hem voortvloeiende rechtsgevolgen te begrijpen;

het beding waarbij diezelfde consument met betrekking tot toekomstige geschillen afstand doet van het recht om rechtsvorderingen in te stellen op basis van de rechten die hij ontleent aan richtlijn 93/13, de consument niet bindt.


(1)PB C 381 van 22.10.2018.