Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 28 november 2019
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 28 november 2019
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 28 november 2019
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 28 november 2019 – ABB/Commissie
(Zaak C‑593/18 P)(1)
"„Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Europese markt voor ondergrondse en onderzeese stroomkabels - Marktverdeling in verband met projecten - Bewijslast - Vermoeden van onschuld - Beginsel van gelijke behandeling”"
1. Hogere voorzieningMiddelenOnjuiste beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaalNiet-ontvankelijkheidToetsing door het Hof van de beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaalUitgesloten, behoudens het geval van een onjuiste opvattingNiet-inachtneming van de bewijsregelsRechtsvraag die in hogere voorziening kan worden opgeworpen
(Art. 256, lid 1, tweede alinea, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
(zie punten 28, 31, 37, 73‑75)
2. Gerechtelijke procedureAanvoeren van nieuwe middelen in de loop van het gedingVoorwaardenMiddel gebaseerd op gegevens waarvan in de loop van de behandeling is geblekenGeenMiddel dat voor het eerst ter terechtzitting wordt aangevoerdNiet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 127, lid 1)
(zie punt 33)
3. MededingingAdministratieve procedureBesluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteldBewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de CommissieOmvang van de bewijslastEén enkele voortdurende inbreukRechterlijke toetsingVerkeerde toepassing van de bewijsvereisten door het Gerecht
(Art. 101, 261 en 263 VWEU)
(zie punten 37‑46)
4. MededingingsregelingenVerbodInbreukenOvereenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk vormenToerekening van de aansprakelijkheid voor de gehele inbreuk aan een ondernemingVoorwaardenInbreuk opleverende gedragingen en handelingen die deel uitmaken van een totaalplanBeoordelingCriteriaBijdrage aan het enige doel van de inbreukKennis of voorzienbaarheid van het totaalplan van de mededingingsregeling en van de belangrijkste elementen daarvan
(Art. 101, lid 1, VWEU)
(zie punten 48‑53)
5. Hogere voorzieningMiddelenMiddel gericht tegen een overweging ten overvloedeFalend middelAfwijzing
(Art. 256, lid 1, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
(zie punten 58‑61)
6. Hogere voorzieningMiddelenMiddel dat voor het eerst wordt aangevoerd in hogere voorzieningNiet-ontvankelijkheid
(Art. 256, lid 1, tweede alinea, VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
(zie punt 63)
7. MededingingAdministratieve procedureBesluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteldBewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de CommissieOmvang van de bewijslastBewijs van het begin van de inbreukOnderneming, geadresseerde van een mededeling van punten van bezwaar, die de elementen rechtens of feitelijk in de loop van de administratieve procedure niet heeft betwistGevolgen
(Art. 101, lid 1, VWEU)
(zie punt 72)
8. MededingingAdministratieve procedureBesluit van de Commissie waarbij een inbreuk wordt vastgesteldBewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de CommissieOmvang van de bewijslastBewijs van het begin van de inbreukEerbiediging van het beginsel van vermoeden van onschuld
(Art. 101, lid 1, VWEU)
(zie punten 73‑78)
9. MededingingGeldboetenBedragVaststellingClementieregelsNiet-oplegging of vermindering van de geldboete in ruil voor de medewerking van de betrokken ondernemingBeginsel van gelijke behandelingDraagwijdteOnmogelijkheid voor een onderneming om de niet-discriminatoire toepassing te eisen van een onwettige behandeling die andere betrokken ondernemingen hebben gekregen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3; mededeling 2006/C 298/11 van de Commissie)
(zie punten 79‑87)
Dictum
1) Punt 1 van het dictum van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 juli 2018, ABB/Commissie (T‑445/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:449 ), waarbij het Gerecht is overgegaan tot verwerping van het door ABB Ltd en ABB AB ingestelde beroep dat ertoe strekte besluit C(2014) 2139 final van de Commissie van 2 april 2014 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak AT.39610 – Stroomkabels) nietig te verklaren voor zover die vennootschappen bij dat besluit aansprakelijk worden gesteld voor een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, welke inbreuk verband houdt met de collectieve weigering om toebehoren van ondergrondse stroomkabels met een spanning van minstens 110 kV en minder dan 220 kV te leveren, alsook punt 2 van het dictum van dat arrest worden vernietigd.
2) De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
3) Besluit C(2014) 2139 final wordt nietig verklaard voor zover ABB Ltd en ABB AB daarbij aansprakelijk worden gesteld voor een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, welke inbreuk verband houdt met de collectieve weigering om toebehoren van ondergrondse stroomkabels met een spanning van minstens 110 kV en minder dan 220 kV te leveren.
4) ABB Ltd, ABB AB en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten die verband houden met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.