Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 14 januari 2021
Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 14 januari 2021
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 14 januari 2021
Uitspraak
Beschikking van het Hof (Tiende kamer) van 14 januari 2021 – UC en TD (Vormgebreken in het geschrift dat de tenlastelegging bevat)
(zaak C‑769/19)(1)
"„Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Justitiële samenwerking in strafzaken - Richtlijn 2012/13/EU - Recht op informatie in strafprocedures - Artikel 6 - Recht van verdachten of beklaagden om in kennis te worden gesteld van hun rechten - Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn - Nationale wettelijke regeling op grond waarvan de gerechtelijke procedure wordt beëindigd ingeval de rechter vaststelt dat het geschrift dat de tenlastelegging bevat vormgebreken vertoont - Terugverwijzing van de zaak naar de openbare aanklager voor het opstellen van een nieuwe tenlastelegging - Toelaatbaarheid”"
Justitiële samenwerking in strafzakenRecht op informatie in strafproceduresRichtlijn 2012/13Recht om informatie te ontvangen over de ingebrachte beschuldigingRecht om binnen een redelijke termijn te worden berechtNationale regeling op grond waarvan de gerechtelijke procedure wordt beëindigd indien het geschrift dat de tenlastelegging bevat en dat het geding inleidt, vormgebreken vertoontVerplichting om de zaak terug te verwijzen naar de openbare aanklager opdat deze een nieuw geschrift dat de tenlastelegging bevat opsteltToelaatbaarheid
(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; richtlijn 2012/13 van het Europees Parlement en de Raad, art. 6, leden 1, 3 en 4)
(punten 43‑53, 56, 59 en dictum)
Dictum
Artikel 6, leden 1, 3, en 4, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alsmede het beginsel van voorrang van het Unierecht en het recht op eerbiediging van de menselijke waardigheid moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die, in geval van een tenlastelegging die gebreken vertoont in die zin dat de inhoud ervan onduidelijk, onvolledig of tegenstrijdig is, in geen enkel geval de mogelijkheid biedt tot herstel van die gebreken door middel van correcties door de openbare aanklager tijdens de preliminaire terechtzitting gedurende welke die gebreken zijn vastgesteld, en die de rechter verplicht om de gerechtelijke procedure te beëindigen en de zaak terug te verwijzen naar de openbare aanklager opdat deze een nieuwe tenlastelegging opstelt.