Home

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 22 februari 2022

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 22 februari 2022

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
22 februari 2022

Uitspraak

Arrest van het Hof (Grote kamer)

22 februari 2022(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk asielbeleid - Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming - Richtlijn 2013/32/EU - Artikel 33, lid 2, onder a) - Niet-ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming dat in een lidstaat is ingediend door een derdelander die in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft verkregen, terwijl het minderjarige kind van die derdelander, dat de subsidiairebeschermingsstatus geniet, in de eerste lidstaat verblijft - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 7 - Recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven - Artikel 24 - Belangen van het kind - Geen schending van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten wegens de niet-ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming - Richtlijn 2011/95/EU - Artikel 23, lid 2 - Verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat het gezin van personen die internationale bescherming genieten in stand wordt gehouden”"

In zaak C‑483/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 30 juni 2020, ingekomen bij het Hof op 29 september 2020, in de procedure

XXXX

tegen

Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen,

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Arabadjiev, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, S. Rodin, I. Jarukaitis en J. Passer (rapporteur), kamerpresidenten, J-C. Bonichot, M. Safjan, F. Biltgen, P. G. Xuereb, N. Piçarra, L. S. Rossi en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, M. Van Regemorter en C. Pochet als gemachtigden,

    • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en L. Grønfeldt als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 september 2021,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), de artikelen 2, 20, 23 en 31 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9), alsmede artikel 25, lid 6, en artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen XXXX en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (België; hierna: „CGVS”) over de afwijzing van een in België ingediend verzoek om internationale bescherming.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 Artikel 1, onder A, punt 2, van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967 (hierna: „Verdrag van Genève”), bepaalt:

„Voor de toepassing van [het Verdrag van Genève] geldt als ‚vluchteling’ elke persoon:

[...]

  1. „die [zich], [...] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, [...] bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

    Indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, betekent de term ‚het land waarvan hij de nationaliteit bezit’ elk van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van een van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept.”

Unierecht

Richtlijn 2011/95

4 In de overwegingen 8, 9, 12, 18 en 39 van richtlijn 2011/95 staat te lezen:

  • „(8) In het Europees pact over immigratie en asiel, dat op 15 en 16 oktober 2008 werd goedgekeurd, constateerde de Europese Raad dat er tussen de lidstaten nog altijd grote verschillen bestaan wat het verlenen en de vormen van bescherming betreft, en drong hij aan op nieuwe initiatieven om de in het Haags programma opgenomen invoering van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel te voltooien en op die manier een hoger beschermingsniveau te bieden.

  • (9) In het programma van Stockholm heeft de Europese Raad herhaald zich te blijven inspannen om uiterlijk in 2012 te zorgen voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke en solidaire ruimte waarin bescherming wordt geboden, op basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen aan wie internationale bescherming wordt verleend, in overeenstemming met artikel 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

  • [...]

  • (12) Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.

  • [...]

  • (18) Het ‚belang van het kind’ dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten te zijn, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.

  • [...]

  • (39) Bij het beantwoorden van de oproep in het programma van Stockholm om een uniforme status in te voeren voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, dienen aan personen met de subsidiairebeschermingsstatus, behalve in noodzakelijke en objectief gerechtvaardigde gevallen, dezelfde rechten en voordelen te worden toegekend als de rechten die vluchtelingen krachtens deze richtlijn genieten, en dienen voor hen dezelfde voorwaarden te gelden.”

  • 5 Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt:

    „In deze richtlijn gelden de volgende definities:

    [...]

    1. ‚gezinsleden’: voor zover het gezin reeds bestond in het land van herkomst, de volgende leden van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet, die in verband met het verzoek om internationale bescherming in dezelfde lidstaat aanwezig zijn:

      • de echtgenoot van de persoon die internationale bescherming geniet of diens niet-gehuwde partner met wie hij een duurzame relatie onderhoudt, indien het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat ongehuwde paren krachtens zijn recht inzake onderdanen van derde landen op een vergelijkbare wijze behandelt als gehuwde paren;

      • de minderjarige kinderen van de bij het eerste gedachtestreepje bedoelde paren of de persoon die internationale bescherming geniet, mits zij ongehuwd zijn, ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen zijn;

      • de vader, moeder of een andere volwassene die volgens het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat verantwoordelijk is voor de persoon die internationale bescherming geniet, indien deze persoon minderjarig en ongehuwd is;

    [...]”

    6 Hoofdstuk VII van richtlijn 2011/95, „Kenmerken van de internationale bescherming”, omvat de artikelen 20 tot en met 35.

    7 Artikel 20 van deze richtlijn, „Algemene bepalingen”, bepaalt in lid 5:

    „Bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op minderjarigen, laten de lidstaten zich primair leiden door het belang van het kind.”

    8 Artikel 23 van die richtlijn, „Instandhouding van het gezin”, luidt:

    „1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.

    2.

    De lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid.

    3.

    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer het gezinslid op grond van de hoofdstukken III en V uitgesloten is van internationale bescherming.

    4.

    Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de lidstaten de daarin bedoelde rechten weigeren, beperken of intrekken om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.

    5.

    De lidstaten kunnen besluiten dat dit artikel ook geldt voor andere naaste verwanten die ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst deel uitmaakten van het gezin van de persoon die internationale bescherming geniet, en die op dat tijdstip volledig of grotendeels te zijnen laste kwamen.”

    Richtlijn 2013/32

    9 Overweging 43 van richtlijn 2013/32 luidt als volgt:

  • „De lidstaten moeten alle verzoeken onderzoeken op de inhoud, met andere woorden beoordelen of de betrokken verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU, behoudens andere bepalingen in onderhavige richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen of voldoende bescherming zal verlenen. De lidstaten dienen met name niet te worden verplicht de inhoud van een verzoek om internationale bescherming te beoordelen indien een eerste land van asiel de verzoeker de vluchtelingenstatus of anderszins voldoende bescherming heeft verleend en indien de verzoeker opnieuw in dat land zal worden toegelaten.”

  • 10 Artikel 33 van deze richtlijn, „Niet-ontvankelijke verzoeken”, bepaalt:

    „1.

    Naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening (EU) [nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31)], zijn de lidstaten niet verplicht te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht.

    2.

    De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:

    1. een andere lidstaat internationale bescherming heeft toegekend;

    [...]”

    Belgisch recht

    11 Artikel 57/6, § 3, eerste alinea, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), waarbij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 is omgezet, luidt als volgt:

    „De [CGVS] kan een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaren wanneer:

    [...]

    3° de verzoeker reeds internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie;

    [...]”

    Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

    12 Na op 1 december 2015 in Oostenrijk de vluchtelingenstatus te hebben verkregen, is verzoeker in het hoofdgeding begin 2016 naar België verhuisd om zich bij zijn twee dochters, van wie er één minderjarig was, te voegen. Op 14 december 2016 werd aan zijn dochters subsidiaire bescherming toegekend in België. De Belgische Staat heeft erkend dat verzoeker in het hoofdgeding het ouderlijk gezag heeft over het minderjarige kind, maar hij heeft geen recht van verblijf in die staat.

    13 Op 14 juni 2018 heeft verzoeker in het hoofdgeding in België een verzoek om internationale bescherming ingediend. Op 11 februari 2019 heeft de CGVS dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 57/6, § 3, eerste alinea, 3°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat aan de betrokkene reeds internationale bescherming was toegekend in een andere lidstaat.

    14 Bij arrest van 8 mei 2019 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) het beroep van verzoeker in het hoofdgeding tegen dit besluit verworpen.

    15 Op 21 mei 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding cassatieberoep tegen dit arrest ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij stelt dat de eerbiediging van het beginsel van de eenheid van het gezin en de inachtneming van het belang van het kind zich in de omstandigheden van het hoofdgeding ertegen verzetten dat de Belgische Staat gebruikmaakt van de bevoegdheid om zijn verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren. Hij preciseert dat de omstandigheid dat hem in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus is toegekend, er niet aan in de weg staat dat hij zich tegen dit besluit verweert met een beroep op het beginsel van de eenheid van het gezin, aangezien deze status hem niet toestaat om met zijn minderjarige kind samen te leven in de lidstaat waar dat kind subsidiaire bescherming geniet.

    16 Volgens de CGVS is het beginsel van de eenheid van het gezin in casu niet van toepassing, aangezien noch verzoeker in het hoofdgeding noch zijn dochters de bescherming wordt ontnomen. Voorts kan het belang van het kind als zodanig niet de ontvankelijkheid van een verzoek om bescherming rechtvaardigen.

    17 De verwijzende rechter vraagt zich af of, in omstandigheden waarin de beginselen van de eenheid van het gezin en van inachtneming van het belang van het kind worden ingeroepen, het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat gebruikmaakt van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren.

    18 In die omstandigheden heeft de Raad van State (België) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

    „Verzet het [Unierecht], met name de artikelen 18 en 24 van het [Handvest], de artikelen 2, 20, 23 en 31 van richtlijn [2011/95] en artikel 25, lid 6, van richtlijn [2013/32], zich ertegen dat een lidstaat, door gebruik te maken van de door artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn [2013/32] verleende bevoegdheid, een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaart op grond dat een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft toegekend, wanneer de verzoeker de vader is van een niet-begeleid minderjarig kind dat in eerstgenoemde lidstaat bescherming heeft gekregen, hij het enige lid van het gezin is dat bij het kind aanwezig is, hij met het kind samenleeft en door deze lidstaat is erkend dat hij het ouderlijk gezag over het kind heeft? Vereisen de beginselen van de eenheid van het gezin en van de eerbiediging van het belang van het kind niet integendeel dat deze ouder bescherming wordt verleend door de lidstaat waar zijn kind bescherming geniet?”

    Procedure bij het Hof

    19 Bij brief van 10 december 2020 heeft de Belgische regering het Hof meegedeeld dat verzoeker in het hoofdgeding op 4 november 2020 een nieuw verzoek om internationale bescherming had ingediend en dat zij zich afvroeg of het in die omstandigheden van belang is dat het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt gehandhaafd.

    20 Naar aanleiding van deze informatie heeft de griffie van het Hof de verwijzende rechter bij brief van 20 januari 2021 verzocht om zijn opmerkingen dienaangaande.

    21 Bij brief van 11 februari 2021 heeft de verwijzende rechter het Hof meegedeeld dat hij de prejudiciële verwijzing wenste te handhaven.

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    22 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat gebruikmaakt van de door deze bepaling geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat de vluchtelingenstatus reeds door een andere lidstaat aan de verzoeker is toegekend, wanneer die verzoeker de vader is van een niet-begeleid minderjarig kind dat in eerstgenoemde lidstaat subsidiaire bescherming geniet, hij het enige gezinslid is dat bij het kind aanwezig is, hij met het kind samenleeft en door deze lidstaat is erkend dat hij het ouderlijk gezag over het kind heeft.

    23 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 33, lid 1, van richtlijn 2013/32 de lidstaten, naast de gevallen waarin een verzoek niet in behandeling wordt genomen overeenkomstig verordening nr. 604/2013, niet verplicht zijn te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95, indien een verzoek krachtens dit artikel niet-ontvankelijk wordt geacht. Artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32 geeft een limitatieve opsomming van de situaties waarin de lidstaten een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk kunnen beschouwen [arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Een van die situaties, genoemd in lid 2, onder a), van dat artikel, is die waarin een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft toegekend.

    24 Uit de bewoordingen van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 volgt dus dat de lidstaten niet verplicht zijn om na te gaan of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van richtlijn 2011/95 wanneer een dergelijke bescherming reeds in een andere lidstaat is gewaarborgd.

    25 Deze uitlegging beantwoordt bovendien aan het doel van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, dat, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, erin bestaat om de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, te verlichten door te omschrijven in welke gevallen een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk wordt geacht [arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa), C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

    26 De verwijzende rechter vraagt zich niettemin af of er eventueel uitzonderingen zijn op de krachtens deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid om niet na te gaan of de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, welke uitzonderingen in wezen zouden kunnen worden gerechtvaardigd door het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de noodzaak om rekening te houden met de belangen van het kind, zoals verankerd in respectievelijk artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest.

    27 In dit verband moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat het Unierecht steunt op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen, zoals is bepaald in artikel 2 VEU. Deze premisse impliceert en rechtvaardigt dat de lidstaten er onderling op vertrouwen dat de andere lidstaten deze waarden erkennen en het Unierecht, dat deze waarden ten uitvoer brengt, dus in acht nemen, en dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de in het Handvest erkende grondrechten, met name in de artikelen 1 en 4 van het Handvest, waarin een van de fundamentele waarden van de Unie en haar lidstaten is vastgelegd (arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak), namelijk die van menselijke waardigheid, die onder meer het verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen omvat.

    28 Het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is in het Unierecht van wezenlijk belang, met name op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht die de Unie tot stand brengt en in het kader waarvan zij er, overeenkomstig artikel 67, lid 2, VWEU, voor zorgt dat aan de binnengrenzen geen personencontroles worden verricht en een gemeenschappelijk beleid op het gebied van asiel, immigratie en controle aan de buitengrenzen ontwikkelt, dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten en dat billijk is ten aanzien van derdelanders. Op dit gebied vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, met name, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    29 Bijgevolg moet in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit is met name het geval bij de toepassing van artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, dat in het kader van de bij die richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke asielprocedure een uitdrukking van het beginsel van wederzijds vertrouwen vormt (arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    30 Toch kan niet worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, waardoor een ernstig risico ontstaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    31 Uit de punten 29 en 30 van het onderhavige arrest volgt dat de autoriteiten van een lidstaat de hun bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid niet kunnen uitoefenen wanneer zij – op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten – tot de conclusie zijn gekomen dat er in de lidstaat waar de derdelander reeds internationale bescherming geniet sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen personen raken, en dat er, gelet op deze tekortkomingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat deze derdelander een reëel gevaar zal lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest (zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punten 85‑90 , en  19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 92 ).

    32 Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 verzet zich er daarentegen niet tegen dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker reeds in een andere lidstaat internationale bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die internationale bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. De omstandigheid dat personen die een dergelijke bescherming genieten, in die lidstaat geen enkele uitkering of verstrekking ter waarborging van een bestaansminimum ontvangen dan wel uitkeringen of verstrekkingen ontvangen die duidelijk beperkter zijn dan die welke in andere lidstaten worden geboden, zonder dat zij evenwel anders worden behandeld dan de onderdanen van die lidstaat, kan alleen leiden tot de vaststelling van een schending van dat artikel 4 wanneer de verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, en buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punten 89, 90 en 101).

    33 In casu, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om uitspraak te doen over de feiten van het hoofdgeding, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet dat dit het geval zou kunnen zijn voor de levensomstandigheden van verzoeker in het hoofdgeding in Oostenrijk. Onverminderd die verificatie door de verwijzende rechter, blijkt uit alle gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt veeleer dat het door verzoeker in het hoofdgeding in België ingediende verzoek om internationale bescherming niet is ingegeven door een behoefte aan internationale bescherming als zodanig, aangezien hier reeds aan is voldaan in Oostenrijk, maar door zijn wens om in België de eenheid van zijn gezin te verzekeren.

    34 Bijgevolg is de situatie van verzoeker in het hoofdgeding niet van dien aard dat de lidstaten op grond daarvan verplicht zouden zijn om, in lijn met de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a. (C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219 ), bij wijze van uitzondering geen gebruik te maken van de hun bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren.

    35 In de tweede plaats moet evenwel worden bepaald of artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest eraan in de weg staan dat in de in punt 22 van het onderhavige arrest beschreven omstandigheden gebruik wordt gemaakt van de bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 aan een lidstaat geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet‑ontvankelijk te verklaren op grond dat die bescherming reeds aan de verzoeker is toegekend door een andere lidstaat.

    36 De schending van een bepaling van Unierecht waarbij de begunstigden van internationale bescherming een materieel recht wordt toegekend, die niet leidt tot een schending van artikel 4 van het Handvest, belet de lidstaten niet – zelfs gesteld dat eerstbedoelde schending is aangetoond – om gebruik te maken van de bij artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32 geboden mogelijkheid (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Ibrahim e.a., C‑297/17, C‑318/17, C‑319/17 en C‑438/17, EU:C:2019:219, punt 92 ). Anders dan de in artikel 4 van het Handvest verankerde bescherming tegen onmenselijke en vernederende behandeling, hebben de door de artikelen 7 en 24 van het Handvest gewaarborgde rechten geen absoluut karakter en kunnen zij dus worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

    37 Een dergelijke uitlegging maakt het immers mogelijk om de eerbiediging te verzekeren van het beginsel van wederzijds vertrouwen waarop het Europees asielstelsel is gebaseerd en dat in artikel 33, lid 2, onder a), wordt geconcretiseerd, zoals is benadrukt in punt 29 van het onderhavige arrest.

    38 Voorts verwijst de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing ook naar artikel 23 van richtlijn 2011/95, en met name naar lid 2 daarvan.

    39 Hoewel deze bepaling niet voorziet in de mogelijkheid om de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus als afgeleid recht uit te breiden tot de gezinsleden van een persoon aan wie deze status is toegekend – zodat in casu de omstandigheid dat de twee dochters van verzoeker in het hoofdgeding subsidiaire bescherming genieten, niet betekent dat hij op die enkele grond in diezelfde lidstaat internationale bescherming moet genieten – verplicht die bepaling de lidstaten uitdrukkelijk om ervoor te zorgen dat de eenheid van het gezin wordt gehandhaafd, door de gezinsleden van de begunstigde van internationale bescherming bepaalde voordelen te bieden [zie in die zin arrest van 9 november 2021, Bundesrepublik Deutschland (Instandhouding van het gezin), C‑91/20, EU:C:2021:898, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Voor de toekenning van deze in de artikelen 24 tot en met 35 van richtlijn 2011/95 bedoelde voordelen, waaronder met name een verblijfsrecht, moet zijn voldaan aan drie voorwaarden in verband met, ten eerste, de hoedanigheid van gezinslid in de zin van artikel 2, onder j), van deze richtlijn, ten tweede, het feit dat het betrokken gezinslid zelf niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van internationale bescherming, en, ten derde, de verenigbaarheid met de persoonlijke juridische status van dat gezinslid.

    40 Ten eerste staat de omstandigheid dat de ouder en zijn minderjarige kind verschillende migratieroutes hebben afgelegd alvorens te zijn herenigd in de lidstaat waar het kind internationale bescherming geniet, niet eraan in de weg dat de ouder wordt beschouwd als gezinslid van dat kind in de zin van artikel 2, onder j), van richtlijn 2011/95, mits die ouder aanwezig was op het grondgebied van die lidstaat voordat een beslissing werd genomen over het verzoek om internationale bescherming van zijn kind [zie in die zin arrest van 9 september 2021, Bundesrepublik Deutschland (Gezinslid), C‑768/19, EU:C:2021:709, punten 15, 16, 51 en 54].

    41 Ten tweede, gelet op de doelstelling van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95, te weten te waarborgen dat het gezin van de begunstigden van internationale bescherming in stand wordt gehouden, en voorts gelet op het feit dat de bepalingen van richtlijn 2011/95 moeten worden uitgelegd in het licht van artikel 7 en artikel 24, leden 2 en 3, van het Handvest [arrest van 9 september 2021, Bundesrepublik Deutschland (Gezinslid), C‑768/19, EU:C:2021:709, punt 38 ], moet worden vastgesteld dat een derdelander wiens verzoek om internationale bescherming in de lidstaat waar zijn minderjarige kind internationale bescherming geniet, niet-ontvankelijk is en dus is afgewezen omdat hem reeds in een andere lidstaat de vluchtelingenstatus is toegekend, zelf niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van internationale bescherming in de eerste lidstaat, waardoor in deze lidstaat voor die derdelander het recht ontstaat op toekenning van de in de artikelen 24 tot en met 35 van richtlijn 2011/95 bedoelde voordelen.

    42 Ten derde moet krachtens artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95 de toekenning van dergelijke voordelen evenwel verenigbaar zijn met de juridische status van de betrokken derdelander.

    43 In dit verband volgt uit het arrest van 9 november 2021, Bundesrepublik Deutschland (Instandhouding van het gezin) (C‑91/20, EU:C:2021:898, punt 54 ), dat dit voorbehoud impliceert dat wordt onderzocht of de betrokken derdelander, die gezinslid is van een persoon die internationale bescherming geniet, in de lidstaat die deze bescherming heeft verleend reeds recht heeft op een betere behandeling dan die welke voortvloeit uit de in de artikelen 24 tot en met 35 van richtlijn 2011/95 bedoelde voordelen. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt dit in casu niet het geval te zijn, omdat de toekenning van de vluchtelingenstatus in een lidstaat in beginsel niet meebrengt dat de begunstigde daarvan in een andere lidstaat beter zal worden behandeld dan op grond van toekenning van de in de artikelen 24 tot en met 35 van richtlijn 2011/95 bedoelde voordelen in die andere lidstaat.

    44 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat gebruikmaakt van de door deze bepaling geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat de vluchtelingenstatus reeds door een andere lidstaat aan de verzoeker is toegekend, wanneer die verzoeker de vader is van een niet-begeleid minderjarig kind dat in eerstgenoemde lidstaat subsidiaire bescherming geniet, zulks evenwel onverminderd de toepassing van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95.

    Kosten

    45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 33, lid 2, onder a), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een lidstaat gebruikmaakt van de door deze bepaling geboden mogelijkheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat de vluchtelingenstatus reeds door een andere lidstaat aan de verzoeker is toegekend, wanneer die verzoeker de vader is van een niet-begeleid minderjarig kind dat in eerstgenoemde lidstaat subsidiaire bescherming geniet, zulks evenwel onverminderd de toepassing van artikel 23, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

    ondertekeningen