„Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‚principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.”
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 oktober 2022
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 13 oktober 2022
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2022
Uitspraak
Arrest van het Hof (Derde kamer)
13 oktober 2022(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 86/653/EEG - Artikel 7, lid 1, onder b) - Zelfstandige handelsagenten - Transactie met een derde die in een eerder stadium door de handelsagent als klant was aangebracht - Beloning - Dwingend of aanvullend karakter van het recht van de agent op de provisie”"
In zaak C‑64/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 17 september 2020, ingekomen bij het Hof op 2 februari 2021, in de procedure
Rigall Arteria Management sp. z o.o. sp.k.
tegenBank Handlowy w Warszawie S.A.,
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen, M. Safjan, N. Piçarra en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 maart 2022,
gelet op de opmerkingen van:
-
Rigall Arteria Management sp. z o.o. sp.k., vertegenwoordigd door M. Skrycki, adwokat, en A. Springer, radca prawny,
-
Bank Handlowy w Warszawie S.A., vertegenwoordigd door G. Pietras en M. Rzepka, adwokaci,
-
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
-
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, U. Bartl, J. Heitz en M. Hellmann als gemachtigden,
-
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Pucciariello, avvocato dello Stato,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Armati, S. L. Kalėda en B. Sasinowska als gemachtigden,
-
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB 1986, L 382, blz. 17).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Rigall Arteria Management sp. z o.o. sp.k. en Bank Handlowy w Warszawie S.A. (hierna: „Bank Handlowy”) over de verstrekking van de informatie die nodig is om eerstgenoemde in staat te stellen de provisie te berekenen die haar verschuldigd zou zijn in verband met de overeenkomsten die Bank Handlowy heeft gesloten met klanten die in een eerder stadium door Rigall Arteria Management waren aangebracht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De tweede en de derde overweging van richtlijn 86/653 luiden als volgt:
„Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie.”
4 Artikel 1, lid 2, van de richtlijn bepaalt:
5 Hoofdstuk III van deze richtlijn heeft als opschrift „Beloning”. Het bevat de artikelen 6 tot en met 12. In artikel 6 wordt bepaald:
„1.Bij gebreke van een overeenkomst ter zake tussen de partijen en onverminderd de toepassing van de dwingende bepalingen van de lidstaten inzake beloningen, heeft de handelsagent recht op een beloning overeenkomstig de in de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht geldende gebruiken bij de vertegenwoordiging van de goederen waarop de agentuurovereenkomst betrekking heeft, bij het ontbreken van dergelijke gebruiken heeft de handelsagent recht op een redelijke beloning waarbij rekening wordt gehouden met alle op de transactie betrekking hebbende elementen.
2.Alle elementen van de beloning die variëren naar gelang van het aantal zaken of de waarde daarvan, worden geacht een provisie te zijn in de zin van deze richtlijn.
3.De artikelen 7 tot en met 12 zijn niet van toepassing, voor zover de handelsagent niet geheel of gedeeltelijk op provisiebasis wordt beloond.”
6 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
„Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie:
indien de transactie is gesloten dankzij zijn optreden,
of
indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie.”
7 In artikel 10 van richtlijn 86/653 wordt bepaald:
„1.De provisie is verschuldigd zodra en voor zover een van de volgende omstandigheden zich voordoet:
de principaal heeft de transactie uitgevoerd,
de principaal had de transactie krachtens de overeenkomst met de derde moeten uitvoeren,
de derde heeft de transactie uitgevoerd.
2.De provisie is uiterlijk verschuldigd wanneer de derde zijn deel van de transactie heeft uitgevoerd, of dit zou hebben moeten doen, indien de principaal zijn deel van de transactie had uitgevoerd.
3.De provisie wordt uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op het kwartaal waarin zij verschuldigd is geworden, betaald.
4.Van de leden 2 en 3 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.”
8 Artikel 11 van deze richtlijn bepaalt:
„1.Het recht op provisie kan slechts vervallen indien en voor zover:
vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd en
de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal te wijten zijn.
2.Provisie die de handelsagent reeds heeft ontvangen, wordt terugbetaald als het desbetreffende recht is vervallen.
3.Van lid 1 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.”
9 In artikel 12 van deze richtlijn wordt bepaald:
„1.De principaal verstrekt de handelsagent een opgave van de verschuldigde provisies en wel uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op het kwartaal waarin de provisie verschuldigd is geworden. Deze opgave omvat alle van belang zijnde gegevens op grond waarvan de provisiebedragen zijn berekend.
2.De handelsagent heeft het recht te verlangen dat hem alle gegevens worden verstrekt waarover de principaal beschikt, in het bijzonder uittreksels uit de boekhouding, indien de agent deze nodig heeft om na te gaan hoeveel provisie hem verschuldigd is.
3.Van de leden 1 en 2 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.
[…]”
Pools recht
10 Artikel 7, lid 1, van richtlijn 86/653 is in Pools recht omgezet bij artikel 761, lid 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. van 2019, volgnr. 1145) (hierna: „burgerlijk wetboek”). Deze bepaling luidt:
„De agent kan een provisie eisen voor de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten overeenkomsten, indien deze zijn gesloten als gevolg van zijn activiteiten of met klanten die in een eerder stadium door hem zijn aangebracht voor een dergelijk soort overeenkomsten.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11 Rigall Arteria Management en Bank Handlowy waren tussen 1 juni 1999 en 30 juni 2015 gebonden door agentuurovereenkomsten. De laatste van deze overeenkomsten had de vorm van een raamovereenkomst, aangevuld met specifieke agentuurovereenkomsten. De tussen partijen in het hoofdgeding gesloten overeenkomsten hadden betrekking op de uitvoering van een activiteit van financiële bemiddeling, waaronder bemiddeling bij de uitoefening van neven- en promotieactiviteiten in verband met diensten betreffende en de aanschaf van creditcards, alsmede met andere door Bank Handlowy aangeboden financiële diensten.
12 Deze overeenkomsten vermeldden de wijze van beloning van de handelsagent en lieten de berekening ervan met name afhangen van het aantal gesloten overeenkomsten. In de meeste gevallen ging het om een bepaald bedrag per uitgegeven creditcard of positief beoordeelde kredietaanvraag. Geen van deze overeenkomsten voorzag in een andere vorm van beloning dan de provisie welke verschuldigd was uit hoofde van de overeenkomsten die met rechtstreekse tussenkomst van de agent waren gesloten. Bovendien had de agent na afloop van de agentuurovereenkomst recht op een compenserende betaling waarvan het bedrag in de overeenkomst was vastgesteld. In deze overeenkomst was ook bepaald dat dit bedrag de volledige omvang zou dekken van de compenserende vergoeding waarop de agent recht had.
13 Nadat Bank Handlowy de raamovereenkomst op 17 december 2014, had beëindigd, heeft Rigall Arteria Management die bank verzocht informatie te verstrekken over de provisie die haar verschuldigd was voor de periode van 1 juni 1999 tot en met 31 januari 2015. In antwoord op herhaalde verzoeken heeft Bank Handlowy aangevoerd dat de tot dan toe verstrekte informatie het mogelijk maakte de totale beloning die uit hoofde van de gesloten agentuurovereenkomst was verschuldigd te berekenen, zodat er geen reden was om nadere informatie te verstrekken. Bank Handlowy stelde voorts dat de gevraagde informatie onder het bankgeheim viel.
14 Rigall Arteria Management heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) verzocht de bekendmaking te gelasten van de informatie die nodig was om het bedrag van de provisie te berekenen die voor de duur van de overeenkomst verschuldigd was.
15 De Sąd Okręgowy w Warszawie heeft die vordering bij vonnis van 20 juni 2016 afgewezen op grond dat de verklaringen van de principaal tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst volledig waren geweest en de agent geen bezwaar had gemaakt tegen de hoogte van de door de principaal berekende provisie. Deze rechterlijke instantie heeft voorts geoordeeld dat uit de bewoordingen van de overeenkomsten tussen partijen niet bleek dat de agent gerechtigd was provisie te eisen voor de overeenkomsten die de bank had gesloten met klanten die in een eerder stadium door de agent waren aangebracht. Zij bevestigde ook het standpunt van Bank Handlowy dat een deel van de door de agent gevraagde informatie onder het bankgeheim viel.
16 De Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) heeft het hoger beroep van Rigall Arteria Management bij arrest van 28 februari 2018 verworpen. Hij heeft de argumentatie van de rechter in eerste aanleg in essentie bevestigd. Voorts heeft hij geoordeeld dat de vordering van Rigall Arteria Management slechts gerechtvaardigd was voor zover de agent aanspraak kon maken op betaling van het soort beloning waarop de gevraagde informatie betrekking had. De rechter in hoger beroep was van oordeel dat een dergelijke situatie zich in de omstandigheden van het onderhavige geval niet voordeed.
17 Volgens de Sąd Apelacyjny w Warszawie is de beloning voor overeenkomsten met klanten die in een eerder stadium door een agent zijn aangebracht overeenkomstig artikel 761, lid 1, van het burgerlijk wetboek, gebaseerd op een regeling van aanvullend recht. Volgens deze rechter bleek zowel uit het ontbreken van een verwijzing naar deze vorm van provisie in de tekst van de overeenkomst als uit de handelwijze van partijen tijdens de uitvoering ervan, dat deze partijen het recht van de agent op de betrokken provisie impliciet hadden uitgesloten.
18 Rigall Arteria Management heeft tegen het arrest van de Sąd Apelacyjny w Warszawie cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen), in casu de verwijzende rechter.
19 Voor de verwijzende rechter heeft Rigall Arteria Management zich in haar ter ondersteuning van het cassatieberoep aangevoerde middelen beroepen op schending van artikel 761, lid 1, van het burgerlijk wetboek, uitgelegd in het licht van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653, doordat deze bepaling als aanvullend werd beschouwd. Volgens Rigall Arteria Management kan de uit deze bepaling voortvloeiende norm niet door een agentuurovereenkomst ten nadele van de agent worden uitgesloten. In haar antwoord op het cassatieberoep heeft Bank Handlowy deze stelling betwist door te betogen dat artikel 761, lid 1, van het burgerlijk wetboek een volledig aanvullend karakter heeft.
20 De Sąd Najwyższy heeft twijfels over de uitlegging van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653. In de eerste plaats zou uit de bewoordingen van de bepalingen van deze richtlijn kunnen worden afgeleid dat het aanvullend karakter ervan alleen is uitgesloten voor die bepalingen die dit expliciet tot uitdrukking brengen. Anderzijds suggereert de doelstelling van deze richtlijn, die de handelsagent beoogt te beschermen, dat zij in haar geheel moet worden uitgelegd op een wijze die elke contractuele wijziging ten nadele van de aan de agent toegekende rechten verhindert.
21 Bovendien voorzien de artikelen 7 tot en met 12 van deze richtlijn in een coherent en „gesloten” systeem van bepalingen betreffende de beloning van de agent, dat slechts in zijn geheel kan worden afgeschaft en vervangen door een andere door de partijen zelf ingevoerde regeling. Deze bepalingen staan partijen alleen toe om het provisiesysteem te vervangen door een ander systeem van beloning van de handelsagent, en niet om bepaalde bijzondere elementen daarvan uit te sluiten.
22 De conclusie dat het recht op provisie uit hoofde van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 niet ten nadele van de handelsagent kan worden uitgesloten of gewijzigd, is ook functioneel gezien overtuigend, aangezien het voor handelsagenten onmogelijk is om over eenzijdig door lastgevers opgestelde overeenkomsten te onderhandelen.
23 Daarom heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 7, lid 1, onder b), van [richtlijn 86/653], gelet op de bewoordingen en het doel ervan, aldus worden uitgelegd dat dit een zelfstandige handelsagent een absoluut recht op provisie verleent voor een overeenkomst die tijdens de duur van de agentuurovereenkomst is gesloten met een derde die door de agent in een eerder stadium als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie, of kan dit recht bij overeenkomst worden uitgesloten?”
Bevoegdheid van het Hof
24 Vooraf zij opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst betrekking heeft op de verkoop van financiële diensten. Ten tweede valt deze overeenkomst niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 86/653, die volgens de definitie van het begrip „handelsagent” van artikel 1, lid 2, enkel van toepassing is op handelsagenten die permanent belast zijn met het tot stand brengen, of met het tot stand brengen en afsluiten, van de verkoop of aankoop van goederen.
25 Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het Unierecht gekozen oplossingen, teneinde met name discriminatie ten nadele van nationale onderdanen of mogelijke verstoring van de mededinging te voorkomen, of in vergelijkbare situaties één enkele procedure te verzekeren, is er volgens vaste rechtspraak evenwel een zeker belang om de overgenomen bepalingen of begrippen van Unierecht op eenvormige wijze uit te leggen ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (arrest van 17 mei 2017, ERGO Poist’ovňa, C‑48/16, EU:C:2017:377, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 In dit verband blijkt uit de gegevens die de verwijzende rechter in antwoord op een verzoek om verduidelijking van het Hof heeft verstrekt, dat de Poolse wetgever bij de omzetting van richtlijn 86/653 in nationaal recht de agentuurovereenkomst heeft gedefinieerd zonder te verwijzen naar de verkoop of de aankoop van goederen, en daarmee zijn bedoeling tot uitdrukking heeft gebracht om agentuurovereenkomsten betreffende de verkoop of de aankoop van goederen en overeenkomsten betreffende de verkoop of de aankoop van diensten op uniforme wijze te behandelen.
27 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Hof bevoegd is om zich over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing uit te spreken.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
28 Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat van het door deze bepaling aan de zelfstandige handelsagent toegekende recht om provisie te ontvangen voor een transactie die tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst is gesloten met een derde die door deze agent in een eerder stadium als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie, niet bij overeenkomst kan worden afgeweken.
29 Volgens artikel 7, lid 1, van richtlijn 86/653 heeft de handelsagent voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie recht op de provisie wanneer de transactie is gesloten dankzij zijn optreden of wanneer de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie.
30 Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van haar conclusie heeft opgemerkt, lijken de bewoordingen van deze bepaling, door het gebruik van het voegwoord „of”, erop te wijzen dat de Uniewetgever partijen een keuze heeft willen bieden. Uit deze bewoordingen kan echter niet worden afgeleid of deze bepaling al dan niet een aanvullend karakter heeft.
31 Aangezien noch uit artikel 7, noch uit andere bepalingen van deze richtlijn uitdrukkelijk blijkt dat artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 een dwingend karakter heeft, moet bij de uitlegging van deze bepaling rekening worden gehouden met de context ervan en met de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen. Ook de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling kan relevante gegevens voor de uitlegging ervan bevatten [zie in die zin arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 37 ].
32 Wat om te beginnen de context van deze bepaling betreft, blijkt uit de algemene opzet van richtlijn 86/653 dat wanneer het niet is toegestaan af te wijken van een van de bepalingen ervan, de Uniewetgever dit zorgvuldig heeft aangegeven. Dit is met name het geval in artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 3, en artikel 12, lid 3, van richtlijn 86/653, die, net als artikel 7 van die richtlijn, alle zijn opgenomen in hoofdstuk III van deze richtlijn, dat betrekking heeft op de beloning van de agent.
33 Verder lijkt artikel 6, lid 3, van richtlijn 86/653 weliswaar a contrario te suggereren dat de gehele of gedeeltelijke betaling van provisie aan de handelsagent noodzakelijkerwijs meebrengt dat de artikelen 7 tot en met 12 van deze richtlijn van toepassing zijn, doch volgt uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat de hoogte van de beloning van de agent hoofdzakelijk afhankelijk is van de overeenkomst tussen de partijen. Uit een systematische lezing van artikel 6 van richtlijn 86/653 blijkt dus dat indien de Uniewetgever van het in lid 1 van deze bepaling neergelegde beginsel in een van de daaropvolgende leden had willen afwijken, hij dit uitdrukkelijk zou hebben aangegeven.
34 Wat vervolgens de doelstellingen van richtlijn 86/653 betreft, zij eraan herinnerd dat deze richtlijn, zoals blijkt uit de tweede en de derde overweging ervan, tot doel heeft handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen te beschermen, de zekerheid in het handelsverkeer te bevorderen en het goederenverkeer tussen de lidstaten te vergemakkelijken door onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten op het gebied van de handelsvertegenwoordiging (arresten van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, C‑465/04, EU:C:2006:199, punt 19 , en 16 februari 2017, Agro Foreign Trade & Agency, C‑507/15, EU:C:2017:129, punt 29 ).
35 In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat een uitlegging van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 waarbij aan die bepaling dwingende werking wordt toegekend, niet noodzakelijkerwijs bevorderlijk is voor de bescherming van handelsagenten. Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft uiteengezet, kan immers niet worden uitgesloten dat bepaalde principalen in een dergelijke situatie de kosten van de provisie die noodzakelijkerwijs verschuldigd zou zijn voor transacties die tijdens de duur van de agentuurovereenkomst zijn verricht met een derde die in een eerder stadium door de agent als klant was aangebracht voor dergelijke transacties, zullen compenseren door het basisprovisietarief te verlagen, door eerder vergoede kosten of andere elementen van de beloning van de handelsagent te beperken of uit te sluiten, of zelfs door überhaupt geen contractuele relatie met een handelsagent aan te gaan.
36 Ten slotte vindt deze uitlegging steun in de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 86/653. Uit het voorstel voor een richtlijn van de Raad ter coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de (zelfstandige) handelsagenten (PB 1977, C 13, blz. 2) blijkt namelijk dat de Europese Commissie aanvankelijk had voorgesteld om bepalingen waarvan de partijen niet konden afwijken, op te nemen in één en hetzelfde artikel, namelijk in artikel 35 van dat voorstel. Terwijl de bepaling die overeenkomt met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn oorspronkelijk wel op deze lijst stond, is zij nadien daarvan geschrapt. Bovendien heeft de Uniewetgever het beginsel zelf van één enkele lijst weliswaar uiteindelijk verlaten ten gunste van een per geval geldend verbod op afwijking, maar heeft hij deze oplossing niet gekozen voor artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653.
37 Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie opmerkt, bevestigen de intrekking van de met artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 overeenkomende bepaling van de hierboven aangehaalde lijst van dwingende bepalingen in artikel 35 van het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde voorstel voor een richtlijn, en de keuze om de al dan niet dwingende werking van de bepalingen van richtlijn 86/653 artikel per artikel te preciseren, bij gebreke van een uitdrukkelijke aanwijzing daartoe in artikel 7, lid 1, onder b), van deze richtlijn, dat deze bepaling een aanvullend karakter heeft.
38 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat van het door deze bepaling aan de zelfstandige handelsagent toegekende recht om provisie te ontvangen voor een transactie die tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst is gesloten met een derde die door deze agent in een eerder stadium als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie, bij overeenkomst kan worden afgeweken.
Kosten
39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten,
moet aldus worden uitgelegd dat:
van het door deze bepaling aan de zelfstandige handelsagent toegekende recht om provisie te ontvangen voor een transactie die tijdens de looptijd van de agentuurovereenkomst is gesloten met een derde die door deze agent in een eerder stadium als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie, bij overeenkomst kan worden afgeweken.
ondertekeningen