Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 april 2025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 10 april 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
10 april 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Eerste kamer)

10 april 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Burgerschap van de Unie - Richtlijn 2004/38/EG - Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden - Artikel 3 - Begunstigden - Artikel 2, punt 2, onder d) - Familielid - Rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een burger van de Unie die ten laste is van die burger van de Unie en/of die partner - Beoordeling van de voorwaarde inzake het ten laste zijn - Relevante datum om de materiële afhankelijkheid vast te stellen - Artikel 10 - Voorwaarden voor de afgifte van een verblijfskaart - Declaratoire aard van een verblijfskaart - Aanvraag voor een verblijfskaart in de gastlidstaat meerdere jaren na het vertrek uit het land van oorsprong - Gevolgen van een situatie van onregelmatig verblijf op grond van de nationale regelgeving voor de beoordeling van de voorwaarde inzake het ten laste zijn”"

In zaak C‑607/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 14 september 2021, ingekomen bij het Hof op 30 september 2021, in de procedure

XXX

tegen

Belgische Staat,

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin (rapporteur), M. Gavalec en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 juni 2024,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • XXX, vertegenwoordigd door S. Janssens en P. Vanwelde, advocaten,

    • de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door E. Derriks en K. de Haes, advocaten,

    • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

    • de Deense regering, vertegenwoordigd door M. Jespersen, V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en Y. Thyregod Kollberg als gemachtigden,

    • de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, F. Blanc en E. Montaguti als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 september 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificaties in PB 2004, L 229, blz. 35 en PB 2018, L 94, blz. 32).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen XXX en de Belgische Staat over de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Unie.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 5, 10, 13, 14, 17 en 18 van richtlijn 2004/38 luiden als volgt:

  • „(5) Het recht van alle burgers van de Unie van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten dient, wil het bestaan onder objectieve voorwaarden van vrijheid en waardigheid, ook aan familieleden, ongeacht hun nationaliteit, te worden verleend. Voor deze richtlijn dient de definitie van ‚familielid’ ook de geregistreerde partner te omvatten indien de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijkstelt met huwelijk.

  • […]

  • (10) Personen die hun recht van verblijf uitoefenen mogen evenwel tijdens het begin van hun verblijfsperiode geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Daarom dient het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor perioden van meer dan drie maanden aan bepaalde voorwaarden te zijn verbonden.

  • […]

  • (13) Het vereiste van een verblijfskaart dient beperkt te blijven tot familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en voor verblijfsperioden van meer dan drie maanden.

  • (14) De door de bevoegde autoriteiten voor de afgifte van een verklaring van inschrijving of een verblijfskaart vereiste documenten dienen zeer gedetailleerd te worden gespecificeerd om te vermijden dat uiteenlopende administratieve praktijken of interpretaties een onnodige hindernis vormen voor de uitoefening van het recht van verblijf door burgers van de Unie en hun familieleden.

  • […]

  • (17) Het recht van een duurzaam verblijf voor burgers van de Unie die ervoor gekozen hebben zich in een andere lidstaat blijvend te vestigen, zou het gevoel van Unieburgerschap versterken en is een kernelement voor het bevorderen van de sociale samenhang, zijnde een fundamentele doelstelling van de Unie. Daarom moet worden voorzien in een duurzaam verblijfsrecht voor alle burgers van de Unie en hun familieleden die in overeenstemming met de voorwaarden van deze richtlijn gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar in het gastland verblijf hebben gehad en die niet onderworpen zijn geweest aan een verwijderingsmaatregel.

  • (18) Met het oog op de totstandbrenging van een effectief mechanisme voor de integratie in de samenleving van het gastland waar de burger van de Unie woont, mogen, wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal verworven is geen voorwaarden meer worden gesteld.”

  • 4 In artikel 2 van deze richtlijn is bepaald:

    „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

    […]

    1. ,familielid’:

      […]

      1. de partner, met wie de burger van de Unie overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijkstelt met huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan;

      […]

      1. de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn;

    2. ‚gastland’: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.”

    5 Artikel 3 van die richtlijn luidt als volgt:

    „1.

    Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

    2.

    Onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen vergemakkelijkt het gastland overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de volgende personen:

    1. andere, niet onder de definitie van artikel 2, punt 2, vallende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de burger van de Unie die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet, of die vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven;

    […]”

    6 Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38 bepaalt:

    „1.

    Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

    1. indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is,

    2. indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

      • indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

      • indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze –, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of

    3. indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.

    2.

    Het verblijfsrecht van lid 1 strekt zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder a), b) of c).”

    7 Artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn is als volgt verwoord:

    „1.

    Indien de duur van het voorgenomen verblijf van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten langer is dan drie maanden, verstrekken de lidstaten hun een verblijfskaart.

    2.

    De termijn voor de indiening van het verzoek om een verblijfskaart mag niet minder bedragen dan drie maanden te rekenen vanaf de datum van binnenkomst.”

    8 Artikel 10 van die richtlijn bepaalt:

    „1.

    Het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wordt binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag ter zake vastgesteld door de afgifte van een document, ‚verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie’ genoemd. Een verklaring dat de aanvraag om een verblijfskaart is ingediend, wordt onmiddellijk afgegeven.

    2.

    Voor de afgifte van de verblijfskaart verlangen de lidstaten overlegging van de volgende documenten:

    1. een geldig paspoort;

    2. een document waaruit de verwantschap of het bestaan van een geregistreerd partnerschap blijkt;

    3. een verklaring van inschrijving, of indien een inschrijvingssysteem ontbreekt een ander bewijs van verblijf in het gastland, van de burger van de Unie die zij begeleiden of bij wie zij zich voegen;

    4. in de in artikel 2, [punt] 2, onder c) en d), bedoelde gevallen, stukken ter staving dat aan de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden is voldaan;

    […]”

    9 Artikel 14, lid 2, van richtlijn 2004/38 luidt:

    „Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden.

    In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag, of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 7, 12 en 13, kunnen de lidstaten zulks verifiëren. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig.”

    10 Artikel 15, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:

    „De procedures van de artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten ter beperking van het vrij verkeer van burgers van de Unie of hun familieleden die worden genomen om andere redenen dan openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.”

    11 Artikel 16, leden 1 en 2, van die richtlijn luidt:

    „1.

    Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.

    2.

    Lid 1 is eveneens van toepassing ten aanzien van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de burger van de Unie hebben gewoond.”

    Belgisch recht

    12 Artikel 40 bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), luidt in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 15 december 1980”):

    „§ 1.

    Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de familieleden van de burger van de Unie zouden kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hen van toepassing.

    § 2.

    Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd:

    […]

    • de bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen;

    […]”

    Hoofdgeding en prejudiciële vragen

    13 XXX, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, is de moeder van een Belgisch onderdaan die in België woont met zijn partner N.E.K., die de Nederlandse nationaliteit heeft. Op 11 februari 2005 hebben de zoon van XXX en N.E.K. bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Anderlecht (België) een verklaring van samenwoning afgelegd.

    14 Op 25 juli 2011 is XXX het Belgisch grondgebied binnengekomen met een paspoort met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven visum, dat geldig was tot en met 14 oktober 2011.

    15 Op 21 september 2011 heeft zij als rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn ten laste van haar zoon bij de Belgische autoriteiten een aanvraag voor een verblijfskaart ingediend.

    16 De Belgische Staat heeft die aanvraag afgewezen op grond dat de Belgische wetgeving niet langer gezinshereniging toestaat met bloedverwanten in opgaande lijn van Belgische onderdanen.

    17 Op 26 juni 2015 heeft XXX een tweede verblijfsaanvraag ingediend, maar deze keer als familielid van N.E.K.

    18 Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat die aanvraag door de Belgische Staat is afgewezen op grond dat, ten eerste, XXX niet had aangetoond dat de familieleden bij wie zij zich wenste te voegen over voldoende bestaansmiddelen beschikten om haar ten laste te nemen en, ten tweede, dat de overgelegde documenten ten bewijze van het bestaan van een actuele afhankelijkheidsverhouding tussen XXX en haar familieleden te oud waren om in aanmerking te worden genomen. Het betreffende afwijzingsbesluit ging vergezeld van een bevel om het Belgische grondgebied te verlaten. Bovendien heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) bij arrest van 14 april 2016 die afwijzing en dat bevel om het Belgische grondgebied te verlaten bevestigd en zich daarbij uitsluitend op de eerste grond van de twee hierboven genoemde gronden gebaseerd.

    19 Op 9 november 2017 heeft XXX een derde aanvraag voor een verblijfskaart ingediend en zich daarbij opnieuw gebaseerd op haar hoedanigheid van familielid van N.E.K.

    20 Die aanvraag is ook afgewezen door de Belgische Staat, die zich in dat verband met name heeft gebaseerd op de tweede in punt 18 van het onderhavige arrest vermelde grond. De documenten die waren overgelegd tot staving van de behoeftigheid van XXX dateerden namelijk allemaal van 2011. Ook de documenten die zijn overgelegd als bewijs van de financiële steun door het huishouden van de gezinshereniger, hadden betrekking op de jaren 2010 en 2011. Al deze documenten waren volgens de overheid dus te oud om aan te tonen dat XXX vóór de indiening van die aanvraag in haar land van oorsprong ten laste was van dat huishouden.

    21 Bij arrest van 30 augustus 2019 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het door XXX ingestelde beroep tegen dat besluit verworpen, met name op grond van de door het Hof in zijn arrest van 9 januari 2007, Jia (C‑1/05, EU:C:2007:1 ), aangebrachte verduidelijkingen over het begrip „persoon ten laste”. Volgens die nationale rechter moet de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn aantonen dat hij in het land van oorsprong of herkomst ten laste van de Unieburger was geweest op het tijdstip waarop hij verzoekt om zich bij die burger te voegen. Hieruit volgt dat het om te kunnen oordelen dat die bloedverwant in opgaande lijn ten laste is van het familielid waarmee hij wenst te worden herenigd, niet voldoende is dat het betreffende familielid over voldoende middelen beschikt of dat met die bloedverwant wordt samengewoond. De rechtstreekse bloedverwant dient immers ook aan te tonen dat hij de materiële ondersteuning van de gezinshereniger nodig had op het tijdstip van indiening van zijn aanvraag voor een verblijfskaart. De documenten die XXX heeft overgelegd als bewijs van haar behoeftigheid of van de financiële steun van het huishouden van de gezinshereniger, lijken aan te tonen dat zij in 2010 en 2011 financieel afhankelijk was van het huishouden van de gezinshereniger, terwijl de aanvraag voor een verblijfskaart is ingediend op 9 november 2017, dat wil zeggen zes of zeven jaar later. Bijgevolg waren die documenten volgens die rechter te oud om aan te tonen dat XXX op de datum van die aanvraag ten laste was van het huishouden van de gezinshereniger.

    22 XXX heeft bij de Raad van State (België), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot vernietiging van het arrest van 30 augustus 2019. Ter ondersteuning van haar beroep heeft XXX onder meer aangevoerd dat in het arrest het begrip „persoon ten laste” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, en artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, onder d), onjuist was toegepast.

    23 Volgens de verwijzende rechter kan op basis van de door het Hof gegeven uitlegging van dat begrip niet worden bepaald of het van toepassing is in een situatie waarin de persoon die een verblijfsrecht wenst zich reeds vele jaren op het grondgebied bevindt van de lidstaat waar de Unieburger-gezinshereniger gevestigd is, en voorts waarin die persoon sinds zijn aankomst op dat grondgebied reeds verschillende vruchteloze aanvragen voor een verblijfskaart heeft ingediend. Die rechter vraagt zich af of in een dergelijke situatie bij het onderzoek van een nieuwe aanvraag voor een verblijfskaart, het vereiste dat het gezinslid „ten laste” is in het licht van de situatie op de datum van de indiening van die nieuwe aanvraag moet worden beoordeeld, of dat bij dat onderzoek integendeel rekening moet worden gehouden met de daaraan voorafgaande situatie, namelijk die in het land van oorsprong voordat die persoon zich bij de Unieburger heeft gevoegd op het grondgebied van de gastlidstaat.

    24 Tegen deze achtergrond heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

    • Moet bij het onderzoek van het begrip ‚persoon ten laste’ in de zin van artikel 2, [punt 2, onder d),] van richtlijn [2004/38], rekening worden gehouden met de situatie van een aanvrager die zich reeds bevindt op het grondgebied van de staat waar de gezinshereniger is gevestigd?

    • Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de aanvrager die rechtmatig verblijft op het grondgebied van deze staat dan anders worden behandeld dan de aanvrager die er niet rechtmatig verblijft?

    • Moet artikel 2, punt 2, onder d), van [richtlijn 2004/38] aldus worden uitgelegd dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn, teneinde te kunnen worden beschouwd als zijnde ten laste en bijgevolg te kunnen vallen onder de definitie van ‚familielid’ in de zin van deze bepaling, zich kan beroepen op een situatie van reële materiële afhankelijkheid in het land van oorsprong, die wordt aangetoond met documenten die op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een verblijfskaart als familielid van een Unieburger echter al verschillende jaren eerder zijn afgegeven, omdat het vertrek uit het land van oorsprong en de indiening van de aanvraag om een verblijfskaart in de gastlidstaat niet in de tijd samenvallen?

    • Indien de derde vraag ontkennend wordt beantwoord, aan de hand van welke criteria kan dan de materiële afhankelijkheid worden beoordeeld van een aanvrager die als bloedverwant in opgaande lijn wenst te worden herenigd met een burger van de Unie of diens partner, maar geen verblijfsvergunning heeft ontvangen op grond van een aanvraag die hij onmiddellijk na zijn vertrek uit het land van oorsprong heeft ingediend?”

    Procedure bij het Hof

    25 Bij beslissing van de president van het Hof van 28 oktober 2022 is de behandeling van de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geschorst in afwachting van de uitspraak van het arrest in zaak C‑488/21.

    26 Na de uitspraak van dat arrest op 21 december 2023, Chief Appeals Officer e.a. (C‑488/21, EU:C:2023:1013 ), heeft het Hof aan de verwijzende rechter in de onderhavige zaak een kopie van dat arrest toegestuurd en hem gevraagd of hij in het licht daarvan de prejudiciële vragen wenste te handhaven of in te trekken. Bij brief van 19 januari 2024 heeft de verwijzende rechter geantwoord dat hij al zijn prejudiciële vragen wenst te handhaven.

    Beantwoording van de prejudiciële vragen

    Eerste en derde vraag

    27 Met zijn eerste en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38 aldus moet worden uitgelegd dat om vast te stellen of de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger ten laste is van die Unieburger en/of die partner, de bevoegde nationale autoriteit rekening moet houden met de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in zijn land van oorsprong op de datum waarop hij dat land heeft verlaten en zich bij die Unieburger in het gastland heeft gevoegd, in voorkomend geval op basis van documenten die vóór die datum zijn afgegeven, of met de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in die lidstaat op de datum van indiening van een aanvraag voor een verblijfskaart, wanneer tussen die twee datums meerdere jaren zijn verstreken.

    28 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Duitse regering tijdens de procedure bij het Hof twijfels heeft geuit over de toepasselijkheid van richtlijn 2004/38 in een situatie waarin een onderdaan van een derde land zoals XXX zich voegt bij haar zoon en diens partner die allebei Unieburgers zijn, in een lidstaat waarvan de zoon wel, maar de partner niet de nationaliteit heeft.

    29 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 die richtlijn van toepassing is op iedere Unieburger die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden in de zin van artikel 2, punt 2, van die richtlijn die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

    30 Artikel 2, punt 2, onder d), van de richtlijn bepaalt dat voor de toepassing ervan onder andere als familieleden moeten worden beschouwd „de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn”.

    31 Volgens artikel 2, punt 2, onder d), gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38, moeten bloedverwanten in de opgaande lijn die ten laste zijn van de partner van een Unieburger die in een andere lidstaat verblijft dan die waarvan hij de nationaliteit heeft, dus worden geacht voor de toepassing van de door die richtlijn gewaarborgde rechten – zoals het in artikel 7, lid 2, ervan gewaarborgd verblijfsrecht van meer dan drie maanden – familieleden te zijn van een Unieburger, voor zover het geregistreerd partnerschap voldoet aan de criteria van artikel 2, punt 2, onder b), van die richtlijn.

    32 In casu lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat de verklaring van samenwoning die de zoon van XXX en N. E. K. in 2005 bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van Anderlecht hebben afgelegd, naar Belgisch recht de totstandkoming vormt van een partnerschap dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, punt 2, onder b), van richtlijn 2004/38.

    33 Voor zover XXX als rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger die verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan die partner de nationaliteit bezit, kan aantonen dat zij ten laste is van het huishouden van de gezinshereniger in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, kan zij zich derhalve beroepen op de door deze richtlijn gewaarborgde rechten, zoals het in artikel 7, lid 2, van die richtlijn gewaarborgde verblijfsrecht van meer dan drie maanden, mits die Unieburger voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder a), b) of c), van die richtlijn.

    34 Richtlijn 2004/38 is dus van toepassing op een situatie zoals bedoeld in punt 28 van het onderhavige arrest.

    35 Met betrekking tot de eerste en derde prejudiciële vraag zoals die in punt 27 van het onderhavige arrest zijn geherformuleerd, en met name de datum waarop moet worden beoordeeld of is voldaan aan de in artikel 2, punt 2, onder d), gestelde voorwaarde dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger ten laste moet zijn van die Unieburger en/of die partner, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de situatie van afhankelijkheid moet bestaan in het land van oorsprong of van herkomst van die bloedverwant in opgaande lijn op de datum waarop hij de hereniging vraagt met de partner of de Unieburger (zie in die zin arresten van 9 januari 2007, Jia, C‑1/05, EU:C:2007:1, punt 37 , en  16 januari 2014, Reyes, C‑423/12, EU:C:2014:16, punten 22 en 30 ).

    36 Die rechtspraak is echter gewezen in situaties waarin de door de derdelander ingediende aanvraag voor een verblijfstitel en de binnenkomst van die derdelander op het grondgebied van de gastlidstaat, gelijktijdig hadden plaatsgevonden, in die zin dat die aanvraag enkele dagen of maanden na die binnenkomst was ingediend.

    37 Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van haar conclusie in wezen heeft benadrukt, was de verwijzing naar het land van oorsprong in de zaken die tot die rechtspraak hebben geleid, in die omstandigheden ingegeven door het feit dat de autoriteiten die beslisten over de afgifte van een verblijfstitel alleen konden kijken naar de periode vóór de verhuizing naar de gastlidstaat om te beoordelen of de betrokken personen ten laste waren van een Unieburger. Gelet op de feitelijke situaties die in die zaken aan de orde waren, kon de plaats van beoordeling van de situatie van afhankelijkheid op het tijdstip van de indiening van de aanvragen voor een verblijfstitel dus slechts het land van oorsprong zijn waar de betrokkenen leefden voordat zij zich bij de Unieburger voegden.

    38 Die rechtspraak kan dus niet automatisch worden toegepast op een feitelijke situatie waarin meerdere jaren zijn verstreken tussen het vertrek van de derdelander uit zijn land van oorsprong en de aanvraag voor de verblijfskaart door die derdelander.

    39 Met betrekking tot een dergelijke situatie moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat volgens artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 het verblijfsrecht van de familieleden van een Unieburger die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag ter zake wordt vastgesteld door de afgifte door de lidstaten van een document „verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie” genoemd.

    40 Voorts bepaalt artikel 10, lid 2, van die richtlijn, waarin een uitputtende opsomming is opgenomen van de documenten waarmee met name de hoedanigheid van „familielid” in de zin van de richtlijn kan worden aangetoond, onder d) van dat artikel dat de derdelander, om aan te tonen dat hij over die hoedanigheid beschikt en dus een verblijfskaart kan verkrijgen, stukken moet overleggen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, punt 2, onder c) en d), van die richtlijn, namelijk – in de hypothese van dat artikel, onder d) – dat die persoon een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is die te laste is van een Unieburger en/of diens partner.

    41 In deze context heeft het Hof benadrukt dat de afgifte van een verblijfstitel als bedoeld in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2004/38 aan een derdelander geen rechten schept, maar dat het gaat om een handeling waarbij de lidstaat vaststelt wat de individuele situatie van die derdelander is in het licht van het Unierecht (arrest van 27 juni 2018, Diallo, C‑246/17, EU:C:2018:499, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    42 De declaratoire aard van verblijfskaarten brengt mee dat die kaarten niet meer doen dan een recht van de betrokkene bevestigen dat reeds bestaat (arrest van 27 juni 2018, Diallo, C‑246/17, EU:C:2018:499, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat verworven wordt onafhankelijk van de afgifte van een dergelijke kaart door de bevoegde autoriteit van een lidstaat (zie in die zin arrest van 8 april 1976, Royer, 48/75, EU:C:1976:57, punt 32 ).

    43 Bijgevolg moet de bevoegde nationale autoriteit in het kader van de administratieve procedure van artikel 10 van richtlijn 2004/38 een verblijfskaart verstrekken aan de aanvrager-derdelander na te hebben nagegaan dat die derdelander voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht van meer dan drie maanden op grond van artikel 7, lid 2, van deze richtlijn, en met name dat hij onder het begrip „familielid” in de zin van die richtlijn valt.

    44 Indien de nationale bevoegde autoriteit bij het onderzoek van de aanvraag voor een verblijfskaart niet nagaat of de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van een partner van een Unieburger, die zich enkele jaren vóór de indiening van die aanvraag fysiek bij die persoon in de gastlidstaat heeft gevoegd, op het tijdstip van de indiening van de aanvraag inderdaad ten laste is van die Unieburger en/of zijn partner – in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38 – zou het risico bestaan dat aan die bloedverwant in opgaande lijn overeenkomstig artikel 10 van die richtlijn een verblijfskaart wordt verstrekt zonder dat hij de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van die richtlijn om een verblijfsrecht van meer dan drie maanden en dus een verblijfskaart te krijgen, vervult (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Chief Appeals Officer e.a., C‑488/21, EU:C:2023:1013, punten 60 en 62 ).

    45 Uit het voorgaande volgt dat de derdelander bij de indiening van de aanvraag voor een verblijfskaart moet aantonen dat hij valt onder dat begrip, en dat hij dus in een situatie zoals die in het hoofdgeding beschikt over de hoedanigheid van „rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38.

    46 In de tweede plaats moet worden geoordeeld dat in een situatie waarin de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger meerdere jaren nadat hij zich fysiek bij de Unieburger en diens partner in het gastland heeft gevoegd een aanvraag indient voor een verblijfskaart op grond van artikel 7, lid 2, en artikel 10 van richtlijn 2004/38, die bloedverwant in opgaande lijn het bewijs moet leveren dat hij op de datum van indiening van die aanvraag ten laste is van die burger en/of partner in die lidstaat, en dat hij op de datum van zijn aankomst op het grondgebied van die lidstaat ten laste was van die burger en/of partner in zijn land van oorsprong.

    47 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alle derdelanders aan richtlijn 2004/38 rechten van binnenkomst en verblijf in een lidstaat ontlenen, maar uitsluitend diegenen die in de zin van artikel 2, punt 2, van die richtlijn „familielid” zijn van een Unieburger die van zijn recht van vrij verkeer heeft gebruikgemaakt door zich in een andere lidstaat te vestigen dan die waarvan hij de nationaliteit bezit (zie arrest van 27 juni 2018, Diallo, C‑246/17, EU:C:2018:499, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    48 Zoals in de punten 29 en 31 van het onderhavige arrest is opgemerkt, zijn richtlijn 2004/38 en bijgevolg de door deze richtlijn gewaarborgde rechten – met name het inreisrecht op grond van artikel 5 van richtlijn 2004/38, en het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden op grond van artikel 7, lid 2, van deze richtlijn – slechts van toepassing op de derdelander die zich bij een Unieburger en diens partner wenst te voegen met name indien deze derdelander de hoedanigheid heeft van „familielid” in de zin van artikel 2, punt 2, van die richtlijn, hetgeen voor de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn inhoudt dat zij ten laste zijn van die Unieburger en/of die partner.

    49 Indien de controle door de bevoegde nationale autoriteit van de voorwaarde inzake de afhankelijkheidsverhouding beperkt wordt tot de situatie van de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn in het gastland op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfskaart, zou deze bloedverwant in opgaande lijn een dergelijke kaart kunnen krijgen terwijl hij op de datum waarop hij zich fysiek bij de Unieburger heeft gevoegd niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden, hetgeen overigens ook in strijd zou zijn met de doelstellingen van richtlijn 2004/38.

    50 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat richtlijn 2004/38 de uitoefening van het fundamentele en individuele recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, dat bij artikel 21, lid 1, VWEU rechtstreeks aan alle burgers van de Unie wordt verleend, beoogt te vergemakkelijken en te versterken. In overweging 5 van deze richtlijn wordt beklemtoond dat dit recht, om onder objectieve voorwaarden van waardigheid te kunnen worden uitgeoefend, ook moet worden toegekend aan de familieleden van deze burgers, ongeacht hun nationaliteit (arrest van 14 november 2017, Lounes, C‑165/16, EU:C:2017:862, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    51 Die richtlijn verleent de familieleden van een Unieburger die derdelanders zijn echter geen autonoom recht. De eventuele rechten die deze richtlijn aan die derdelanders verleent, zijn aldus afgeleid van die welke de betrokken Unieburger geniet door het feit dat hij zijn recht van vrij verkeer uitoefent (arrest van 14 november 2017, Lounes, C‑165/16, EU:C:2017:862, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    52 In dit verband zij ook opgemerkt dat de in artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38 bedoelde voorwaarde dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn ten laste moet zijn van de Unieburger en/of diens partner, niet voorkwam in het door de Europese Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er vrij te verblijven [COM(2001) 257 final; PB 2001, C 279 E, blz. 150]. Die voorwaarde is in de loop van de wetgevingsprocedure toegevoegd, hetgeen erop wijst dat de Uniewetgever de bedoeling heeft gehad om het genot van de in richtlijn 2004/38 neergelegde rechten te beperken tot een welbepaalde categorie van rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, namelijk diegenen die ten laste zijn van de Unieburger en/of zijn partner.

    53 Indien het feit dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger meerdere jaren na zich bij die Unieburger in de gastlidstaat te hebben gevoegd een aanvraag voor een verblijfskaart heeft ingediend, ertoe leidt dat de bevoegde nationale autoriteit bij de behandeling van die aanvraag niet meer hoeft na te gaan of er in het land van oorsprong of herkomst van die bloedverwant sprake was van een situatie van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, terwijl overeenkomstig de in punt 35 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak die verificatie wel vereist is indien die aanvraag was ingediend gelijktijdig met de aankomst van die bloedverwant in opgaande lijn op het grondgebied van die lidstaat, zou niet alleen het risico bestaan dat het aantal potentiële begunstigden van de door deze richtlijn verleende rechten wordt uitgebreid, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de wil van de Uniewetgever, maar ook dat de door die richtlijn gestelde vereisten worden omzeild.

    54 Die risico’s bestaan echter niet wanneer de betreffende rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is aangekomen op het grondgebied van de gastlidstaat en daar aanvankelijk heeft verbleven op grond van een autonoom of afgeleid verblijfsrecht dat naar Unierecht kan worden toegekend op grond van een andere bepaling dan artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38 of op grond van het nationale recht. In een dergelijke situatie hoeft die bloedverwant in opgaande lijn dus slechts het bewijs te leveren dat hij op de datum van de indiening van zijn aanvraag voor een verblijfskaart op grond van artikel 10 van die richtlijn ten laste is van de Unieburger en/of diens partner in die lidstaat.

    55 In de derde plaats dient eraan te worden herinnerd dat artikel 10, lid 2, onder d), van richtlijn 2004/38 met betrekking tot de wijze waarop de belanghebbende kan aantonen dat hij de hoedanigheid heeft van „rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn ten laste” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van die richtlijn, enkel bepaalt dat de lidstaten voor de afgifte van een verblijfskaart stukken moeten vragen ter staving dat aan de voorwaarden van artikel 2, punt 2, onder d), met inbegrip van de voorwaarde inzake de afhankelijkheidsverhouding, is voldaan.

    56 Bij gebreke van nadere bepalingen over de wijze waarop de belanghebbende kan aantonen dat hij beschikt over de hoedanigheid van „rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn ten laste” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, moet worden geoordeeld dat een dergelijk bewijs met ieder passend middel kan worden geleverd (zie naar analogie arrest van 9 januari 2007, Jia, C‑1/05, EU:C:2007:1, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    57 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat een document van de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong of van herkomst waaruit blijkt dat sprake is van een afhankelijkheidssituatie voor dit doel bijzonder geschikt lijkt, maar geen voorwaarde mag zijn voor de afgifte van een verblijfstitel, terwijl het voorts mogelijk is dat het enkele feit dat de Unieburger of zijn partner zich ertoe verbindt om de zorg van het betrokken familielid op zich te nemen, niet wordt aanvaard als bewijs van het bestaan van een situatie van reële afhankelijkheid van dat familielid (zie in die zin arrest van 9 januari 2007, Jia, C‑1/05, EU:C:2007:1, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    58 Uit het voorgaande volgt dat in een situatie waarin de aanvraag voor een verblijfskaart wordt ingediend meerdere jaren nadat een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger zich fysiek bij die persoon in het gastland heeft gevoegd, die bloedverwant in opgaande lijn ter staving van die aanvraag en om aan te tonen dat hij beschikt over de hoedanigheid van „familielid” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, en dus over een afgeleid verblijfsrecht overeenkomstig artikel 7, lid 2, van die richtlijn, met name documenten moet kunnen overleggen die in het verleden zijn afgegeven en die het bestaan aantonen van een afhankelijkheidssituatie in zijn land van oorsprong op de datum waarop hij zich fysiek heeft gevoegd bij die Unieburger en diens partner. Die documenten mogen niet als te oud worden beschouwd.

    59 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, en artikel 10 van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat om vast te stellen of de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger ten laste is van die Unieburger en/of die partner, de bevoegde nationale autoriteit rekening moet houden met zowel de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in zijn land van oorsprong op de datum waarop hij dat land heeft verlaten en zich bij die Unieburger in het gastland heeft gevoegd, in voorkomend geval op basis van documenten die vóór die datum zijn afgegeven, als de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in die lidstaat op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfskaart, wanneer tussen die twee datums meerdere jaren zijn verstreken.

    Tweede vraag

    60 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de aanvraag voor een verblijfskaart die XXX op 26 juni 2015 bij de bevoegde Belgische autoriteit heeft ingediend, op 28 september 2015 is afgewezen. Het besluit tot weigering van verblijf ging vergezeld van een bevel om het Belgische grondgebied te verlaten. Aangezien dit bevel niet ten uitvoer is gelegd, verbleef XXX sinds dat afwijzingsbesluit, dat is bevestigd door een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 14 april 2016, illegaal op het Belgische grondgebied.

    61 Voor het geval dat de bevoegde nationale autoriteit van het gastland bij de behandeling van de overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 10 van richtlijn 2004/38 ingediende aanvraag voor een verblijfskaart, en met name om te bepalen of is voldaan aan de voorwaarde inzake de afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in artikel 2, punt 2, onder d), van deze richtlijn, rekening moet houden met de situatie van de aanvrager in die lidstaat, wenst de verwijzende rechter met de tweede vraag in wezen te vernemen of de omstandigheid dat die aanvrager op grond van de nationale regelgeving illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft van invloed is op de beoordeling van die voorwaarde inzake de afhankelijkheidsverhouding.

    62 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2004/38 de hoedanigheid van „familielid” in de zin van artikel 2, punt 2, onder d), van die richtlijn niet afhankelijk stelt van het vervullen van een voorwaarde van „regelmatig” verblijf in de gastlidstaat. De definitie van „familielid” die in die bepaling is opgenomen maakt geen onderscheid naargelang de betrokkene op grond van de nationale regelgeving al dan niet legaal in de gastlidstaat verblijft.

    63 Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest is aangegeven, vormt de afhankelijkheidsverhouding die in wezen wordt bedoeld in artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38, voor rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn de voorwaarde voor de toepasselijkheid van die richtlijn en een van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om aanspraak te kunnen maken op de door die richtlijn gewaarborgde rechten, zoals het verblijfsrecht voor meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 7, lid 2, van die richtlijn.

    64 Uit het antwoord op de eerste en de derde vraag vloeit voort dat een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht van meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38, dat wordt vastgesteld door de afgifte van een verblijfskaart, indien, ten eerste, bedoelde bloedverwant kan aantonen dat hij zowel op de datum van de aanvraag voor een verblijfskaart, die meerdere jaren na zijn aankomst in de gastlidstaat is ingediend, als op de datum van aankomst in die gastlidstaat ten laste was van die Unieburger en/of diens partner en, ten tweede, die Unieburger voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn.

    65 Hieruit volgt dat wanneer de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht die in richtlijn 2004/38 zijn bepaald, en met name de voorwaarde inzake de afhankelijkheidssituatie, zijn vervuld op de relevante datums die in het vorige punt van het onderhavige arrest zijn vermeld, dat verblijfsrecht niet kan worden geweigerd op grond dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn op de datum van zijn aanvraag voor een verblijfskaart onregelmatig verbleef op het grondgebied van de lidstaat waar de Unieburger bij wie hij zich heeft gevoegd en de partner van deze Unieburger zijn gevestigd.

    66 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 2, onder d), en artikel 10 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger, die kan aantonen dat hij zowel op de datum van de aanvraag voor een verblijfskaart, die meerdere jaren na zijn aankomst in de gastlidstaat is ingediend, als op de datum van die aankomst ten laste was van die Unieburger en/of die partner, aanspraak kan maken op een verblijfsrecht van meer dan drie maanden dat is afgeleid van de rechten van een Unieburger en dat wordt vastgesteld door de afgifte van een verblijfskaart, indien die Unieburger voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn. Dat verblijfsrecht kan niet worden geweigerd omdat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn op de datum van die aanvraag op grond van de nationale regelgeving onregelmatig verbleef op het grondgebied van die lidstaat.

    Vierde vraag

    67 Met zijn vierde vraag vraagt de verwijzende rechter in wezen aan het Hof om te bepalen welke criteria moeten worden toegepast bij de beoordeling van de situatie van materiële afhankelijkheid van een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger ten opzichte van die Unieburger en/of die partner, in een situatie waarin de aanvraag voor een verblijfskaart wordt ingediend meerdere jaren nadat die bloedverwant in opgaande lijn zich fysiek bij die Unieburger heeft gevoegd in de gastlidstaat.

    68 Deze vraag is gesteld voor het geval dat artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38 aldus moet worden uitgelegd dat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn zich, om aan te tonen dat hij ten laste is van een Unieburger bij wie hij zich voegt en/of de partner van deze Unieburger, niet mag beroepen op documenten die in zijn land van oorsprong zijn afgegeven en die het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding aantonen, omdat die documenten te oud zijn om op de datum van de indiening van de aanvraag voor een verblijfskaart het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding in zijn land van oorsprong aan te tonen.

    69 Uit de punten 58 en 59 van het onderhavige arrest vloeit echter voort dat een dergelijke bloedverwant in opgaande lijn zich, om aan te tonen dat hij ten laste is van een Unieburger bij wie hij zich voegt en/of de partner van deze Unieburger, wel mag beroepen op dergelijke documenten ter staving van zijn aanvraag voor een verblijfskaart.

    70 Derhalve behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

    Kosten

    71 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
    1. Artikel 2, punt 2, onder d), van richtlijn 2004/38EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, en artikel 10 van die richtlijn,

      moet aldus worden uitgelegd dat

      om vast te stellen of de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger ten laste is van die Unieburger en/of die partner, de bevoegde nationale autoriteit rekening moet houden met zowel de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in zijn land van oorsprong op de datum waarop hij dat land heeft verlaten en zich bij die Unieburger in het gastland heeft gevoegd, in voorkomend geval op basis van documenten die vóór die datum zijn afgegeven, als de situatie van die bloedverwant in opgaande lijn in die lidstaat op de datum van indiening van een aanvraag voor een verblijfskaart, wanneer tussen die twee data meerdere jaren zijn verstreken.

    2. Artikel 7, lid 2, van richtlijn 2004/38, gelezen in samenhang met artikel 2, punt 2, onder d), en artikel 10 ervan,

      moet aldus worden uitgelegd dat

      een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van de partner van een Unieburger, die kan aantonen dat hij zowel op de datum van de aanvraag voor een verblijfskaart, die meerdere jaren na zijn aankomst in de gastlidstaat is ingediend, als op de datum van die aankomst ten laste was van die Unieburger en/of die partner, aanspraak kan maken op een verblijfsrecht van meer dan drie maanden dat is afgeleid van de rechten van een Unieburger en dat wordt vastgesteld door de afgifte van een verblijfskaart, indien die Unieburger voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn. Dat verblijfsrecht kan niet worden geweigerd omdat de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn op de datum van die aanvraag op grond van de nationale regelgeving onregelmatig verbleef op het grondgebied van die lidstaat.

    ondertekeningen