Home

Beschikking van de vicepresident van het Hof van 21 april 2023

Beschikking van de vicepresident van het Hof van 21 april 2023

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
21 april 2023

Uitspraak

Beschikking van de vicepresident van het Hof

21 april 2023(*)

"„Kort geding - Artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Verzoek tot intrekking of wijziging van een beschikking houdende voorlopige maatregelen - Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Effectieve rechterlijke bescherming - Onafhankelijkheid van de rechters - Niet-tenuitvoerlegging - Wijziging in de omstandigheden - Dwangsom”"

In zaak C‑204/21 R-RAP,

betreffende een verzoek tot intrekking of wijziging van een beschikking houdende voorlopige maatregelen krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, ingediend op 10 maart 2023,

Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,

verzoekster, tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door:

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en L. Van den Broeck als gemachtigden,

Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff als gemachtigden,

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

Republiek Finland, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson, vervolgens door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson als gemachtigden,

interveniënten,

DE VICEPRESIDENT VAN HET HOF,

advocaat-generaal A. M. Collins gehoord,

de navolgende

Beschikking

1 Met haar verzoek vraagt de Republiek Polen het Hof om intrekking en subsidiair om wijziging van de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 oktober 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:878 ; hierna: „beschikking van 27 oktober 2021”).

Procedure bij het Hof

2 Op 1 april 2021 heeft de Europese Commissie een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU ingesteld, dat ertoe strekte vast te stellen dat de Republiek Polen:

  • door vaststelling en instandhouding van artikel 42a, leden 1 en 2, en artikel 55, lid 4, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. van 2001, nr. 98, volgnr. 1070), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw [wet tot wijziging van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de wet inzake de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) en enkele andere wetten] van 20 december 2019 (Dz. U. van 2020, volgnr. 190; hierna: „wijzigingswet”) (hierna tezamen: „gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties”), artikel 26, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy”), artikel 5, leden 1a en 1b, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów administracyjnych (wet betreffende de organisatie van de administratieve rechterlijke instanties) van 25 juli 2002 (Dz. U. van 2002, volgnr. 1269), zoals gewijzigd bij de wijzigingswet (hierna: „gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties”), en artikel 8 van de wijzigingswet, waarin voor alle nationale rechterlijke instanties is bepaald dat het niet is toegestaan na te gaan of is voldaan aan de Unierechtelijke vereisten van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en krachtens artikel 267 VWEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht;

  • door vaststelling en instandhouding van artikel 26, leden 2 en 4 tot en met 6, en artikel 82, leden 2 tot en met 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, en artikel 10 van de wijzigingswet, waarbij het onderzoek van de middelen en rechtsvragen over het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie of een rechter bij uitsluiting is toegewezen aan de Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken) van de Sąd Najwyższy (hierna: „kamer voor bijzondere controle en publieke zaken”), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest, en krachtens artikel 267 VWEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht;

  • door vaststelling en instandhouding van artikel 107, lid 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties en artikel 72, lid 1, punten 1 tot en met 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan het onderzoek of is voldaan aan de vereisten van de Unie met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld als een tuchtrechtelijk vergrijp kan worden gekwalificeerd, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest en krachtens artikel 267 VWEU;

  • door de bevoegdheid om uitspraak te doen in zaken die een rechtstreekse invloed hebben op de status en de ambtsvervulling van rechters en gerechtsassessoren zoals, ten eerste, zaken waarbij toestemming wordt gevraagd om tegen rechters en gerechtsassessoren een strafrechtelijke procedure in te leiden of om hen aan te houden, en, ten tweede, arbeids- en socialezekerheidszaken met betrekking tot rechters van de Sąd Najwyższy en zaken over de pensionering van deze rechters, toe te wijzen aan de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy (hierna: „tuchtkamer”), waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet zijn gegarandeerd, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU;

  • door vaststelling en instandhouding van artikel 88a van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 45, lid 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en artikel 8, lid 2, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties, het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geschonden, welke rechten zijn neergelegd in respectievelijk artikel 7 en artikel 8, lid 1, van het Handvest en in artikel 6, lid 1, onder c) en e), artikel 6, lid 3, en artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).

3 Diezelfde dag heeft de Commissie het Hof in kort geding verzocht om de Republiek Polen in afwachting van het arrest ten gronde een reeks verplichtingen op te leggen.

4 In punt 1 van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:593 ; hierna: „beschikking van 14 juli 2021”), heeft de vicepresident van het Hof de Republiek Polen gelast om tot aan de uitspraak van het arrest waarmee zaak C‑204/21 wordt beëindigd:

  1. ten eerste, de toepassing op te schorten van artikel 27, lid 1, punt 1a, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan de tuchtkamer bevoegd is om in eerste en tweede aanleg uitspraak te doen over verzoeken inzake toestemming om tegen rechters of gerechtsassessoren een strafrechtelijke procedure in te leiden, hen in voorlopige hechtenis te nemen, hen aan te houden of hen te doen verschijnen, en, ten tweede, de gevolgen op te schorten van de reeds door de tuchtkamer op grond van dit artikel genomen beslissingen waarbij toestemming is verleend om een strafrechtelijke procedure in te leiden tegen een rechter of om hem aan te houden, en ervan af te zien de in voornoemd artikel bedoelde zaken te verwijzen naar een rechterlijke instantie die niet voldoet aan de vereisten inzake onafhankelijkheid zoals omschreven in met name het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 );

  2. de toepassing op te schorten van artikel 27, lid 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan de tuchtkamer bevoegd is om uitspraak te doen in zaken betreffende de status en de ambtsvervulling van rechters van de Sąd Najwyższy, met name in zaken betreffende het arbeids- en socialezekerheidsrecht en de pensionering van deze rechters, en ervan af te zien deze zaken te verwijzen naar een rechterlijke instantie die niet voldoet aan de vereisten inzake onafhankelijkheid zoals omschreven in met name het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 );

  3. de toepassing op te schorten van artikel 107, lid 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties en van artikel 72, lid 1, punten 1 tot en met 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan rechters tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld vanwege het feit dat ze hebben onderzocht of is voldaan aan de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU juncto artikel 47 van het Handvest;

  4. de toepassing op te schorten van artikel 42a, leden 1 en 2, en artikel 55, lid 4, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 26, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, artikel 5, leden 1a en 1b, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties en artikel 8 van de wijzigingswet, voor zover deze bepalingen nationale rechterlijke instanties verbieden om na te gaan of is voldaan aan de vereisten van de Unie met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU juncto artikel 47 van het Handvest;

  5. de toepassing op te schorten van artikel 26, leden 2 en 4 tot en met 6, en artikel 82, leden 2 tot en met 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en artikel 10 van de wijzigingswet, waarbij is vastgesteld dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bij uitsluiting bevoegd is om middelen betreffende het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechter of van een rechterlijke instantie te onderzoeken, en

  6. de Commissie uiterlijk een maand na de kennisgeving van de beschikking van 14 juli 2021 op de hoogte te stellen van alle maatregelen die zijn genomen om deze beschikking volledig uit te voeren.

5 Bij beschikking van 6 oktober 2021, Polen/Commissie (C‑204/21 R, EU:C:2021:834 ), heeft de vicepresident van het Hof afwijzend beslist op een verzoek van de Republiek Polen om de beschikking van 14 juli 2021 in te trekken.

6 Bij beschikking van 27 oktober 2021 heeft de vicepresident van het Hof de Republiek Polen veroordeeld om de Commissie een dwangsom van 1 000 000 EUR per dag te betalen, vanaf de kennisgeving van die beschikking totdat die lidstaat de uit de beschikking van 14 juli 2021 voortvloeiende verplichtingen is nagekomen of, indien die lidstaat dit niet doet, tot de datum van de uitspraak waarbij een einde komt aan zaak C‑204/21.

7 Op 10 maart 2023 heeft de Republiek Polen het onderhavige verzoek ingediend.

Conclusies van partijen

8 De Republiek Polen verzoekt het Hof:

  • de beschikking van 27 oktober 2021 in te trekken, of

  • subsidiair, de in deze beschikking bepaalde dwangsom te verlagen.

9 De Commissie verzoekt het Hof:

  • het verzoek tot intrekking van de beschikking van 27 oktober 2021 af te wijzen, en

  • bij de behandeling van het verzoek tot verlaging van de bij die beschikking opgelegde dwangsom rekening te houden met de door de Republiek Polen getroffen maatregelen om de beschikking van 14 juli 2021 ten uitvoer te leggen.

Verzoek tot intrekking of wijziging van de beschikking van 27 oktober 2021

10 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een beschikking houdende voorlopige maatregelen krachtens artikel 162, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voor hogere voorziening vatbaar is.

11 Daarentegen kan, volgens artikel 163 van dit Reglement, de beschikking op verzoek van een van de partijen te allen tijde op grond van een wijziging in de omstandigheden worden ingetrokken of gewijzigd. Het begrip „wijziging in de omstandigheden” doelt met name op ieder nieuw element van feitelijke of juridische aard dat kan leiden tot een andere beoordeling door de kortgedingrechter van de voorwaarden waaronder opschorting van tenuitvoerlegging of een voorlopige maatregel mogelijk is (beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 september 2021, Tsjechië/Polen, C‑121/21 R, EU:C:2021:752, punt 22 ).

12 Hierbij moet er voorts op worden gewezen dat een verzoek krachtens dit artikel er niet toe strekt dat de kortgedingrechter een beschikking houdende toewijzing van voorlopige maatregelen vernietigt, maar deze slechts wijzigt of intrekt, zodat de kortgedingrechter die beschikking, uitsluitend voor de toekomst, in heroverweging kan nemen, in voorkomend geval ook door de middelen feitelijk en rechtens die toekenning van de voorlopige maatregel op het eerste gezicht hadden gerechtvaardigd, opnieuw te beoordelen in het licht van de omstandigheden die gelden op de datum van zijn beslissing [beschikking van de vicepresident van het Hof van 19 mei 2022, Tsjechië/Polen (Mijn in Turów), C‑121/21 R, niet gepubliceerd, EU:C:2022:408, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

13 Hieruit volgt dat een verzoek krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering niet kan zijn gericht tegen de voorbije gevolgen van een beschikking waarbij een voorlopige maatregel is gelast [beschikking van de vicepresident van het Hof van 19 mei 2022, Tsjechië/Polen (Mijn in Turów), C‑121/21 R, niet gepubliceerd, EU:C:2022:408, punt 23 ].

14 In casu betreft het verzoek van de Republiek Polen uitsluitend de beschikking van 27 oktober 2021, zodat het aldus moet worden begrepen dat het ertoe strekt de dwangsom die bijkomend is opgelegd bij de voorlopige maatregelen die bij de beschikking van 14 juli 2021 zijn vastgesteld, in te trekken of te wijzigen.

15 Met het oog op de beoordeling van dit verzoek zij eraan herinnerd dat artikel 279 VWEU het Hof de bevoegdheid verleent om alle voorlopige maatregelen vast te stellen die het noodzakelijk acht om de volledige doeltreffendheid van de eindbeslissing te waarborgen (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen, C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 97 , en beschikking van 27 oktober 2021, punt 19).

16 De kortgedingrechter moet met name de doeltreffendheid van een krachtens artikel 279 VWEU aan een partij gericht bevel kunnen waarborgen door elke maatregel vast te stellen die tot doel heeft de beschikking in kort geding door deze partij te doen naleven. Een dergelijke maatregel kan met name bestaan in de oplegging van een dwangsom ingeval de betrokken partij dit bevel niet zou eerbiedigen (beschikking van 20 november 2017, Commissie/Polen, C‑441/17 R, EU:C:2017:877, punt 100 , en beschikking van 27 oktober 2021, punt 20).

17 Tegen deze achtergrond bleek volgens de beschikking van 27 oktober 2021 niet uit het dossier dat de door de Republiek Polen vastgestelde maatregelen volstonden om de uitvoering van de door de beschikking van 14 juli 2021 voorgeschreven voorlopige maatregelen te waarborgen, zodat de kortgedingrechter heeft geoordeeld dat het noodzakelijk was de doeltreffendheid van de bij die beschikking gelaste voorlopige maatregelen te verhogen door een dwangsom aan de Republiek Polen op te leggen, met het doel deze lidstaat te ontmoedigen om de daadwerkelijke uitvoering van die beschikking te vertragen.

18 Voor zijn uitspraak op het onderhavige verzoek moet de kortgedingrechter derhalve vaststellen of aan de hand van de argumenten van de Republiek Polen een zodanige wijziging in de omstandigheden kan worden aangetoond dat de dwangsom die bij de beschikking van 27 oktober 2021 aan deze lidstaat is opgelegd ten tijde van de uitspraak in kort geding niet meer, geheel dan wel ten dele, is gerechtvaardigd.

19 Meer bepaald moet de kortgedingrechter vaststellen of de Republiek Polen overeenkomstig het betoog tot staving van haar verzoek inderdaad alle in de beschikking van 14 juli 2021 vastgestelde voorlopige maatregelen ten uitvoer heeft gelegd, zodat het in dat geval voor de toekomst niet meer gerechtvaardigd is om een dwangsom van 1 000 000 EUR per dag op te leggen.

20 Aangezien het onderhavige verzoek subsidiair strekt tot verlaging van de dwangsom die bij de beschikking van 27 oktober 2021 is opgelegd, zij voorts opgemerkt dat de kortgedingrechter krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering een beschikking houdende voorlopige maatregelen niet alleen kan intrekken, maar ook kan wijzigen. Die wijziging kan met name bestaan in de verlaging van een eerder aan een lidstaat opgelegde dwangsom indien dat door een wijziging in de omstandigheden wordt gerechtvaardigd.

21 Gelet op het bovenstaande moet worden onderzocht op welke wijze de verschillende voorlopige maatregelen in de beschikking van 14 juli 2021 ten uitvoer zijn gelegd, om vast te stellen of de Republiek Polen heeft aangetoond dat deze tenuitvoerlegging, na een wijziging in de omstandigheden, een reden vormt om de bij de beschikking van 27 oktober 2021 opgelegde dwangsom voor de toekomst in te trekken dan wel te verlagen.

Verplichting tot opschorting van de toepassing van artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy

Argumenten

22 De Republiek Polen voert aan dat met de ustawa o zmianie ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet houdende wijziging van de wet inzake de Sąd Najwyższy en enkele andere wetten) van 9 juni 2022 (Dz. U. volgnr. 1259; hierna: „wet van 9 juni 2022”), de tuchtkamer is opgeheven en artikel 27 van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy geheel is ingetrokken.

23 De verplichting tot opschorting van de toepassing van artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van deze wet is dus zonder voorwerp geraakt.

24 Ook de Commissie is van mening dat deze verplichting op correcte wijze is nagekomen middels de wet van 9 juni 2022.

Beoordeling

25 Uit punt 1, onder a) en b), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 volgt dat de Republiek Polen daarmee met name wordt verplicht tot opschorting van de toepassing van artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan de tuchtkamer bevoegd is om in eerste en in tweede aanleg uitspraak te doen over verzoeken om toestemming om tegen rechters of gerechtsassessoren een strafrechtelijke procedure in te leiden, hen in voorlopige hechtenis te nemen, hen aan te houden of hen te doen verschijnen, en bevoegd is in zaken betreffende de status en de ambtsvervulling van rechters van de Sąd Najwyższy.

26 Uit artikel 1 van de wet van 9 juni 2022 blijkt dat artikel 27 van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy in zijn geheel is ingetrokken. Voorts staat vast dat de tuchtkamer door deze wet is opgeheven.

27 Hoewel het voor de tenuitvoerlegging van de beschikking van 14 juli 2021 niet noodzakelijk was om deze maatregelen vast te stellen (zie in die zin beschikking van 27 oktober 2021, punt 53), waarborgen deze maatregelen niettemin dat artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy niet meer van toepassing is in de Poolse rechtsorde.

28 De Republiek Polen heeft zich derhalve volledig geconformeerd aan de in punt 25 van de onderhavige beschikking bedoelde voorlopige maatregelen.

Verplichting tot opschorting van de gevolgen van de door de tuchtkamer genomen beslissingen waarbij toestemming is verleend om tegen een rechter een strafrechtelijke procedure in te leiden of om hem aan te houden

Argumenten

29 De Republiek Polen voert ten eerste aan dat, volgens artikel 9 van de wet van 9 juni 2022, de Izba Odpowiedzialności Zawodowej (kamer voor beroepsaansprakelijkheid) van de Sąd Najwyższy (hierna: „kamer voor beroepsaansprakelijkheid”) zich in zaken waarin de tuchtkamer vóór inwerkingtreding van deze wet bevoegd was, bij de eerste zitting in een bepaalde zaak ambtshalve opnieuw buigt over een door de tuchtkamer uitgesproken schorsing van de betrokken rechter. Dankzij deze procedure kan zo spoedig mogelijk worden nagegaan of de door die kamer vastgestelde voorlopige maatregelen passend waren.

30 Ten tweede kan een rechter tegen wie een formatie van de Sąd Najwyższy met daarin ten minste één lid van de tuchtkamer een definitieve tuchtrechtelijke beslissing heeft uitgesproken of definitief heeft bepaald dat een strafrechtelijke procedure mag worden ingeleid, krachtens artikel 18, lid 1, van de wet van 9 juni 2022 verzoeken dat de procedure opnieuw wordt geopend bij de kamer voor beroepsaansprakelijkheid.

31 Zo biedt de wet van 9 juni 2022 een rechtskader waarbinnen de rechters de tegen hen uitgesproken beslissingen van de tuchtkamer kunnen aanvechten. Overigens hebben meerdere rechters die beslissingen in dit kader kunnen laten herzien. Tot slot zijn er nog zaken over die beslissingen aanhangig.

32 De Commissie betoogt dat de rechtsgangen die de Republiek Polen zo heeft ingesteld, niet tot resultaat hebben dat de gevolgen van de beslissingen van de tuchtkamer onmiddellijk zijn opgeschort. Bovendien zijn de voorbeelden die de Republiek Polen aanhaalt niet significant.

Beoordeling

33 Uit punt 1, onder a), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 blijkt dat deze de Republiek Polen verplicht om onder andere de gevolgen op te schorten van de beslissingen die de tuchtkamer op grond van artikel 27, lid 1, punt 1a, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy heeft genomen.

34 De Republiek Polen betoogt in wezen dat zij deze voorlopige maatregel volledig heeft ten uitvoer heeft gelegd door twee afzonderlijke rechtsgangen in te stellen, in respectievelijk artikel 9 en artikel 18, lid 1, van de wet van 9 juni 2022.

35 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 9 van de wet van 9 juni 2022 dat de beslissingen van de tuchtkamer waarbij een rechter wordt geschorst in afwachting van de uitkomst van een zaak die bij de inwerkingtreding van deze wet nog aanhangig was, noodzakelijkerwijs opnieuw moeten worden beoordeeld door de kamer voor beroepsaansprakelijkheid.

36 Het is juist dat met deze nieuwe beoordeling in beginsel wordt voorkomen dat een dergelijke beslissing van de tuchtkamer van rechtswege gevolgen blijft sorteren, aangezien het voortduren van die gevolgen afhangt van de goedkeuring van die beslissing door een andere instantie.

37 Toch blijkt ten eerste uit de bewoordingen van artikel 9 van de wet van 9 juni 2022 en uit de uitlegging daarvan door de Republiek Polen dat dit artikel niet op alle beslissingen van de tuchtkamer van toepassing is. In het bijzonder kunnen op basis van dit artikel niet de gevolgen worden beperkt van beslissingen waarbij een tuchtrechtelijke sanctie wordt opgelegd aan een rechter dan wel toestemming wordt gegeven om tegen hem een strafrechtelijke procedure in te leiden, terwijl die beslissingen wel onder de in punt 33 van deze beschikking genoemde voorlopige maatregel vallen en bovendien grote consequenties kunnen hebben voor het leven en de loopbaan van de betrokken rechters.

38 Ten tweede bepaalt artikel 9 van de wet van 9 juni 2022 inderdaad dat een beslissing van de tuchtkamer waarbij een rechter is geschorst, opnieuw moet worden beoordeeld voor de kamer voor beroepsaansprakelijkheid bij de eerste zitting aangaande de situatie van deze rechter. Uit de bepalingen van deze wet of uit het betoog van de Republiek Polen komt evenwel niet naar voren dat de gevolgen van die beslissing worden opgeschort in afwachting van die eerste zitting, die overigens naar het lijkt niet binnen een vooraf bepaalde termijn moet worden gehouden.

39 In de tweede plaats kan, wat artikel 18, lid 1, van de wet van 9 juni 2022 betreft, de rechter jegens wie de tuchtkamer bepaalde definitief geworden beslissingen heeft genomen, blijkens de tekst van deze bepaling binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet verzoeken om heropening van de hem betreffende procedure.

40 Hoewel de instelling van deze rechtsgang, voor zover deze effectief is, de rechterlijke bescherming voor de rechters tegen wie voor de tuchtkamer procedures zijn aangespannen versterkt, worden de gevolgen van een beslissing van de tuchtkamer hierdoor desondanks geenszins opgeschort in het geval dat de betrokken rechter niet onder de voorwaarden van de wet van 9 juni 2022 heeft verzocht om heroverweging van die beslissing.

41 Zelfs indien wel om heroverweging is verzocht, blijkt bovendien niet uit artikel 18, lid 1, van deze wet dat de gevolgen van de betreffende beslissing van de tuchtkamer hangende de heroverweging worden opgeschort.

42 Het blijkt dus dat de door de Republiek Polen aangevoerde rechtsgangen niet kunnen waarborgen dat de gevolgen van de beslissingen van de tuchtkamer krachtens artikel 27, lid 1, punt 1a, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy in alle gevallen en onmiddellijk worden opgeschort.

43 Derhalve kan door de omstandigheid dat bepaalde beslissingen daadwerkelijk zijn of binnenkort zouden kunnen worden heroverwogen – gesteld dat die wordt bewezen – hoe dan ook niet worden aangetoond dat de voorlopige maatregel in punt 33 van de onderhavige beschikking volledig ten uitvoer is gelegd.

44 De Republiek Polen heeft zich dus slechts deels aan deze voorlopige maatregel geconformeerd.

Verplichting tot opschorting van de toepassing van de Poolse bepalingen die nationale rechterlijke instanties verbieden om na te gaan of is voldaan aan de vereisten van de Unie met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld

Argumenten

45 De Republiek Polen voert aan dat het recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in verschillende stadia van een zaak en in verschillende procedures door het Poolse recht kan worden gewaarborgd. De voorlopige maatregelen die bij de beschikking van 8 april 2020, Commissie/Polen (C‑791/19 R, EU:C:2020:277 ), zijn opgelegd, zijn volgens deze lidstaat dus in zijn rechterlijke praktijk ten uitvoer gelegd.

46 Overigens is met de wet van 9 juni 2022 een nieuwe rechtsgang in de Poolse rechtsorde ingevoerd waarmee, in het geval dat een partij stelt daaraan te twijfelen, kan worden nagegaan of een rechter, gelet op de omstandigheden van zijn benoeming en alsmede zijn gedrag, heeft voldaan aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De toepassing van deze regeling kan er ook toe leiden dat de rechter wordt gewraakt zonder dat daarom is verzocht.

47 De Commissie voert aan dat de rechtsgang waarop de Republiek Polen zich beroept, wordt ingezet op verzoek van een partij in de procedure en dat deze rechtsgang aanvankelijk aan een reeks beperkende voorwaarden was onderworpen. Binnen deze rechtsgang kan daarentegen niet ambtshalve worden onderzocht of is voldaan aan de vereisten van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De Commissie haalt overigens een zaak aan waarin een tuchtprocedure is ingesteld wegens schending van artikel 42a, leden 1 en 2, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties.

Beoordeling

48 In punt 1, onder d), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 wordt de Republiek Polen verplicht om de toepassing op te schorten van artikel 42a, leden 1 en 2, en artikel 55, lid 4, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 29, leden 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, artikel 5, leden 1a en 1b, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties, en artikel 8 van de wijzigingswet, voor zover deze bepalingen nationale rechterlijke instanties verbieden om na te gaan of is voldaan aan de vereisten van de Unie met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU juncto artikel 47 van het Handvest.

49 In de eerste plaats, voor zover het betoog van de Republiek Polen aldus moet worden begrepen dat het ertoe strekt aan te tonen dat de in het vorige punt bedoelde voorlopige maatregel ten uitvoer is gebracht in de nationale rechterlijke praktijk, volstaat de opmerking dat dit betoog niet nader toelicht hoe die praktijk er precies uitziet en evenmin bewijs levert waarmee kan worden vastgesteld of die praktijk werkelijk bestaat.

50 In de tweede plaats is het juist dat de wet van 9 juni 2022 een nieuwe rechtsgang heeft ingesteld waarmee kan worden nagegaan of is voldaan aan de vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Deze rechtsgang wordt met name geregeld in artikel 42a, lid 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 29, lid 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en artikel 5, lid 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties.

51 Niettemin wordt niet betwist dat de in punt 48 van deze beschikking bedoelde Poolse bepalingen niet zijn ingetrokken en dat hun toepassing niet formeel is opgeschort, zodat de daarbij ingevoerde beperkingen op de mogelijkheid om na te gaan of is voldaan aan de vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, in de Poolse rechtsorde in beginsel ten volle van toepassing blijven.

52 Voorts blijkt uit zowel de tekst van de bepalingen inzake de nieuwe, door de Poolse wetgever ingestelde en door de Republiek Polen aangevoerde rechtsgang als de argumentatie van deze lidstaat, dat deze rechtsgang slechts op verzoek van een partij in de betreffende procedure kan worden ingezet.

53 Hieruit volgt dat deze rechtsgang zo moet worden begrepen dat alleen een uitzondering op de uit de in punt 48 van deze beschikking bedoelde Poolse bepalingen voortvloeiende beperkingen is ingevoerd voor het geval waarin daarom wordt verzocht. Het staat dus niet vast dat deze beperkingen in de andere gevallen zouden worden opgeheven, met name in het geval waarin een rechter ambtshalve nagaat of is voldaan aan de vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

54 Derhalve blijkt hieruit, zonder dat hoeft te worden vastgesteld of het Unierecht noodzakelijkerwijs meebrengt dat een rechter dat ambtshalve moet kunnen nagaan, dat met de vaststelling van de wet van 9 juni 2022 niet in alle gevallen wordt verzekerd dat alle gevolgen van de in punt 48 van deze beschikking bedoelde Poolse bepalingen worden opgeschort.

55 In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de wet van 9 juni 2022 de gevolgen van deze bepalingen wel kan beperken, maar niet volstaat om er volledig voor te zorgen dat de in punt 48 van deze beschikking bedoelde voorlopige maatregel ten uitvoer is gelegd.

56 De Republiek Polen heeft zich dus slechts deels aan deze voorlopige maatregel geconformeerd.

Verplichting tot opschorting van de toepassing van de Poolse bepalingen op grond waarvan rechters tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld vanwege het feit dat zij hebben onderzocht of is voldaan aan de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld

Argumenten

57 De Republiek Polen betoogt dat het op grond van de toepasselijke Poolse bepalingen nooit mogelijk is geweest om rechters tuchtrechtelijk aansprakelijk te stellen om de reden dat zij het recht op een bij wet ingesteld gerecht voor de justitiabelen hadden gewaarborgd, en dat de tuchtrechter deze bepalingen altijd zo heeft uitgelegd.

58 Bovendien definieert de wet van 9 juni 2022 de tuchtrechtelijke vergrijpen die rechters kunnen worden verweten. Zo volgt ten eerste uit deze wet dat de inhoud van een rechterlijke beslissing geen tuchtrechtelijk vergrijp kan vormen, ook niet wanneer die inhoud het recht op een bij wet ingesteld gerecht betreft. Ten tweede bevestigt deze wet dat het geen tuchtrechtelijk vergrijp is om, in het geval als bedoeld in een reeks daarin genoemde bepalingen, na te gaan of is voldaan aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

59 Volgens de Commissie sluiten de door de Republiek Polen aangevoerde bepalingen uit dat rechters tuchtrechtelijk worden vervolgd wanneer zij beslissingen geven met daarin een onjuiste uitlegging van de vereisten van artikel 19, lid 1, VEU of op verzoek van een partij nagaan of is voldaan aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechter.

60 Deze bepalingen sluiten daarentegen niet uit dat het als tuchtrechtelijk vergrijp wordt aangemerkt wanneer een lid van een rechtsprekende formatie ambtshalve nagaat of aan deze vereisten is voldaan. De Commissie heeft overigens vernomen dat er in twee zaken waarin dat ambtshalve is nagegaan een tuchtprocedure is ingeleid en onderzoeksmaatregelen zijn getroffen.

Beoordeling

61 In punt 1, onder c), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 wordt de Republiek Polen verplicht tot opschorting van de toepassing van artikel 107, lid 1, punten 2 en 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, en van artikel 72, lid 1, punten 1 tot en met 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, op grond waarvan rechters tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld omdat zij hebben onderzocht of is voldaan aan de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU juncto artikel 47 van het Handvest.

62 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het argument dat het op grond van de Poolse bepalingen nooit mogelijk is geweest om rechters tuchtrechtelijk aansprakelijk te stellen omdat zij het recht op een bij wet ingesteld gerecht voor justitiabelen hebben gewaarborgd, een herhaling is van een argument dat de Republiek Polen heeft aangevoerd in haar schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding dat de Commissie op 1 april 2021 heeft ingediend. Met dit argument kan bijgevolg niet worden aangetoond dat er sprake is van een „wijziging in de omstandigheden” in de zin van artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering, zodat het moet worden afgewezen (zie naar analogie beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 september 2021, Tsjechië/Polen, C‑121/21 R, EU:C:2021:752, punt 24 ).

63 In de tweede plaats heeft de wet van 9 juni 2022, zoals de Republiek Polen benadrukt, artikel 107 van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties en artikel 72 van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy aangevuld.

64 Na deze aanvulling bepalen deze artikelen thans met name dat het geen tuchtrechtelijk vergrijp is om Unierechtelijke bepalingen onjuist uit te leggen en toe te passen, dan wel na te gaan of is voldaan aan de vereisten inzake een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de gevallen bedoeld in artikel 42a, lid 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 29, lid 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en artikel 5, lid 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties.

65 Om te beginnen wordt echter niet betwist dat de in punt 61 van deze beschikking bedoelde Poolse bepalingen niet zijn ingetrokken en dat de toepassing ervan formeel niet is opgeschort, zodat rechters die hebben onderzocht of is voldaan aan de vereisten ingevolge artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, in beginsel nog steeds tuchtrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld op basis van deze bepalingen.

66 Voorts wordt door de nadere bepaling die met de wet van 9 juni 2022 is ingevoegd, volgens welke een onjuiste uitlegging en toepassing van het Unierecht geen tuchtrechtelijk vergrijp vormen, prima facie niet uitgesloten dat die kwalificatie kan worden toegepast wanneer de al of niet juiste uitlegging en toepassing van het Unierecht ertoe leiden dat bepaalde in de Poolse rechtsorde geldende regels ter discussie worden gesteld.

67 In het bijzonder bepalen artikel 107, lid 1, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties en artikel 72, lid 1, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy nog steeds dat een rechter tuchtrechtelijk aansprakelijk is voor professionele vergrijpen, waaronder handelen of nalaten waardoor de werking van een rechterlijke autoriteit kan worden belemmerd of ernstig kan worden ondermijnd of handelen waardoor in twijfel wordt getrokken of de arbeidsverhouding van een rechter bestaat, of een rechter geldig is benoemd, dan wel of een grondwettelijk orgaan van de Republiek Polen legitiem is, zodat niet kan worden geoordeeld dat het feit dat geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan worden ingesteld wegens een onjuiste uitlegging en toepassing van het Unierecht er noodzakelijkerwijs aan in de weg staat dat die vervolging wel wordt ingesteld wanneer een rechter al of niet terecht heeft geoordeeld dat hij op grond van het Unierecht was gedwongen om een handeling met dergelijke gevolgen vast te stellen.

68 Tot slot volgt uit zowel de bewoordingen van de wet van 9 juni 2022 als de uitlegging die de Republiek Polen eraan heeft gegeven dat de door deze wet ingevoegde nadere bepaling volgens welke het geen tuchtrechtelijk vergrijp is om na te gaan of is voldaan aan de vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, slechts van toepassing is wanneer deze toetsing plaatsvindt in de gevallen van artikel 42a, lid 3, van de gewijzigde wet betreffende de gewone rechterlijke instanties, artikel 29, lid 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en artikel 5, lid 1, van de gewijzigde wet betreffende de administratieve rechterlijke instanties.

69 Uit de punten 52 en 53 van deze beschikking blijkt dat deze bepalingen een dergelijke toetsing slechts toestaan wanneer een partij in de betreffende procedure daarom verzoekt. Hieruit volgt dat niet vaststaat dat met de wijzigingen die zijn ingevoegd bij de wet van 9 juni 2022, in alle gevallen kan worden uitgesloten dat een rechter tuchtrechtelijk wordt vervolgd enkel omdat hij deze toetsing heeft verricht.

70 Hoewel deze wijzigingen er effectief voor kunnen zorgen dat de in punt 61 van deze beschikking bedoelde voorlopige maatregel ten uitvoer wordt gelegd wanneer in het kader van de nieuwe rechtsgang krachtens de in punt 68 van deze beschikking bedoelde bepalingen wordt nagegaan of is voldaan aan de Unierechtelijke vereisten met betrekking tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, kan met deze wijzigingen niet worden verzekerd dat de gehele voorlopige maatregel ten uitvoer is gelegd.

71 De Republiek Polen heeft zich dus slechts deels aan deze voorlopige maatregel geconformeerd.

Verplichting tot opschorting van de toepassing van de Poolse bepalingen waarbij is vastgesteld dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bij uitsluiting bevoegd is om middelen betreffende het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechter of van een rechterlijke instantie te onderzoeken

Argumenten

72 De Republiek Polen voert ten eerste aan dat de president van de Sąd Najwyższy, die tevens de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken voorzit, op 29 juli 2021 een beschikking heeft gegeven waarin wordt geconstateerd dat bij die kamer geen zaken aanhangig waren waarin een middel was aangevoerd dat was ontleend aan de onrechtmatigheid van de benoeming van een rechter, en opschorting wordt gelast van de registratie van zaken betreffende de wraking van een rechter of de vaststelling van het bevoegde gerecht in verband met onvoldoende onafhankelijkheid van een rechter of gerecht (hierna: „beschikking van 29 juli 2021”).

73 Ten tweede heeft de vicepresident van afdeling I van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken na de inwerkingtreding van de wet van 9 juni 2022 alle wrakingsverzoeken terugverwezen die waren voorgelegd op basis van artikel 26, lid 2, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy. Naar zijn oordeel moest namelijk primair de nieuwe rechtsgang die bij deze wet was ingesteld worden toegepast en moest daarmee de beoordeling van grieven inzake de onafhankelijkheid van rechters aan de gewone rechterlijke instanties worden overgelaten.

74 Uit deze gegevens blijkt dat de Poolse rechters de in punt 1, onder e), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 bedoelde bepalingen in de praktijk niet langer toepassen.

75 De Commissie bestrijdt niet dat daadwerkelijk sprake is van de door de Republiek Polen aangevoerde elementen en geeft aan dat zij er niet van in kennis is gesteld dat de bepalingen die de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken de exclusieve bevoegdheid verlenen om middelen betreffende het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechter of van een rechterlijke instantie te onderzoeken, sinds de inwerkingtreding van de wet van 9 juni 2022 nog worden toegepast.

76 Daarentegen blijkt uit de website van de Sąd Najwyższy en het digitale register van deze instantie dat er bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken nog steeds zaken aanhangig zijn die betrekking hebben op dergelijke grieven en die vóór de inwerkingtreding van de wet van 9 juni 2022 zijn doorverwezen op basis van artikel 26, lid 2, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy. Het kan dus niet worden uitgesloten dat deze kamer haar exclusieve bevoegdheid ter zake nog steeds kan uitoefenen.

Beoordeling

77 Punt 1, onder e), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 verplicht de Republiek Polen om de toepassing op te schorten van artikel 26, leden 2 en 4 tot en met 6, en artikel 82, leden 2 tot en met 5, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, en artikel 10 van de wijzigingswet, waarbij is vastgesteld dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bij uitsluiting bevoegd is om klachten over het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechter of van een rechterlijke instantie te onderzoeken.

78 Vast staat dat de bepalingen in het vorige punt niet zijn ingetrokken en dat de toepassing ervan formeel niet is opgeschort, zodat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken in beginsel nog steeds bij uitsluiting bevoegd is om uitspraak te doen over de zaken waarop die bepalingen betrekking hebben.

79 Derhalve moet worden onderzocht of de door de rechters van de Sąd Najwyższy vastgestelde en door de Republiek Polen aangevoerde beschikkingen in de praktijk aan deze bepalingen werking kunnen onthouden.

80 In dit verband is in de eerste plaats in punt 51 van de beschikking van 27 oktober 2021 geconstateerd dat de maatregelen van de president van de Sąd Najwyższy, waaronder de beschikking van 29 juli 2021, geen bewijs zijn dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken de bij haar aanhangige zaken niet meer kan behandelen en dat de gewone rechter de onder de bevoegdheid van deze kamer vallende zaken niet meer naar deze kamer hoeft te verwijzen.

81 Hieruit volgt dat de beschikking van 29 juli 2021 niet kan worden beschouwd als een „wijziging in de omstandigheden” in de zin van artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de in punt 77 van deze beschikking bedoelde voorlopige maatregel volledig door de Republiek Polen ten uitvoer is gelegd.

82 Bovendien bevestigen de voorbeelden van de Commissie betreffende zaken die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 9 juni 2022 naar de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken zijn verzonden en daar nog aanhangig zijn, dat de beschikking van 29 juli 2021 in de praktijk niet alle werking onthoudt aan de regels waarop deze voorlopige maatregel is gericht.

83 In de tweede plaats lijkt een door de Republiek Polen overgelegde beschikking van de vicepresident van afdeling I van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken inderdaad te bewijzen dat de zaken die krachtens de in punt 77 van de onderhavige beschikking genoemde bepalingen naar deze kamer zijn doorgezonden, in de praktijk worden terugverwezen naar de gewone rechter, hetgeen de Commissie niet weerspreekt.

84 Deze beschikking van de vicepresident van afdeling I van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken bepaalt echter dat uitsluitend zaken die vallen onder de nieuwe rechtsgang krachtens de wet van 9 juni 2022, waarnaar in punt 50 van de onderhavige beschikking wordt verwezen, naar de gewone rechter worden terugverwezen. Derhalve is niet aangetoond dat de in punt 77 van deze beschikking genoemde bepalingen ook niet meer worden toegepast in de zaken die niet onder deze nieuwe rechtsgang vallen, maar waarin wel grieven zijn aangevoerd over het gebrek aan onafhankelijkheid van een rechter of van een rechterlijke instantie.

85 Hieruit volgt dat, hoewel de door de Republiek Polen aangevoerde maatregelen de toepassing van de regels waarbij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken een uitsluitende bevoegdheid wordt toegekend aanzienlijk beperken, uit het dossier niet blijkt dat de toepassing van deze regels in de praktijk geheel is opgeschort.

86 De Republiek Polen heeft zich derhalve slechts deels geconformeerd aan de in punt 77 van de onderhavige beschikking bedoelde voorlopige maatregel.

Verplichting om de zaken bedoeld in artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy niet te verwijzen naar een rechterlijke instantie die niet voldoet aan de vereisten inzake onafhankelijkheid

Argumenten

87 De Republiek Polen betoogt dat de zaken waarop artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy is gericht, bij de wet van 9 juni 2022 zijn toegewezen aan twee verschillende rechtsprekende formaties van de Sąd Najwyższy: de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken.

88 Om te beginnen is in geen enkel arrest van het Hof aangetoond dat deze kamers niet voldoen aan de waarborgen die worden bedoeld in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 ). Voorts beschikken de leden van deze kamers over dezelfde onafhankelijkheidswaarborgen als de andere rechters van de Sąd Najwyższy. Bovendien maken de factoren waarvan het samenspel het Hof ertoe heeft gebracht om het beroep wegens niet-nakoming van de Commissie inzake de tuchtkamer toe te wijzen in het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596 ), geen deel uit van de kenmerken van de kamer voor beroepsaansprakelijkheid of de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken. Tot slot volstaat de enkele omstandigheid dat een rechter is benoemd door een staatshoofd op voordracht van een orgaan dat overwegend bestaat uit leden die de wetgevende of uitvoerende macht vertegenwoordigen, niet om aan te tonen dat artikel 19, lid 1, VEU is geschonden.

89 Volgens de Commissie voldoen de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken niet aan de waarborgen zoals bedoeld in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 ).

90 De Commissie wijst erop dat 14 van de 17 leden van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken en 4 van de 11 leden van de kamer voor beroepsaansprakelijkheid als lid van de Sąd Najwyższy zijn benoemd in omstandigheden die naar oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens leiden tot schending van het recht op een vooraf bij wet ingesteld gerecht.

91 Volgens de Commissie moet er ernstig aan worden getwijfeld dat deze twee kamers voldoen aan de uit artikel 19, lid 1, VEU voortvloeiende vereisten van onafhankelijkheid, omdat deze rechters zijn benoemd op voordracht van een orgaan dat niet langer voldoende onafhankelijkheidswaarborgen ten aanzien van de wetgevende of uitvoerende macht biedt en deze benoemingen hebben plaatsgevonden ofschoon de bestuursrechter het voorstel van dat orgaan had opgeschort.

Beoordeling

92 Uit punt 1, onder a) en b), van het dictum van de beschikking van 14 juli 2021 volgt dat de Republiek Polen daarin met name is verplicht om de zaken als bedoeld in artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy, niet langer te verwijzen naar een rechterlijke instantie die niet voldoet aan de vereisten inzake onafhankelijkheid die, met name, in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 ), zijn gedefinieerd.

93 Vast staat dat de Poolse wetgever, na de intrekking van artikel 27 van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy en de opheffing van de tuchtkamer, de bevoegdheid die eerder aan die kamer toekwam deels naar de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en deels naar de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken heeft verlegd.

94 De Republiek Polen heeft de zaken als bedoeld in artikel 27, lid 1, punten 1a, 2 en 3, van de gewijzigde wet inzake de Sąd Najwyższy zo weliswaar verwezen naar andere instanties dan de tuchtkamer, maar de Commissie is van mening dat die verandering er niet voor kan zorgen dat de in punt 92 van de onderhavige beschikking bedoelde voorlopige maatregelen ten uitvoer worden gelegd, omdat de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, gezien de wijze waarop hun leden worden benoemd, niet voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid die, met name, in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982 ), zijn gedefinieerd.

95 Dienaangaande zij erop gewezen dat dit standpunt van de Commissie niet rechtstreeks voortvloeit uit een vaststelling door het Hof, krachtens artikel 258 VWEU, dat de Republiek Polen haar verplichtingen krachtens artikel 19, lid 1, VEU niet is nagekomen wat betreft de organisatie en de werking van de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, aangezien het Hof dit punt nog niet in het kader van een beroep wegens niet-nakoming heeft beoordeeld.

96 Dit standpunt van de Commissie kan evenmin worden gestaafd door een arrest dat door het Hof is gewezen uit hoofde van artikel 267 VWEU.

97 Het is juist dat het Hof in punt 152 van het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ), heeft geoordeeld dat een reeks omstandigheden rond de benoeming van een rechter bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken kon leiden tot de slotsom dat die benoeming kennelijk had plaatsgevonden in strijd met de fundamentele procedurele voorschriften voor de benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy, die een integrerend deel vormen van de instelling en werking van het Poolse gerechtelijk systeem, en daarmee in schending van artikel 19, lid 1, VEU.

98 Deze vaststelling gold echter onder voorbehoud van de uiteindelijke toetsing door de nationale rechter, die in een prejudiciële procedure bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen alsook om het nationale recht uit te leggen en toe te passen (zie in die zin arrest van 14 juli 2022, Volkswagen, C‑134/20, EU:C:2022:571, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99 Tegen deze achtergrond kan de kortgedingrechter het argument van de Commissie dus niet aanvaarden zonder vooraf na te gaan of de benoemingsprocedure van de leden van de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken verenigbaar is met artikel 19, lid 1, VEU.

100 Dit argument verschilt daarom van de argumenten die zijn onderzocht in de punten 22 tot en met 86 van deze beschikking. Voor de beoordeling van die argumenten hoefde namelijk uitsluitend te worden vastgesteld of de nieuwe maatregelen van de Republiek Polen konden leiden tot opschorting van de gevolgen van de Poolse bepalingen die in het kader van het beroep wegens niet-nakoming van zaak C‑204/21 door de Commissie worden bekritiseerd op basis van grieven die volgens de beschikking van 14 juli 2021 niet elke redelijke grond missen. De kortgedingrechter hoefde daarvoor niet te beoordelen of deze nieuwe maatregelen dan wel andere delen van de Poolse regeling verenigbaar zijn met het Unierecht.

101 In het kader van het stelsel van de artikelen 258 en 260 VWEU beschikt het Hof echter over een uitsluitende bevoegdheid, die het rechtstreeks en uitdrukkelijk aan het VWEU ontleent, om te beoordelen of de gedragingen van de lidstaten stroken met het Unierecht (zie in die zin arrest van 15 januari 2014, Commissie/Portugal, C‑292/11 P, EU:C:2014:3, punten 49 en 50 ).

102 De kortgedingrechter kan de grieven waarop een beroep wegens niet-nakoming steunt inderdaad, voordat het Hof op dat beroep arrest wijst, beoordelen om zich te kunnen uitspreken over de voorwaarde van fumus boni juris, zonder af te doen aan de uiteindelijke beoordeling van deze grieven door het Hof.

103 Deze bevoegdheid staat de kortgedingrechter echter niet toe om te beoordelen of een nationale regeling dan wel praktijk waartegen geen grieven zijn aangevoerd tot staving van een beroep wegens niet-nakoming en die niet eerder door het Hof is onderzocht, verenigbaar is met het Unierecht, omdat anders de uitsluitende bevoegdheid van het Hof krachtens de artikelen 258 en 260 VWEU zou worden geschonden (zie naar analogie arrest van 15 januari 2014, Commissie/Portugal, C‑292/11 P, EU:C:2014:3, punt 51 ).

104 Een andere oplossing zou overigens de procedurele rechten van de betreffende lidstaat schenden, omdat deze dan niet langer zijn standpunt over de argumenten van de Commissie te kennen kan geven in de precontentieuze fase van de niet-nakomingsprocedure, in welke fase deze lidstaat de gelegenheid heeft om zijn verplichtingen krachtens het Unierecht na te komen of om nuttig verweer te voeren tegen deze argumenten (zie naar analogie arrest van 15 januari 2014, Commissie/Portugal, C‑292/11 P, EU:C:2014:3, punten 55 en 56 ).

105 Voorts zij erop gewezen kan niet worden aanvaard dat de kortgedingrechter onderzoek doet naar een argument waarmee wordt gesteld dat een nationale praktijk of regeling onverenigbaar is met het Unierecht, maar waarvoor geen grief is aangevoerd tot staving van een beroep wegens niet-nakoming, zelfs al wordt met dat onderzoek slechts nagegaan of dat argument prima facie niet elke redelijke grond mist.

106 Een dergelijke toetsingsnorm is, bij de behandeling van een verzoek in kort geding, namelijk slechts gerechtvaardigd omdat het betrokken argument later door de rechter in de hoofdzaak definitief moet worden beoordeeld, hetgeen niet het geval is bij een argument betreffende een bepaalde nationale praktijk of regeling.

107 Indien bij de toetsing door de kortgedingrechter van de tenuitvoerlegging van voorlopige maatregelen een meningsverschil tussen de Commissie en de betreffende lidstaat bestaat over de vraag of het Unierecht zich verzet tegen een nationale praktijk of regeling waarover geen grieven ter ondersteuning van een beroep wegens niet-nakoming zijn aangevoerd en die niet eerder door het Hof is onderzocht, moet de Commissie – als zij dat nuttig acht – dan ook een nieuw beroep wegens niet-nakoming instellen tegen die nationale praktijk of regeling (zie naar analogie arrest van 15 januari 2014, Commissie/Portugal, C‑292/11 P, EU:C:2014:3, punt 52 ).

108 Aangezien de in punt 2 van de onderhavige beschikking aangehaalde grieven van het verzoekschrift in zaak C‑204/21 geen betrekking hebben op de vraag of de benoemingsprocedure voor leden van de kamer voor beroepsaansprakelijkheid en de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken verenigbaar is met het Unierecht en die verenigbaarheid nog niet eerder door het Hof is onderzocht, kan de kortgedingrechter het argument van de Commissie in punt 94 van deze beschikking niet aanvaarden.

109 Geoordeeld moet dus worden dat de Republiek Polen zich heeft geconformeerd aan de in punt 92 van deze beschikking bedoelde voorlopige maatregelen, onder voorbehoud van de vraag of deze benoemingsprocedure verenigbaar is met het Unierecht.

110 Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat uit het dossier niet is gebleken dat de door de Republiek Polen vastgestelde maatregelen voldoende zijn om te waarborgen dat alle in de beschikking van 14 juli 2021 genoemde voorlopige maatregelen ten uitvoer worden gelegd en dat het dus niet meer nodig is om de doeltreffendheid van deze voorlopige maatregelen met een dwangsom te versterken.

111 Derhalve moet het verzoek tot intrekking van de beschikking van 27 oktober 2021 worden afgewezen.

112 Niettemin volgt uit de punten 25 tot en met 109 van de onderhavige beschikking dat de maatregelen die de Republiek Polen na ondertekening van de beschikking van 27 oktober 2021 heeft getroffen er aanzienlijk toe bijdragen dat de tenuitvoerlegging van de in de beschikking van 14 juli 2021 genoemde voorlopige maatregelen wordt gewaarborgd.

113 Gelet op de omstandigheden van de zaak en de financiële draagkracht van de Republiek Polen moet de dwangsom die is opgelegd bij de beschikking van 27 oktober 2021 daarom worden verlaagd naar 500 000 EUR per dag met ingang van de datum van ondertekening van de onderhavige beschikking.

De vicepresident van het Hof beschikt:
  1. Het verzoek tot intrekking van de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 oktober 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:878 ), wordt afgewezen.

  2. De dwangsom die de Republiek Polen krachtens de beschikking van de vicepresident van het Hof van 27 oktober 2021, Commissie/Polen (C‑204/21 R, EU:C:2021:878 ), moet betalen aan de Europese Commissie wordt met ingang van de datum van ondertekening van de onderhavige beschikking verlaagd naar 500 000 EUR per dag.

  3. De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen