Conclusie van advocaat-generaal N. Emiliou van 5 september 2024
Conclusie van advocaat-generaal N. Emiliou van 5 september 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 22 februari 2024
Uitspraak
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. EMILIOU
van 22 februari 2024(1)
Zaak C‑339/22
BSH Hausgeräte GmbH
tegen
Electrolux AB
[verzoek van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Exclusieve bevoegdheid – Geldigheid van octrooien – Artikel 24, punt 4 – Werkingssfeer – Inbreukprocedure – Ongeldigheid van octrooien waarop beweerdelijk inbreuk is gemaakt, opgeworpen bij wege van exceptie – Gevolgen voor de bevoegdheid van het gerecht waarbij de inbreukprocedure is ingesteld – Octrooi dat in een derde staat is geregistreerd – ‚Reflexieve werking’ van artikel 24, punt 4”
I. Inleiding
1. Het onderhavige verzoek van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2).
2. De verwijzende rechter wenst met zijn vragen ten eerste duidelijkheid te verkrijgen over de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten van de Europese Unie om krachtens die verordening kennis te nemen van vorderingen wegens inbreuken op in andere lidstaten geregistreerde octrooien, met name wanneer de geldigheid van de octrooien waarop beweerdelijk inbreuk is gemaakt, door de tegenpartij wordt betwist. Zoals ik in deze conclusie zal uiteenzetten, heerst er over die kwestie grote onzekerheid, met name als gevolg van een dubbelzinnige beslissing die het Hof lang geleden heeft gegeven, namelijk het arrest GAT(3). De onderhavige verwijzing stelt het Hof in de gelegenheid om te bevestigen welke van de mogelijke uitleggingen van die beslissing de juiste is.
3. Ten tweede wordt het Hof verzocht te verduidelijken of de gerechten van de lidstaten bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen over de geldigheid van in derde staten geregistreerde octrooien. Dienaangaande zal het Hof zich moeten buigen over de delicate en langdurige kwestie of bepaalde regels van de Brussel I bis-verordening op dezelfde wijze gelden voor „externe” situaties als voor jurisdictiegeschillen „die intern zijn aan de Unie”, dan wel of zij, zoals in de onderhavige conclusie zal worden toegelicht, een „reflexieve werking” hebben.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
4. Het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, dat op 5 oktober 1973 is ondertekend te München (Duitsland) en op 7 oktober 1977 in werking is getreden, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „EOV”), roept volgens artikel 1 ervan een „voor de verdragsluitende staten gemeenschappelijk recht voor de verlening van octrooien voor uitvindingen in het leven”.
5. Artikel 2, lid 2, EOV bepaalt dat „[h]et Europees octrooi [...] in elk der verdragsluitende staten waarvoor het is verleend, dezelfde werking [heeft] en [...] onderworpen [is] aan dezelfde verplichtingen als een nationaal octrooi dat in die staat is verleend”.
B. Brussel I bis-verordening
6. In artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening staat dat, „[o]nverminderd deze verordening[,] zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, [worden] opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”.
7. Artikel 24, van die verordening, met als opschrift „Exclusieve bevoegdheid” bepaalt in punt 4 ervan:
„Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
[...]
4. voor de registratie of de geldigheid van octrooien, [...] ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen: de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht [of] heeft plaatsgehad [...].
Onverminderd de bevoegdheid van het Europees octrooibureau krachtens [het EOV], zijn de gerechten van elke lidstaat bij uitsluiting bevoegd voor de registratie of de geldigheid van een voor die lidstaat verleend Europees octrooi”.
C. Zweeds recht
8. § 61, tweede alinea, van de Patentlag (1967:837) (octrooiwet) bepaalt dat „[i]ndien een vordering wegens octrooi-inbreuk wordt ingesteld en de verweerder aanvoert dat het octrooi ongeldig is, [...] de vraag betreffende de geldigheid pas [kan] worden onderzocht nadat daartoe een vordering is ingesteld. De rechter gelast de partij die aanvoert dat het octrooi ongeldig is, om een dergelijke vordering binnen een bepaalde termijn in te stellen”.
III. Feiten, nationale procedure, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
9. BSH Hausgeräte GmbH (hierna: „BSH”) is houder van EP 1 434 512, een Europees octrooi dat een met stofzuigers verband houdende uitvinding beschermt en dat is verleend voor (en dienovereenkomstig geldig is verklaard in) Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Nederland, Spanje, Zweden, Turkije en het Verenigd Koninkrijk.
10. Op 3 februari 2020 heeft BSH tegen Aktiebolaget Electrolux (hierna: „Electrolux”), een in Zweden gevestigde vennootschap, een vordering ingesteld bij de Patent- och marknadsdomstol (bijzondere rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings‑ en consumentenzaken, Zweden). Die vordering was gebaseerd op de bewering dat Electrolux inbreuk had gemaakt op EP 1 434 512 in de verschillende staten waarvoor het was verleend. Dienaangaande verzocht BSH onder meer om Electrolux bij gerechtelijk bevel te verbieden om de geoctrooieerde uitvinding nog langer in een van die staten te gebruiken en om haar te veroordelen tot vergoeding van de schade die door dat onrechtmatige gebruik was veroorzaakt.
11. Electrolux betoogde in haar verweerschrift dat de Patent- och marknadsdomstol die vordering moest afwijzen voor zover zij betrekking had op de Oostenrijkse, de Franse, de Duitse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Spaanse, de Turkse en de Britse gedeelten van EP 1 434 512 (hierna: „buitenlandse octrooien”). Zij voerde ter zake onder meer aan dat de buitenlandse octrooien ongeldig waren.
12. Voorts stelde Electrolux dat de Zweedse gerechten gelet op dat verweermiddel niet bevoegd waren om kennis te nemen van de vordering wegens inbreuk, voor zover deze betrekking had op de buitenlandse octrooien. In dat verband moet de vordering wegens inbreuk namelijk worden geacht betrekking te hebben op „de geldigheid van octrooien” als bedoeld in artikel 24, punt 4 van de Brussel I bis-verordening, op grond waarvan de gerechten van de verschillende lidstaten waar die octrooien geldig zijn verklaard, bij uitsluiting bevoegd zijn om kennis te nemen van de zaak, voor zover het gaat om „hun” octrooien.
13. In antwoord daarop betoogde BSH dat de Zweedse gerechten voor de vordering wegens inbreuken bevoegd waren op grond van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening, aangezien Electrolux in Zweden was gevestigd. Artikel 24, punt 4, ervan is niet van toepassing omdat de vordering van BSH op zich geen betrekking heeft op „de geldigheid van octrooien” als bedoeld in die bepaling. Bovendien staat in § 61, tweede alinea, van de Patentlag dat de aangezochte rechter de verweerder die in een dergelijke inbreukprocedure aanvoert dat het octrooi ongeldig is, moet gelasten daartoe een afzonderlijke vordering in te stellen bij de bevoegde rechter. In casu moet Electrolux dus bij de gerechten van de verschillende staten waarvoor de buitenlandse octrooien zijn verleend, afzonderlijke vorderingen tot nietigverklaring instellen. Parallel daarmee kan de Patent- och marknadsdomstol over de inbreukkwestie een voorlopige beslissing geven en vervolgens zijn uitspraak aanhouden in afwachting van een definitieve uitspraak in de procedure tot nietigverklaring. Wat ten slotte het Turkse gedeelte van EP 1 434 512 betreft, betoogde BSH dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening hoe dan ook niet geldt voor door derde staten verleende octrooien, zodat het geen invloed kan hebben op de bevoegdheid van de Zweedse gerechten.
14. Bij beslissing van 21 december 2020 heeft de Patent- och marknadsdomstol de vordering wegens inbreuk op de buitenlandse octrooien afgewezen. Ofschoon de Zweedse gerechten bij de inleiding van de procedure bevoegd waren om kennis te nemen van de vordering op grond van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening, werd artikel 24, punt 4, van die verordening toepasselijk zodra Electrolux bij wege van exceptie de ongeldigheid van die octrooien had opgeworpen. Volgens die bepaling zijn de gerechten van andere staten bij uitsluiting bevoegd om de geldigheidskwestie te beslechten en, gelet op het feit dat die kwestie beslissend is voor de uitkomst van de door BSH ingestelde vordering wegens inbreuk, heeft de nationale rechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van die vordering voor zover deze betrekking had op de buitenlandse octrooien. Ook met betrekking tot het Turkse octrooi heeft die rechter zich onbevoegd verklaard omdat artikel 24, punt 4, zijns inziens de uitdrukking vormt van een internationaal aanvaard beginsel van rechtsmacht, volgens hetwelk uitsluitend de gerechten van de staat die het octrooi heeft verleend, de geldigheid ervan kunnen beoordelen.
15. Vervolgens heeft BSH bij de Svea hovrätt hoger beroep ingesteld tegen die beslissing, waarbij zij staande houdt dat artikel 24, punt 4 van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing is op vorderingen wegens octrooi-inbreuken. Aangezien Electrolux bij wege van exceptie ongeldigheid opwerpt, is de rechterlijke bevoegdheid evenwel gedeeld: de Zweedse gerechten zijn krachtens artikel 4, lid 1, bevoegd om te oordelen over de inbreukkwestie, terwijl de geldigheidskwestie moet worden beslecht door de gerechten van de registratiestaten als bedoeld in artikel 24, punt 4. Krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening zijn de Zweedse gerechten tevens bevoegd voor het Turkse octrooi. Rechtsmacht van de woonstaat van de verweerder is immers een in het internationale recht erkend beginsel. Electrolux van haar kant blijft bij haar standpunt dat artikel 24, punt 4, van toepassing is op inbreukprocedures waarin ongeldigheid wordt opgeworpen bij wege van exceptie. De Zweedse gerechten zijn niet bevoegd om kennis te nemen van het geding in zijn geheel, aangezien de inbreuk‑ en de geldigheidskwestie niet van elkaar kunnen worden gescheiden.
16. In die omstandigheden heeft de Svea hovrätt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Dient artikel 24, punt 4, van [de Brussel I bis-verordening] aldus te worden uitgelegd dat de uitdrukking ‚voor de registratie of de geldigheid van octrooien, [...], ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen’ inhoudt dat een nationale rechter die zich overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een geschil ter zake van een octrooi-inbreuk, niet meer bevoegd is om uitspraak te doen over die inbreuk indien een exceptie wordt opgeworpen waarmee wordt gesteld dat het betreffende octrooi ongeldig is, of dient die bepaling aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter dan enkel onbevoegd is om kennis te nemen van de exceptie van ongeldigheid?
2) Hangt het antwoord op de eerste vraag af van het antwoord op de vraag of het nationale recht bepalingen bevat die overeenkomen met de tweede alinea van § 61 van de [Patentlag], op grond waarvan de verweerder in een inbreukprocedure slechts een exceptie van ongeldigheid kan opwerpen indien hij een afzonderlijke vordering tot nietigverklaring instelt?
3) Dient artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus te worden uitgelegd dat het van toepassing is op een gerecht van een derde [staat], dat wil zeggen, in de onderhavige zaak, aldus dat ook aan een gerecht in Turkije exclusieve bevoegdheid wordt toegekend ten aanzien van het gedeelte van het aldaar geldig verklaarde Europese octrooi?”
17. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van 24 mei 2022 is op dezelfde dag ingekomen bij het Hof. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door BSH, Electrolux, de Franse regering en de Europese Commissie; partijen waren vertegenwoordigd op de terechtzitting van 22 juni 2023.
IV. Analyse
18. De onderhavige zaak heeft betrekking op de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten om kennis te nemen van vorderingen wegens gestelde inbreuk op Europese octrooien in meerdere staten. Alvorens de aan het Hof voorgelegde vragen te ontleden, is het mijns inziens aangewezen om de lezer, die mogelijk niet vertrouwd is met de bijzonderheden van dit complexe rechtsgebied, een overzicht te geven van de relevante materiële en bevoegdheidsregels.
19. Algemeen gesproken zijn octrooien intellectuele-eigendomsrechten die staten verlenen na registratieprocedures die door nationale octrooibureaus worden uitgevoerd in overeenstemming met de in hun nationale wetgeving neergelegde vereisten voor octrooiverlening (of „octrooieerbaarheid”). Dergelijke octrooien verlenen de houder ervan bepaalde exclusieve rechten op de geoctrooieerde uitvinding (in wezen een handelsmonopolie), waarvan de omvang wordt vastgelegd in die wetgeving. Aangezien een staat in beginsel enkel de handel op zijn grondgebied soeverein kan regelen, is de verleende bescherming beperkt tot dat gebied (een opvatting die over het algemeen wordt aangeduid als het beginsel van de territorialiteit van octrooien). Het ongemak van dat systeem is dat degene die een enkele uitvinding in meerdere staten wil beschermen, in al die staten afzonderlijk een octrooi moet aanvragen.
20. Het EOV is vastgesteld om een (gedeeltelijke, zoals zal blijken) oplossing te bieden voor dat ongemak. Dat verdrag, dat 39 verdragsluitende partijen bindt, waaronder de lidstaten en Turkije, heeft een autonome regeling ingesteld voor de verlening van zogenaamde Europese octrooien via een gecentraliseerde registratieprocedure bij het Europees Octrooibureau (hierna: „EOB”), dat is gevestigd te München.(4) Dienaangaande voorziet het onder meer in eenvormige octrooieerbaarheidsvereisten. Het EOB heeft tot taak om aanvragen voor Europese octrooien aan die vereisten te toetsen.(5) Wanneer aan die vereisten is voldaan, verleent het EOB een Europees octrooi voor (naargelang de wens van de aanvrager) één, meerdere of alle verdragsluitende partijen.(6) In het hoofdgeding heeft BSH via die procedure EP 1 434 512 verkregen, dat is verleend voor verschillende lidstaten en Turkije.
21. Ondanks wat de benaming ervan doet vermoeden, vormt een Europees octrooi evenwel geen eenheidstitel die voor de betrokken uitvinding eenvormige bescherming biedt in alle staten waarvoor het is verleend. In wezen is een Europees octrooi immers het resultaat van een bundeling van nationale „gedeelten”, die worden gelijkgesteld aan door de betrokken staten verleende octrooien. Dat octrooi moet daarom „geldig worden verklaard” door de respectieve octrooibureaus van die staten. Als zodanig staan de nationale „gedeelten” van een Europees octrooi juridisch los van elkaar. Elk ervan verleent de octrooihouder dezelfde exclusieve rechten op de geoctrooieerde uitvinding als een „gewoon” nationaal octrooi(7) en is evenzeer beperkt tot het nationale grondgebied. Bovendien kan een Europees octrooi in beginsel(8) enkel per „gedeelte” worden herroepen, waarbij de herroeping van een „gedeelte” alleen geldt voor het grondgebied van de desbetreffende staat.(9)
22. Wanneer een bepaalde uitvinding wordt beschermd door een Europees octrooi, kan het ongeoorloofde gebruik van die uitvinding door een derde er dus enerzijds toe leiden dat het monopolie van de octrooihouder in meerdere staten (namelijk die waarvoor dat octrooi is verleend) wordt geschonden. In het hoofdgeding beschuldigt BSH Electrolux van exact dit soort octrooi-inbreuk in meerdere staten. Aangezien een Europees octrooi anderzijds geen eenheidstitel vormt, wordt een inbreuk erop in meerdere staten vanuit juridisch oogpunt beschouwd als een bundel van inbreuken op nationale octrooien, waarbij de inbreuk op elk van de „gedeelten” ervan afzonderlijk wordt beoordeeld in het licht van het nationale recht dat erop van toepassing is.(10) In feite is de vordering die BSH tegen Electrolux heeft ingesteld, een bundel van aanspraken wegens inbreuk op de verschillende „gedeelten” van EP 1 434 512.
23. Geschillenbeslechting inzake Europese octrooien, met inbegrip van vorderingen wegens inbreuk, behoort eveneens tot de bevoegdheid van de verdragsluitende partijen en hun nationale gerechten.(11) Ook voor grensoverschrijdende geschillen bevat het EOV geen verdeling van de bevoegdheid tussen die gerechten.(12) Die kwestie moet worden beoordeeld in het licht van de door de gerechten van die verdragsluitende partijen toegepaste regels van internationaal privaatrecht.
24. In de lidstaten van de Europese Unie wordt de rechterlijke bevoegdheid met betrekking tot grensoverschrijdende octrooigeschillen tussen particuliere partijen bepaald door de regels van de Brussel I bis-verordening(13), wanneer de verweerder, zoals Electrolux, in een dergelijke lidstaat is gevestigd.
25. Voor die geschillen werkt de in dat instrument (en in de daaraan voorafgaande instrumenten)(14) neergelegde bevoegdheidsregeling (hierna: „stelsel van Brussel”) volgens onderstaande tweedeling.
26. Enerzijds geldt „voor de registratie of de geldigheid van octrooien” een bijzondere regel krachtens artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening, op grond waarvan exclusieve bevoegdheid wordt toegekend aan de gerechten van de lidstaat die het betrokken octrooi heeft verleend (hierna: „registratiestaat”). Wanneer de registratie of de geldigheid van een Europees octrooi in het geding is, zijn de gerechten van de verschillende lidstaten waarvoor dat octrooi is verleend, telkens bij uitsluiting bevoegd met betrekking tot hun nationale „gedeelte”.(15) Die regel is dwingend: partijen kunnen er niet bij overeenkomst van afwijken.(16) Indien partijen hun geschil aan het „verkeerde” gerecht voorleggen, is dat gerecht krachtens artikel 27 van die verordening bovendien verplicht om zich ambtshalve onbevoegd te verklaren.(17)
27. Anderzijds vallen alle andere geschillen inzake octrooien onder de algemene regels van de verordening. Dat is in beginsel ook het geval voor inbreukprocedures, aangezien zij niet de registratie of de geldigheid van octrooien betreffen, maar de handhaving ervan.(18) Die regels bieden procespartijen enige speelruimte wat de bevoegde rechter betreft.
28. Ofschoon op grond van artikel 7, punt 2, van de Brussel I bis-verordening(19) de gerechten van de registratiestaat bevoegd zijn voor inbreukprocedures, is die bevoegdheid niet exclusief, maar optioneel. Het is dus mogelijk om dergelijke procedures in te stellen bij andere gerechten. De octrooihouder kan zich krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening met name wenden tot de gerechten van de lidstaten waar de verweerder woonplaats heeft. In het geval van een inbreuk op een Europees octrooi in meerdere staten heeft een octrooihouder er vanzelfsprekend belang bij om dat te doen.
29. De bevoegdheid van de gerechten van de registratiestaat als bedoeld in artikel 7, punt 2, van de Brussel I bis-verordening is namelijk territoriaal beperkt. Overeenkomstig punt 22 hierboven kunnen de gerechten van elke staat waarvoor een Europees octrooi is verleend, slechts uitspraak doen voor zover het hun nationale „gedeelte” en grondgebied betreft.(20) Bijgevolg zou de octrooihouder die een omvattende voorziening in rechte beoogt, in al die staten afzonderlijke procedures moeten inleiden.
30. De bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening is daarentegen universeel. Zij kan zich dus uitstrekken tot de inbreuk op het Europees octrooi in alle staten waarvoor het is verleend.(21) Die gerechten kunnen een vergoeding toekennen ter compensatie van de totale door de octrooihouder geleden schade of bij gerechtelijk bevel verbieden om de inbreuk in een van die staten voort te zetten. Kortom, die bepaling stelt de octrooihouder in staat om al zijn aanspraken wegens inbreuk te concentreren bij een enkele rechter en van die rechter een allesomvattend herstel te verkrijgen. In de onderhavige zaak heeft BSH nu juist van die mogelijkheid gebruikgemaakt om haar gehele vordering tegen Electrolux aanhangig te maken bij de bevoegde octrooirechter in Zweden, waar die vennootschap is gevestigd.
31. Tegen die achtergrond koestert de verwijzende rechter twijfel over de vraag of in het hoofdgeding een dergelijke concentratie van aanspraken daadwerkelijk mogelijk is en, zo ja, in welke mate. Die twijfel vloeit voort uit het feit dat Electrolux tegen de aanspraken van BSH de exceptie heeft opgeworpen van ongeldigheid van de verschillende „gedeelten” van EP 1 434 512 waarop die aanspraken berusten.(22) Gelet op dat verweermiddel vraagt de verwijzende rechter zich af of en in hoeverre artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening van toepassing is en artikel 4, lid 1, ervan „overtroeft”. Krachtens artikel 24, punt 4, zou enkel het Zweedse „gedeelte” onder de exclusieve bevoegdheid van die gerechten vallen, terwijl andere gerechten bij uitsluiting bevoegd zouden zijn voor de buitenlandse „gedeelten”. Het zou niet mogelijk zijn om de procedures bij een enkel gerecht te concentreren en in plaats daarvan zou versnippering onvermijdelijk zijn.
32. De eerste en de tweede vraag van de verwijzende rechter, die tezamen moeten worden onderzocht, zien met name op de kwestie of een inbreukprocedure binnen de werkingssfeer van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening valt wanneer de geldigheid van het eraan ten grondslag liggend octrooi bij wege van exceptie wordt betwist. Indien dat het geval is, vraagt die rechter zich af of die bepaling hem in casu de bevoegdheid ontneemt (voor zover het gaat om de buitenlandse „gedeelten” van EP 1 434 512) om kennis te nemen van de vordering wegens inbreuk in het algemeen of enkel van de geldigheidskwestie. Ik zal die kwestie onderzoeken in afdeling A van de onderhavige conclusie.
33. Gesteld dat het Hof de eerste twee vragen aldus beantwoordt dat artikel 24, punt 4, relevant is in een situatie als die in het hoofdgeding, is de derde vraag of die bepaling ook van toepassing is met betrekking tot de geldigheid van het Turkse „gedeelte” van EP 1 434 512. Die kwestie zal ik in afdeling B van de onderhavige conclusie behandelen.
A. Materiële werkingssfeer van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening (eerste en tweede vraag)
34. Zoals hierboven is aangegeven, lijkt de werkingssfeer van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening duidelijk. Op grond van die bepaling zijn de gerechten van de registratiestaat enkel bij uitsluiting bevoegd „voor de geldigheid van octrooien”, niet „voor andere octrooigerelateerde kwesties”, zoals inbreuken.
35. In werkelijkheid zijn die begrippen wat dubbelzinnig. Die tweedeling is in de praktijk soms vaag. Ofschoon de geldigheid van octrooien het voorwerp kan uitmaken van specifieke vorderingen (tot herroeping of nietigverklaring), kan de ongeldigheid van een octrooi immers ook bij wege van exceptie worden opgeworpen tegen met name aanspraken wegens inbreuk. Op die manier tracht de gestelde inbreukmaker te bekomen dat die aanspraken worden afgewezen door de titel waarop zij berusten ongeldig te verklaren.(23) Electrolux heeft in het hoofdgeding een dergelijke exceptie opgeworpen.
36. Dat de gerechten van de registratiestaat bij uitsluiting bevoegd zijn voor de eerste categorie vorderingen heeft altijd vastgestaan. Over de vraag of en in hoeverre dat het geval is in het tweede scenario, bestaat daarentegen reeds lang discussie.
37. De gerechten van de lidstaten worden met die kwestie geconfronteerd sinds het begin van de jaren negentig, toen octrooihouders dankbaar gebruik begonnen te maken van de mogelijkheden om op grond van de algemene regels van het stelsel van Brussel hun aanspraken wegens inbreuk te bundelen. De oorspronkelijke formulering van de omstreden exclusievebevoegdheidsregel, zoals (destijds) neergelegd in artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag, bood ter zake geen houvast. Die gerechten zijn tot drie belangrijke benaderingen gekomen.
– Ten eerste hebben sommige gerechten, met name in Duitsland, geoordeeld dat de bewuste exclusievebevoegdheidsregel niet van toepassing is wanneer de ongeldigheid bij wijze van exceptie wordt opgeworpen in inbreukprocedures. Gerechten van buiten de registratiestaat kunnen volgens de algemene regels van het verdrag van dergelijke vorderingen kennisnemen en in dat kader de geldigheid van het octrooi of de octrooien in kwestie beoordelen.
– Ten tweede hebben andere gerechten, met name in het Verenigd Koninkrijk, zich op het standpunt gesteld dat inbreukprocedures vanaf het moment dat een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, betrekking hebben op de geldigheid van octrooien, en dus onder de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de registratiestaat of -staten vallen.
– Ten derde heeft een laatste groep gerechten, waaronder die in Nederland, geoordeeld dat, wanneer ongeldigheid bij wijze van exceptie wordt opgeworpen in inbreukprocedures, de omstreden regel van toepassing is, maar op een enigszins verfijnde manier: alleen de geldigheidskwestie valt onder de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de registratiestaat; andere gerechten kunnen de inbreukkwestie beslechten.(24)
38. In 2006 heeft het Hof zich met zijn arrest GAT in het debat gemengd. Die zaak draaide met name niet om inbreukprocedures als zodanig. Het betrof een vordering waarmee een onderneming de Duitse gerechten verzocht te verklaren dat zij geen inbreuk had gemaakt op twee Franse octrooien van een Duitse onderneming (een „negatieve verklaring”), onder meer op grond dat die octrooien ongeldig waren. Die gerechten vermoedden dat artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag relevant kon zijn en hebben het Hof dienaangaande een prejudiciële vraag voorgelegd. Het Hof heeft echter geen op deze specifieke feiten toegesneden antwoord gegeven; in plaats daarvan heeft het in algemene bewoordingen geoordeeld dat de (destijds) in die bepaling opgestelde exclusievebevoegdheidsregel „alle geschillen over de [...] geldigheid van een octrooi betreft, ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen”.(25) Anders dan BSH betoogt, is dit antwoord algemeen genoeg om onder meer het scenario te dekken van een inbreukprocedure waarin een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen. De verwijzing naar „exceptie” is duidelijk in die zin toegevoegd.(26)
39. Enkele jaren later heeft de wetgever het arrest GAT gecodificeerd bij artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening door in de tekst van die bepaling te preciseren dat de gerechten van de registratiestaat ook bij uitsluiting bevoegd zijn voor de geldigheid van octrooien, „ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen”.
40. Over die kwestie werd echter, op zijn zachtst gezegd, geen duidelijkheid bereikt. Het antwoord dat het arrest GAT (en thans artikel 24, punt 4) geeft op het in het onderhavige deel besproken vraagstuk, roept in feite meer vragen op dan het oplost. Dat antwoord heeft namelijk een ongerechtvaardigde doodsteek toegebracht aan de hierboven genoemde eerste benadering (deel 1), terwijl het Hof (en de Uniewetgever) nationale gerechten en justitiabelen vervolgens zelf hebben laten discussiëren over de vraag of de tweede dan wel de derde benadering de juiste was (deel 2).
1. Ongegrond arrest GAT
41. Wanneer een enkele procedure twee verschillende kwesties betreft (zoals in casu inbreuk en geldigheid), die binnen de werkingssfeer van elkaar uitsluitende bevoegdheidsregels vallen (in casu de algemene regels voor inbreuken; artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening voor de geldigheid van octrooien), volgt het Hof doorgaans enkele pragmatische beginselen om te bepalen welke gerechten bevoegd zijn om er kennis van te nemen.
42. Ten eerste moeten dergelijke procedures, ter bepaling van de toepasselijke bevoegdheidsregels, worden ingedeeld op basis van het hoofdonderwerp (of „voorwerp”) van de door de eiser ingestelde vordering en moeten eventuele voorvragen (of incidentele vragen) die anderszins kunnen worden opgeworpen, met name bij wege van exceptie, buiten beschouwing worden gelaten.(27)
43. Ten tweede is het door de toepasselijke bevoegdheidsregels aangewezen gerecht bevoegd om kennis te nemen van het gehele geding, dat wil zeggen niet alleen van de vordering, maar ook van de exceptie, ook al heeft die laatste betrekking op een kwestie die normaal gesproken aan een ander gerecht is voorbehouden.(28) Procedureel gezien maakt een dergelijk verweermiddel immers integraal deel uit van de vordering en volgt het logischerwijs de daarop toegepaste bevoegdheidsbehandeling.
44. Indien het Hof die beginselen in het arrest GAT had gevolgd, zou het de in punt 37 hierboven genoemde eerste benadering hebben gehanteerd. Bij inbreukprocedures waarin een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, is het hoofdonderwerp (of „voorwerp”) van de vordering immers eenvoudigweg een inbreuk. De geldigheidskwestie is daarentegen een schoolvoorbeeld van een voorvraag. Aangezien op een ongeldig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt, zal de rechter eerst moeten nagaan of de titel waarop de eiser zich beroept geldig is, om vervolgens de hoofdvraag te beslechten of de verweerder door zijn handelingen inbreuk heeft gemaakt op de rechten die door de betrokken titel worden verleend. Volgens die beginselen had een dergelijke procedure, gelet op dat hoofdonderwerp en ongeacht die exceptie, moeten vallen onder de (destijds) in het Executieverdrag neergelegde algemene regels. Bovendien hadden de gerechten die volgens die algemene regels bevoegd zijn om van de vordering wegens inbreuk kennis te nemen, met name de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, eveneens bevoegd moeten zijn om uitspraak te doen over die exceptie.
45. Dit is duidelijk niet de benadering die het Hof heeft gevolgd in het arrest GAT. Het heeft zich veeleer op het standpunt gesteld dat de regel van exclusieve bevoegdheid „voor de geldigheid van octrooien” zelfs geldt voor procedures waarin die kwestie louter bij wege van exceptie wordt opgeworpen. Zodoende heeft het Hof een uitlegging gegeven die bij mijn weten uniek is in het stelsel van Brussel. Sterker nog, die oplossing wijkt zelfs af van die waartoe het Hof tot nu toe is gekomen in het kader van de andere (thans) in artikel 24 van de Brussel I bis-verordening neergelegde exclusievebevoegdheidsregels. Overeenkomstig de hierboven besproken beginselen is het Hof van oordeel dat die andere regels enkel gelden wanneer een daarin genoemde kwestie het onderwerp van de vordering vormt.(29).(30) Bovendien heeft het Hof bij zijn arrest BVG, dat enkele jaren na het arrest GAT is gewezen, het standpunt ingenomen dat de regel van exclusieve bevoegdheid voor de geldigheid van vennootschappen of van de besluiten van hun organen (thans neergelegd in artikel 24, punt 2, van die verordening) niet geldt voor procedures waarin een dergelijke kwestie slechts bij wege van exceptie wordt opgeworpen.(31)
46. De precieze gevolgen van de bij het arrest GAT gegeven uitlegging zijn, zoals hierboven vermeld, onzeker en worden besproken in deel 2 hieronder. Voor de onderhavige zaak is het duidelijk dat wanneer een inbreukprocedure buiten de registratiestaat wordt ingeleid en een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, de gerechten in kwestie, anders dan BSH aanvoert, niet als voorvraag over de geldigheid van de betrokken octrooien mogen beslissen.
47. Dit neemt mijns inziens helaas niet weg dat het Hof met zijn nogal summiere redenering in het arrest GAT die oplossing niet op een overtuigende wijze onderbouwt.
48. Het eerste argument van het Hof houdt verband met de „plaats van [die exclusievebevoegdheidsregel] in het stelsel [van het Executieverdrag]” (dat wil zeggen het prevaleren ervan boven de algemene bevoegdheidsregels) en de „dwingende aard” ervan.(32) Dat argument kan mij niet overtuigen.(33) In feite ondersteunen die elementen veeleer de tegenovergestelde uitlegging.
49. In het stelsel van Brussel vormen de exclusievebevoegdheidsregels uitzonderingen. Derhalve moeten zij strikt worden uitgelegd.(34) Zij worden namelijk verondersteld enkel van toepassing te zijn in een „gering aantal duidelijk omschreven gevallen”.(35) Zoals het Hof bovendien bij het arrest BVG heeft geoordeeld, „klemt” een strikte uitlegging van die regels „temeer omdat” zij prevaleren boven de algemene regels en dwingend zijn.(36) Wanneer artikel 24, punt 4, van toepassing is, wordt eisers de forumkeuze ontnomen die zij anders zouden hebben, en kan dat ertoe leiden dat verweerders worden opgeroepen buiten de lidstaat van hun woonplaats, waar zij zich gewoonlijk beter kunnen verdedigen.
50. De uitlegging die het Hof bij het arrest in de zaak GAT heeft gegeven, kan daarentegen alleen maar als „ruim” worden omschreven.(37) De geldigheid van octrooien is op zichzelf absoluut een „duidelijk omschreven” kwestie. Niettemin kan het aan de orde worden gesteld in een „hele” reeks procedures die betrekking hebben op andere kwesties.(38)
51. De twee andere redenen die het Hof in het arrest GAT aanvoert, hebben betrekking op de met het stelsel van Brussel nagestreefde algemene doelstelling van rechtszekerheid.(39)indien de omstreden exclusievebevoegdheidsregel niet van toepassing zou zijn wanneer de kwestie van de geldigheid van octrooien bij wege van exceptie wordt opgeworpen in inbreukprocedures (enzovoort) en gerechten van buiten de registratiestaat, waarbij dergelijke procedures aanhangig zijn, die kwestie als voorvraag zouden mogen beslechten, dat „ertoe [zou] leiden dat meerdere” gerechten over die kwestie zouden kunnen oordelen. Dat zou dan weer „de voorzienbaarheid van de [...] bevoegdheidsregels aantasten” en „het gevaar van onverenigbare beslissingen” over die kwestie doen „toenemen”, wat allemaal ten koste zou gaan van de rechtszekerheid.(40)
52. Ook dat overtuigt mij niet. Wanneer „het hele plaatje wordt bekeken”, ondersteunen die elementen wederom veeleer de tegenovergestelde uitlegging. Aan de ene kant voorkomt de in het arrest GAT aangedragen oplossing inderdaad dat verschillende gerechten over de geldigheid van een octrooi tegenstrijdige standpunten innemen. In dat opzicht draagt het bij aan de rechtszekerheid. Aan de andere kant kan het arrest GAT echter leiden tot onzekerheid voor octrooihouders wat de werking van het stelsel van Brussel bij inbreukprocedures betreft.
53. Ofschoon dat stelsel een octrooihouder normaal gesproken toestaat een dergelijke procedure buiten de registratiestaat in te leiden, onder meer voor de gerechten van de lidstaat van de verweerder, schept de in het arrest GAT aangedragen oplossing onzekerheid over de vraag of die gerechten een vordering wegens inbreuk zouden kunnen toewijzen of althans binnen een redelijke termijn. Mocht de gestelde inbreukmaker in een bepaald stadium van de procedure een exceptie van ongeldigheid opwerpen, zouden die gerechten immers niet simpelweg kunnen beslissen over die exceptie en de zaak voortzetten, maar, afhankelijk van de manier waarop die oplossing dient te worden begrepen, ofwel niet langer bevoegd zijn en de vordering niet-ontvankelijk moeten verklaren, ofwel hun uitspraak mogelijk moeten aanhouden totdat de gerechten van de registratiestaten hebben vastgesteld of het octrooi geldig is (zie verder deel 2 hieronder).
54. Wat de juiste uitlegging ook moge zijn, het arrest GAT maakt het onaantrekkelijk om vorderingen wegens inbreuk op de verschillende „gedeelten” van een Europees octrooi te concentreren bij die gerechten. Octrooihouders worden daardoor veeleer aangemoedigd om in de verschillende staten van registratie van die „gedeelten” afzonderlijke procedures in te leiden, aangezien het op zijn minst vaststaat dat de gerechten van die staten bevoegd zijn om te oordelen over zowel de inbreuk als de geldigheid van „hun gedeelte” (zoals uiteengezet in de punten 26, 28 en 29 hierboven). Dat brengt dan weer het risico met zich mee dat verschillende gerechten tegenstrijdige standpunten innemen over hetzelfde geschil betreffende een inbreuk.
55. Een dergelijke onzekerheid en/of complexiteit bij de handhaving van octrooien is des te onwenselijker omdat intellectuele eigendom als grondrecht wordt beschermd in onder meer artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Op grond van die bepaling moet octrooihouders in de Europese Unie een „hoge mate” van bescherming van hun intellectuele-eigendomsrechten worden gegarandeerd. De mogelijkheid om snel een civiele procedure in te leiden en in geval van een inbreuk genoegdoening te krijgen, is in dat opzicht essentieel. De mogelijkheid om snel een civiele procedure in te leiden en, in geval van een inbreuk, genoegdoening te krijgen, is wat dat betreft essentieel. Dit is ook een vereiste van het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte dat wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest. In verband daarmee wil ik erop wijzen dat artikel 41, lid 2, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: „TRIPs-overeenkomst”)(41) bepaalt dat „[p]rocedures betreffende de handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom [...] niet onnodig ingewikkeld of kostbaar [mogen] zijn of [...] nodeloze vertragingen [mogen] inhouden”. Dit betreft mijns inziens ook de werking van de relevante regels inzake internationale bevoegdheid.
56. Hoe dan ook was – overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof inzake de uitlegging van de exclusievebevoegdheidsregels in het kader van het stelsel van Brussel(42) – de enige vraag die het Hof bij het arrest GAT diende te beantwoorden (maar waarop het niet is ingegaan) of de met de omstreden exclusievebevoegdheidsregel nagestreefde specifieke doelstelling „verlangt” dat die regel ook geldt voor inbreukprocedures waarin een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen. Mijns inziens is dit niet het geval.
57. Van meet af aan wil ik duidelijkheid scheppen over de vraag wat die doelstelling is. De uitleg die het Hof in dat verband gewoonlijk geeft (en waarnaar het „terloops” verwijst in het arrest GAT), is dat met de betrokken regel de doelstelling van behoorlijke rechtsbedeling wordt nagestreefd. Naar zijn oordeel zijn de gerechten van de registratiestaat, gelet op de „band van feitelijke nabijheid of juridische band” tussen geschillen over de registratie of de geldigheid van octrooien en die staat, „het best geplaatst” om van dergelijke geschillen kennis te nemen.(43) Mijns inziens is dat echter niet de ware bestaansreden van die regel.
58. Zoals uiteengezet in de punten 19 en 21 hierboven, worden octrooien inderdaad geregeld door de wetgeving van de registratiestaat. Er valt iets te zeggen voor het argument dat bijvoorbeeld een Duitse rechter „het best geplaatst” is om Duitse octrooiwetgeving toe te passen (vanwege de taal, de kennis over die wetgeving, enzovoort).(44) Vanwege het feit dat octrooien enkel worden beschermd in de registratiestaat, is er bovendien doorgaans sprake van feitelijke nabijheid tussen geschillen over die octrooien en het grondgebied van die staat.
59. Die overwegingen verklaren evenwel enkel waarom de gerechten van de registratiestaat kunnen kennisnemen van dergelijke geschillen. Zo rechtvaardigen zij waarom die gerechten krachtens het stelsel van Brussel bevoegd zijn voor inbreukprocedures betreffende hun grondgebied.(45) Daarentegen maken dergelijke overwegingen niet duidelijk waarom die gerechten bij uitsluiting van alle andere bevoegd zouden moeten zijn voor de registratie of de geldigheid van octrooien.(46) De octrooiwetgeving van de registratiestaat is met name niet zo uniek dat enkel de gerechten van die staat deze zouden kunnen doorgronden.(47) Ofschoon het voor de gerechten van een andere lidstaat misschien moeilijker is, zijn zij perfect in staat om dergelijke buitenlandse wetgeving toe te passen. Het tegendeel beweren zou erop neerkomen dat de fundamenten zelf van het stelsel van Brussel (en het hele gebied van internationaal privaatrecht) in twijfel worden getrokken.(48)
60. De ware bestaansreden van de omstreden regel ligt, zoals wordt gesteld in het Jenardrapport, in het feit dat „de verlening van een [...] octrooi voortvloeit uit de nationale soevereiniteit”.(49) De enige dwingende reden om in een dergelijke exclusievebevoegdheidsregel te voorzien, is immers de (traditionele) rol van overheidsinstanties bij het verlenen van dergelijke intellectuele-eigendomsrechten, waarnaar wordt verwezen in punt 19 hierboven(50), met name het feit dat nationale instanties tot taak hebben octrooiaanvragen te onderzoeken, deze in te willigen wanneer aan de relevante vereisten is voldaan en dienovereenkomstig octrooien te registreren. Nochtans „verlangt” die overweging mijns inziens evenmin dat de in het arrest GAT aangedragen oplossing wordt toegepast.
61. Enerzijds wordt immers door geschillen waarvan het voorwerp de registratie of de geldigheid van octrooien is, per definitie de werking van de overheidsinstanties van de registratiestaat ter discussie gesteld.(51) De kern van het geschil is of de betrokken overheidsinstantie (het betrokken octrooibureau) „haar (zijn) taak naar behoren heeft uitgevoerd”. Met name bij een vordering tot herroeping verzoekt een eiser het gerecht in wezen om ten eerste te toetsen of die instantie het octrooi terecht heeft verleend en, als dat niet het geval was, om het octrooi ongeldig te verklaren als herstelmaatregel. Een dergelijke ongeldigverklaring geldt per definitie erga omnes en kan als zodanig tegen de betrokken instantie worden ingeroepen. De rechter kan met zijn beslissing die instantie zelfs gelasten haar registers dienovereenkomstig te corrigeren. Dergelijke beslissingen mogen uiteraard alleen worden gegeven door de gerechten van de registratiestaat. Ter zake moet de soevereiniteit van staten worden geëerbiedigd. Staten zouden niet accepteren dat de handelingen van hun autoriteiten worden gesanctioneerd door de gerechten van een vreemde staat en dat die laatste hen instrueren over de manier waarop zij hun nationale registers moeten beheren.(52)
62. Anderzijds wordt de werking van de overheidsinstanties van de registratiestaat met name bij inbreukprocedures niet ter discussie gesteld, zelfs niet wanneer bij wege van exceptie de ongeldigheid wordt opgeworpen van het octrooi waarop beweerdelijk inbreuk is gemaakt. In dat geval wordt die kwestie als voorvraag door het gerecht onderzocht, maar enkel ter fine van de beslechting van de inbreukkwestie. Het enige mogelijke gevolg daarvan is dat het gerecht de vordering wegens inbreuk afwijst. Een dergelijke beslissing ziet op de particuliere belangen van de partijen en heeft daarom over het algemeen enkel gevolgen voor die partijen.(53) Zij kan de soevereiniteit van de registratiestaat niet aantasten, aangezien zij geen gevolgen heeft voor de overheidsinstanties van die staat en dat ook niet beoogt. De geldigheid van het octrooi wordt juridisch gezien niet aangetast. Die overheidsinstanties worden niet geïnstrueerd door gerechten van andere soevereine staten.
2. Passende lezing van het arrest GAT
63. Om al die redenen is het arrest GAT naar mijn mening (en volgens het merendeel van de literatuur die ik heb geraadpleegd)(54) een ongelukkige beslissing. Mocht de daarin opgenomen oplossing enkel berusten op die beslissing, zou ik het Hof hebben aanbevolen deze te herzien en in plaats daarvan te verklaren dat de exclusievebevoegdheidsregels niet van toepassing zijn op de geldigheid van octrooien wanneer in inbreukprocedures een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, voor zover de door het aangezochte gerecht gegeven beslissing uitsluitend gevolgen heeft voor de partijen.(55)
64. Zoals hierboven is aangegeven, heeft de Uniewetgever dat arrest echter gecodificeerd in artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening.(56) Bij de huidige stand van het Unierecht zit het Hof dan ook „gevangen” in de oplossing die het aanvankelijk heeft gekozen. Op verzoek van de verwijzende rechter moet het kiezen tussen twee mogelijke lezingen van het arrest GAT (en de codificatie ervan), die respectievelijk overeenkomen met de in punt 37 hierboven opgesomde tweede en derde benadering.
65. Volgens de eerste lezing, die door Electrolux wordt verdedigd, en die ik als „ruim” zal omschrijven, zijn (worden), wanneer in inbreukprocedures ongeldigheid wordt opgeworpen bij wege van exceptie, de gerechten van de registratiestaat krachtens artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening bij uitsluiting bevoegd om in die procedures uitspraak te doen. Elk ander gerecht moet zich onbevoegd verklaren op grond van artikel 27 van die verordening.
66. Volgens de tweede lezing, die door de Commissie wordt verdedigd en die ik als „strikt” zal omschrijven, zijn, wanneer in inbreukprocedures ongeldigheid wordt opgeworpen bij wege van exceptie, de gerechten van de registratiestaat krachtens artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening enkel bij uitsluiting bevoegd om de ongeldigheidskwestie te beslechten. Andere gerechten kunnen op grond van de algemene regels van die verordening bevoegd zijn (of blijven) om de inbreukkwestie te beslechten.
67. Het Unierecht bevat bij zijn huidige stand geen duidelijke aanwijzingen over welke lezing de juiste zou moeten zijn. Ten eerste lijkt, zoals Electrolux aanvoert, een „ruime” lezing van het dictum van het arrest GAT en van de bewoordingen van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening de meest voor de hand liggende(57), maar kunnen die elementen redelijkerwijs ook op een „strikte” manier worden gelezen. Ofschoon het Hof bij dat arrest heeft verklaard dat de omstreden exclusievebevoegdheidsregel „alle geschillen over de [...] geldigheid van een octrooi betreft”, heeft het niet aangegeven in welke mate dat het geval is. Die formulering is eenvoudigweg onduidelijk. Ten tweede biedt de latere rechtspraak van het Hof geen steun voor de ene of de andere lezing van het arrest, aangezien die rechtspraak dienaangaande tegenstrijdige aanwijzingen bevat. Enerzijds heeft het Hof, zoals Electrolux opmerkt, met zijn arrest BVG ogenschijnlijk de „ruime” lezing onderschreven.(58) Anderzijds heeft het Hof, zoals de Commissie onderstreept, met het arrest Roche Nederland e.a. schijnbaar de „strikte” lezing bevestigd.(59) Ten slotte heeft de wetgever noch in de tekst van artikel 24, punt 4, noch in een overweging van de verordening, daarover een standpunt tot uitdrukking gebracht.(60)
68. Ter beëindiging van de discussie moet de aandacht daarom uitgaan naar het bij de Brussel I bis-verordening ingestelde stelsel en naar de doelstellingen die worden nagestreefd met dat instrument in het algemeen en met artikel 24, punt 4, van die verordening in het bijzonder. Gelet op die elementen dient het Hof de in het arrest GAT gekozen „ruime” lezing te verwerpen [onder a)] en in plaats daarvan de „strikte” lezing te onderschrijven [onder b)]. Tevens dient het de nationale gerechten een aantal richtsnoeren aan te reiken voor de wijze waarop die lezing in de praktijk moet worden gebracht [onder c)].
a) Belangrijke tekortkomingen van de „ruime” lezing
69. Om te beginnen is de „ruime” lezing van het arrest GAT moeilijk verenigbaar met het stelsel van de Brussel I bis-verordening. Volgens dat stelsel, zoals bedoeld door de opstellers ervan, is de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de registratiestaat een uitzondering die beperkt is tot „de registratie of de geldigheid van octrooien”, terwijl inbreukprocedures en andere octrooigeschillen normaal gesproken bij andere gerechten aanhangig kunnen worden gemaakt.
70. Indien het arrest GAT evenwel zou moeten worden opgevat zoals gesuggereerd door Electrolux, zou – zoals de Commissie opmerkt – de uitzondering in feite de regel worden. Aangezien excepties van ongeldigheid in inbreukprocedures vaak worden opgeworpen, zouden dergelijke procedures regelmatig onder de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de registratiestaat vallen. De toepassing van de algemene bevoegdheidsregels en de keuzemogelijkheden die zij octrooihouders bieden, zouden beperkt blijven tot de zaken waarin een dergelijke exceptie niet wordt opgeworpen.
71. Voorts brengt de „ruime” lezing van het arrest GAT, in tegenstelling tot hetgeen Electrolux stelt, de met de Brussel I bis-verordening beoogde voorspelbaarheid en rechtszekerheid in gevaar, aangezien de kwalificatie van inbreukprocedures en bijgevolg de erop toepasselijke bevoegdheidsregels zouden afhangen van de vraag of al dan niet een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen (in strijd met het in punt 42 hierboven opgenomen beginsel).(61)
72. Wil de rechterlijke bevoegdheid voor inbreukprocedures voorspelbaar zijn, moeten octrooihouders immers gemakkelijk kunnen achterhalen bij welk gerecht zij een dergelijke procedure kunnen inleiden. Op grond van de „ruime” lezing van het arrest in GAT zouden zij echter moeilijk van tevoren kunnen bepalen of dergelijke procedures onder de exclusieve rechtsmacht van de registratiestaat vallen dan wel bij andere gerechten aanhangig kunnen worden gemaakt, aangezien zij geen controle hebben over de verweerstrategie die de gestelde inbreukmaker zal volgen.(62)
73. Mocht de octrooihouder er bovendien voor kiezen om een vordering buiten de registratiestaat in te stellen, bijvoorbeeld bij de gerechten van de lidstaat waar de gestelde inbreukmaker zijn woonplaats heeft, zou de bevoegdheid van die gerechten precair zijn. Zij zou immers kunnen wegvallen mocht de gestelde inbreukmaker een exceptie van ongeldigheid opwerpen. Die gerechten zouden dan moeten beslissen om de zaak niet verder te behandelen.(63) Wanneer een dergelijke exceptie volgens de procedurevoorschriften van het gerecht niet alleen bij aanvang van het proces kan worden aangevoerd, maar ook in opeenvolgende latere stadia, waaronder in hoger beroep, kunnen procedures die maanden of zelfs jaren aan de gang zijn plots op een dood spoor belanden. Voorts zou de gestelde inbreukmaker strategisch het moment kunnen kiezen waarop hij een dergelijke exceptie opwerpt, en de procedure feitelijk kunnen „torpederen”. Zoals BSH en de Commissie opmerken, zouden de gevolgen voor de octrooihouder dramatisch zijn. Bij de huidige stand van de Brussel I bis-verordening kunnen de gerechten van een lidstaat een zaak immers niet overdragen aan de gerechten van een andere lidstaat. De initieel aangezochte gerechten zouden de procedure alleen maar kunnen beëindigen, waardoor de eiser een nieuwe procedure zou moeten inleiden in de registratiestaat.
74. Om het allemaal nog erger te maken, staat die mogelijkheid voor de octrooihouder misschien niet langer open. De verjaringstermijnen die op vorderingen wegens inbreuk van toepassing zijn, kunnen namelijk inmiddels zijn verstreken. De octrooihouder zou in feite buiten zijn eigen schuld om alle mogelijkheden worden ontnomen om een voorziening in rechte in te stellen tegen inbreuken op zijn intellectuele-eigendomsrechten. Een dergelijke uitkomst zou in strijd zijn met artikel 17, lid 2, en artikel 47 van het Handvest en met artikel 41, lid 2, van de TRIPs-overeenkomst.
75. Zelfs al zou die mogelijkheid voor de octrooihouder nog openstaan, dan zou hij in het geval van een inbreuk op een Europees octrooi in meerdere staten inbreukprocedures moeten inleiden in alle betrokken staten, teneinde een allesomvattend herstel te verkrijgen.(64) Hij zou de vorderingen niet kunnen concentreren bij een enkel gerecht. Een aantal gerechten zou betrokken kunnen raken bij wat in wezen hetzelfde geschil is, waardoor het in punt 54 hierboven genoemde gevaar van onverenigbare beslissingen zou toenemen.
76. Ten slotte gaat de „ruime” lezing van het arrest GAT – anders dan Electrolux betoogt – verder dan de specifieke doelstelling van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening „verlangt”, namelijk dat zij er, zoals uiteengezet in de punten 60 en 61 hierboven, voor zorgt dat de soevereiniteit van de registratiestaat wordt geëerbiedigd. Zelfs ruim opgevat, kan die doelstelling enkel „verlangen” (wanneer een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen in een inbreukprocedure) dat de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd zijn tot beslechting van de geldigheidskwestie, niet van de inbreukkwestie.
b) „Strikte” lezing van het arrest GAT is „het minste kwaad”
77. De „strikte” lezing van het arrest GAT scoort aanzienlijk hoger op alle hierboven besproken aspecten. In beginsel vallen inbreukprocedures nog steeds onder de algemene regels van de Brussel I bis-verordening. Als zodanig is de rechterlijke bevoegdheid voorspelbaar, zeker voor de octrooihouder. Als hij een procedure aanhangig maakt buiten de registratiestaat en de gestelde inbreukmaker een exceptie van ongeldigheid opwerpt, verliezen de aangezochte gerechten hun bevoegdheid niet om van de vordering kennis te nemen. Die gerechten kunnen „enkel” geen uitspraak doen over de geldigheid van het (de) octrooi(en) in kwestie, die volgens de uitzonderingsregel van artikel 24, punt 4, van die verordening alleen kan worden beoordeeld door de gerechten(65) van de registratiestaat. In geval van inbreuken op een Europees octrooi in meerdere staten laat die lezing bovendien toe om de vorderingen gedeeltelijk te concentreren bij een enkel gerecht. Alleen de geldigheid van het octrooi, mocht deze wordt betwist, moet worden beoordeeld in de verschillende staten waarvoor het werd verleend.
78. Zoals de Commissie opmerkt, impliceert deze lezing van het arrest GAT dat het Hof een afwijking heeft toegestaan van het in het stelsel van Brussel neergelegde beginsel dat de bevoegdheid om kennis te nemen van een vordering zich uitstrekt tot elk mogelijk verweermiddel (zie punt 43 hierboven). Een dergelijke afwijking, weliswaar uniek binnen dat stelsel, is nochtans niet geheel onbekend. Soortgelijke afwijkingen komen immers voor in de regels inzake territoriale bevoegdheid van de lidstaten voor bepaalde kwesties die op grond van het nationale recht onder exclusieve bevoegdheid vallen.(66)
79. Concreet volgt hieruit dat wanneer inbreukprocedures betreffende een in een lidstaat geregistreerd octrooi aanhangig zijn voor de gerechten van een andere lidstaat en een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, het vanwege het feit dat die gerechten geen uitspraak kunnen doen over de geldigheidskwestie, noch (bij de huidige stand van de Brussel I bis-verordening) een incidentele vraag ter zake aan de instanties van de registratiestaat kunnen voorleggen, aan de gestelde inbreukmaker staat (indien hij daartoe nog niet is overgegaan) om bij die instanties met het oog op de beslechting van die kwestie een vordering tot nietigverklaring in te stellen.(67)
80. Electrolux werpt niet zonder enige reden tegen dat de „opsplitsing” van de inbreuk‑ en de geldigheidskwestie over twee procedures die in verschillende lidstaten aanhangig worden gemaakt, discutabel is uit het oogpunt van de rechtsbedeling. Die kwesties hangen immers nauw samen.(68) Zoals uiteengezet in punt 44 hierboven, moet de voorafgaande kwestie van de geldigheid van het octrooi in beginsel worden beslecht vóór de uitspraak over de hoofdkwestie van de inbreuk. Afgezien van het feit dat het recht van de registratiestaat op beide kwesties van toepassing is, hangen deze bovendien in wezen af van hetzelfde gegeven, namelijk de uitlegging van de octrooiconclusies.(69)
81. Niettemin ben ik van mening dat het weliswaar uit praktisch oogpunt niet altijd ideaal is om de geldigheids‑ en inbreukkwestie te laten beslechten door verschillende gerechten en/of instanties(70), maar dat dit evenmin onmogelijk is. In feite hebben meerdere lidstaten, zoals blijkbaar Zweden(71), op nationaal niveau een „stelsel van tweedeling” voor octrooirechtspraak ingevoerd volgens hetwelk die kwesties door verschillende rechters in afzonderlijke, specifieke procedures worden behandeld.(72)
82. Ofschoon geldigheid en inbreuk op die manier moeten worden „opgesplitst”, volgt hieruit niet, anders dan Electrolux stelt, dat wanneer in een inbreukprocedure een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, het gerecht waarbij die procedure aanhangig is, ertoe gehouden zou zijn of zelfs de mogelijkheid zou hebben om die exceptie systematisch te negeren, ervan uit te gaan dat het octrooi geldig is en een eindbeslissing over de inbreukkwestie te geven, ongeacht de eventueel parallel daarmee aanhangige vordering tot nietigverklaring in een andere lidstaat.
83. Zoals BSH en de Commissie betogen, kan artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening namelijk niet op die manier worden uitgelegd. Anders zou een gestelde inbreukmaker volledig verstoken blijven van een van de meest doeltreffende beschermingen tegen valse vorderingen wegens inbreuk. Dat zou een onaanvaardbare beperking inhouden van zijn recht van verweer, dat onder meer door artikel 47 van het Handvest wordt gegarandeerd en dat het stelsel van Brussel beoogt te waarborgen.(73)
84. In sommige gevallen zou dat bovendien kunnen leiden tot onverenigbare beslissingen. Enerzijds zouden de met de inbreukprocedure belaste gerechten immers de inbreuk kunnen erkennen, terwijl anderzijds de instanties van de registratiestaat het octrooi nadien nietig zouden kunnen verklaren. Laatstgenoemde instanties zouden de geldigheid van het octrooi ook kunnen bevestigen, maar dan op basis van een strikte uitlegging van de octrooiconclusies (op basis waarvan normaliter geen inbreuk zou kunnen worden vastgesteld), terwijl de met de inbreukprocedure belaste gerechten een inbreuk zouden kunnen erkennen op basis van een ruime uitlegging van de octrooiconclusies (op basis waarvan de rechter die de geldigheid moet beoordelen, het octrooi nietig zou hebben verklaard).(74)
85. Zoals ik in het volgende deel verder zal toelichten, zijn er omstandigheden waarin de met de inbreukprocedure belaste gerechten ervan uit mogen gaan dat het octrooi geldig is en dienovereenkomstig uitspraak kunnen doen, ongeacht een eventuele exceptie van ongeldigheid. In andere omstandigheden zullen die gerechten ter eerbiediging van de rechten van verweer evenwel moeten wachten tot de geldigheid van het octrooi door de instanties van de registratiestaat is vastgesteld, alvorens zij een definitieve, overeenstemmende beslissing over de inbreuk geven.(75)
86. Soms zullen dus procedurele maatregelen en/of maatregelen inzake dossierbeheer nodig zijn om ervoor te zorgen dat de inbreukprocedure en de procedure tot nietigverklaring op elkaar worden afgestemd. In dat verband merkt Electrolux op dat noch de Brussel I bis-verordening, noch het Unierecht in het algemeen een oplossing ter zake biedt. De met de inbreukprocedure belaste gerechten zouden met name op grond van artikel 30, lid 1, van die verordening hun uitspraak kunnen aanhouden totdat de instanties van de registratiestaat hebben vastgesteld of het octrooi geldig is, maar alleen als de zaak eerst bij die instanties aanhangig is gemaakt. Die bepaling biedt geen soelaas wanneer een procedure tot nietigverklaring nadien wordt ingesteld. Zoals BSH en de Commissie betogen, hebben de gerechten waarbij de inbreuk aanhangig is gemaakt niettemin de mogelijkheid, waarvan zij soms zelfs gebruik zouden moeten maken, om, totdat de Uniewetgever bepalingen in die zin heeft vastgesteld(76), de oplossingen toe te passen waarin hun procesrecht (lex fori) voorziet.
87. Electrolux werpt tegen dat een dergelijke afhankelijkheid van het nationale procesrecht een risico inhoudt voor de eenvormige behandeling van zaken en procespartijen in de lidstaten, aangezien verschillende gerechten over verschillende bevoegdheden kunnen beschikken of deze verschillend kunnen uitoefenen. Dat is mijns inziens evenwel een ander onvermijdelijk minpunt van het arrest GAT. Bovendien hangt de kwestie niet volledig af van het nationale recht. Zoals ik in het volgende deel verder zal toelichten, wordt het nationale recht in belangrijke mate door het Unierecht afgebakend, waardoor voldoende eenvormigheid wordt gewaarborgd.
88. Ten slotte wordt vaak aangevoerd dat de „strikte” uitlegging van het arrest GAT evenmin ideaal is voor een doeltreffende handhaving van octrooien. De „opsplitsing” van de geldigheids‑ en inbreukkwestie over twee procedures leidt tot meer kosten en ongemak voor de partijen. Dat de met de inbreukprocedure belaste gerechten in bepaalde omstandigheden moeten wachten totdat de instanties van de registratiestaat hebben beoordeeld of het octrooi geldig is, kan die procedure mogelijk vertragen, terwijl het voor de octrooihouder doorgaans van belang is dat dergelijke inbreuken snel worden bestraft en verboden.(77) Het kan gestelde inbreukmakers er ook toe aanzetten excepties op te werpen om de zaak te „torpederen” of te wachten met het instellen en voeren van een procedure tot nietigverklaring teneinde de inbreukprocedure lam te leggen. Ofschoon ik het in het algemeen eens ben met deze bezwaren (zoals voortvloeit uit deel 1), blijft het een feit dat van de twee mogelijke benaderingen die nog op tafel liggen sinds het arrest GAT, dit het „minste kwaad” is. Bovendien kunnen de hierboven geschetste problemen met pragmatische maatregelen worden beperkt, zoals hieronder zal worden besproken.
c) Praktische richtsnoeren voor nationale gerechten
89. Ter terechtzitting hebben interveniënten op uitnodiging van het Hof besproken hoe gerechten van buiten de registratiestaat moeten handelen wanneer zij kennisnemen van geschillen over inbreuken en een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen. Ofschoon dat, zoals hierboven is aangegeven, voornamelijk een zaak is van de procedurevoorschriften van die gerechten, is het Hof mijns inziens bevoegd om daarvoor richtsnoeren vast te stellen. Ik wil er namelijk aan herinneren dat die procedurevoorschriften volgens vaste rechtspraak geen afbreuk mogen doen aan het nuttig effect van de Brussel I bis-verordening en dienovereenkomstig moeten worden toegepast.(78) Wat dat betreft, wordt het nationale recht eveneens afgebakend door de in de TRIPs-overeenkomst en in richtlijn 2004/48 vastgestelde beginselen, alsook door het recht van de octrooihouder op een doeltreffende voorziening in rechte en door dat van de gestelde inbreukmaker om zich te verweren, die beide worden gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest.
90. Wanneer een exceptie van ongeldigheid (naar behoren)(79) wordt opgeworpen door de gestelde inbreukmaker, zou een door commentatoren vaak naar voren geschoven en voor het Hof besproken oplossing erin bestaan dat de gerechten die kennisnemen van de vorderingen wegens inbreuk, hun uitspraak aanhouden – voor zover hun procesrecht hen daartoe machtigt (wat, naar ik aanneem, doorgaans het geval is)(80) – totdat de instanties van de registratiestaat hebben beslist omtrent de geldigheid van het octrooi in kwestie.(81)
91. Ofschoon dit inderdaad een oplossing biedt, deel ik het standpunt van BSH dat die gerechten niet automatisch een schorsing moeten toestaan. Zij moeten de zaak namelijk eerst zorgvuldig overwegen vanwege de (mogelijk aanzienlijke) vertragingen die een dergelijke maatregel onvermijdelijk met zich mee zouden brengen voor de beslechting van de inbreukprocedure. Een schorsing moet enkel worden toegestaan voor zover zij overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2004/48 en artikel 41 van de TRIPs-overeenkomst evenredig en billijk is en die vertragingen „niet nodeloos” zijn. Derhalve moeten die gerechten de vrijheid krijgen om de vereisten van proceseconomie en het recht van de octrooihouder op een doeltreffende voorziening in rechte af te wegen tegen behoorlijke rechtsbedeling en de rechten van verweer van de gestelde inbreukmaker.
92. Zoals BSH en de Commissie betogen, moeten de gerechten waarbij de inbreukprocedure aanhangig is met name eerst beoordelen hoe serieus de betwisting van de geldigheid is. Artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening verbiedt die gerechten mijns inziens niet om een eerste inschatting te maken van de manier waarop de instanties van de registratiestaat de kwestie zouden beslechten.(82) Dienaangaande mogen die gerechten een schorsing enkel overwegen wanneer die betwisting een reële kans op slagen heeft. Aangezien octrooien worden verleend nadat octrooibureaus voorafgaand het octrooieerbaarheidsvereiste hebben getoetst, worden zij immers vermoed geldig te zijn. De gronden die de gestelde inbreukmaker aanvoert, moeten dan ook op het eerste gezicht voldoende solide lijken om dat vermoeden in twijfel te trekken. Als dat niet het geval is, mogen die gerechten ervan uitgaan dat het octrooi geldig is en dienovereenkomstig over de inbreuk uitspraak doen. Voorts zou het in het licht van de proceseconomie en het recht van de octrooihouder op een doeltreffende voorziening in rechte weinig zinvol zijn om de inbreukprocedure te vertragen wanneer excepties van ongeldigheid lichtzinnig worden opgeworpen. Ook is er geen (of althans een verwaarloosbaar) gevaar van onverenigbare beslissingen, omdat er geen (redelijke) kans is dat de instanties van de registratiestaat het octrooi nadien nietig zullen verklaren.(83) Een dergelijke beoordeling vermindert ook de kans dat inbreukmakers (schijn)verweermiddelen aanvoeren als vertragingstactiek.(84)
93. Is de exceptie van ongeldigheid serieus te noemen, dan moeten de met de inbreukprocedure belaste gerechten schorsing toestaan. In dergelijke omstandigheden zullen de rechten van verweer dat immers normaal gesproken verlangen.(85) Ook is dit noodzakelijk met het oog op een behoorlijke rechtsbedeling, aangezien het hierboven besproken gevaar van onverenigbare beslissingen dan groot is. Om de proceseconomie te waarborgen en om, nogmaals, te voorkomen dat de gestelde inbreukmaker vertragingstactieken toepast, moeten die gerechten, zoals de Commissie betoogt, evenwel een termijn vaststellen waarbinnen die gestelde inbreukmaker in de registratiestaat een procedure tot nietigverklaring moet instellen (voor zover hij nog niet daartoe is overgegaan). Indien hij dat nalaat, dan moeten die gerechten de schorsing opheffen, ervan uitgaan dat het octrooi geldig is en uitspraak doen over de inbreuk. Wanneer een dergelijke schorsing is toegestaan, dan moeten die gerechten de voortgang van de procedure tot nietigverklaring volgen en dienovereenkomstig beslissen om de schorsing te handhaven of op te heffen.
94. Ten slotte staat niets eraan in de weg dat de gerechten waarbij de inbreukprocedure aanhangig is, voor de duur van de schorsing voorlopige maatregelen gelasten, waaronder conservatoire maatregelen, zoals een voorlopig verbod om de mogelijk inbreukmakende handelingen voort te zetten (wederom afhankelijk van hoe serieus de betwisting van de geldigheid is).(86) Het Hof heeft een dergelijke mogelijkheid in zijn arrest Solvay namelijk uitdrukkelijk behouden(87) en daarvan moet gebruik worden gemaakt voor zover dit evenredig is om de rechten van de octrooihouder te waarborgen.
B. „Reflexieve werking” van artikel 24, punt 4 (derde vraag)
95. Uit afdeling A van de onderhavige conclusie volgt dat de Zweedse gerechten krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening weliswaar bevoegd zijn om kennis te nemen van de door BSH ingestelde vordering wegens inbreuk, maar dat zij niet kunnen oordelen over de geldigheid van de gedeelten van het Europees octrooi waarop beweerdelijk inbreuk is gemaakt. Volgens artikel 24, punt 4, van die verordening zijn de gerechten van de verschillende lidstaten waar die gedeelten geldig zijn verklaard, bij uitsluiting bevoegd om die kwestie te beslechten.
96. Aangezien de vordering van BSH echter ook is gebaseerd op het gedeelte van het Europees octrooi dat in Turkije geldig is verklaard en dat Electrolux betwist, vraagt de verwijzende rechter zich met zijn derde vraag af of artikel 24, punt 4, van die verordening „van toepassing is op een gerecht van een derde staat”, met andere woorden of het in het hoofdgeding voor die kwestie „exclusieve bevoegdheid [toekent]” aan Turkse gerechten.
97. Wanneer die vraag letterlijk wordt opgevat, ligt het antwoord erop voor de hand. Als onderdeel van het Unierecht is de Brussel I bis-verordening bindend voor de lidstaten. Zij bepaalt de rechtsmacht van hun gerechten. Dat instrument kan onmogelijk enige bevoegdheid toekennen aan gerechten van derde staten. De Europese Unie is ter zake niet bevoegd. De rechtsmacht van deze gerechten van derde staten hangt af van hun eigen regels van internationaal privaatrecht.
98. Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan het Hof zich evenwel niet tot deze vanzelfsprekende vaststelling beperken. Bezien in de context van het hoofdgeding, is het duidelijk dat de derde vraag in wezen niet ziet op de positieve, bevoegdheidsverlenende werking van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening, maar op de negatieve, bevoegdheidsontnemende werking ervan. Waar het in werkelijkheid om draait, is of die bepaling de gerechten van de lidstaten de bevoegdheid ontneemt om de geldigheid van octrooien uit derde staten te beoordelen, net zoals dat het geval is met betrekking tot octrooien die in andere lidstaten zijn geregistreerd.
99. Zoals de Franse regering opmerkt, werpt die vraag, wanneer zij aldus wordt opgevat, een transversale kwestie op waarvan de relevantie het kader van de onderhavige zaak ruimschoots overstijgt. Zij kan zich immers voordoen met betrekking tot elk van de onderwerpen waarvoor artikel 24 van de Brussel I bis-verordening in een exclusievebevoegdheidsregel voorziet. Wat bijvoorbeeld indien bij de gerechten van een lidstaat een vordering wordt ingesteld met betrekking tot de geldigheid van zakelijke rechten op onroerende goederen (een onderwerp dat wordt geregeld in artikel 24, punt 1, ervan), maar die goederen in China zijn gelegen? Ook in verband met bedingen van exclusieve forumkeuze kan die kwestie opduiken. Wanneer de gerechten van een lidstaat in een dergelijke overeenkomst zijn aangewezen, wordt alle andere gerechten hun bevoegdheid ontnomen krachtens een andere bepaling van die verordening, namelijk artikel 25. Maar wat als een gerecht van een lidstaat wordt aangezocht ondanks een soortgelijke overeenkomst ten gunste van de gerechten van een derde staat?
100. Het antwoord op die kwestie is evenwel erg onduidelijk. Zij heeft in feite tot veel discussie geleid in de rechtsleer en voor nationale gerechten. Tot nu toe heeft het Hof geen duidelijk en allesomvattend antwoord gegeven. Zoals ik in de volgende delen uitvoerig zal toelichten, vloeit de complexiteit van de kwestie voort uit het feit dat de territoriale werkingssfeer van het stelsel van Brussel kampt met wat ik een „ontwerpfout” zou willen noemen (deel 1), hetgeen diepgaandere reflectie vereist over de beste manier om de met betrekking tot die scenario’s bestaande leemten in dat stelsel „op te vullen” (deel 2).
1. „Ontwerpfout” in het stelsel van Brussel
101. De „ontwerpfout” waarnaar hierboven wordt verwezen, is het gevolg van een paradox. Enerzijds is het duidelijk dat de territoriale werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening zich uitstrekt tot geschillen die sterke aanknopingspunten hebben met derde staten. Krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening, zoals uitgelegd in het licht van het baanbrekende arrest Owusu(88), is die verordening immers ratione territoriae van toepassing op elk grensoverschrijdend geschil waarbij de verweerder, zoals in casu Electrolux, zijn woonplaats heeft in een lidstaat; dat betekent dat het niet enkel gaat om geschillen „die intern zijn aan de Unie”. Ook geschillen die, afgezien van de plaats waar die procespartij is gevestigd, verband houden met derde staten, vallen onder de verordening, zelfs wanneer het onderwerp nauw verbonden is met een dergelijke staat of wanneer er een forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een dergelijke staat bestaat.(89) In beginsel is de zaak krachtens artikel 6, lid 1, van die verordening slechts van de werkingssfeer ervan uitgesloten wanneer de verweerder geen woonplaats in de Europese Unie heeft.
102. Anderzijds is het stelsel van Brussel eigenlijk niet ontworpen voor geschillen die verband houden met derde staten. Dat stelsel is voornamelijk uitgewerkt met het oog op geschillen „die intern zijn aan de Unie”. Dat blijkt duidelijk uit de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening. De formulering van de eerste bepaling beperkt de werkingssfeer tot geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met een „lidstaat”. De tweede bepaling verwijst enkel naar forumkeuzebedingen betreffende „de gerechten van een lidstaat”. Bij het uitwerken van die regels is geen rekening gehouden met het scenario van geschillen die soortgelijke aanknopingspunten hebben met derde staten. Bijgevolg zegt dat stelsel in het algemeen niets over de eventuele gevolgen van dergelijke aanknopingspunten voor de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten.(90)
2. Leemten in het stelsel van Brussel „opvullen”
103. Wanneer bij een gerecht van een lidstaat een geschil aanhangig wordt gemaakt waarbij enerzijds een verweerder van de Unie betrokken is, maar dat anderzijds sterke aanknopingspunten heeft met een derde staat (omdat het een onderwerp betreft dat nauw verbonden is met die staat of omdat het valt onder een beding van exclusieve forumkeuze ten gunste van de gerechten van die staat), rest, vanwege het algemene stilzwijgen van de Brussel I bis-verordening ter zake, de vraag op welke manier dat gerecht te werk dient te gaan. Uit de literatuur en de discussie die in de onderhavige zaak voor het Hof is gevoerd, kunnen drie mogelijke oplossingen worden afgeleid.
104. Aan het ene uiterste bestaat een eerste oplossing erin, die door geen van de interveniënten voor het Hof wordt gesteund, dat in dat scenario artikel 24 of artikel 25 van de Brussel I bis-verordening naar analogie van toepassing zou zijn. Dienovereenkomstig zou een gerecht van een lidstaat krachtens de relevante bepaling zijn bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijk geschil, worden ontnomen en het geding moeten beëindigen.
105. Aan het andere uiterste bestaat een tweede oplossing erin, die wordt gesteund door BSH, de Franse regering (schoorvoetend)(91) en de Commissie, dat in plaats daarvan de algemene regels van die verordening van toepassing zouden zijn. Dat zou er onder meer toe leiden dat de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft op grond van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bevoegd zijn. Bovendien zouden die gerechten, behoudens in een beperkt aantal omstandigheden, verplicht zijn om die bevoegdheid uit te oefenen en om de zaak dus te beslechten.
106. Daartussen ligt een derde oplossing, die wordt gesteund door Electrolux. Die oplossing sluit aan bij de theorie van de „reflexieve werking” (effet réflexe), die lang geleden is ontwikkeld door Droz.(92) Zij houdt in feite in dat een gerecht van een lidstaat op grond van die verordening weliswaar tot kennisneming van een geschil dat dergelijke aanknopingspunten met een derde staat vertoont bevoegd kan zijn, maar dat het die bevoegdheid kan weigeren uit te oefenen wanneer dat een „reflectie” is van het stelsel waarin die verordening voorziet.
107. Mijns inziens moeten de twee extreme oplossingen worden verworpen en is de tussenoplossing aan te bevelen. Zoals ik in de punten hieronder zal toelichten, kunnen de artikelen 24 en 25 in dergelijke omstandigheden onmogelijk van toepassing zijn (onder a), zodat in plaats daarvan de algemene regels van de verordening gelden (onder b); gerechten van een lidstaat kunnen in dergelijke gevallen echter niet tot uitoefening van de aan die regels ontleende bevoegdheid worden verplicht (onder c). Vervolgens zal ik de voorwaarden verduidelijken waaronder die gerechten zich op goede gronden onbevoegd kunnen verklaren (onder d).
a) Artikelen 24 en 25 kunnen niet van toepassing zijn
108. Ofschoon in een deel van de literatuur het tegendeel wordt geopperd(93), is het voor mij duidelijk dat de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening als zodanig niet van toepassing kunnen zijn op geschillen die met derde staten soortgelijke aanknopingspunten als die bedoeld in die artikelen hebben.
109. Een dergelijke uitlegging zou rechtstreeks indruisen tegen de uitdrukkelijke bewoordingen van die twee artikelen, die, zoals hierboven aangegeven, zich beperken tot geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met een „lidstaat”, en tot forumkeuzebedingen waarin de gerechten van een „lidstaat” worden aangewezen.(94) Bovendien zou het, zoals BSH, de Franse regering en de Commissie betogen, onverenigbaar zijn met het beginsel van strikte uitlegging van uitzonderingen om de werkingssfeer van die bepalingen door middel van een analoge redenering uit te breiden tot soortgelijke scenario’s waarbij derde staten betrokken zijn. Het Hof heeft dat trouwens al afgewezen. Bij het arrest IRnova heeft het geoordeeld dat , aangezien artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening „niet ziet op” geschillen over de geldigheid van octrooien uit derde staten, die bepaling in een dergelijke situatie „niet [kan] worden geacht van toepassing te zijn” (waarbij die redenering kan worden doorgetrokken naar alle bepalingen van artikel 24).(95) Evenzo heeft het Hof met betrekking tot de aan artikel 25 gelijkwaardige regel van het Executieverdrag, namelijk artikel 17, bij zijn arrest Coreck Maritime(96) het standpunt ingenomen dat „[b]lijkens de redactie [ervan]” dat artikel „niet van toepassing is op een [forumkeuzebeding] waarin een gerecht van een derde staat wordt aangewezen”.
110. Voorts heeft, zoals de Franse regering opmerkt, de bij de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening ingevoerde regeling – op grond waarvan de gerechten van de lidstaten ten gunste van de in die bepalingen aangewezen gerechten afstand moeten doen van hun bevoegdheid – enkel zin voor geschillen „die intern zijn aan de Unie”. In dat geval zal krachtens die verordening altijd het ene of het andere gerecht bevoegd zijn. Dat geldt niet voor „externe” geschillen. Zoals ik reeds heb aangegeven, hangt de bevoegdheid van de gerechten van derde staten af van hun eigen regels van internationaal privaatrecht. Die gerechten achten zichzelf doorgaans weliswaar bevoegd wanneer het onderwerp van het geschil nauw verbonden is met hun grondgebied of wanneer zij zijn aangewezen in een forumkeuzebeding, maar dat hoeft niet steeds het geval te zijn. Wanneer de gerechten van de lidstaten in een dergelijke situatie hun bevoegdheid zouden verliezen, zou er sprake zijn van rechtsweigering. Bovendien wordt de strikte, bijna automatische verplichting voor de gerechten van de lidstaat om procespartijen op grond van de artikelen 24 en 25 naar andere gerechten te verwijzen, gerechtvaardigd door het „wederzijds vertrouwen” van die staten in elkaars gerechtelijke instanties.(97) Dat „vertrouwen” strekt zich niet uit tot derde staten. Er kan niet van worden uitgegaan dat procespartijen in een dergelijke staat een eerlijk proces zouden krijgen. In bepaalde gevallen kan het zelfs worden uitgesloten.
b) In plaats daarvan gelden de algemene regels van de verordening
111. Zoals BSH, Electrolux, de Franse regering en de Commissie betogen, heeft de niet-toepasselijkheid van de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening op geschillen die met derde staten soortgelijke aanknopingspunten hebben als die bedoeld in die artikelen, binnen het door die verordening ingevoerde stelsel logischerwijze tot gevolg dat in plaats daarvan de algemene regels gelden. Daaruit vloeit voort dat met name de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening bevoegd zijn om van een dergelijk geschil kennis te nemen.
112. Die systematische lezing vindt steun in verschillende officiële rapporten die de instrumenten van Brussel begeleiden.(98)Bovenal is zij impliciet (maar heel duidelijk) onderschreven door het Hof (voltallige zitting) bij advies 1/03 (Nieuw Verdrag van Lugano).(99) Voor de onderhavige zaak volstaat het eraan te herinneren dat die beslissing betrekking had op de vraag of de Europese Unie exclusieve bevoegdheid had om het Lugano II-Verdrag te sluiten, wat op zijn beurt afhing van de vraag of dat verdrag het stelsel van Brussel zou „aantasten”.(100) Volgens het Hof zou dat het geval zijn. Het heeft aangegeven dat met betrekking tot geschillen waarbij een in een lidstaat woonachtige verweerder is betrokken, maar die nauw verbonden zijn met een derde staat die partij is bij dat verdrag, of die onder een forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van die staat vallen, het toekomstige verdrag de derde staat bij uitsluiting bevoegd zou maken(101), waar op grond van die verordening de gerechten van die lidstaat bevoegd zouden zijn geweest.(102)
c) Gerechten van de lidstaten kunnen niet tot uitoefening van de aan de algemene regels van de verordening ontleende bevoegdheid worden verplicht
113. Ofschoon de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft met name krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die dergelijke aanknopingspunten met derde staten hebben, ben ik het niet eens met het door BSH, de Franse regering en de Commissie verdedigde standpunt dat die gerechten verplicht zijn om die bevoegdheid uit te oefenen, behalve in een beperkt aantal gevallen. Volgens mij is een dergelijke benadering niet vereist op grond van de tekst van die verordening en de daarmee samenhangende rechtspraak (1) en is zij evenmin in overeenstemming met de doelstellingen van het stelsel van Brussel (2). Dat internationale overeenkomsten in sommige situaties voor de uit een dergelijke uitlegging voortvloeiende moeilijkheden een oplossing kunnen bieden, is geen reden om deze te onderschrijven (3), net zomin als dat het geval is voor de gestelde bedoeling van de Uniewetgever (4).
1) Bewoordingen van de verordening en daarmee samenhangende rechtspraak
114. Het voornaamste argument dat door BSH, de Franse regering en de Commissie wordt aangevoerd, is gebaseerd op de tekst van de Brussels I bis-verordening. Volgens hen vloeit uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, ervan voort („Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat [...] opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”) dat bevoegdheid uit hoofde van die bepaling in beginsel dwingend is. Dat betekent dat wanneer bij de gerechten van die staat een geding aanhangig wordt gemaakt, zij in het algemeen verplicht zijn om ervan kennis te nemen en dat geding te beslechten. Voorts heeft het Hof bij het arrest Owusu met betrekking tot de gelijkwaardige bepaling van het Executieverdrag (artikel 2) het strikte standpunt ingenomen dat „enkel in uitdrukkelijk door [het stelsel van Brussel] bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de basisregel die het bevat”.(103) In die zaak was bij de gerechten van het Verenigd Koninkrijk (destijds een lidstaat) tegen onder meer een verweerder met woonplaats in die staat een geding aanhangig gemaakt betreffende een onrechtmatige daad die in Jamaica had plaatsgevonden. De eerste prejudiciële vraag van die gerechten was of zij zich volgens de forum non conveniens-leer onbevoegd mochten verklaren ten gunste van de gerechten van Jamaica.(104)heeft ontkennend geantwoord op grond dat het stelsel van Brussel geen dergelijke uitzondering bevat.(105)
115. Die interveniënten zijn van mening dat, aangezien de Brussel I bis-verordening niet uitdrukkelijk voorziet in uitzonderingen voor geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met derde staten of die vallen onder een forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van dergelijke staten, de gerechten van de lidstaat waarbij een dergelijk geschil aanhangig is gemaakt en die bevoegd zijn krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening, verplicht zijn om van het geschil kennis te nemen. Zij kunnen zich enkel onbevoegd verklaren in de specifieke omstandigheden zoals beoogd in een aantal regels die door de Uniewetgever bij de vaststelling van de Brussel I bis-verordening zijn toegevoegd, namelijk de artikelen 33 en 34 ervan, met andere woorden enkel wanneer sprake is van een parallelle procedure bij gerechten van derde staten en slechts voor zover de procedure reeds bij die gerechten aanhangig was op het ogenblik dat de gerechten van de lidstaat werden aangezocht.(106)
116. Dat is mijns inziens een simplistische redenering.
117. Ten eerste is het niet logisch om uit het louter ontbreken in de Brussel I bis-verordening van bepalingen over nauw met derde staten verbonden geschillen af te leiden dat de gerechten van de lidstaten in het algemeen verplicht zijn om die aanknopingspunten terzijde te schuiven en over dergelijke zaken uitspraak te doen. Daarbij wordt immers voorbijgegaan aan het feit dat dit instrument, zoals in punt 102 hierboven is aangegeven, niet met het oog op die geschillen is ontworpen. Dat verklaart het algemene stilzwijgen van de tekst over die kwestie en is de reden waarom er mijns inziens geen positieve gevolgen uit kunnen worden getrokken.(107)
118. Ten tweede kan uit het loutere feit dat de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening de gerechten van de lidstaten thans uitdrukkelijk toestaan om zich onder meer voor dergelijke geschillen onbevoegd te verklaren wanneer bij de gerechten van een derde staat een parallelle procedure aanhangig is, redelijkerwijs evenmin worden opgemaakt dat de mogelijkheid daartoe in alle andere gevallen is uitgesloten. Ook daarover zwijgt de tekst van die verordening eenvoudigweg. Niets in de bewoordingen van die bepalingen of in de daarmee verband houdende overwegingen wijst er immers op dat zij bedoeld zijn om de mogelijkheid voor de gerechten van de lidstaten om zich onbevoegd te verklaren ten gunste van de gerechten van derde staten, uitputtend te regelen.(108)
119. Ten derde biedt het arrest Owusu in feite geen enkel gezagsargument voor de door BSH, de Franse regering en de Commissie geopperde letterlijk uitlegging. Ik geef toe dat de verklaring van het Hof dat de enige mogelijke uitzonderingen op de dwingende werking van (thans) artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening daarin uitdrukkelijk zijn geformuleerd, onvoorwaardelijk is. Tegelijkertijd heeft het Hof evenwel beslist om niet te antwoorden op de tweede vraag van de verwijzende rechter – die specifiek de kwestie betrof of de gerechten van de lidstaten hun bevoegdheid ook moeten uitoefenen wanneer bij hen geschillen aanhangig worden gemaakt waarvan het onderwerp nauw verbonden is met derde staten, of niettegenstaande forumkeuzebedingen waarin de gerechten van derde staten worden aangewezen – op grond dat die situaties in het hoofdgeding niet aan de orde waren. Uiteraard zou het Hof de twee vragen tezamen hebben beantwoord, mocht die verklaring bedoeld zijn geweest om ook die situaties te dekken. In plaats daarvan heeft het deze uitdrukkelijk uitgesloten van zijn arrest.(109)
120. Ten slotte blijkt (mijns inziens zeer duidelijk) uit ten minste twee andere arresten van het Hof, die niet zijn besproken door die interveniënten en die respectievelijk voor en na het arrest Owusu zijn gewezen, dat de gerechten van de lidstaten in feite geen kennis hoeven te nemen van en uitspraak hoeven te doen over geschillen die dergelijke sterke aanknopingspunten hebben met derde staten, ondanks het ontbreken van uitdrukkelijke bepalingen in die zin in het stelsel van Brussel.
121. Bij het arrest Coreck Maritime heeft het Hof onmiddellijk nadat het had geoordeeld dat artikel 17 van het Executieverdrag niet „van toepassing” is op forumkeuzebedingen waarin de gerechten van derde staten worden aangewezen, gespecificeerd dat wanneer een gerecht van een lidstaat ondanks een dergelijk beding wordt geadieerd, het „de geldigheid ervan [moet] beoordelen naar het recht dat voor zijn zetel geldt, waaronder het collisierecht”.(110) Uit die redenering vloeit logischerwijze voort dat wanneer dat gerecht dat beding geldig verklaart, het daaraan uitvoering kan geven en zich onbevoegd kan verklaren ten gunste van de aangewezen gerechten.
122. Bij het arrest Mahamdia heeft het Hof het standpunt ingenomen dat de gerechten van een lidstaat die bevoegd waren om kennis te nemen van een arbeidsgeschil op grond van de beschermende regels die (destijds) voor dergelijke aangelegenheden waren neergelegd in de Brussel I-verordening, geen uitvoering mochten geven aan een forumkeuzebeding waarin de gerechten van een derde staat werden aangewezen. Erg belangrijk was evenwel dat dit standpunt berustte op het feit dat het betrokken beding geen rekening hield met de in het stelsel van Brussel gestelde grenzen aan de partijautonomie in arbeidszaken.(111) Hieruit volgt logischerwijze dat wanneer in forumkeuzebedingen dergelijke grenzen in acht zijn genomen (zie verder punt 150 hieronder), de gerechten van de lidstaten aan dergelijke bedingen ten gunste van de gerechten van derde staten uitvoering mogen geven.(112)
123. Ofschoon die arresten betrekking hebben op forumkeuzebedingen, kan de algemene gedachte die daaruit naar voren komt (dat de gerechten van de lidstaten in bepaalde situaties mogen beslissen om hun bevoegdheid niet uit te oefenen, zelfs bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen in die zin in het stelsel van Brussel) mijns inziens worden doorgetrokken naar geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met derde staten.
2) Teleologische en samenhangende uitlegging van de verordening
124. Als het om beginselen gaat ben ik van mening dat het, zoals hierboven is aangegeven, weliswaar onwenselijk zou zijn om de gerechten van de lidstaten volledig onbevoegd te maken om kennis te nemen van geschillen die met derde staten soortgelijke aanknopingspunten hebben als die bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening, maar dat het niet te rechtvaardigen zou zijn om die gerechten te verplichten over die geschillen uitspraak te doen.
125. Ten eerste zou een dergelijke uitlegging indruisen tegen de met fundamentele beginselen verband houdende eigenlijke motivering van de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening.
126. Ik wil eraan herinneren dat de bestaansreden van (de meeste van) de exclusievebevoegdheidsregels van artikel 24 van de Brussel I bis-verordening de eerbiediging van bepaalde soevereine rechten en belangen is. Geschillen over zakelijke rechten op onroerende goederen (artikel 24, punt 1, van die verordening) raken aan de traditionele soevereiniteit van staten om op hun grondgebied toezicht uit te oefenen binnen de grenzen ervan. Bij geschillen over de geldigheid van inschrijvingen in openbare registers of octrooien (artikel 24, punten 3 en 4, ervan) wordt de werking van de betrokken overheidsinstanties ter discussie gesteld. Geschillen betreffende de tenuitvoerlegging van beslissingen (artikel 24, punt 5, ervan) zien rechtstreeks op het aan de staten voorbehouden recht om de handhavingsbevoegdheid op hun grondgebied uit te oefenen. Staten zouden niet accepteren dat buitenlandse gerechten zich met dergelijke aangelegenheden bemoeien. Enkel „hun” rechterlijke instanties kunnen daarover uitspraak doen.(113) dat, ongeacht de woonplaats van de verweerder, artikel 24 van de Brussel I bis-verordening van toepassing is zodra de soevereine rechten en belangen van een lidstaat in het geding zijn.(114)
127. Ik zie dan ook de logica niet achter de stelling dat de gerechten van een lidstaat enerzijds geen uitspraak mogen doen over de geldigheid van het eigendomsrecht betreffende een in een andere lidstaat gelegen perceel grond of over de geschiktheid van door de instanties van die lidstaat genomen tenuitvoerleggingsmaatregelen (enzovoort), maar dat zij anderzijds in het algemeen net daartoe gemachtigd zouden zijn wanneer het gaat om derde staten. Het is een verbluffende gedachte dat de Zweedse gerechten in het hoofdgeding de geldigheid van bijvoorbeeld het Duitse gedeelte van het litigieuze Europese octrooi niet mogen beoordelen, zelfs niet als een loutere voorvraag, maar dat zij wel verplicht zouden zijn geweest om, indien zij daartoe waren aangezocht, uitspraak te doen over de geldigheid van het Turkse gedeelte; dezelfde soevereine rechten en belangen zouden in het eerste geval worden geëerbiedigd, maar in het tweede geval volledig terzijde worden geschoven.(115)
128. Een dergelijke uitlegging van de Brussel I bis-verordening zou discutabel zijn uit het oogpunt van het internationaal publiekrecht. Ofschoon de kwestie omstreden is, luidt het meerderheidsstandpunt dat het internationale recht grenzen stelt aan de rechterlijke bevoegdheid van staten in burgerlijke zaken.(116)Ik geef toe dat wanneer, zoals de Commissie stelt, de verweerder in een burgerlijk geschil zijn woonplaats heeft in een lidstaat, die lidstaat vanwege een dergelijk aanknopingspunt met zijn grondgebied volgens het internationaal publiekrecht doorgaans het recht heeft om over de kwestie uitspraak te doen. Wanneer dat geschil evenwel raakt aan de rechten van een andere staat, is de bevoegdheidsaanspraak van die staat doorslaggevend. De woonplaats van de verweerder kan voor de eerste staat moeilijk als rechtvaardiging dienen om zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van de tweede staat. Dat zou kunnen worden beschouwd als een schending van het beginsel van soevereine gelijkheid.(117) De Brussel I bis-verordening moet in overeenstemming met die fundamentele beginselen worden uitgelegd.(118) Het in die verordening neergelegde stelsel staat niet los van de rest van de wereld en kan de aanspraken van derde staten op exclusieve bevoegdheid niet volledig ontkrachten.
129. Artikel 25 van de Brussel I bis-verordening reflecteert dan weer een beleid ten gunste van partijautonomie. De Uniewetgever vond het wenselijk om de mogelijkheid van contractanten om „hun rechter te kiezen”, te bevorderen.(119) Door vooraf te regelen welk(e) gerecht(en) potentiële, uit overeenkomsten voortvloeiende geschillen zullen beslechten, zorgen forumkeuzebedingen voor meer rechtszekerheid en voorspelbaarheid van geschillen, wat op zijn beurt de internationale handel bevordert (vandaar het veelvuldig gebruik van dat instrument door ondernemingen). Ook hier achtte de Uniewetgever die beleidslijn dermate belangrijk dat wanneer in een dergelijke overeenkomst de gerechten van een lidstaat worden aangewezen, hij in beginsel(120)alle andere gerechten, ongeacht de woonplaats van de verweerder, hun bevoegdheid aan de door de partijen gekozen gerechten afstaan en artikel 25 wordt toegepast.(121)
130. Ik zie dan ook wederom niet de logica achter de stelling dat de gerechten van de lidstaten enerzijds forumkeuzebedingen ten gunste van de gerechten van een andere lidstaat ten uitvoer moeten leggen, maar anderzijds soortgelijke bedingen waarin de gerechten van derde staten worden aangewezen, in het algemeen terzijde zouden moeten schuiven. Dat zou het met het stelsel van Brussel nagestreefde beleid ondermijnen. Partijautonomie zou in het eerste geval worden geëerbiedigd, maar in het tweede geval terzijde worden geschoven. Indien de gerechten van de lidstaten zich niettegenstaande dergelijke bedingen bevoegd zouden moeten verklaren, zouden die instrumenten niet langer bijdragen aan de rechtszekerheid. Een in de Europese Unie gevestigde onderneming en een in de Verenigde Staten gevestigde onderneming zouden bijvoorbeeld geen bindend compromis kunnen sluiten ten gunste van de gerechten van New York (Verenigde Staten). De Amerikaanse onderneming zou vrijelijk haar verbintenis kunnen verbreken door een zaak aanhangig te maken bij de gerechten van de lidstaat waar de Europese onderneming is gevestigd. Als de zaak eerst bij die gerechten aanhangig zou worden gemaakt, zouden deze het beding in kwestie niet ten uitvoer mogen leggen.(122)
131. Een dergelijke uitlegging van de Brussel I bis-verordening zou wederom discutabel zijn uit het oogpunt van overkoepelende normen, namelijk in dit geval grondrechten. Partijautonomie is immers een uitdrukking van contractvrijheid, die in het Unierecht onder meer wordt gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest.(123) Die vrijheid brengt met zich mee dat het rechtsstelsel van een staat in beginsel uitvoering geeft aan de wil van partijen bij een overeenkomst. Indien de gerechten van de lidstaten op grond van een extreme opvatting van de „dwingende werking” van de Brussel I bis-verordening forumkeuzebedingen ten gunste van de gerechten van derde staten niet ten uitvoer zouden mogen leggen, zou dat een ernstige en mijns inziens niet te rechtvaardigen beperking van die vrijheid inhouden.(124) Die uitlegging kan door het Hof dan ook niet worden onderschreven.(125)
132. Ten tweede zou die uitlegging ook indruisen tegen de algemene doelstellingen van het stelsel van Brussel. Het lijkt mij dat wanneer de op grond van de regels van de Brussel I bis-verordening bevoegde gerechten van de lidstaten zouden worden verplicht om uitspraak te doen over de geldigheid van eigendomstitels betreffende op het grondgebied van derde staten gelegen goederen of van octrooien uit derde staten (enzovoort), dan wel over geschillen die vallen onder forumkeuzebedingen waarin de gerechten van derde staten worden aangewezen, dat met name nauwelijks iets zou bijdragen aan de door die verordening op het gebied van rechterlijke bevoegdheid beoogde rechtszekerheid.
133. Dit is zeker het geval wanneer het gaat om forumkeuzebedingen. Partijen verwachten dat alleen de door hen gekozen gerechten hun potentiële geschil zullen behandelen en beslechten. Dat sommige gerechten van lidstaten verplicht zouden kunnen zijn om niettegenstaande een dergelijk beding uitspraak te doen, zou die verwachtingen tenietdoen.
134. Bovendien zou een dergelijke oplossing, zoals Electrolux betoogt, nauwelijks bijdragen aan een behoorlijke rechtsbedeling. De door de gerechten van de lidstaten over dergelijke geschillen gegeven beslissingen zouden immers weliswaar in de Europese Unie als geldig worden beschouwd, maar (juist omdat die beslissingen inbreuk maken op een soevereine aangelegenheid of omdat zij in strijd met een forumkeuzebeding zijn gegeven) hoogstwaarschijnlijk in de derde staten in kwestie terzijde worden geschoven.(126) Het is duidelijk dat een uitspraak over de geldigheid van een eigendomstitel of van een octrooi weinig waarde heeft wanneer deze niet ten uitvoer kan worden gelegd in de staat waar het goed zich bevindt of waar het octrooi is geregistreerd. Wat uitspraken in strijd met een forumkeuzebeding betreft, kan de eiser het weliswaar strategisch interessant achten om de zaak aanhangig te maken in de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (omdat de vermogensbestanddelen van de verweerder zich doorgaans in die staat bevinden), maar, aangezien de uitspraak geen uitwerking zou hebben in de aanvankelijk gekozen derde staat, zou niets verhinderen dat hetzelfde geschil aldaar opnieuw ter beslechting wordt voorgelegd door de andere partij. Daar komt nog bij dat in al die scenario’s uiteindelijk over een en hetzelfde geschil onverenigbare beslissingen kunnen worden gegeven door gerechten van lidstaten en gerechten van derde staten.
3) Internationale verdragen bieden geen allesomvattend antwoord
135. De Franse regering en de Commissie merken op dat, bij gebreke van specifieke bepalingen in de Brussel I bis-verordening, een oplossing voor de hierboven uiteengezette bezwaren kan worden gevonden in de internationale verdragen betreffende de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken, die de Europese Unie en haar lidstaten binden. Onder bepaalde voorwaarden(127) prevaleren dergelijke verdragen boven het stelsel van Brussel. Zijn die verdragen van toepassing, wordt de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten bepaald door de daarin opgenomen regels. De twee belangrijkste instrumenten(128) in dat verband zijn het Lugano II-Verdrag en het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze(129). Het eerste bevat bepalingen die gelijkwaardig zijn aan de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening. Het tweede schrijft voor dat bedingen van exclusieve forumkeuze door de gerechten van de verdragsluitende partijen ten uitvoer moeten worden gelegd.
136. Die internationale verdragen bieden natuurlijk een ideale oplossing voor de hierboven besproken kwesties. Zij zorgen ervoor dat de gerechten van de lidstaten de rechten en belangen van de betrokken derde staten eerbiedigen, evenals die van particuliere partijen die bereid zijn de beslechting van hun geschillen toe te vertrouwen aan bepaalde gerechten van derde staten. Voorts waarborgen zij wederkerigheid van de betrokken staten, alsook de erkenning en de tenuitvoerlegging in alle verdragsluitende staten van de beslissingen van de gerechten van hun tegenhangers.
137. De aldus geboden oplossing is echter onvermijdelijk (zeer) partieel. Die verdragen prevaleren per definitie enkel boven het stelsel van Brussel wanneer de derde staat die door het geschil wordt geraakt of waarvan de gerechten door een forumkeuzebeding zijn aangewezen, partij is bij het verdrag in kwestie.(130) Wat dat betreft, bindt bijvoorbeeld het Lugano II-Verdrag naast de lidstaten alleen de EVA-staten en de Zwitserse Bondsstaat. Het biedt geen oplossing wanneer het litigieuze octrooi, zoals in het onderhavige geval, in Turkije is geregistreerd. Ook zijn tot op heden slechts een handvol derde staten gebonden door het Haags Verdrag.(131) Dergelijke verdragen bieden dan ook enkel in bepaalde situaties een oplossing voor de hierboven besproken problemen.
138. Het is duidelijk dat hoe meer derde staten aan dergelijke internationale verdragen met de Europese Unie, in het bijzonder het Haags Verdrag, deelnemen, hoe relevanter dergelijke verdragen zullen worden voor de beslechting van internationale geschillen en hoe meer zij zullen bijdragen aan de zekerheid op dit gebied. Pragmatisch beschouwd, zullen evenwel nooit alle derde staten ter wereld, noch de quasimeerderheid ervan, daartoe overgaan. Derhalve zorgen multilaterale oplossingen niet (en zullen zij ook nooit zorgen) voor minder behoefte aan goede unilaterale oplossingen in het stelsel van Brussel. Gerechten van de lidstaten verplichten om uitspraak te doen over geschillen die nauw verbonden zijn met derde staten, is geen dergelijke oplossing.
4) Vermeende „duidelijke bedoeling” van de Uniewetgever
139. BSH, de Franse regering en de Commissie betogen, of suggereren althans, niettemin dat de „duidelijke bedoeling” van de Uniewetgever bij de vaststelling van de Brussel I bis-verordening was om gerechten van lidstaten die op grond van die verordening bevoegd zijn, tot kennisneming van geschillen met sterke aanknopingspunten met derde staten te verplichten, behalve wanneer de artikelen 33 en 34 van die verordening van toepassing zijn. Ofschoon de Franse regering zich bewust is van de hierboven opgesomde onvolkomenheden van die oplossing en dus ongelukkig is met het resultaat, stelt zij dat het niet aan het Hof staat om de wil van de wetgever door middel van uitlegging te corrigeren.
140. Met de algemene gedachte achter dit bezwaar kan ik het alleen maar eens zijn. Toch meen ik niet dat het in dit specifieke geval gewicht in de schaal legt.
141. Ten eerste ben ik, samen met advocaat-generaal Bobek in zijn conclusie in de zaak BV(132), in beginsel enkel beslissend is wanneer deze in de vastgestelde wetgeving duidelijk tot uiting komt. Zoals onder meer in punt 118 hierboven is uiteengezet, is dat in casu niet het geval. Mocht de wetgever de bedoeling hebben gehad die is uiteengezet door de Franse regering en de Commissie, zou hij ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om dat minstens in een specifieke overweging van de Brussel I bis-verordening aan te geven.
142. Wat ten tweede het verloop betreft van de wetgevingsprocedure die heeft geleid tot de vaststelling van die verordening, ben ik het ook eens met advocaat-generaal Bobek dat het Hof in het algemeen moet vermijden een „welhaast archeologische opgraving” uit te voeren van de voorbereidende werkzaamheden van een instrument en zich gebonden te voelen door gebeurtenissen, ideeën en bedoelingen die het op die manier (her)ontdekt, met name omdat een dergelijke exercitie meestal geen duidelijk beeld oplevert, maar wel een complex en vaag beeld.(133) Dat is met name in casu het geval.
143. Zoals de Franse regering en de Commissie benadrukken, blijkt uit de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden duidelijk dat de Uniewetgever zich bewust was van de kwestie omtrent de toepassing van het stelsel van Brussel op „externe” situaties.(134) Voorts bevatte het oorspronkelijke voorstel van de Commissie weliswaar enkel een nieuwe bepaling over samenloop van procedures, maar werden in verschillende stadia van de wetgevingsprocedure zowel bij het Europees Parlement(135) als bij de Raad, en met name door de Franse en Britse delegatie(136), voorstellen ingediend om regels op te nemen die voorzien in een beoordelingsmarge om zich onbevoegd te verklaren wanneer het onderwerp nauw verbonden is met een derde staat of wanneer een forumkeuzebeding van toepassing is waarin de gerechten van derde staten worden aangewezen.in de definitieve tekst (die de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening is geworden) alleen de regels inzake samenloop van procedures zijn behouden, zijn die voorstellen uiteraard door de wetgever verworpen.
144. Nochtans mogen er geen overhaaste conclusies worden getrokken. In de openbaar beschikbare documenten wordt weinig (of geen) uitleg gegeven over de reden waarom de Uniewetgever die voorstellen heeft verworpen(137) of, wat voor het onderhavige geval het belangrijkst is, over de gevolgen die het ontbreken van dergelijke specifieke regels in het stelsel van Brussel zijns inziens zou moeten hebben voor de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten met betrekking tot geschillen die verbonden zijn met derde staten. Ik heb met name geen enkele aanwijzing, laat staan een duidelijke verklaring, gevonden dat de wetgever met de niet-opname van dergelijke regels de mogelijkheid tot onbevoegdverklaring door de gerechten van de lidstaten heeft willen uitsluiten. Sterker nog, het enige door mij teruggevonden interne document van de Raad waarin de voorstellen van de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk inhoudelijk worden besproken, is een nota van de Duitse delegatie waarin het tegendeel wordt aangegeven. Die delegatie verklaart daarin tegen die voorstellen gekant te zijn, doch op grond dat, en dat is belangrijk, „de Brussel I-verordening de internationale rechtsmacht van de gerechten van de lidstaten ten aanzien van de gerechten van derde staten niet uitputtend regelt” en het dus met name „nog steeds aan het nationale recht van de lidstaten moet worden overgelaten om de werking van een forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een derde staat zelfstandig te regelen”.(138) Die duiding doet denken aan het in punt 121 hierboven besproken arrest Coreck Maritime.(139)
145. Bovendien moet de weigering van de wetgever tot opname van dergelijke regels, met uitzondering van de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening, mijns inziens in de context ervan worden bezien. Ik herinner eraan dat de oorspronkelijke bedoeling van de Commissie met haar wetgevingsvoorstel was om het stelsel van Brussel volledig te „internationaliseren” door het uit te breiden tot verweerders met woonplaats in derde staten.(140) De wetgever heeft het idee evenwel verworpen, onder meer vanwege de gevolgen die een dergelijke uitbreiding zou kunnen hebben voor de betrekkingen van de Europese Unie met haar internationale partners en de moeilijkheden die justitiabelen zouden ondervinden om de beslissingen van de gerechten van de lidstaten in het buitenland te laten erkennen. In die context heeft de wetgever klaarblijkelijk niet de bedoeling gehad om voor kwesties van nauw met derde staten verbonden geschillen een allesomvattende oplossing op te leggen. Veeleer heeft hij voor de kwestie een minimale aanpak willen hanteren door alleen de samenloop van procedures te regelen en de rest (voorlopig) over te laten aan het nationale recht.(141)
146. Ten slotte meen ik dat het hoe dan ook nooit in de macht van de Uniewetgever lag om de gerechten van een lidstaat te verplichten over kwesties die raken aan de soevereine rechten en belangen van derde staten, uitspraak te doen, noch om van hen te verlangen dat zij forumkeuzebedingen waarin een dergelijke staat wordt aangewezen, in het algemeen terzijde zouden schuiven. De beoordelingsmarge waarover de wetgever bij de vaststelling van een instrument van afgeleid Unierecht als de Brussel I bis-verordening beschikt, wordt uiteraard beperkt door het internationaal publiekrecht en artikel 16 van het Handvest, die immers hogere rechtsnormen zijn. In de punten 128 en 131 hierboven heb ik toegelicht waarom een dergelijke oplossing niet met die rechtsnormen te verenigen zou zijn. Ofschoon de wetgever er dus op goede gronden voor zou kunnen kiezen om regels in dat instrument op te nemen betreffende de voorwaarden waaronder een gerecht van een lidstaat zich in die situaties onbevoegd kan verklaren ten gunste van gerechten van derde staten, dan wel om dergelijke regels niet daarin op te nemen, kan die laatste keuze onmogelijk het gevolg hebben dat door de Franse regering en de Commissie wordt verdedigd.
d) Gerechten van de lidstaten mogen zich onbevoegd verklaren om van dergelijke geschillen kennis te nemen, wanneer dat een reflectie is van het stelsel waarin de verordening voorziet
147. Samen met Electrolux ben ik van mening dat gerechten van een lidstaat op grond van de Brussel I bis-verordening bevoegd kunnen zijn om kennis te nemen van geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met derde staten of dat valt onder een beding van exclusieve forumkeuze waarin de gerechten van dergelijke staten worden aangewezen, maar dat die verordening hen tegelijkertijd toestaat om te beslissen om geen kennis te nemen van de zaak. Dit is eenvoudigweg de enige rationele oplossing waarmee de doelstelling van dat instrument wordt bereikt en de samenhang ervan met hogere rechtsnormen wordt gewaarborgd.
148. Voor die specifieke geschillen moet worden aanvaard dat impliciet wordt afgeweken van de dwingende werking van artikel 4, lid 1, van die verordening. Omdat dit instrument (nog) geen bepalingen bevat die de gerechten van de lidstaten de bevoegdheid verlenen om zich in dergelijke gevallen onbevoegd te verklaren, betekent dit dat het stilzwijgen ervan aldus moet worden uitgelegd dat die gerechten daartoe mogen overgaan op grondslag van hun nationale recht. Dat is waarop het Hof heeft gezinspeeld bij het arrest Coreck Maritime.
149. Gerechten van de lidstaten kunnen nochtans niet in alle vrijheid krachtens hun nationale recht beslissen om zich met betrekking tot die geschillen onbevoegd te verklaren (zoals dat laatste arrest, op zichzelf gelezen, zou kunnen doen vermoeden). Zoals lang geleden is uiteengezet door Droz en sindsdien is bevestigd door de overgrote meerderheid van gerechten(142) en academici(143) die zich met deze kwestie hebben beziggehouden, is dat de gerechten van de lidstaten slechts toegestaan wanneer dat een „reflectie” is van het stelsel waarin de Brussel I bis-verordening voorziet. Dat is hun met name toegestaan in gevallen waarin, mocht er een soortgelijk aanknopingspunt met een lidstaat zijn geweest, het gerecht de zaak op grond van artikel 24 of 25 van die verordening uit handen had moeten geven.(144)
150. Het vereiste van „reflectiviteit” impliceert ten eerste dat een gerecht van een lidstaat zijn bevoegdheid tot kennisneming van een met een derde staat verbonden geschil slechts kan afwijzen wanneer de litigieuze kwestie valt binnen de materiële werkingssfeer van een van de exclusievebevoegdheidsregels van artikel 24(145), of wanneer dat gerecht is aangezocht niettegenstaande een forumkeuzebeding dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 25(146) (zodat het relevante artikel van toepassing zou zijn geweest in een soortgelijk geschil dat „intern is aan de Unie”). Wat ten tweede die bedingen betreft, impliceert „reflectiviteit” ingevolge het arrest Mahamdia dat een dergelijke werkwijze slechts kan worden gevolgd wanneer de beperkingen die worden gesteld aan de gevolgen van die bedingen bij geschillen „die intern zijn aan de Unie”, in acht zijn genomen. Een gerecht van een lidstaat kan aan een dergelijk beding geen uitvoering geven wanneer het geschil onder de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van een andere lidstaat valt of wanneer dat beding niet voldoet aan de bepalingen die in de verordening zijn vastgesteld ter bescherming van de zwakkere partij (verzekeringnemer, consument of werknemer).(147)
151. Een dergelijk vereiste van „reflectiviteit” is zowel logisch als cruciaal. Kan een gerecht van een lidstaat zich in een „externe” situatie onbevoegd verklaren waar het dat krachtens artikel 24 of 25 van de Brussel I bis-verordening ook had moeten doen, mocht de situatie „intern aan de Unie” zijn geweest, dan wordt de samenhang van het stelsel van Brussel immers gewaarborgd. Ook kan dan het met die bepalingen nagestreefde beleid in beide gevallen worden gerealiseerd. Daartegenover staat dat er dan geen reden is om „externe” situaties gunstiger te behandelen dan geschillen die intern zijn aan de Unie. Als het Unierecht de bevoegdheden van de nationale gerechten niet zou afbakenen, zouden de primaire regels die aan de lidstaten exclusieve bevoegdheid verlenen of zwakkere partijen beschermen, gemakkelijk door ondernemingen kunnen worden omzeild door eenvoudigweg in hun overeenkomsten forumkeuzebedingen ten gunste van derde staten op te nemen. Op die manier zouden die regels aanzienlijk minder doeltreffend worden.(148)
152. Is aan die voorwaarden voldaan, gaat het vereiste van „reflectiviteit” nochtans niet zo ver dat een gerecht van een lidstaat zich onbevoegd zou moeten verklaren op de wijze als door de artikelen 24 of 25 van de verordening wordt vereist in de gevallen waarop deze rechtstreeks, dat wil zeggen automatisch, van toepassing zijn. In punt 110 hierboven heb ik uiteengezet waarom dit niet het geval kan zijn: er zou een risico van rechtsweigering kunnen ontstaan, hetgeen indruist tegen artikel 47 van het Handvest. Dat gerecht moet derhalve een beperkte beoordelingsmarge worden gelaten om na te gaan of i) de betrokken gerechten van derde staten daadwerkelijk bij uitsluiting bevoegd zijn krachtens hun eigen regels van internationaal privaatrecht, en ii) de partijen daar een doeltreffende voorziening in rechte kunnen verkrijgen. Is dat niet het geval, dan mag het aangezochte gerecht van de lidstaat zich niet onbevoegd verklaren; in het omgekeerde geval moet het dat doen. Mocht de kwestie niet duidelijk zijn, dan dient het zijn uitspraak aan te houden totdat de partijen bij het betrokken gerecht van de derde staat een procedure hebben ingeleid die waarborgen biedt voor een eerlijk proces (en het duidelijk is dat dit gerecht in dat kader de zaak zal beslechten).(149)
153. Uit de voorgaande overwegingen volgt in het hoofdgeding dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening weliswaar niet rechtstreeks van toepassing is ter zake van de kwestie van de door Electrolux bij wege van exceptie betwiste geldigheid van het Turkse octrooi, maar dat die bepaling „reflexieve werking” kan hebben op de bevoegdheid van de Zweedse gerechten. Dit betekent dat die gerechten, onder de hierboven uiteengezette voorwaarden, van de bevoegdheden waarover zij krachtens hun nationale recht beschikken, gebruik kunnen maken om die kwestie niet te beslechten en hun uitspraak aan te houden totdat de geldigheid van dat octrooi is beoordeeld door de Turkse gerechten.
154. Anders dan de Franse regering suggereert, wordt door het erkennen van een dergelijke impliciete afwijking van de dwingende werking van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening niet ingegaan tegen de wet, noch met nadere woorden die verordening „herschreven”. Voor die oplossing hoeft het Hof niet af te wijken van de tekst die, zoals gezegd, zwijgt over de onderhavige kwestie en een dergelijke teleologische en coherente uitlegging dus toelaat. Zij kan de Uniewetgever er juist toe aanzetten om die kwestie bij de herziening van dat instrument op te lossen.
155. Anders dan wordt gesteld door BSH en de Commissie, betekent het erkennen van die (beperkte) ruimte voor het nationale recht evenmin dat moet worden teruggekomen op het arrest Owusu. Ik herinner eraan dat het Hof de hypothese van nauw met derde staten verbonden geschillen of van forumkeuzebedingen ten gunste van gerechten van derde staten uitdrukkelijk van zijn analyse heeft uitgesloten. Het kan dan ook gemakkelijk een op die situaties toegesneden uitzondering opnemen in zijn kennelijk onvoorwaardelijke verklaring over de dwingende werking van (het huidige) artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening.(150)Op die manier is dat arrest bovendien in overeenstemming met het arrest Coreck Maritime. Sterker nog, de in de onderhavige conclusie voorgestelde uitlegging heeft het niet te verwaarlozen voordeel dat daarmee alle arresten in verband met de onderhavige kwestie met elkaar worden verenigd (van het vroegste, het arrest Coreck Maritime, tot het meest recente, het arrest IRnova), daar waar het Hof volgens elke andere uitlegging zou moeten afwijken van sommige precedenten.
156. Genoemde partijen werpen evenwel tegen dat de mogelijkheid voor de gerechten van de lidstaten om zich in de betrokken scenario’s op grond van hun krachtens hun nationale recht voorbehouden bevoegdheden onbevoegd te verklaren, zou indruisen, zo niet tegen de letter van het arrest Owusu, dan toch tegen de ratio ervan. Een dergelijke oplossing zou namelijk dezelfde problemen met zich meebrengen als de forum non conveniens-leer.
157. Bij nader onderzoek gaat de vergelijking mijns inziens niet op.
158. Mocht de forum non conveniens-leer, die in het arrest Owusu aan de orde was, toepasselijk zijn geweest, hadden de gerechten van de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om, op basis van de geschiktheid van het forum in het licht van een hele reeks factoren, hun bevoegdheid in om het even welk „extern” geschil niet uit te oefenen. Een dergelijke flexibele benadering per geval druist volledig in tegen de geest van het stelsel van Brussel, dat berust op vastomlijnde regels. De voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid onder dat stelsel zou ernstig zijn aangetast, hetgeen dan weer afbreuk zou hebben gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan de rechtsbescherming van in de Europese Unie gevestigde personen (aangezien de verweerder niet redelijkerwijs had kunnen voorspellen voor welke gerechten hij uiteindelijk opgeroepen zou kunnen worden en de eiser geen zekerheid zou hebben gehad dat het aangezochte, op grond van dat stelsel weliswaar aangewezen, gerecht daadwerkelijk kennis zou nemen van de zaak). Ten slotte zou de eenvormige toepassing van dat stelsel in de lidstaten in het gedrang zijn gekomen, aangezien die leer slechts in enkele lidstaten wordt erkend.(151)
159. Daartegenover staat dat ik in het onderhavige verband in overweging geef om te erkennen dat de gerechten van de lidstaten over een beperkte beoordelingsmarge beschikken om zich in specifieke omstandigheden onbevoegd te verklaren indien en voor zover dit de oplossingen „reflecteert” die volgens de artikelen 24 en 25 van de Brussel I bis-verordening van toepassing zijn. In tegenstelling tot de forum non conveniens-leer zijn de gronden waarop een gerecht van een lidstaat zich daarvoor kan baseren (exclusieve bevoegdheid van een derde staat en forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een dergelijke staat), dus beperkt en duidelijk. De erkenning van een dergelijke beoordelingsmarge leidt dus niet tot het soort onzekerheid dat de toepassing van die leer zou hebben gecreëerd. Het stelsel van Brussel laat toe om gerechten een beperkte beoordelingsmarge te laten wanneer dat dienstig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.(152) Dat is in casu het geval.
160. De voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid wordt door een dergelijke beoordelingsmarge niet aangetast. Een normaal geïnformeerde eiser kan voorspellen dat hij in verband met de in artikel 24 genoemde onderwerpen de gerechten van de betrokken derde staat zal moeten aanzoeken (en een verweerder dat hij in dat verband voor die gerechten zal worden opgeroepen). Ook kan het voor die procespartijen geen verrassing zijn dat een geding aanhangig moet worden gemaakt bij de gerechten die in een eerder door hen gesloten overeenkomst zijn aangewezen. In feite vergroot die oplossing de voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid, aangezien zij bijdraagt tot een vergelijkbare behandeling van soortgelijke „aan de Unie interne” en „externe” geschillen.
161. Die oplossing vergroot ook de rechtszekerheid, omdat zij de gerechten van de lidstaten met name in staat stelt uitvoering te geven aan overeenkomsten die bedoeld zijn om die rechtszekerheid te waarborgen. Voorts wordt de rechtsbescherming van in de Europese Unie gevestigde personen verbeterd. Zo wordt vermeden dat de verweerder voor de gerechten van zijn lidstaat wordt geconfronteerd met procedures die zouden uitmonden in nutteloze beslissingen of die in strijd met een dergelijke overeenkomst ten onrechte zouden worden ingeleid. Ook de rechtsbescherming van de eiser wordt gewaarborgd, aangezien hij nog steeds een geding aanhangig kan maken bij de gerechten van de lidstaten indien hij zijn rechten niet zou kunnen doen gelden bij de betrokken gerechten van de derde staat.
162. Wat ten slotte de eenvormige toepassing van de regels van de Brussel I bis-verordening in de lidstaten betreft, wil ik opmerken dat ofschoon enkele lidstaten de forum non conveniens-leer hebben toegepast, in die staten algemeen wordt erkend dat de gerechten geen kennis mogen nemen van geschillen waarvan het onderwerp nauw verbonden is met een derde staat, en dat forumkeuzebedingen waarin buitenlandse gerechten worden aangewezen, in beginsel ten uitvoer moeten worden gelegd.(153) Bijgevolg zijn de gerechten van alle lidstaten in het algemeen krachtens hun nationale recht bevoegd om de zaak in dergelijke omstandigheden uit handen te geven. Ofschoon de precieze voorwaarden daartoe in beginsel van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen, wil ik eraan herinneren dat het Unierecht, zoals in de punten 150 en 152 hierboven is uiteengezet, het nationale recht in vrij grote mate afbakent, zodat wordt gewaarborgd dat een dergelijke oplossing voldoende samenhangend door de gerechten van de lidstaten wordt toegepast.
V. Conclusie
163. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Svea hovrätt te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 24, punt 4, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat wanneer bij de gerechten van een lidstaat een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat geregistreerd octrooi is ingesteld en door de gestelde inbreukmaker een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, die gerechten niet bevoegd zijn om de geldigheidskwestie te beslechten.
2) Artikel 24, punt 4, van verordening nr. 1215/2012
moet aldus worden uitgelegd dat die bepaling niet van toepassing is ter zake van de geldigheid van een in een derde staat geregistreerd octrooi. Gerechten van lidstaten die krachtens een andere regel van die verordening bevoegd zijn, mogen over die kwestie evenwel geen uitspraak doen.”