Home

Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 14 december 2023

Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 14 december 2023

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
14 december 2023

Conclusie van advocaat-generaal

P. Pikamäe

van 14 december 2023(1)

Zaak C‑432/22

PT

in tegenwoordigheid van

Spetsializirana prokuratura

[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in strafzaken - Georganiseerde criminaliteit - Kaderbesluit 2008/841/JBZ - Kaderbesluit 2004/757/JBZ - Drugshandel - Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit over de oplegging van een overeengekomen straf - Bevoegdheid van het Hof - Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 47 - Goedkeuring van de schikking door de rechter - Voorwaarden - Aanwijzing van een ad-hockamer - Instemming van de overige verdachten”"

1. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)(2) is het in de strafrechtstelsels van de Europese staten gemeengoed geworden dat een verdachte een vermindering van de tenlastelegging of een strafvermindering kan verkrijgen mits hij schuld erkent, vóór het proces afstand doet van zijn recht om de feiten te betwisten, of zijn volledige medewerking verleent aan de onderzoeksautoriteiten.

2. Het Hof heeft zich eveneens reeds uitgesproken in zaken over schikkingen met schuldbekentenis, maar uitsluitend voor zover bepaalde procedurele rechten van verdachten, zoals het recht op het vermoeden van onschuld in de zin van richtlijn (EU) 2016/343(3) of het recht op informatie over de beschuldiging in de zin van richtlijn 2012/13/EU(4) in het geding waren.

3. De onderhavige zaak roept de vraag op of een nationale regeling op grond waarvan de rechterlijke goedkeuring van een schikking waarbij een van de verdachten in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent met betrekking tot de hem ten laste gelegde strafbare feiten, qua bevoegdheid wordt toegewezen aan een andere rechter dan de rechter die zich aanvankelijk moest uitspreken over de strafrechtelijke vervolging en bovendien afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat alle overige verdachten, die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid niet hebben erkend, instemmen met het treffen van die schikking, verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

4. Voor de onderhavige zaak is artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU relevant.

Bulgaars recht

5. Artikel 381 van de Nakazatelno protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: „NPK”)(5), met als opschrift „Schikking over de oplegging van een overeengekomen straf in de voorbereidende fase”, bepaalt:

„(1)

Na afloop van het onderzoek kan op voorstel van de openbaar aanklager of de advocaat een schikking worden getroffen om de zaak af te handelen.

[…]

(4)

De schikking kan de straf vaststellen onder de in artikel 55 NK vastgelegde voorwaarden, ook wanneer er geen sprake is van uitzonderlijke of talrijke verzachtende omstandigheden.

(5)

De schikking moet schriftelijk zijn opgesteld en blijk geven van overeenstemming over de volgende kwesties:

  1. Is er een feit gepleegd, is dit feit gepleegd door de verdachte, kan het hem worden toegerekend, is het een strafbaar feit en wat is de juridische kwalificatie van dit feit?

  2. Wat moet de aard en de hoogte van de strafmaat zijn?

[…]

(6)

De schikking wordt ondertekend door de openbaar aanklager en de advocaat. De verdachte ondertekent de schikking indien hij deze aanvaardt, nadat hij heeft verklaard dat hij afstand doet van zijn recht op behandeling van zijn zaak volgens de gewone procedure.

(7)

Wanneer de procedure betrekking heeft op meerdere personen of meerdere strafbare feiten, kan de schikking worden getroffen door enkelen van hen of voor enkele van deze strafbare feiten.

[…]”

6. Artikel 382 NPK, met als opschrift „Beslissing van de rechter over de schikking”, bepaalt:

„(1)

De schikking wordt door de openbaar aanklager onmiddellijk na de vaststelling ervan voor de bevoegde rechtbank van eerste aanleg gebracht, op hetzelfde tijdstip als de zaak.

[…]

(5)

De rechtbank kan wijzigingen aan de schikking voorstellen die door de openbaar aanklager en de advocaat worden onderzocht. De beklaagde wordt als laatste gehoord.

[…]

(7)

De rechtbank keurt de schikking goed voor zover zij niet in strijd is met de wet en de goede zeden.

[…]”

7. Artikel 384 NPK draagt het opschrift „Schikking over de afhandeling van de zaak in het kader van een gerechtelijke procedure” en bepaalt:

„(1)

Onder de voorwaarden en volgens de procedure van dit hoofdstuk kan de rechter in eerste aanleg een schikking over de overeengekomen afhandeling van de zaak goedkeuren nadat de gerechtelijke procedure is ingeleid, maar voordat de fase van het gerechtelijk onderzoek is afgesloten.

[…]

(3)

In die gevallen wordt de schikking over de oplegging van een overeengekomen straf pas goedgekeurd nadat alle partijen [in de procedure] hun instemming hebben verleend.”

8. Artikel 384a NPK draagt het opschrift „Beslissing over een schikking met een van de verdachten of voor een van de strafbare feiten” en bepaalt:

„1.

Wanneer na de opening van de gerechtelijke procedure maar vóór de afronding van de fase van het gerechtelijk onderzoek een schikking is getroffen met een van de verdachten of voor een van de strafbare feiten, schorst de rechtbank de behandeling van de zaak.

2.

Binnen zeven dagen na ontvangst van de zaak beslist een andere kamer van de rechtbank over de getroffen schikking.

3.

De in lid 1 bedoelde kamer zet het onderzoek van de zaak voort nadat een beslissing over de schikking is genomen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9. Op 25 maart 2020 heeft de Spetsializirana prokuratura (gespecialiseerd openbaar ministerie, Bulgarije) bij de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) tegen 41 personen, onder wie SD en PT, stafvervolging ingesteld wegens het leiden van en/of deelnemen aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering met het doel zich te verrijken door de distributie van drugs. PT wordt ervan beschuldigd aan deze georganiseerde criminele groepering te hebben deelgenomen en in het bezit te zijn geweest van verdovende middelen met het oog op distributie.

10. Tijdens de voorbereidende fase van de procedure hebben de openbaar aanklager en de advocaat van SD op 26 augustus 2020 een schikking getroffen waarbij SD schuld erkent met betrekking tot alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen, waardoor hem een minder zware straf wordt opgelegd dan die waarin de wet voorziet. In deze schikking wordt melding gemaakt van de namen en de nationale identificatienummers van de overige verdachten. Deze personen is niet om toestemming verzocht en op 1 september 2020 heeft een andere kamer de schikking goedgekeurd.

11. Op 17 november 2020 is tijdens de gerechtelijke fase van de procedure een schikking getroffen door de openbaar aanklager en de advocaat van PT, waarbij de betrokkene schuld erkent met betrekking tot alle tegen hem ingebrachte beschuldigingen en hem een voorwaardelijke vrijheidsstraf voor de gepleegde strafbare feiten wordt opgelegd (hierna: „schikking van 17 november 2020”). Om rekening te houden met het arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670 ), is deze schikking zodanig gewijzigd dat de namen en nationale identificatienummers van de overige verdachten daarin niet meer worden genoemd.

12. Ter terechtzitting van 14 januari 2021 heeft de verwijzende rechterlijke instantie kennisgenomen van de opmerkingen van de overige verdachten, van wie sommigen niet hebben ingestemd met de goedkeuring van de schikking van 17 november 2020. Overeenkomstig artikel 384a NPK heeft deze rechter deze schikking op 18 januari 2021 overgezonden aan de president van die rechterlijke instantie met het oog op de aanwijzing van een andere kamer om uitspraak te doen over die schikking. Deze andere kamer heeft op 21 januari 2021 geweigerd de schikking van 17 november 2020 goed te keuren omdat enkele verdachten daarmee niet hadden ingestemd.

13. Op 10 mei 2022 hebben de openbaar aanklager en de advocaat van PT op basis van het arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:628 ) de kamer waarbij de zaak aanhangig was, verzocht om over bovengenoemde schikking uitspraak te doen, zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken. Op 11 mei 2022 werd deze kamer echter uitgesloten tijdens de willekeurige toewijzing met het oog op de aanwijzing van een kamer – overeenkomstig artikel 384a NPK – om over die schikking uitspraak te doen.

14. Op 18 mei 2022 heeft de overeenkomstig deze bepaling aangewezen kamer de schikking van 17 november 2020 onderzocht en geweigerd deze goed te keuren, omdat voor een dergelijke goedkeuring de instemming van de 39 overige verdachten vereist was. Ten gevolge van deze weigering hebben de openbaar aanklager, PT en diens advocaat de kamer waarvoor de bewijzen waren vergaard, op dezelfde dag opnieuw verzocht om die schikking goed te keuren, zonder de overige verdachten om instemming te verzoeken. De openbaar aanklager heeft niettemin twijfels geuit over de onpartijdigheid van deze kamer bij voortzetting van de rechtszaak ten aanzien van de overige personen ingeval zij de met PT getroffen schikking zou goedkeuren. PT zelf is van mening dat zijn rechten die voortvloeien uit het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), worden geschonden indien het voor hem onmogelijk is om een schikking te treffen.

15. In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing merkt de verwijzende rechter op dat de gestelde prejudiciële vragen moeten worden beantwoord opdat hij uitspraak kan doen over de grond van de bij hem aanhangige zaak, aangezien deze zaak betrekking heeft op strafbare feiten die binnen de werkingssfeer van de kaderbesluiten 2004/757JBZ(6) en 2008/841/JBZ(7) vallen, en dus behoren tot de „onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Naar zijn oordeel vormen de in het nationale recht vastgestelde procedures voor het treffen van een schikking tussen de openbaar aanklager en een beklaagde een „tenuitvoerbrenging” – in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest – van artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841.

16. De verwijzende rechter vraagt zich om te beginnen af of artikel 384a NPK verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest. Volgens deze rechter is het in strijd met het beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure en het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming om de verdediging in een situatie te plaatsen waarin het bewijs wordt vergaard voor de ene kamer, terwijl het aan een andere kamer staat om daarover uitspraak te doen.

17. Voorts vraagt die rechter zich af of artikel 384, lid 3, NPK – gelet op het feit dat deze bepaling voor de goedkeuring van een schikking in vorenbedoelde zin vereist dat de overige verdachten in dezelfde strafzaak daarmee instemmen – verenigbaar is met artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, alsook met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 52 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest. Dit instemmingsvereiste leidt namelijk tot een beperking van de toegang tot een rechtsmiddel in de zin van laatstgenoemd artikel, zonder dat het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen, hoewel artikel 52 van het Handvest dit vereist.

18. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of hij in het geval waarin hij zelf de tussen de openbaar aanklager en PT getroffen schikking zou goedkeuren, vervolgens – in het licht van de beschikking van 28 mei 2020, UL en VM (C‑709/18, EU:C:2020:411, punt 35 ) – verplicht zou zijn om zich in die zaak onbevoegd te verklaren teneinde de overige verdachten hun in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest erkende recht op een onpartijdige rechter te garanderen.

19. In deze omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (gespecialiseerde strafrechter, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Is met betrekking tot een strafprocedure waarin feiten ten laste zijn gelegd die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, een nationale wet die vereist dat een schikking tussen de openbaar aanklager en een verdachte inhoudelijk wordt getoetst door een andere rechterlijke instantie dan die waarbij de zaak aanhangig is en waarvoor alle bewijzen zijn vergaard, verenigbaar met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, [eerste en tweede alinea], van het [Handvest] indien de reden voor dit vereiste is dat medeverdachten van de betrokkene geen schikking hebben getroffen?

  • Is een nationale wet op grond waarvan een schikking waarbij de strafprocedure wordt beëindigd, uitsluitend wordt goedgekeurd wanneer alle medeverdachten van de betrokkene en hun raadslieden hiermee hebben ingestemd, verenigbaar met artikel 5 van [kaderbesluit 2004/757], artikel 4 van [kaderbesluit 2008/841], artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 52, juncto artikel 47 van het [Handvest]?

  • Vereist artikel 47, tweede alinea, van het [Handvest] dat een rechter, na een schikking te hebben onderzocht en goedgekeurd, weigert om de beschuldiging tegen de medeverdachten van de betrokkene te onderzoeken wanneer hij over die schikking heeft geoordeeld zonder uitspraak te doen over de deelneming van die medeverdachten en zonder hen schuldig te bevinden?”

Procedure bij het Hof

20. De Europese Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.

Analyse

21. Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, is de verwijzende rechter van oordeel dat hij het Hof dient te verzoeken om uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en van de artikelen 47 en 52 van het Handvest, alsmede van artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841, omdat hij betwijfelt of de nationale regeling waarin de voorwaarden zijn vastgelegd voor de rechterlijke goedkeuring van een schikking tussen de openbaar aanklager en een verdachte, waarbij deze verdachte schuld erkent met betrekking tot de hem ten laste gelegde strafbare feiten en hem ten gevolge daarvan een vooraf overeengekomen straf wordt opgelegd, verenigbaar is met die Unierechtelijke bepalingen.

22. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie in wezen aangevoerd dat artikel 5 van kaderbesluit 2004/757, artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 en artikel 47 van het Handvest niet van toepassing zijn. Zij heeft tevens betoogd dat de motivering van de verwijzingsbeslissing, wat de tweede prejudiciële vraag betreft, niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Voorts zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek dient te toetsen door te onderzoeken onder welke omstandigheden het door de nationale rechter is geadieerd.(8)

Bevoegdheid van het Hof

23. Volgens vaste rechtspraak is het Hof niet bevoegd om te antwoorden op een prejudiciële vraag wanneer duidelijk is dat de Unierechtelijke bepaling waarvan het Hof om uitlegging wordt verzocht, geen toepassing kan vinden.(9) Wanneer een juridische situatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zichzelf niet de grondslag vormen voor de bevoegdheid van het Hof.(10)

24. Wat in de eerste plaats de toepassing van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens deze bepaling voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om te zorgen voor daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden. De lidstaten moeten dus een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures tot stand brengen dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan waarborgen. Wat de werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling ziet op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden”, ongeacht in welke situatie de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.(11)

25. Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is met name van toepassing ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen. Dat geldt voor de verwijzende rechter, die als Bulgaarse gewone rechterlijke instantie moet oordelen over vraagstukken die verband houden met de toepassing en uitlegging van het Unierecht, en die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht deel uitmaakt van het Bulgaarse stelsel van beroepsmogelijkheden op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat die rechterlijke instantie moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming. Bovendien zij eraan herinnerd dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die op hen rusten krachtens het Unierecht en met name krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.(12)

26. Uit het voorgaande volgt dat het Hof in de onderhavige zaak bevoegd is om artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU uit te leggen.

27. In de tweede plaats wordt de werkingssfeer van het Handvest, wat de handelingen van de lidstaten betreft, omschreven in artikel 51, lid 1, van het Handvest. Daarin staat te lezen dat de bepalingen van het Handvest gericht zijn tot de lidstaten wanneer deze het Unierecht ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten.

28. Wat meer bepaald artikel 47 van het Handvest betreft, dat het voorwerp is van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, moet worden vastgesteld dat in casu bij de verwijzende rechter een strafprocedure aanhangig is tegen 40 personen, onder wie PT, wegens deelneming aan de activiteiten van een georganiseerde criminele groepering die de distributie van verdovende middelen met het oog op financieel gewin tot doel had, waarbij de betrokkene tevens wordt vervolgd voor het bezit van verdovende middelen met het oog op de distributie ervan.

29. Vast staat dat de genoemde strafbare feiten, die zijn omschreven en strafbaar zijn gesteld in artikel 321, lid 3, punt 2, en artikel 354a, lid 1, van het Bulgaarse wetboek van strafrecht, binnen de werkingssfeer vallen van de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841, waarvan respectievelijk artikel 5 en artikel 4 bepalen dat de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om in de in deze kaderbesluiten bedoelde gevallen strafvermindering mogelijk te maken indien de dader afziet van verdere criminele activiteiten op de in die kaderbesluiten bedoelde gebieden en de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die zij niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen en die hen helpt om met name de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen dan wel om bewijs te vergaren.

30. Kan uit de bovenstaande constatering worden afgeleid – zoals de verwijzende rechter doet – dat de nationale procedureregels over de rechterlijke goedkeuring van een schikking met schuldbekentenis het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, zodat de bepalingen van het Handvest behoren te worden toegepast?

31. Deze vraag kan ontkennend worden beantwoord na een redenering naar analogie van de redenering die heeft geleid tot de beschikking van 24 september 2019, Spetsializirana prokuratura (Vermoeden van onschuld) (C‑467/19 PPU, EU:C:2019:776 ), die betrekking had op de uitlegging van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2016/343, waarin is bepaald dat „[d]e lidstaten […] hun rechterlijke instanties [mogen] toestaan bij de veroordeling rekening te houden met de bereidheid tot medewerking van verdachten en beklaagden”. In die beschikking heeft het Hof geoordeeld dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat het niet regelt of de goedkeuring door een rechter van een schikking over de oplegging van een overeengekomen straf, waarin is voorzien bij de regeling welke in het hoofdgeding aan de orde is en die is getroffen tussen enerzijds een verdachte die wordt vervolgd omdat hij tot een criminele groepering zou behoren, en anderzijds de openbaar aanklager, al dan niet afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de overige verdachten die worden vervolgd op grond van hun lidmaatschap van deze criminele groepering, ermee instemmen dat die schikking wordt getroffen, een en ander onverminderd de voorafgaande vaststelling dat die richtlijn ratione personae et materiae van toepassing is op het hoofdgeding.

32. In casu zij ten eerste benadrukt dat de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 onder meer zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 31, lid 1, onder e), EU. Daarin was met name bepaald dat het gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking in strafzaken gericht was op het geleidelijk aannemen van maatregelen tot opstelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van georganiseerde criminaliteit, terrorisme en illegale drugshandel.(13) In deze kaderbesluiten worden op de grondslag van het huidige artikel 83, lid 1, VWEU, waarbij artikel 31, lid 1, VEU is vervangen, minimumvoorschriften vastgesteld die voortvloeien uit het materiële strafrecht.

33. Geconstateerd dient evenwel te worden dat de nationale regeling in kwestie onder het strafprocesrecht valt en dat geen van de op de grondslag van artikel 82, lid 2, VWEU vastgestelde rechtsinstrumenten van de Unie ter versterking van de rechten van verdachten gedurende de gehele strafprocedure specifiek regelt onder welke voorwaarden een schikking met schuldbekentenis kan worden gesloten tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit. Volgens vaste rechtspraak onderstelt het begrip „tenuitvoerbrenging van het Unierecht” in de zin van artikel 51 van het Handvest dat er tussen de Unierechtelijke handeling en de nationale maatregel in kwestie een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betreffende materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere.(14)

34. Ten tweede zij eraan herinnerd dat kaderbesluiten verbindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten om vorm en middelen te kiezen.(15) Zoals hierboven is opgemerkt, vormen de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 slechts instrumenten voor minimumharmonisatie. Derhalve beschikken de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot de tenuitvoerlegging van die teksten in hun nationale recht.(16)

35. Ten derde volgt uit de bewoordingen van artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 dat deze bepalingen enkel de lidstaten de mogelijkheid bieden om hun justitiële autoriteiten toe te staan om bij de vaststelling van de straf na de erkenning van strafrechtelijke aansprakelijkheid rekening te houden met de medewerking van de verdachten. Aangezien die bepalingen de lidstaten niet verplichten om te waarborgen dat die autoriteiten rekening houden met deze medewerking, verlenen zij geen enkel recht aan een verdachte om een lagere straf te krijgen in geval van samenwerking met de justitiële autoriteiten, bijvoorbeeld door middel van het treffen van een schikking met de openbaar aanklager waarbij die persoon zijn schuld erkent.(17)

36. Beklemtoond dient te worden dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat de grondrechten van de Unie niet konden worden toegepast in verband met een nationale regeling, omdat de Unievoorschriften op het gebied in kwestie de lidstaten geen specifieke verplichting oplegden voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie.(18)

37. Ten vierde zij opgemerkt dat artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 preciseringen bevatten over de voorwaarden waaronder de justitiële autoriteiten rekening kunnen houden met de bereidheid van de verdachten om mee te werken, wat in casu de inhoud van dat gedrag betreft. Deze opmerking doet uiteraard niets af aan de vaststelling dat de lidstaten niet verplicht zijn om daarmee rekening te houden. Bovendien – en bovenal – bevatten voormelde bepalingen van de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 geen enkele aanwijzing over de procedurele voorschriften die de justitiële autoriteiten moeten toepassen wanneer zij rekening houden met de medewerking van de dader van het strafbare feit, ongeacht of het gaat om de erkenning van verzachtende omstandigheden door de rechtsprekende formatie of om het bestaan van een schikking met schuldbekentenis tussen de openbaar aanklager en de betrokkene, eventueel in verschillende fasen van de procedure, dan wel om de inhoud van een dergelijke schikking, het besluitvormingsproces voor de rechterlijke goedkeuring ervan in geval van meervoudige strafvervolging, en de gevolgen ervan. Deze procedurele voorschriften worden uitsluitend vastgesteld in het nationale recht.(19)

38. Hieruit volgt dat artikel 5 van kaderbesluit 2004/757 en artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 niet regelen of de goedkeuring van een schikking over de oplegging van een overeengekomen straf al dan niet kan worden onderworpen aan een voorwaarde van instemming door de andere verdachten en al dan niet kan worden voorgelegd aan een andere kamer dan die waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig was.(20) Bij gebreke van tenuitvoerbrenging van het Unierecht in het hoofdgeding kunnen de bepalingen van het Handvest waaraan de verwijzende rechter refereert, niet worden toegepast, zodat het Hof niet bevoegd is om daarover uitspraak te doen.

39. Geconstateerd dient evenwel te worden dat de rechtspraak van het Hof voorbeelden van een minder strikte uitlegging van het begrip „tenuitvoerbrenging van het Unierecht” bevat(21), waarbij dat begrip inhoudt dat onder meer moet worden nagegaan of de nationale regeling in kwestie ertoe strekt een Unierechtelijke bepaling ten uitvoer te brengen, wat de aard van deze regeling is en of er andere doelstellingen mee worden nagestreefd dan die welke onder het Unierecht vallen, ook al zou die regeling dit recht indirect kunnen beïnvloeden, alsook of er een Unierechtelijke regeling bestaat die specifiek geldt voor deze materie of haar kan beïnvloeden.(22) In het kader van de gecombineerde lezing van artikel 5 van kaderbesluit 2004/757, artikel 4 van kaderbesluit 2008/841 en de aan deze artikelen voorafgaande bepalingen, die betrekking hebben op de noodzaak dat de lidstaten voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties(23), kan dus worden betoogd dat de nationale regeling in kwestie ertoe strekt het Unierecht ten uitvoer te brengen en in feite beantwoordt aan dezelfde doelstellingen als die kaderbesluiten, te weten de bestrijding van drugshandel en van de georganiseerde criminaliteit.

40. Het belang van het antwoord op de vraag of de bepalingen van voornoemde handelingen van afgeleid recht van toepassing zijn op de onderhavige zaak en de gevolgen daarvan voor de toepasselijkheid van het Handvest – meer in het bijzonder artikel 47 daarvan – moet echter worden gerelativeerd. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het feit dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden een daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te waarborgen, met zich meebrengt dat laatstgenoemd artikel naar behoren in aanmerking dient te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.(24)

Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

41. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de vragen van de verwijzende rechter over de verenigbaarheid van de nationale regeling meer in het bijzonder betrekking hebben op een tweeledig wettelijk vereiste, namelijk ten eerste de aanwijzing van een andere ad-hockamer dan die waarbij het geding aanvankelijk aanhangig was, met het oog op de goedkeuring van de tijdens de gerechtelijke procedure getroffen schikking tussen de openbaar aanklager en een van de verdachten of met betrekking tot een van de ten laste gelegde strafbare feiten (eerste en derde prejudiciële vraag(25)), en ten tweede het verkrijgen van de instemming met die schikking van alle procespartijen, en dus van de medeverdachten, als voorwaarde voor de rechterlijke goedkeuring ervan (tweede prejudiciële vraag).

42. Gelet op de relevante rechtspraak van het Hof – meer in het bijzonder zoals deze is geconsolideerd in het arrest Miasto Łowicz – moet worden beklemtoond dat de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt om de nationale rechters de elementen voor de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen, alsmede dat de rechtvaardiging voor de prejudiciële verwijzing niet gelegen is in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan daadwerkelijke beslechting van een geding. Uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU volgt dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” moet zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak. Het Hof heeft aldus meermaals in herinnering gebracht dat zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 267 VWEU blijkt dat de prejudiciële procedure met name onderstelt dat daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is(26), in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing. Het Hof heeft in een prejudiciële procedure tot taak om de verwijzende rechter bij te staan bij de beslechting van het bij hem aanhangige concrete geding. Bij een dergelijke procedure moet er dus een zodanig verband bestaan tussen dat geding en de Unierechtelijke bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat deze uitlegging objectief gesproken noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te geven beslissing.(27)

43. Uit het arrest Miasto Łowicz volgt dat dit verband direct of indirect kan zijn, naargelang van de drie daarin uiteengezette ontvankelijkheidshypothesen. Het is direct wanneer de nationale rechter het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dient toe te passen om te bepalen hoe het hoofdgeding ten gronde moet worden beslecht (eerste hypothese). Het is indirect wanneer de prejudiciële beslissing de verwijzende rechter een uitlegging verschaft van de Unierechtelijke procedurevoorschriften die deze rechter bij het wijzen van zijn vonnis moet toepassen (tweede hypothese), of een uitlegging van het Unierecht die hem in staat stelt om procedurele kwesties van nationaal recht op te lossen alvorens uitspraak ten gronde te kunnen doen in het bij hem aanhangige geding (derde hypothese).(28) In het arrest Miasto Łowicz heeft het Hof achtereenvolgens de ontvankelijkheid onderzocht van de prejudiciële vragen die waren voorgelegd in het licht van drie onderscheiden en autonome situaties die voldeden aan het noodzakelijkheidscriterium, om vast te stellen dat zij niet-ontvankelijk waren, waarbij het Hof, wat betreft de derde hypothese, het verschil heeft benadrukt met de zaken die hebben geleid tot het arrest A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy)(29), waarin de aan het Hof gevraagde prejudiciële uitlegging van invloed kon zijn op de vaststelling van de rechter die bevoegd was om ten gronde te oordelen over gedingen die betrekking hebben op het Unierecht.(30)

44. Op het eerste gezicht kan worden overwogen dat de verwijzende rechter met de door hem aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen en de door hem verzochte uitlegging van het Unierecht, verduidelijking beoogt te verkrijgen over een procedurele kwestie van nationaal recht die hij in limine litis moet oplossen, wat overeenkomt met de derde hypothese. Deze kwestie betreft de bevoegdheid van een ad-hockamer om in de plaats van de verwijzende rechter uitspraak te doen over de goedkeuring van een schikking met schuldbekentenis die is getroffen tussen de openbaar aanklager en een voor die rechter vervolgde persoon.

45. In een recent arrest heeft het Hof in algemene bewoordingen geoordeeld dat prejudiciële vragen die ertoe strekken de verwijzende rechter in staat te stellen in limine litis uitspraak te doen over procedurele kwesties zoals die welke verband houden met zijn eigen bevoegdheid om kennis te nemen van een bij hem aanhangige zaak of, subsidiair, met de rechtsgevolgen die al dan niet moeten worden verbonden aan een rechterlijke beslissing die hem kan beletten de behandeling van die zaak voort te zetten, ontvankelijk zijn op grond van artikel 267 VWEU.(31) Deze benadering lijkt de procedurele kwestie als zodanig autonoom te maken, in die zin dat zij op zichzelf zou kunnen voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 267 VWEU. Het Hof heeft weliswaar duidelijk slechts naar twee specifieke gevallen verwezen, maar het eerste lijkt vergelijkbaar te zijn met de kwestie van de bevoegdheid of beter gezegd de onbevoegdheid van de verwijzende rechter – bij wie aanvankelijk een procedure tegen alle medeverdachten aanhangig was – om uitspraak te doen over de goedkeuring van een door een van hen ondertekende schikking met schuldbetekenis.

46. Daarentegen is het vereiste van de unanieme instemming van de medeverdachten een specifiek kenmerk van de goedkeuringsprocedure, dat losstaat van de vraag wie de rechter is aan wie de zaak is voorgelegd, een vaststelling die de niet-ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag kan rechtvaardigen. Deze gevolgtrekking kan echter te abstract lijken, aangezien zij leidt tot de loskoppeling van twee elementen die deel uitmaken van hetzelfde mechanisme en die een gelijkwaardige invloed hebben op het verloop van de strafprocedure die is ingeleid bij de verwijzende rechter.

47. Deze vaststelling brengt mij ertoe de relevantie te onderzoeken van de eerste hypothese van ontvankelijkheid die in het arrest Miasto Łowicz wordt genoemd. Dienaangaande merk ik op dat de prejudiciële vragen – zoals de verwijzende rechter op goede gronden opmerkt(32) – betrekking hebben op procedurele problemen die onlosmakelijk verbonden zijn met de door de verwijzende rechter te geven beslissing ten gronde over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachten en, in voorkomend geval, de oplegging van een sanctie. Benadrukt moet worden dat volgens de verwijzingsbeslissing in de tussen de openbaar aanklager en een verdachte getroffen schikking waarbij laatstgenoemde schuld erkent met betrekking tot de ten laste gelegde feiten en dientengevolge een vooraf overeengekomen straf krijgt opgelegd, alle kwesties worden geregeld waarmee in de uitspraak ten gronde rekening moet worden gehouden, aangezien daarin het door de betrokkene gepleegde strafbare feit en de juridische kwalificatie daarvan alsook de aard en de hoogte van de straf worden vastgesteld.

48. De antwoorden van het Hof over de verenigbaarheid van een nationale regeling tot vaststelling van de voorwaarden voor de rechterlijke goedkeuring van een dergelijke schikking, die volgens de nationale rechter in de plaats moet komen van een beslissing ten gronde, lijken dan ook noodzakelijk om die rechter in staat te stellen uitspraak te doen in de bij hem aanhangige strafzaak. Derhalve blijkt er tussen het hoofdgeding en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarvan om uitlegging wordt verzocht, een zodanig verband te bestaan dat die uitlegging objectief gesproken noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te geven beslissing ten gronde.

49. Anders dan de Commissie stelt, komt het mij bovendien voor dat in casu is voldaan aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, met name aan de vereisten onder c) van dat artikel. De verwijzende rechter heeft namelijk voldoende uiteengezet waarom hij vragen heeft gesteld over de wijze waarop het in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bedoelde vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming moet worden uitgelegd in het licht van het feit dat voor de goedkeuring van de schikking met schuldbekentenis als voorwaarde geldt dat de medeverdachten daar unaniem mee instemmen.(33) Zo heeft hij betoogd dat die schikking voor verdachte PT een rechtsmiddel vormt dat hem in staat stelt een lichtere straf te verkrijgen, alsmede dat de noodzaak om die instemming te verkrijgen tot gevolg heeft dat de toegang tot een dergelijk rechtsmiddel onrechtmatig wordt beperkt, wat in strijd is met voornoemd vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming en meer in het bijzonder met het recht op een eerlijk proces.

50. Derhalve kan worden besloten dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.

Ten gronde

Aanwijzing van een ad-hockamer

51. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, zich verzet tegen de procedureregel die inhoudt dat de goedkeuring van een tijdens de gerechtelijke fase van de procedure tussen de openbaar aanklager en een van de verdachten getroffen schikking met schuldbekentenis van rechtswege wordt toegewezen aan een andere kamer dan die waarbij de zaak tegen alle verdachten aanhangig is gemaakt en waarvoor alle bewijsstukken zijn vergaard, ook al wordt in de goedkeuringsbeslissing geen uitspraak gedaan over de schuld van de medeverdachten. De twijfels die de verwijzende rechter aldus heeft geuit, zien zowel op het vereiste van onpartijdigheid van de betrokken rechterlijke instantie als op het beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure.

Vereiste van objectieve onpartijdigheid

52. Zoals in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is bepaald, dienen de lidstaten te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat de justitiabelen garandeert dat hun recht op daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden wordt geëerbiedigd. Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, waarnaar in die bepaling wordt verwezen, is een algemeen Unierechtelijk beginsel dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, dat is erkend in de artikelen 6 en 13 EVRM, en dat inmiddels ook is neergelegd in artikel 47 van het Handvest.(34)

53. Zoals hierboven is uiteengezet, dienen artikel 47 van het Handvest en de rechtspraak van het EHRM over artikel 6, lid 1, EVRM, in aanmerking te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, omdat alle lidstaten krachtens laatstgenoemde bepaling verplicht zijn om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen teneinde op de onder het Unierecht vallende gebieden daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te waarborgen.(35) Om te garanderen dat instanties die kunnen worden aangezocht om te oordelen over vragen die verband houden met de toepassing en uitlegging van het Unierecht in staat zijn om daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden, is de instandhouding van de onafhankelijkheid van deze instanties van cruciaal belang, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat de toegang tot een „onafhankelijk en onpartijdig” gerecht vermeldt als een van de vereisten voor het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en dat tevens de in artikel 2 VEU tot uitdrukking gebrachte waarden die de lidstaten gemeen hebben – met name de rechtsstaat – worden behouden.(36)

54. Volgens vaste rechtspraak zitten er twee aspecten aan dit vereiste van onafhankelijkheid. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitvoert – zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen – en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen in het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de beslechting van het geding dat geen verband houdt met de strikte toepassing van de rechtsregel ontbreekt. Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels vereist die onder meer betrekking hebben op de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel weg te nemen over het feit dat dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen.(37)

55. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van het EHRM heeft het Hof tevens verduidelijkt dat het vereiste van onpartijdigheid op verschillende manieren kan worden beoordeeld. Volgens een subjectieve benadering moet rekening worden gehouden met de persoonlijke overtuiging en het gedrag van de rechter, door na te gaan of hij in een specifieke zaak blijk heeft gegeven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, met dien verstande dat wordt uitgegaan van persoonlijke onpartijdigheid totdat het tegendeel is bewezen. Bij de objectieve benadering wordt vastgesteld of het gerecht – met name door zijn samenstelling – voldoende waarborgen biedt om elke gegronde twijfel over zijn onpartijdigheid uit te sluiten. De objectieve beoordeling bestaat erin dat wordt nagegaan of de onpartijdigheid van de rechter – los van zijn persoonlijke opstelling – in twijfel kan worden getrokken op grond van bepaalde verifieerbare feiten. Op dit gebied kan zelfs uiterlijke schijn van belang zijn. Het gaat opnieuw om het vertrouwen dat rechterlijke instanties in een democratische samenleving moeten wekken bij justitiabelen en om te beginnen bij de procespartijen.(38)

56. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen enkel betrekking hebben op de kwestie van de objectieve onpartijdigheid ingeval een en dezelfde rechter of collegiaal samengestelde formatie in de loop van een gerechtelijke procedure verschillende taken vervult.

57. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens het Hof de omstandigheid dat rechters die een eerste keer kennis hebben genomen van een zaak, zitting hebben in een andere kamer die opnieuw kennisneemt van dezelfde zaak, op zichzelf beschouwd niet onverenigbaar is met de vereisten van een eerlijk proces. Met name heeft het feit dat een of meerdere rechters deel uitmaken van de twee opeenvolgende formaties en daarin dezelfde taken verrichten, zoals die van kamervoorzitter of rechter-rapporteur, op zichzelf geen invloed op de beoordeling van de inachtneming van het vereiste van onpartijdigheid, aangezien deze taken worden uitgevoerd in een collegiaal samengestelde formatie. Dergelijke argumenten gelden a fortiori wanneer de twee opeenvolgende formaties niet van dezelfde zaak moeten kennisnemen maar van twee afzonderlijke zaken die tot op zekere hoogte met elkaar verbonden zijn.(39)

58. Wat meer bepaald de bekentenisprocedures betreft, heeft het Hof verschillende vragen over de uitlegging van bepalingen van richtlijn 2016/343 beantwoord door voort te bouwen op de rechtspraak van het EHRM, die inhoudt dat het in complexe strafrechtelijke procedures met meerdere verdachten die niet samen kunnen worden beoordeeld, voorkomt dat de nationale rechter verplicht is om voor de beoordeling van de schuld van de verdachten melding te maken van de deelneming van derden, die vervolgens misschien afzonderlijk zullen worden berecht. Het EHRM heeft evenwel gepreciseerd dat indien melding moet worden gemaakt van feiten die verband houden met de betrokkenheid van derden, het gerecht in kwestie moet vermijden dat meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk is voor het onderzoek van de juridische aansprakelijkheid van de personen die dat gerecht dient te vonnissen. Bovendien heeft het EHRM benadrukt dat de motivering van rechterlijke beslissingen moet worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de betrokken derden een mogelijkerwijs voorbarig oordeel wordt geveld, wat het billijke onderzoek van de tegen hen in aanmerking genomen tenlasteleggingen in het kader van een afzonderlijke procedure in het gedrang zou kunnen brengen.(40)

59. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343(41) aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een schikking waarbij de verdachte in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent en die door een nationale rechter moet worden goedgekeurd, uitdrukkelijk als mededaders van het strafbare feit in kwestie niet alleen die verdachte vermeldt, maar ook andere verdachten die hun schuld niet hebben erkend en die worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure, mits ten eerste die vermelding noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die deze schikking heeft gesloten en ten tweede diezelfde schikking duidelijk aangeeft dat die andere verdachten worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure en dat hun schuld niet in rechte is komen vast te staan.(42)

60. In een andere zaak heeft het Hof geoordeeld dat artikel 3(43) en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 – gelezen in samenhang met overweging 16 van deze richtlijn – alsook artikel 47, tweede alinea, en artikel 48 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een nationale rechterlijke instantie in het kader van een strafprocedure tegen twee personen eerst bij beschikking aanvaardt dat de eerste persoon verklaart schuldig te zijn aan de strafbare feiten die vermeld zijn in de tenlastelegging en waarvan wordt aangenomen dat zij zijn begaan in vereniging met de tweede persoon, die verklaart onschuldig te zijn, en dat die rechterlijke instantie vervolgens oordeelt over de schuldvraag van de tweede persoon, na een bewijsvoering die betrekking heeft op de aan deze persoon verweten feiten, met dien verstande dat de vermelding dat de tweede persoon medepleger is van de vermeende feiten noodzakelijk is voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die schuld heeft bekend en dat in diezelfde beschikking en/of de tenlastelegging waarnaar deze beschikking verwijst, duidelijk wordt vermeld dat de schuld van die tweede persoon niet in rechte is komen vast te staan en daarvoor afzonderlijk bewijs zal moeten worden geleverd alsook een afzonderlijk vonnis zal moeten worden gewezen.(44)

61. Dit overzicht van de rechtspraak kan worden afgesloten met een recente uitspraak van het EHRM, waarin het zijn algemene beginselen inzake onpartijdigheid heeft toegepast. In dit verband heeft die rechter geoordeeld dat het enkele feit dat een rechterlijke instantie met betrekking tot hetzelfde strafbare feit eerdere vonnissen heeft gewezen, op zichzelf weliswaar niet kan worden beschouwd als een reden om te vrezen voor haar onpartijdigheid, maar dat de vraag of de rechter onpartijdig is niettemin rijst wanneer het eerdere vonnis reeds een gedetailleerde beoordeling bevat van de rol van de persoon die later terechtstaat voor een strafbaar feit dat door meerdere personen is gepleegd, met name wanneer het eerdere vonnis een concrete kwalificatie van de betrokkenheid van de verzoeker bevat of moet worden geacht de vaststelling te bevatten dat de berechte persoon nadien aan alle criteria heeft voldaan om een strafbaar feit te hebben gepleegd. Naargelang van het geval kunnen dergelijke factoren worden geacht vooruit te lopen op de vraag of de persoon die in de latere procedure wordt berecht, schuldig is, zodat zij objectief gerechtvaardigde twijfel kunnen doen rijzen over de vraag of de nationale rechter aan het begin van zijn proces bevooroordeeld is wat betreft de grond van de zaak van de persoon die later wordt berecht.(45)

62. In een zaak die was aangespannen door een verzoeker die op basis van schikkingen met schuldbekentenis was berecht en veroordeeld door dezelfde rechterlijke instantie als die welke eerder zijn mededaders had veroordeeld voor strafbare feiten die zij samen met hem hadden gepleegd, heeft het EHRM op de volgende gronden geoordeeld dat artikel 6, lid 1, EVRM was geschonden. Het EHRM heeft opgemerkt dat ofschoon in de arresten waarbij de schikkingen werden goedgekeurd, niet afzonderlijk werd vastgesteld dat de verzoeker als zodanig schuldig was en de aard van het ten laste gelegde strafbare feit impliceerde dat er sprake was van coördinatie van strafbare handelingen, die arresten wel een nauwkeurige feitelijke omschrijving gaven van de specifieke rol die de verzoeker speelde bij het plegen van dat feit. De rechter ten gronde was dus perfect op de hoogte van de identiteit van de verzoeker – ook al werd deze aangeduid met zijn initialen of met een alias – en van zijn rol, aangezien er geen twijfel over kon bestaan dat hij had deelgenomen aan het strafbare feit. Deze situatie kon de rechter er alleen maar toe aanzetten om consistent te blijven met zijn eerdere arresten waarbij hij de schikkingen had goedgekeurd, net zoals de mededaders ertoe werden aangezet om consistent te blijven met hun eerdere verklaringen over de betrokkenheid van de verzoeker bij het plegen van het strafbare feit. Het EHRM heeft dan ook geoordeeld dat de veroordelingen van de mededaders van de verzoeker – gelet op de bewoordingen ervan – inbreuk maakten op zijn recht om als onschuldig te worden beschouwd zolang zijn schuld niet is bewezen en dat de twijfels die waren gerezen over de onpartijdigheid van die rechter, gelet op de rol die zij speelden in verzoekers eigen proces, dat voor dezelfde rechter werd gevoerd, objectief gerechtvaardigd waren.(46)

63. Uit dit overzicht van de rechtspraak blijkt dat de begrippen „objectieve onpartijdigheid” en „vermoeden van onschuld”, die juridisch van elkaar verschillen, in feite nauw met elkaar verbonden zijn, aangezien schending van het vereiste van onpartijdigheid in bepaalde omstandigheden kan voortvloeien uit schending van dat vermoeden.

64. In casu heeft de verwijzende rechter verklaard dat de door PT getroffen schikking met schuldbekentenis het dispositief van de tenlastelegging volledig heeft overgenomen en dat daarin melding wordt gemaakt van het door de verdachte gepleegde feit en de juridische kwalificatie daarvan alsook van de aard en de hoogte van de straf, maar – in navolging van het arrest AH e.a. (Vermoeden van onschuld)(47) – niet van de naam en het nationale identificatienummer van de verdachten tegen wie de procedure wordt voortgezet, aangezien de goedkeuring van die schikking is gegeven zonder commentaar op de deelname van die verdachten aan de ten laste gelegde feiten en zonder dat een standpunt is ingenomen over hun schuld.(48) Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dus dat de bewoordingen van de betreffende schikking met schuldbekentenis en de rechterlijke beslissing tot goedkeuring ervan vrij zijn van elk vooroordeel over de schuld van de verdachten die er niet mee hebben ingestemd zich schuldig te verklaren aan de ten laste gelegde feiten. Dat de verwijzende rechter de schikking met schuldbekentenis kan goedkeuren en vervolgens de strafrechtelijke aansprakelijkheid van die verdachten kan beoordelen, is dan ook niet in strijd met de vereisten van objectieve onpartijdigheid.

65. Opgemerkt dient evenwel te worden dat de situatie van verdachte PT op zijn minst eigenaardig is, aangezien diezelfde verwijzende rechter heeft gepreciseerd(49) dat schikkingen met schuldbekentenis – in het algemeen en volgens vaste rechtspraak – nog steeds de volledige namen en de volledige identificatienummers vermelden van verdachten die niet een dergelijke schikking hebben getroffen. Hieraan moet worden toegevoegd dat in deze schikkingen en in de uitspraken waarbij zij worden goedgekeurd, niet noodzakelijk uitdrukkelijk wordt vermeld dat die verdachten worden vervolgd in het kader van een afzonderlijke strafprocedure en dat hun schuld niet in rechte is komen vast te staan, terwijl het Hof dit duidelijk eist wanneer het beoordeelt of het vermoeden van onschuld is geëerbiedigd.(50) In het kader van de beoordeling of de Bulgaarse wettelijke regeling in kwestie, zoals deze wordt toegepast door de nationale rechterlijke instanties, verenigbaar is met het Unierecht, rechtvaardigen deze factoren – gelet op de objectieve onpartijdigheid – dat een ad-hockamer bevoegd is om de schikkingen goed te keuren, hetgeen de verwijzende rechter zelf erkent.(51)

66. Hoe dan ook kan mijns inziens uit de aanwijzingen in punt 64 van deze conclusie niet worden afgeleid dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de nationale regeling in kwestie. Dat de rechterlijke instantie waaraan de procedure aanvankelijk is toegewezen, met het oog op de goedkeuring van de schikking met schuldbekentenis stelselmatig wordt vervangen door een ad-hockamer, is namelijk geenszins in strijd met voornoemde vereisten, maar versterkt noodzakelijkerwijs de objectieve onpartijdigheid van de rechterlijke instantie die de medeverdachten moet berechten die geen schuld hebben erkend, zodat wordt voorkomen dat die rechterlijke instantie de indruk wekt niet onpartijdig te zijn, wat afbreuk zou kunnen doen aan het vertrouwen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken.(52)

Beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure

67. Toen het Hof werd gevraagd naar de draagwijdte van sommige bepalingen van richtlijn 2012/29/EU(53) in het licht van een nationale regeling die voorschrijft dat de ondervraging van het slachtoffer moet worden overgedaan door een nieuw samengestelde kamer wanneer een van de partijen in het geding weigert toe te staan dat de betrokken kamer zich baseert op het proces-verbaal van de eerste ondervraging, heeft het verwezen naar het beginsel van onmiddellijkheid, waarbij het zich heeft gebaseerd op de rechtspraak van het EHRM.

68. Zo heeft het Hof opgemerkt dat een van de belangrijke elementen van een eerlijk strafproces bestaat in de mogelijkheid voor de verdachte om voor de rechter die uiteindelijk uitspraak doet, te worden geconfronteerd met de getuigen, en dat dit onmiddellijkheidsbeginsel een belangrijke waarborg voor het strafproces vormt, aangezien de opmerkingen van de rechter over het gedrag en de geloofwaardigheid van een getuige zware gevolgen voor de verdachte kunnen hebben. Derhalve moet een wijziging in de samenstelling van het vonnisgerecht na de ondervraging van een belangrijke getuige in beginsel tot een nieuwe ondervraging leiden. Het onmiddellijkheidsbeginsel kan echter niet worden geacht elke wijziging in de samenstelling van een gerecht tijdens het verloop van een proces in de weg te staan. Er kunnen zich bijzonder voor de hand liggende administratieve of procedurele problemen voordoen die het voor een rechter onmogelijk maken om voortdurend aan het proces deel te nemen. Maatregelen kunnen worden genomen opdat de rechters die de zaak overnemen, de elementen en argumenten goed begrijpen, bijvoorbeeld door hun de processen-verbaal over te leggen wanneer de geloofwaardigheid van de betrokken getuige niet wordt betwist, of door nieuwe pleidooien te organiseren of een nieuwe ondervraging van de belangrijke getuigen te organiseren voor de nieuw samengestelde rechtbank.(54)

69. Het begrip „onmiddellijkheid” vereist dus een rechtstreekse relatie tussen de rechter en de justitiabele, zodat een rechter die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig was, niet mag deelnemen aan de behandeling van de zaak.(55)

70. Volgens de verwijzende rechter komt dit onmiddellijkheidsbeginsel tot uitdrukking in de artikelen 18 en 55 NPK, die waarborgen dat de verdediging aan de procedure deelneemt in aanwezigheid van de rechter die uitspraak moet doen over de grond van de zaak, terwijl artikel 384a NPK daarvan afwijkt. De verwijzende rechter merkt op dat het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming zou worden geschonden indien de verdediging in een situatie zou worden geplaatst waarin een rechter een beslissing ten gronde moet geven op basis van bewijs dat voor een andere rechter is onderzocht en besproken. Die rechter heeft dan enkel kennisgenomen van de processtukken, maar heeft niet deelgenomen aan het proces van bewijsgaring en -beoordeling in aanwezigheid en onder toezicht van de verdediging.

71. Dit standpunt van de verwijzende rechter komt mijns inziens neer op een ontkenning van het specifieke karakter en de autonomie van de bekentenisprocedure, waarover het EHRM zich reeds heeft kunnen uitspreken. Zo is het EHRM van oordeel dat een strafrechtelijke transactieprocedure die leidt tot een beslissing over een tenlastelegging na een vereenvoudigde rechterlijke toetsing, in wezen impliceert dat afstand wordt gedaan van bepaalde procedurele rechten, wat op zichzelf geen probleem is aangezien noch de letter noch de geest van artikel 6 de betrokkene belet om uit vrije wil afstand te doen van die waarborgen. Derhalve moet – overeenkomstig de beginselen inzake de geldigheid van afstandsverklaringen – de aanvaarding van de transactie door de verzoeker voldoen aan de volgende voorwaarden: ten eerste moet de transactie werkelijk vrijwillig alsook met volledige kennis van de feiten van de zaak en van de aan dit soort transacties verbonden rechtsgevolgen zijn aanvaard, en ten tweede moeten de inhoud van de transactie en de eerlijkheid van de procedure die heeft geleid tot de sluiting van de transactie door de partijen, voldoende door de rechter worden getoetst.(56)

72. Doordat PT met de openbaar aanklager een schikking heeft getroffen waarbij hij erkende schuldig te zijn aan de ten laste gelegde feiten en een voorwaardelijke gevangenisstraf aanvaardde, heeft hij overeenkomstig artikel 381, lid 6, NPK afstand gedaan van het recht op berechting van de zaak volgens de gewone procedure en dus van het recht op een onderzoek ten gronde van zijn zaak waarbij ter terechtzitting een debat op tegenspraak wordt gevoerd over het bewijs voor de rechter die zich over de grond van de zaak moet uitspreken. De bekentenisprocedure is een bijzondere wijze van strafrechtsbedeling, aangezien zij een alternatief vormt voor het proces in het gemene recht. Dit alternatief vloeit voort uit een keuze die wordt gemaakt door de verdachte, die daarbij wordt bijgestaan door zijn advocaat. Doordat de verwijzende rechter in zijn redenering opwerpt dat het onmiddellijkheidsbeginsel – zoals dat van toepassing is in bovengenoemd proces – is geschonden, verhult hij mijns inziens de juridische en feitelijke realiteit van de bekentenisprocedure, die is ontworpen om de beslechting van strafzaken te vereenvoudigen en te versnellen, wat door het EHRM wordt beschouwd als een legitieme doelstelling.(57)

73. Derhalve kan niet worden gesteld dat het feit dat de bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarbij de procedure tegen alle verdachten aanvankelijk aanhangig was gemaakt, met het oog op de goedkeuring van de door een van de verdachten getroffen schikking met schuldbekentenis wordt overgedragen aan een ad-hockamer, op zichzelf beschouwd indruist tegen het beginsel van onmiddellijkheid van de strafprocedure. Deze kamer moet evenwel een toereikende rechterlijke toetsing kunnen waarborgen, zoals het EHRM vereist(58), aangezien de verwijzende rechter geen melding maakt van ander bewijs waaruit het tegendeel blijkt.(59)

Vereiste van unanieme instemming van de overige verdachten

74. De verwijzende rechter betwijfelt of de nationale regeling op grond waarvan de rechterlijke goedkeuring van de schikking met schuldbekentenis vereist dat de medeverdachten daarmee voorafgaandelijk unaniem instemmen, verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest.(60) Dit vereiste heeft tot gevolg dat de toegang van de verdachte tot een „bij wet erkend rechtsmiddel”, waardoor hij een lichtere straf kan krijgen dan die welke in een gewone procedure zou zijn opgelegd, onrechtmatig wordt beperkt.

75. Gelet op de afwijkende bewoordingen van de verwijzingsbeslissing moet om te beginnen worden benadrukt dat de bekentenisprocedure in kwestie niet kan worden gekwalificeerd als of gelijkgesteld met een rechtsmiddel, dat wil zeggen een rechtsmiddel dat het mogelijk maakt om een vermeend onregelmatige situatie te bekritiseren en ter discussie te stellen voor een rechterlijke instantie.

76. Over het geheel genomen moet de verwijzingsbeslissing mijns inziens worden uitgelegd als een aanwijzing voor een mogelijke schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces en, meer in het bijzonder, van de rechten van de verdediging. In dit verband breng ik in herinnering dat de inhoud en de strekking van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU worden bepaald in het licht van artikel 47 van het Handvest. Het Hof heeft verduidelijkt dat het fundamentele beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van rechten – dat opnieuw is bevestigd in artikel 47 van het Handvest – en het in artikel 6 EVRM gebezigde begrip „eerlijk proces” verschillende elementen omvatten, waaronder met name de rechten van de verdediging.(61)

77. Volgens de verwijzende rechter voorzien sommige bepalingen van de kaderbesluiten 2004/757 en 2008/841 in de mogelijkheid van strafvermindering wanneer de verdachte meewerkt, onder dezelfde voorwaarden als die welke het mogelijk maken om een schikking met schuldbekentenis te treffen. Het feit dat voor de rechterlijke goedkeuring van een dergelijke schikking als voorwaarde geldt dat de medeverdachten daarmee instemmen, doet afbreuk aan het recht van de verdachte die strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft erkend, om te profiteren van een dergelijke schikking, die synoniem is met strafvermindering, terwijl de beperking van dat recht niet strookt met het evenredigheidsbeginsel(62), wat in strijd is met de eerbiediging van de rechten van de verdediging.

78. Voor zover mij bekend is er evenwel geen enkele bepaling van primair of afgeleid Unierecht die een verdachte het recht garandeert om in een bepaalde situatie in aanmerking te komen voor strafvermindering, met name in het kader van een met de openbaar aanklager getroffen schikking met schuldbekentenis. Dienaangaande heeft het Hof opgemerkt dat de lidstaten krachtens artikel 7, lid 4, van richtlijn 2016/343 niet verplicht zijn om te waarborgen dat de rechterlijke instanties rekening houden met de medewerking van de verdachte, zodat deze aan die bepaling geen enkel recht ontleent om een lagere straf te krijgen in geval van samenwerking met die instanties, bijvoorbeeld door het treffen van een schikking met de openbaar aanklager waarbij de verdachte zijn schuld erkent.(63) Het Hof heeft tevens geoordeeld dat artikel 6, lid 4, van richtlijn 2012/13 – waarbij de verplichting wordt opgelegd om de verdachten in kennis te stellen van wijzigingen in de tegen hen ingebrachte beschuldiging indien dat nodig is om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen – en de in artikel 48, lid 2, van het Handvest bedoelde rechten van de verdediging, in verband met het recht op informatie van de verdachten, niet vereisen dat zij, in geval van een wijziging van de feiten waarop de beschuldiging gebaseerd is of een wijziging in de juridische kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de beschuldiging, na de opening van de mondelinge behandeling kunnen verzoeken om oplegging van een met het openbaar ministerie overeengekomen straf.(64)

79. Uit het in artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2016/343 erkende recht van verdachten om te zwijgen over het ten laste gelegde strafbare feit en om zichzelf niet te belasten(65), kan niet worden afgeleid dat zij recht hebben op strafvermindering indien zij schuld erkennen, aangezien de ondubbelzinnige bewoordingen van lid 4 van dat artikel zich tegen een dergelijke uitlegging verzetten.

80. Voor het overige moet worden geconstateerd dat ook de nationale regeling in kwestie een dergelijk recht niet garandeert. De procedure die leidt tot een schikking over de oplegging van een overeengekomen straf, is een bijzondere procedure voor de berechting van strafbare feiten die de openbaar aanklager vrijelijk – op eigen initiatief of op verzoek van de advocaat van de verdachte – kan toepassen mits de verdachte de ten laste gelegde feiten erkent. De verdachte heeft dus niet het recht om volgens deze procedure te worden berecht, ook al heeft hij schuld erkend, aangezien de schikking door de openbaar aanklager moet worden ondertekend voordat zij ter goedkeuring kan worden voorgelegd.(66) Wanneer de openbaar aanklager heeft besloten om die procedure toe te passen en de verdachte de door de openbaar aanklager voorgestelde straf heeft aanvaard, heeft hij evenmin recht op goedkeuring ervan door de bevoegde rechter, die niet gebonden is door het voorstel van de openbaar aanklager of door de aanvaarding ervan door de betrokkene. Uit artikel 382, lid 8, NPK vloeit voort dat de rechter de zaak terugverwijst naar de openbaar aanklager indien hij weigert de schikking met schuldbekentenis goed te keuren.

81. Derhalve kan een vereiste van instemming als in het hoofdgeding aan de orde, dat geldt als voorwaarde voor de goedkeuring van een schikking over de oplegging van een overeengekomen straf, niet worden geacht inbreuk te maken op het recht op een eerlijk proces en meer bepaald op de rechten van de verdediging.

Conclusie

82. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sofiyski gradski sad te beantwoorden als volgt:

„Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de rechterlijke goedkeuring van een schikking waarbij een van de verdachten in ruil voor strafvermindering zijn schuld erkent met betrekking tot de hem ten laste gelegde strafbare feiten, qua bevoegdheid wordt toegewezen aan een andere rechter dan de rechter die zich aanvankelijk moest uitspreken over de strafrechtelijke vervolging en bovendien afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat alle overige verdachten, die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid niet hebben erkend, instemmen met het treffen van die schikking.”