Home

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 16 november 2023

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 16 november 2023

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
16 november 2023

Uitspraak

Arrest van het Hof (Achtste kamer)

16 november 2023(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Luchtvervoer - Verdrag van Montreal - Artikel 1, leden 1 en 2 - Werkingssfeer - Begrip internationaal vervoer - Artikel 2, lid 1 - Begrip vervoer verricht door de staat - Artikel 17, lid 1 - Aansprakelijkheid van luchtvervoerders in geval van dood of lichamelijk letsel van een passagier - Verzekering van luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen - Verordening (EG) nr. 785/2004 - Artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1 en lid 2, onder a) - Werkingssfeer - Begrip staatsluchtvaartuigen - Artikel 4, lid 1 - Minimumeisen voor de verzekering van luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen - Crash van een door een overheidsdienst van een lidstaat geëxploiteerde helikopter tijdens een evacuatie- en reddingsoefening in het kader van een gespecialiseerde opleiding - Overlijden van een lid van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers dat aan deze oefening deelnam - Vergoeding”"

In zaak C‑283/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 29 maart 2022, ingekomen bij het Hof op 26 april 2022, in de procedure

DZ,

EO,

YV,

YE,

MP

tegen

Ministerstvo vnútra Slovenskej republiky,

in tegenwoordigheid van:

KOOPERATIVA Poisťovňa a.s., Vienna Insurance Group,

Generali Česká pojišťovna a.s., voorheen Generali Poisťovňa a.s.,

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: N. Piçarra (rapporteur), kamerpresident, M. Safjan en M. Gavalec, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 april 2023,

gelet op de opmerkingen van:

  • DZ, EO, YV, YE en MP, vertegenwoordigd door O. Urban, advokát,

  • Generali Česká pojišťovna a.s., voorheen Generali Poisťovňa a.s., vertegenwoordigd door S. Dubjel, advokát,

  • de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Drugda als gemachtigde,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Sasinowska, A. Tokár en G. Wilms als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 1, artikel 2, lid 1, en artikel 17, lid 1, van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 28 mei 1999 te Montreal is gesloten, op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB 2001, L 194, blz. 38) (hierna: „Verdrag van Montreal”), dat voor de Europese Unie in werking is getreden op 28 juni 2004, alsmede op de uitlegging van artikel 3, onder g), van verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen (PB 2004, L 138, blz. 1).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds DZ, EO, YV, YE en MP, nabestaanden van NK, die is omgekomen bij een helikopterongeval, en anderzijds het Ministerstvo vnútra Slovenskej republiky (ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek), eigenaar en exploitant van de helikopter in kwestie, over de vergoeding van de immateriële schade die verzoekers in het hoofdgeding hebben geleden ten gevolge van het overlijden van NK.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Verdrag van Chicago

3 Artikel 3 („Burgerluchtvaartuigen en staatsluchtvaartuigen”) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944 (United Nations Treaty Series, deel 15, nr. 102; hierna: „Verdrag van Chicago”) en bekrachtigd door alle lidstaten van de Europese Unie, bepaalt:

  • Dit verdrag is uitsluitend van toepassing op burgerluchtvaartuigen, niet op staatsluchtvaartuigen.

  • Luchtvaartuigen, in gebruik voor militaire diensten, douane en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn.

[...]”

Verdrag van Montreal

4 Artikel 1 („Toepassingsgebied”) van het Verdrag van Montreal bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.

Dit verdrag is van toepassing op al het internationale vervoer van personen, bagage of goederen dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaats heeft. Het is eveneens van toepassing op kosteloos vervoer per luchtvaartuig door een luchtvervoeronderneming verricht.

2.

Onder internationaal vervoer in de zin van dit verdrag wordt verstaan alle vervoer waarbij, volgens overeenkomst tussen partijen, de plaats van vertrek en de plaats van bestemming, zij er al dan niet onderbreking van het vervoer of overlading, zijn gelegen hetzij op het grondgebied van twee staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij op het grondgebied van een enkele staat die partij is bij dit verdrag indien een tussenlanding wordt voorzien binnen het grondgebied van een andere staat, zelfs indien die staat geen partij is bij het verdrag. Het vervoer zonder een zodanige tussenlanding tussen twee punten binnen het grondgebied van een enkele staat die partij is bij dit verdrag wordt niet beschouwd als internationaal in de zin van dit verdrag.”

5 Artikel 2 van dit verdrag („Vervoer verricht door de staat en vervoer van postzendingen”) bepaalt in lid 1 dat het verdrag „op vervoer verricht door de staat of door andere openbare lichamen van toepassing [is] onder de voorwaarden genoemd in artikel 1”.

6 Artikel 17 („Dood of letsel geleden door de passagier – Schade toegebracht aan de bagage”) van dat verdrag bepaalt in lid 1 ervan:

„De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van dood of lichamelijk letsel van een passagier, op grond van het enkele feit dat het ongeval dat de dood of het letsel heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of tijdens enige handeling verband houdende met het aan boord gaan of het verlaten van het luchtvaartuig.”

Unierecht

Verordening nr. 2027/97

7 Artikel 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage (PB 1997, L 285, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PB 2002, L 140, blz. 2) (hierna: „verordening nr. 2027/97”) breidt de toepassing van de relevante bepalingen van het Verdrag van Montreal uit tot „het luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat”.

Verordening nr. 785/2004

8 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 785/2004 luidt:

„Het doel van deze verordening is voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen minimumeisen voor verzekeringen met betrekking tot passagiers, bagage, vracht en derden vast te stellen.”

9 Artikel 2 („Toepassingsgebied”) van deze verordening bepaalt:

„1.

Deze verordening is van toepassing op alle luchtvervoerders en alle exploitanten van luchtvaartuigen die vluchten uitvoeren binnen, naar, vanuit of over het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. staatsluchtvaartuigen als bedoeld in artikel 3, onder b), van het [Verdrag van Chicago];

[...]”

10 Artikel 3 van die verordening bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. ‚luchtvervoerder’: een luchtvervoeronderneming met een geldige exploitatievergunning;

[...]

  1. ‚exploitant van luchtvaartuigen’: een persoon of entiteit die geen luchtvervoerder is en die permanent en daadwerkelijk over het luchtvaartuig beschikt dan wel het permanent en daadwerkelijk exploiteert; de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam een luchtvaartuig geregistreerd is, wordt geacht de exploitant te zijn, tenzij de betrokkene kan aantonen dat een andere persoon de exploitant is;

[...]

  1. ‚passagier’: elke persoon die met toestemming van de luchtvervoerder of de exploitant van luchtvaartuigen aan een vlucht deelneemt, met uitsluiting van het vlucht- en cabinepersoneel dat [dienst heeft] tijdens de vlucht;

[...]”

11 Artikel 4 („Verzekeringsgrondslagen”) van verordening nr. 785/2004 luidt:

„1.

De in artikel 2 bedoelde luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen zijn overeenkomstig deze verordening verzekerd voor hun specifieke aan luchtvaart gerelateerde aansprakelijkheid ten aanzien van passagiers, bagage, vracht en derden. [...]

[...]

3.

Deze verordening laat de regels inzake aansprakelijkheid onverlet die voortvloeien uit:

  • internationale verdragen waarbij de lidstaten en/of de Gemeenschap partij zijn,

  • het Gemeenschapsrecht; en

  • het nationale recht van de lidstaten.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 Op 10 mei 2017 is NK omgekomen bij een crash van een helikopter – die eigendom was van en geëxploiteerd werd door het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek – op het militaire terrein van de luchthaven van Prešov (Slowakije), in het kader van een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers die bestond uit een training met behulp van deze helikopter voor de evacuatie en redding van personen uit moeilijk toegankelijk terrein door middel van een lier aan boord van de helikopter. Op het tijdstip van die crash was de helikopter aan het hoveren.

13 Verzoekers in het hoofdgeding vorderen bij de verwijzende rechter een vergoeding van de immateriële schade die zij ten gevolge van het overlijden van NK hebben geleden: voor DZ een bedrag van 550 000 EUR, voor EO een bedrag van 350 000 EUR, voor YV een bedrag van 350 000 EUR, voor YE een bedrag van 150 000 EUR en voor MP een bedrag van 150 000 EUR. Ter ondersteuning van hun vordering beroepen zij zich op de relevante verordeningen van de Unie op het gebied van de burgerluchtvaart, die volgens hen voorrang hebben boven de bepalingen van het Slowaakse recht, waaronder de bepalingen van het wetboek van burgerlijk recht. Zij betogen dat zowel het Verdrag van Montreal als verordening nr. 785/2004 van toepassing is, aangezien NK de hoedanigheid had van „passagier” en het omhooghijsen met behulp van een lier vanuit een helikopter een specifieke manier is om aan boord te gaan.

14 Het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek – daarin ondersteund door KOOPERATIVA Poisťovňa a.s., Vienna Insurance Group, en door Generali Česká pojišťovna a.s., voorheen Generali Poisťovňa a.s., twee verzekeringsmaatschappijen – betoogt dat het Verdrag van Montreal en verordening nr. 785/2004 niet van toepassing zijn op het hoofdgeding, omdat NK geen „passagier” was in de zin van deze twee rechtsinstrumenten maar tot het „cabinepersoneel” behoorde, en omdat hij op het tijdstip van het ongeval was vastgemaakt aan de uitrusting van de helikopter, en dus niet aan boord van de helikopter was gegaan en deze niet had verlaten.

15 KOOPERATIVA Poisťovňa a.s., Vienna Insurance Group, betwist tevens de toepasselijkheid van het Verdrag van Montreal op het hoofdgeding door te betogen dat het gebruik van een helikopter in een situatie als die van het hoofdgeding niet kan worden gelijkgesteld met „vervoer” in de zin van artikel 1 van dit verdrag. Dat verdrag is overeenkomstig artikel 2, lid 1, van toepassing op vervoer dat door de staat wordt verricht met als enige doel een passagier van de plaats van vertrek naar de plaats van bestemming te vervoeren, wat niet mag worden verward met het gebruik van staatsluchtvaartuigen – zoals in casu – voor de uitvoering van een opdracht door ambtenaren.

16 Ter terechtzitting bij het Hof is verduidelijkt dat verzoekers in het hoofdgeding overeenkomstig de Slowaakse socialezekerheidsregeling voor leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers gezamenlijk van de staat schadevergoeding hebben ontvangen ten belope van ongeveer 70 000 EUR, en dat hun bij wijze van uitzondering een bedrag van 30 000 EUR is uitbetaald uit de reserves van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek.

17 In die omstandigheden heeft de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet artikel 3, onder g), van [verordening nr. 785/2004] aldus worden uitgelegd dat een persoon

    • die zich buiten een helikopter van een luchtvervoerder uit de [Unie] bevindt, maar tijdens de helikoptervlucht aan een lierkabel hangt die integraal deel uitmaakt (of die een deel is van de samenstelling) van de helikopter en die (vastgehangen aan de lierkabel) met de helikopter mee is opgestegen;

    • die is vervoerd op basis van kosteloos vervoer door de staat (met behulp van een door de politiediensten gebruikte staatshelikopter) op grond van een ,vervoersovereenkomst’ tussen de luchtvervoerder (het staatssquadron) en de werkgever van de persoon die een bijzondere opdracht uitvoert [met name op grond van de uznesenie vlády Slovenskej republiky č. 411/2006 Z. z., zo dňa 10. mája 2006, k návrhu zásad vykonávania letov lietadiel v policajných službách (besluit nr. 411/2006 van de regering van de Slowaakse Republiek van 10 mei 2006 houdende het ontwerp van principes voor de uitvoering van vluchten met luchtvaartuigen door de politiediensten) en het nariadenie Ministerstva vnútra Slovenskej republiky č. 50/2012 zo dňa 14. marca 2012 o vyžadovaní a schvaľovaní letov (besluit nr. 50/2012 van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek van 14 maart 2012 betreffende de vraag naar vluchten en de goedkeuring ervan), waarin is bepaald dat de luchtvaartuigen van de luchtvervoerder vluchten zullen uitvoeren ter verwezenlijking van opdrachten van de werkgever van de betrokken persoon];

    • die is vervoerd met het oog op de uitvoering van een bijzondere opdracht als in het hoofdgeding aan de orde [de uitvoering van een dienstopdracht die bestaat in een gespecialiseerde opleiding van leden van de Hasičský a záchranný zbor (korps van brandweerlieden en reddingswerkers) met gebruik van een luchtvaartuig (helikopter) in de vorm van een oefening, namelijk het omhooghijsen van een redder en een te redden persoon vanuit een helikopter],

    en

    • die als personeel in opleiding van de brandbestrijdingseenheid deelnam aan de uitvoering van de opdracht en die op aanwijzing van de piloot en de operator van de helikopter was vastgemaakt aan de helikopter door middel van een lierkabel die integraal deel uitmaakte (of die een deel was van de samenstelling) van de helikopter en die tijdens de uitvoering van de vlucht aan boord van de helikopter moest worden gehesen,

    1. een passagier is

    dan wel

    1. tot het vlucht- of cabinepersoneel behoort?

  • Moet artikel 17, lid 1, van het [Verdrag van Montreal] aldus worden uitgelegd dat een persoon die zich bevindt in de in de eerste vraag genoemde omstandigheden dient te worden beschouwd als

    1. een passagier

      dan wel

    2. als een lid van het vlucht- of cabinepersoneel?

  • Kan het gebruik van de staatshelikopter op 10 mei 2017 worden aangemerkt als vervoer in de zin van artikel 2, lid 1, en artikel 1 van het [Verdrag van Montreal]?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

18 Volgens de Slowaakse regering is het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk omdat het niet voldoet aan de vereisten van artikel 94, onder b) en c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. De verwijzende rechter schetst het feitelijke en juridische kader van de prejudiciële vragen niet voldoende en zet niet uiteen waarom hij twijfels heeft over de uitlegging van het Unierecht. Voorts valt het volgens de Slowaakse regering te betwijfelen of verordening nr. 785/2004 en het Verdrag van Montreal op het hoofdgeding van toepassing zijn.

19 Krachtens artikel 94, onder a) tot en met c), van het Reglement voor procesvoering moet de nationale rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteenzetten en de nodige toelichting verstrekken bij de redenen voor de keuze van de Unierechtelijke bepalingen waarvan hij om uitlegging verzoekt en bij het verband tussen die bepalingen en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding. Deze cumulatieve vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing worden eveneens in herinnering gebracht in de punten 13, 15 en 16 van de aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1) (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, Lyoness Europe, C‑455/21, EU:C:2023:455, punten 26 en 27 ).

20 In casu bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing een voldoende nauwkeurige uiteenzetting van de relevante feiten. Daarnaast merkt de verwijzende rechter in dat verzoek uitdrukkelijk op dat de Unierechtelijke begrippen waarop zijn prejudiciële vragen betrekking hebben, door partijen in het hoofdgeding op uiteenlopende wijze worden uitgelegd, wat hem ertoe heeft gebracht het Hof vragen te stellen over de uitlegging van deze begrippen. Voorts blijkt uit dit verzoek en uit de bewoordingen zelf van deze vragen genoegzaam welk verband die rechter legt tussen die vragen en het voorwerp van het hoofdgeding.

21 Het is juist dat die rechter niet heeft vermeld wat de inhoud is van de bepalingen van het Slowaakse recht op grond waarvan het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Slowaakse Republiek aansprakelijk is voor de door verzoekers in het hoofdgeding gestelde immateriële schade. Aangezien de procedure met betrekking tot de prejudiciële verwijzing niet de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen betreft, heeft – in de geest van samenwerking waarop de betrekkingen tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof in het kader van deze procedure gebaseerd moeten zijn – het in een verzoek om een prejudiciële beslissing ontbreken van bepaalde aanwijzingen over het nationale recht dat van toepassing is op het hoofdgeding evenwel niet noodzakelijk tot gevolg dat dit verzoek niet-ontvankelijk is [zie in die zin arresten van 30 april 1986, Asjes e.a., 209/84–213/84, EU:C:1986:188, punt 12 , en  6 oktober 2021, LU (Invordering van verkeersboeten), C‑136/20, EU:C:2021:804, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22 Wanneer niet duidelijk blijkt dat de uitlegging van een Unierechtelijke handeling geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, betreft de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze handeling op het hoofdgeding voorts niet de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar de grond van de gestelde prejudiciële vragen [arrest van 16 februari 2023, Rzecznik Praw Dziecka e.a. (Schorsing van de terugkeerbeslissing), C‑638/22 PPU, EU:C:2023:103, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

23 Derhalve dient het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te worden verklaard.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Tweede en derde prejudiciële vraag

24 Met zijn tweede en zijn derde vraag, die gezamenlijk en als eerste moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 1, van het Verdrag van Montreal, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 2, lid 1, van dit verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat het een grondslag kan bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een staat die partij is bij dat verdrag, is overleden ten gevolge van een crash van een door politiediensten geëxploiteerde helikopter, terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter.

25 Volgens artikel 1, lid 1, van het Verdrag van Montreal is dit verdrag van toepassing op al het internationale vervoer van personen, bagage of goederen dat met luchtvaartuigen plaatsvindt, ook wanneer dit vervoer kosteloos is en wordt verricht door een luchtvervoeronderneming. Dit artikel omschrijft in lid 2 ervan het begrip „internationaal vervoer” als „alle vervoer waarbij, volgens overeenkomst tussen partijen, de plaats van vertrek en de plaats van bestemming, zij er al dan niet onderbreking van het vervoer of overlading, zijn gelegen hetzij op het grondgebied van twee staten die partij zijn bij dit verdrag, hetzij op het grondgebied van een enkele staat die partij is bij dit verdrag indien een tussenlanding wordt voorzien binnen het grondgebied van een andere staat, zelfs indien die staat geen partij is bij het verdrag”, en verduidelijkt dat het „vervoer zonder een zodanige tussenlanding tussen twee punten binnen het grondgebied van een enkele staat die partij is bij dit verdrag [...] niet [wordt] beschouwd als internationaal in de zin van dit verdrag”. Artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Montreal bepaalt dat dit verdrag onder de in artikel 1 genoemde voorwaarden van toepassing is op vervoer dat wordt verricht door de staat of door andere openbare lichamen.

26 Uit artikel 1, leden 1 en 2, en artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Montreal komt dus naar voren dat de begrippen „internationaal vervoer” en „vervoer verricht door de staat”, waarvan de toepassing van dit verdrag afhangt, onderstellen dat er een verplaatsing – die volgens de bepalingen van partijen wordt verricht met luchtvaartuigen – plaatsvindt van personen, bagage of goederen van een „plaats van vertrek” naar een „plaats van bestemming”, die een andere plaats is dan deze „plaats van vertrek”.

27 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het doel van de handeling die werd verricht met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde helikopter, geen betrekking had op de verplaatsing van personen, bagage of goederen naar een plaats van bestemming die een andere plaats is dan de plaats van vertrek, maar wel op de uitvoering van een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die de vorm aannam van een op het militaire terrein van dezelfde luchthaven verrichte oefening die bestond in het omhooghijsen van een persoon vanuit een helikopter.

28 In dit verband onderscheidt het hoofdgeding zich van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 februari 2015, Wucher Helicopter en Euro-Aviation Versicherung (C‑6/14, EU:C:2015:122, punten 40 en 41 ), aangezien in laatstgenoemde zaak de vlucht in kwestie tot doel had aan boord van een helikopter werknemers van een onderneming te vervoeren van de plaats van vertrek van deze helikopter naar de plaatsen waar zij hun dagelijkse arbeid dienden te verrichten, waarna zij werden teruggebracht naar die plaats van vertrek.

29 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties is een handeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is dan ook niet aan te merken als „internationaal vervoer” of „vervoer verricht door de staat” in de zin van respectievelijk artikel 1, leden 1 en 2, en artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Montreal, zodat deze handeling niet binnen de werkingssfeer van dit verdrag valt.

30 Een dergelijke handeling valt evenmin binnen de werkingssfeer van verordening nr. 2027/97. Ofschoon artikel 1, tweede volzin, van deze verordening de toepassing van de relevante bepalingen van het Verdrag van Montreal uitbreidt tot „het luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat”, is voor de toepassing van deze bepalingen namelijk niettemin vereist dat er sprake is van dergelijk vervoer. Zoals volgt uit punt 27 van dit arrest en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties is er in casu evenmin sprake van „luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat”.

31 Los van de vraag of een persoon die deelnam aan een gespecialiseerde opleiding als in het hoofdgeding en die op het tijdstip van de crash van de helikopter aan een lierkabel hing die was verbonden met de betreffende helikopter, als een „passagier” in de zin van artikel 17, lid 1, van het Verdrag van Montreal moet worden beschouwd, kan deze bepaling dus geen grondslag bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van deze persoon, aangezien een dergelijke opleiding waarbij het ongeval zich heeft voorgedaan dat de dood van die persoon heeft veroorzaakt niet kan worden aangemerkt als „internationaal vervoer” in de zin van artikel 1, leden 1 en 2, van dit verdrag, „vervoer verricht door de staat” in de zin van artikel 2, lid 1, van dat verdrag, of „luchtvervoer binnen de grenzen van één en dezelfde lidstaat” in de zin van artikel 1, tweede volzin, van verordening nr. 2027/97 (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Prüller-Frey, C‑240/14, EU:C:2015:567, punt 35 ).

32 Gelet op een en ander moet op de tweede en de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 1, van het Verdrag van Montreal, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 2, lid 1, van dit verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat het geen grondslag kan bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een staat die partij is bij dat verdrag, is overleden ten gevolge van een crash van een door politiediensten geëxploiteerde helikopter, terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter, aangezien een dergelijke situatie niet kan worden aangemerkt als „internationaal vervoer” of „vervoer verricht door de staat” in de zin van respectievelijk artikel 1 en artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Montreal.

Eerste prejudiciële vraag

33 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, onder g), van verordening nr. 785/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een lidstaat, is overleden ten gevolge van een crash van een door de politiediensten geëxploiteerde helikopter, terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter, onder het begrip „passagier” in de zin van die bepaling valt.

34 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking aanleiding kan zien om de verwijzende rechter alle gegevens voor de uitlegging van het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of die rechter er in zijn vraag melding van maakt. Het staat aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van dat Unierecht te putten die gelet op het voorwerp van het hoofdgeding moeten worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 12 december 1990, SARPP, C‑241/89, EU:C:1990:459, punt 8 , en  15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven moet er in casu worden onderzocht of een recht op schadevergoeding – zoals het recht waarop verzoekers in het hoofdgeding zich beroepen – kan worden gebaseerd op verordening nr. 785/2004, dat volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, ervan tot doel heeft „voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen minimumeisen voor verzekeringen met betrekking tot passagiers, bagage, vracht en derden vast te stellen”.

36 Het begrip „luchtvervoerder” wordt in artikel 3, onder a), van verordening nr. 785/2004 omschreven als „een luchtvervoeronderneming met een geldige exploitatievergunning”. Artikel 3, onder c), van deze verordening omschrijft het begrip „exploitant van luchtvaartuigen” als „een persoon of entiteit die geen luchtvervoerder is en die permanent en daadwerkelijk over het luchtvaartuig beschikt dan wel het permanent en daadwerkelijk exploiteert” en verduidelijkt dat „de natuurlijke of rechtspersoon op wiens naam een luchtvaartuig geregistreerd is, wordt geacht de exploitant te zijn, tenzij de betrokkene kan aantonen dat een andere persoon de exploitant is”.

37 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 785/2004 bepaalt dat deze verordening van toepassing is „op alle luchtvervoerders en alle exploitanten van luchtvaartuigen die vluchten uitvoeren binnen, naar, vanuit of over het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is”. Op grond van artikel 4, leden 1 en 3, van deze verordening zijn deze luchtvervoerders en deze exploitanten van luchtvaartuigen „verzekerd voor hun specifieke aan luchtvaart gerelateerde aansprakelijkheid ten aanzien van passagiers, bagage, vracht en derden”. Deze aansprakelijkheid is onderworpen aan de internationale verdragen waarbij de lidstaten en/of de Unie partij zijn, aan het Unierecht of aan het nationale recht van de lidstaten.

38 Artikel 2, lid 2, onder a), van verordening nr. 785/2004 sluit evenwel de in artikel 3, onder b), van het Verdrag van Chicago genoemde „staatsluchtvaartuigen” uit van de werkingssfeer van deze verordening. Artikel 3, onder a), van het Verdrag van Chicago bepaalt dat dit verdrag „uitsluitend van toepassing [is] op burgerluchtvaartuigen, niet op staatsluchtvaartuigen”, en verduidelijkt onder b), dat „[l]uchtvaartuigen, in gebruik voor militaire diensten, douane en politiediensten worden geacht staatsluchtvaartuigen te zijn”.

39 In casu volgt uit de bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag dat de helikopter waarvan de crash het overlijden van NK heeft veroorzaakt een „door de politiediensten gebruikte staatshelikopter” was en dat deze helikopter op basis van twee Slowaakse rechtshandelingen was ingezet bij een gespecialiseerde opleiding van leden van de brandblus- en reddingseenheid.

40 Hieruit volgt dat de exploitant van een dergelijk luchtvaartuig niet onderworpen is aan de bij artikel 4, lid 1, van verordening nr. 785/2004 opgelegde verzekeringseisen ten aanzien van passagiers, bagage, vracht en derden. De begrippen „passagier” en „vlucht- of cabinepersoneel” in de zin van artikel 3, onder g), van deze verordening hoeven dan ook niet te worden uitgelegd.

41 Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 785/2004, in onderlinge samenhang bezien, aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen grondslag kunnen bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een lidstaat, is overleden ten gevolge van een crash van een door de politiediensten geëxploiteerde helikopter terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter, een „staatsluchtvaartuig”.

Kosten

42 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
  1. Artikel 17, lid 1, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 2, lid 1, van dit verdrag,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het geen grondslag kan bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van de brandblus- en reddingseenheid, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een staat die partij is bij dat verdrag, is overleden ten gevolge van een crash van een door de politiediensten geëxploiteerde helikopter, terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter, aangezien een dergelijke situatie niet kan worden aangemerkt als „internationaal vervoer” of „vervoer verricht door de staat” in de zin van respectievelijk artikel 1 en artikel 2, lid 1, van het Verdrag van Montreal.

  2. Artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 785/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende de verzekeringseisen voor luchtvervoerders en exploitanten van luchtvaartuigen, in onderlinge samenhang bezien,

    moeten aldus worden uitgelegd dat

    zij geen grondslag kunnen bieden voor een recht op schadevergoeding voor de nabestaanden van een persoon die bij zijn deelname aan een gespecialiseerde opleiding van leden van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers, die werd gegeven op het militaire terrein van een vliegveld van een lidstaat, is overleden ten gevolge van een crash van een door de politiediensten geëxploiteerde helikopter terwijl hij aan een lierkabel hing die was verbonden met deze helikopter, een „staatsluchtvaartuig”.

ondertekeningen