„Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van een hoog en zo uniform mogelijk niveau van consumentenbescherming door bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake tussen reizigers en handelaren gesloten overeenkomsten betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen onderling aan te passen.”
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 4 oktober 2024
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 4 oktober 2024
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2024
Uitspraak
Arrest van het Hof (Zevende kamer)
4 oktober 2024(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen - Richtlijn (EU) 2015/2302 - Artikel 12, lid 3 - Beëindiging van een pakketreisovereenkomst door de organisator - Onvermijdbare en buitengewone omstandigheden - Verhindering van de uitvoering van de reis door dergelijke omstandigheden - Officieel negatief reisadvies voor het land van bestemming wegens de verspreiding van COVID-19”"
In zaak C‑546/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele zaken en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 29 juni 2022, ingekomen bij het Hof op 16 augustus 2022, in de procedure
GF
tegenSchauinsland-Reisen GmbH,
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, A. Prechal (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, en N. Wahl, rechter,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
-
GF, vertegenwoordigd door A. Konrad, Rechtsanwalt,
-
Schauinsland-Reisen GmbH, vertegenwoordigd door M. Wukoschitz, Rechtsanwalt,
-
de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Dimitrakopoulou, C. Kokkosi, en E. Tsaousi als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.‑R. Killmann en I. Rubene als gemachtigden,
-
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 3, van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GF en Schauinsland-Reisen GmbH over een vordering tot schadevergoeding van GF tegen Schauinsland-Reisen wegens de beëindiging door die onderneming van de tussen die partijen gesloten pakketreisovereenkomst naar aanleiding van de publicatie van een officieel negatief reisadvies voor het land van bestemming.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 29 tot en met 32 van richtlijn 2015/2302 zijn geformuleerd als volgt:
„(29) Rekening houdend met de specifieke kenmerken van pakketreisovereenkomsten dient te worden vastgelegd welke rechten en verplichtingen de partijen die de overeenkomst sluiten, hebben in de periode vóór en na het begin van de pakketreis, met name wanneer de pakketreis niet naar behoren wordt uitgevoerd of wanneer bepaalde omstandigheden veranderen.
(30) Daar pakketreizen vaak lang van tevoren worden gekocht, kunnen zich onvoorziene omstandigheden voordoen. […]
(31) Reizigers dienen ook in staat te zijn de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis te allen tijde te beëindigen tegen betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding, rekening houdend met te verwachten kostenbesparingen en inkomsten uit alternatief gebruik van de reisdiensten. Zij dienen eveneens het recht te hebben de pakketreisovereenkomst zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen wanneer onvermijdbare en buitengewone omstandigheden aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis. Voorbeelden zijn oorlog of andere ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming, of natuurrampen zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden.
(32) In specifieke gevallen dient de organisator ook het recht te hebben om vóór het begin van de pakketreis de pakketreisovereenkomst zonder betaling van een schadevergoeding te beëindigen, […].”
4 Artikel 1 van die richtlijn, met als opschrift „Onderwerp”, bepaalt:
5 Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Definities”, bepaalt het volgende:
„Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
‚onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’: een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren;
[…]”
6 Artikel 12 van richtlijn 2015/2302 heeft als opschrift „Beëindiging van de pakketreisovereenkomst en recht van herroeping vóór het begin van de pakketreis” en bepaalt in de leden 2 tot en met 3:
„2.[…] [D]e reiziger [heeft], indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of die aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming, het recht de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen. In geval van beëindiging van de pakketreisovereenkomst op grond van dit lid heeft de reiziger recht op een volledige terugbetaling van alle voor de pakketreis betaalde bedragen, maar kan hij geen aanspraak maken op een bijkomende schadevergoeding.
3.De organisator kan de pakketreisovereenkomst beëindigen en de reiziger alle voor de pakketreis betaalde bedragen volledig terugbetalen zonder een bijkomende schadevergoeding verschuldigd te zijn, indien:
[…]
de organisator de overeenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden en hij de reiziger er onverwijld en vóór het begin van de pakketreis van in kennis stelt dat de overeenkomst wordt beëindigd.”
7 Artikel 13 van die richtlijn, met als opschrift „Verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de pakketreis”, bepaalt in lid 3:
„Indien een of meer reisdiensten niet conform de pakketreisovereenkomst worden uitgevoerd, zorgt de organisator dat de non-conformiteit wordt verholpen, tenzij dat:
onmogelijk is; of
onevenredig hoge kosten met zich brengt, rekening houdend met de mate van non-conformiteit en de waarde van de desbetreffende reisdiensten.
Indien de organisator de non-conformiteit niet overeenkomstig de eerste alinea, onder a) of b), van dit lid, verhelpt, is artikel 14 van toepassing.”
8 Artikel 16 van die richtlijn draagt het opschrift „Verplichting bijstand te verlenen” en luidt als volgt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de organisator onverwijld passende bijstand biedt aan reizigers die in moeilijkheden, daaronder begrepen de in artikel 13, lid 7, bedoelde omstandigheden, verkeren, in het bijzonder door:
adequate informatie te verstrekken over medische diensten, plaatselijke autoriteiten en consulaire bijstand; en
de reiziger te helpen bij het gebruik van communicatie op afstand en bij het vinden van alternatieve reisarrangementen.
Indien de moeilijkheden het gevolg zijn van opzet of nalatigheid van de reiziger kan de organisator voor dergelijke bijstand een redelijke vergoeding vragen. Die vergoeding bedraagt in geen geval meer dan de werkelijke kosten voor de organisator.”
Oostenrijks recht
9 Volgens § 10, lid 3, punt 2, van het Bundesgesetz über Pauschalreisen und verbundene Reiseleistungen (Pauschalreisegesetz – PRG) (wet betreffende pakketreizen) van 24 april 2017 (BGBl. I, 50/2017), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, kan een reisorganisator vóór het begin van een pakketreis de betrokken pakketreisovereenkomst beëindigen tegen volledige terugbetaling van alle voor de pakketreis betaalde bedragen, maar is hij niet verplicht om een bijkomende schadevergoeding te betalen indien hij die reisovereenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden en hij er onverwijld en uiterlijk vóór het begin van de pakketreis de reiziger van in kennis stelt dat de overeenkomst wordt beëindigd.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Op 13 mei 2020 hebben GF – een geneesheer-specialist met een eigen praktijk – en zijn echtgenote, met Schauinsland-Reisen een overeenkomst gesloten voor de organisatie door Schauinsland-Reisen van een pakketreis naar de Maldiven, die zou plaatsvinden van 26 december 2020 tot en met 2 januari 2021. De totale prijs van het pakket bedroeg 8 620 EUR.
11 Vanaf december 2020 gold voor de Maldiven een negatief reisadvies van het hoogste niveau van het Außenministerium (ministerie van Buitenlandse Zaken, Oostenrijk) wegens de gezondheidsrisico’s die de COVID-19-pandemie met zich meebracht. Volgens dat advies werd „gewaarschuwd voor alle toeristische en niet-noodzakelijke reizen naar dit land, waaronder vakantiereizen en familiebezoek”.
12 In die periode bedroeg de op de Maldiven gemelde incidentie van het virus gedurende zeven dagen slechts 34,7 nieuwe infecties per 100 000 inwoners en dus minder dan die in Oostenrijk, waar die incidentie op de genoemde referentiedatum van 14 december 2020, 220 per 100 000 inwoners bedroeg.
13 Op 3 december 2020 heeft Schauinsland-Reisen de pakketreisovereenkomst op basis van dit advies beëindigd. De reden voor die beëindiging werd aan GF uiterlijk op 9 december 2020 medegedeeld en het betaalde voorschot werd hem terugbetaald.
14 GF heeft bij het Landesgericht für Zivilrechtssachen Graz (rechter in eerste aanleg in civiele zaken Graz, Oostenrijk) een vordering tot schadevergoeding ingesteld ten belope van 21 821,82 EUR voor hemzelf en zijn echtgenote. In dat kader beriep hij zich op de schade die hij als gevolg van die beëindiging had geleden door de derving van vakantiegenot, en op de inkomstenderving als gevolg van de sluiting van zijn praktijk wegens de geplande reis, die hij na die beëindiging niet meer op korte termijn had kunnen annuleren. Voorts vorderde hij de betaling van een geldsom als „forfaitaire kostenvergoeding”.
15 Daartoe heeft GF aangevoerd dat het door het ministerie van Buitenlandse Zaken gepubliceerde negatieve reisadvies geen onvermijdbare en buitengewone omstandigheid vormde die Schauinsland-Reisen verhinderde om de pakketreisovereenkomst uit te voeren, temeer daar de incidentie gedurende zeven dagen van het virus op de Maldiven op het tijdstip van de beëindiging van de reisovereenkomst geringer was dan die in Oostenrijk, de dekking van medische zorg daar toereikend zou zijn geweest, en hijzelf en zijn echtgenote bovendien een reisziektekostenverzekering hadden afgesloten.
16 Schauinsland-Reisen heeft hiertegen ingebracht dat redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij de pakketreisovereenkomst uitvoerde ondanks de publicatie van een dergelijk advies, in het licht van de onvoorzienbare gevolgen waaraan zij, gelet op haar aansprakelijkheid als reisorganisator, had kunnen worden blootgesteld. Op grond van de vanaf 26 december 2020 in Oostenrijk geldende lockdown had GF bovendien in ieder geval niet mogen vertrekken.
17 Bij vonnis van 13 juli 2021 heeft het Landesgericht für Zivilrechtssachen Graz de door GF ingestelde vordering tot schadevergoeding verworpen en geoordeeld dat Schauinsland-Reisen zich terecht had beroepen op onvermijdbare en buitengewone omstandigheden om de pakketreisovereenkomst te beëindigen, en dat GF bijgevolg geen recht had op een schadevergoeding.
18 Bij arrest van 27 januari 2022 heeft het Oberlandesgericht Graz (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Karinthië en Stiermarken, Oostenrijk) in beroep het arrest in eerste aanleg bevestigd. Die rechter heeft geoordeeld dat, zelfs indien het reisadvies slechts te beschouwen is als een aanwijzing voor buitengewone belemmeringen, Schauinsland-Reisen, gelet op de onzekerheid over de ontwikkeling van de pandemie op het tijdstip van de beëindiging van de pakketreisovereenkomst, in elk geval niets te verwijten viel.
19 GF heeft beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter.
20 De verwijzende rechter merkt op dat de waarschuwing aan de reizigers, samen met een advies aan de bevolking om af te zien van toeristische reizen naar de bestemming van de geplande reis, ongeveer drie weken vóór het begin van de betrokken pakketreis was gepubliceerd. Bovendien was die rechter van oordeel dat zowel de ontwikkeling van de COVID-19-pandemie als die publicatie aan de controle van Schauinsland-Reisen ontsnapten, en die reisorganisator de gevolgen ervan niet had kunnen vermijden door redelijke maatregelen te treffen.
21 Ten eerste rijst echter de vraag of de publicatie van een dergelijk reisadvies op zich volstaat om een hoog risico aan te tonen dat een reisorganisator toelaat de pakketreisovereenkomst te beëindigen zonder een bijkomende schadevergoeding te moeten betalen, met name gelet op de eventuele sanitaire maatregelen die de uitvoering van de reisovereenkomst kunnen belemmeren, dan wel of van deze organisator moet worden verlangd dat hij de risico’s zelf beoordeelt, los van dat reisadvies, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.
22 De verwijzende rechter wijst erop dat het argument volgens hetwelk het publieke reisadvies wordt gepubliceerd door een gekwalificeerde en onpartijdige entiteit en dat advies ondubbelzinnig is zodat het beantwoordt aan de vereisten van duidelijkheid en rechtszekerheid, zou kunnen pleiten voor het beslissende karakter van dat reisadvies. Bovendien beschikt een overheidsinstantie als die aan de orde is in het hoofdgeding, over het algemeen over betrouwbaardere middelen dan een onderneming om de risicosituatie op de plaats van bestemming te evalueren.
23 Tegen een dergelijk beslissend karakter pleit evenwel het feit dat, gelet op de voortdurende ontwikkeling van de gezondheidssituatie in de verschillende getroffen gebieden, het door de autoriteiten gepubliceerde reisadvies niet noodzakelijkerwijs een getrouwe weergave vormt van het reële risico ter plaatse op de datum van de betrokken reis.
24 Ten tweede vraagt de verwijzende rechter zich af of een organisator in geval van een reisadvies van het hoogste niveau kan worden geacht „als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden de overeenkomst niet [te kunnen] uitvoeren” in de zin van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2015/2302, ook indien het in beginsel niet onmogelijk is om de betrokken reis uit te voeren en de klant van die organisator heeft verklaard het vastgestelde risico te aanvaarden.
25 In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 12, lid 3, van richtlijn [2015/2302] aldus worden uitgelegd dat een organisator zich reeds kan beroepen op onvermijdbare en buitengewone omstandigheden als gevolg waarvan hij de reisovereenkomst niet kan uitvoeren, indien de daartoe bevoegde autoriteit in de lidstaat van de klant vóór het geplande begin van de reis een negatief reisadvies van het hoogste niveau heeft afgegeven voor het land van bestemming?
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 12, lid 3, van richtlijn [2015/2302] aldus worden uitgelegd dat er geen sprake is van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden wanneer de reiziger, hoewel hij op de hoogte is van het negatieve reisadvies en weet dat onduidelijk is hoe de pandemische situatie zich verder zal ontwikkelen, heeft verklaard dat hij de reis toch wenst te ondernemen en het voor de organisator niet onmogelijk zou zijn geweest om deze uit te voeren?”
Procedure bij het Hof
26 Bij beslissing van de president van het Hof van 3 maart 2023 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst tot de eindbeslissing in zaak C‑299/22.
27 Bij beslissing van 4 maart 2024 heeft de president van het Hof de verwijzende rechter in kennis gesteld van de arresten van 29 februari 2024, Tez Tour (C‑299/22, EU:C:2024:181 ), en 29 februari 2024, Kiwi Tours (C‑584/22, EU:C:2024:188 ), met het verzoek hem mee te delen of die rechter, gelet op die arresten, het verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
28 Bij brief van 7 maart 2024, de dag erna neergelegd ter griffie van het Hof, heeft de verwijzende rechter aangegeven het verzoek om een prejudiciële beslissing te handhaven. Dienaangaande heeft hij opgemerkt dat de in het vorige punt vermelde arresten weliswaar nuttige elementen verschaften voor de beantwoording van de gestelde vragen aangezien zij de uitlegging van het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van richtlijn 2015/2302 verduidelijkten, maar dat het volgens hem niettemin van wezenlijk belang was om daarnaast te preciseren onder welke voorwaarden een organisator kan worden geacht „de overeenkomst niet [te kunnen] uitvoeren” in de zin van artikel 12, lid 3, van die richtlijn.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
29 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een reisorganisator, om aan te tonen dat hij een pakketreisovereenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van die bepaling, ermee kan volstaan zich te baseren op de publicatie door de bevoegde autoriteiten van een officieel negatief reisadvies voor het betrokken gebied, ook al heeft de reiziger verklaard zijn reis toch te willen ondernemen en ook al was het voor de organisator objectief gezien niet onmogelijk geweest om die reisovereenkomst uit te voeren.
30 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 bepaalt dat de organisator een pakketreisovereenkomst kan beëindigen en de reiziger alle voor de betrokken pakketreis betaalde bedragen volledig kan terugbetalen zonder een bijkomende schadevergoeding verschuldigd te zijn indien hij als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden die reisovereenkomst niet kan uitvoeren en hij de reiziger er onverwijld en vóór het begin van de pakketreis van in kennis stelt dat de reisovereenkomst wordt beëindigd.
31 Het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van die bepaling wordt in artikel 3, punt 12, gedefinieerd als „een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren”.
32 Overweging 31 van die richtlijn illustreert de draagwijdte van dat begrip door te vermelden dat „[v]oorbeelden zijn oorlog of andere ernstige veiligheidsproblemen zoals terrorisme, grote gevaren voor de menselijke gezondheid zoals de uitbraak van een ernstige ziekte op de reisbestemming, of natuurrampen zoals overstromingen, aardbevingen of weersomstandigheden, waardoor veilig reizen naar de in de pakketreisovereenkomst overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden”.
33 Uit de bewoordingen van artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 3, punt 12, van richtlijn 2015/2302, zoals verduidelijkt in overweging 31 van die richtlijn, blijkt dat de uitoefening door een organisator van zijn recht om een pakketreisovereenkomst te beëindigen zonder een bijkomende schadevergoeding te moeten betalen, uitsluitend afhangt van de vraag of zich objectieve omstandigheden voordoen die de uitvoering van de betrokken pakketreis kunnen beïnvloeden en of de reiziger onverwijld en vóór het begin van de pakketreis in kennis is gesteld van de beëindiging van die reisovereenkomst (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 31 ).
34 Aangezien voor de uitoefening van dat recht onder meer de voorwaarde geldt dat de organisator „de overeenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden”, moet die voorwaarde noodzakelijkerwijs zijn vervuld op de datum van de beëindiging (zie in die zin arresten van 29 februari 2024, Kiwi Tours, C‑584/22, EU:C:2024:188, punt 27 , en 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 65 ).
35 Wat in de eerste plaats de voorwaarde die ziet op „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” betreft, moet die worden geacht te zijn vervuld wanneer er zich op de datum van de beëindiging van de betrokken pakketreisovereenkomst daadwerkelijk dergelijke omstandigheden hebben voorgedaan, wat veronderstelt dat er op die datum sprake is van een situatie die beantwoordt aan de definitie van het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden”, zoals het in artikel 3, punt 12, van richtlijn 2015/2302 is omschreven en in overweging 31 daarvan is toegelicht (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Kiwi Tours, C‑584/22, EU:C:2024:188, punt 29 ).
36 Daarentegen is het voor de vaststelling dat zich „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” hebben voorgedaan, niet automatisch voldoende dat de bevoegde autoriteiten een officieel negatief reisadvies hebben uitgevaardigd voor het betrokken gebied (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 32 ).
37 Een dergelijk automatisme zou immers in strijd zijn met de aard en de grondslag zelf van dergelijke reisadviezen, die met het oog op de voorlichting van het grote publiek melding maken van objectieve omstandigheden die risico’s voor de gezondheid of anderszins met zich brengen en onder het begrip „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2015/2302 kunnen vallen, en dus noodzakelijkwijs van een situatie die in ontwikkeling is en varieert naargelang de getroffen plaatsen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 33 ).
38 Dergelijke adviezen geven dus niet noodzakelijkerwijs een getrouwe weergave van de situatie zoals die zich objectief gezien op een bepaald tijdstip voordoet op de plaats waar de betrokken reis moet worden uitgevoerd, zoals ook de verwijzende rechter heeft benadrukt.
39 Die adviezen kunnen weliswaar van aanzienlijke waarde zijn als bewijs van het feit dat dergelijke omstandigheden zich in de landen waarop zij betrekking hebben daadwerkelijk voordoen en van de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de uitvoering van de betrokken pakketreis, maar dergelijke adviezen hebben echter geen zodanig grote bewijskracht dat zij dienaangaande onweerlegbaar bewijs vormen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 37 ).
40 Deze analyse vindt steun in de ontstaansgeschiedenis van richtlijn 2015/2302. Zoals de Europese Commissie heeft benadrukt, bevat die richtlijn namelijk uiteindelijk geen enkele toelichting van de bewijskracht, of zelfs de beslissende bewijskracht van dergelijke aanbevelingen, anders dan het voorstel van 9 juli 2013 van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende pakketreizen en geassisteerde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU, en intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad [COM(2013) 512 final], dat aan de oorsprong ligt van die richtlijn en waarvan de laatste zin van overweging 26 stelde dat „[e]r dient van te worden uitgegaan dat van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden sprake is wanneer in betrouwbare en openbare verslagen, zoals aanbevelingen van autoriteiten van de lidstaten, wordt afgeraden naar de plaats van bestemming te reizen”.
41 In die omstandigheden is het bij gebrek aan bepalingen in richtlijn 2015/2302 over de bewijsvoering met betrekking tot het bestaan van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van die richtlijn, krachtens het beginsel van procedurele autonomie inderdaad een zaak van de interne rechtsorde van elke lidstaat om – mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd – te bepalen hoe het bewijs moet worden geleverd, welke bewijsmiddelen voor de bevoegde nationale rechter worden aanvaard, welke beginselen deze rechter in acht moet nemen bij de beoordeling van de bewijskracht van het bij hem overgelegde bewijs en wat het vereiste bewijsniveau is (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 38 ).
42 Meer in het bijzonder vereist het doeltreffendheidsbeginsel echter dat de procedureregels voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, de uitoefening van de aldus door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 39 ).
43 Zou worden aanvaard dat de publicatie van officiële negatieve reisadviezen voor het betrokken gebied automatisch volstaat opdat de organisator de betrokken pakketreisovereenkomst kan beëindigen op grond van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 en dus niet gehouden is tot een bijkomende schadevergoeding, dan zou dit de uitoefening door de reiziger van zijn recht op een dergelijke schadevergoeding onmogelijk kunnen maken, aangezien dergelijke omstandigheden zich – in weerwil van de vaststelling van die adviezen – op het tijdstip van een dergelijke beëindiging mogelijkerwijs niet of niet meer in dat gebied voordoen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 40 ).
44 Onverminderd de belangrijke bewijswaarde die de lidstaten op grond van het beginsel van procedurele autonomie aan die adviezen kunnen toekennen met betrekking tot het bestaan van een ernstig gezondheidsrisico, moet de reiziger dus wel de mogelijkheid hebben om elementen aan te voeren die de bewijskracht van die adviezen kunnen weerleggen om aldus de gegrondheid van de beëindiging van de betrokken pakketreisovereenkomst door de organisator op grond van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 te betwisten.
45 In casu zal het aan de verwijzende rechter staan, om rekening houdend met de door GF aangevoerde argumenten, te beoordelen of Schauinsland-Reisen op het tijdstip van de beëindiging van de pakketreisovereenkomst op goede gronden kon menen dat er sprake was van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302, met name gelet op de publicatie door het ministerie van Buitenlandse Zaken van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde negatieve reisadvies van het hoogste niveau wegens de gezondheidsrisico’s die de COVID-19-pandemie met zich meebracht.
46 Indien de verwijzende rechter vaststelt dat er op het tijdstip van de beëindiging van de pakketreisovereenkomst inderdaad sprake was van „onvermijdbare en buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302, moet in de tweede plaats worden bepaald of de organisator wegens dergelijke omstandigheden „de overeenkomst niet [kon] uitvoeren” in de zin van die bepaling.
47 Dienaangaande moet ten eerste worden opgemerkt dat de in artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 gebruikte bewoordingen „de overeenkomst niet kan uitvoeren” verschillen van de in artikel 12, lid 2, van die richtlijn gebruikte bewoordingen „aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis, of […] aanzienlijke gevolgen hebben voor het personenvervoer naar de bestemming”, die volgens de uitlegging door het Hof niet alleen de gevolgen betreffen waardoor de uitvoering van de betrokken pakketreis geheel is uitgesloten maar ook die waardoor de reisomstandigheden aanzienlijk worden gewijzigd (arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 48 ).
48 Beide bepalingen hebben evenwel tot doel om de reiziger, dan wel de organisator eigen beëindigingsrechten toe te kennen ingeval zich onvermijdbare en buitengewone omstandigheden hebben voorgedaan (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 70 ).
49 In die omstandigheden moet in lijn met de uitlegging dienaangaande door het Hof van artikel 12, lid 2, van richtlijn 2015/2302 worden geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat de organisator in de objectieve onmogelijkheid is om de betrokken pakketreis uit te voeren om vast te stellen dat hij „de overeenkomst niet kan uitvoeren” als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van die richtlijn. Het is integendeel voldoende dat de aangevoerde omstandigheden de voorwaarden voor de uitvoering van die pakketreis aanzienlijk wijzigen.
50 Bijgevolg kan een gezondheidscrisis als de verspreiding van COVID-19, gelet op het ernstige risico daarvan voor de menselijke gezondheid, worden geacht een gebeurtenis te zijn waardoor de organisator „de overeenkomst niet kan uitvoeren” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302, ook al maakt een dergelijke crisis die uitvoering niet noodzakelijkerwijs objectief onmogelijk (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 53 ).
51 In deze context moet ook rekening worden gehouden met redelijke maatregelen die de organisator of de reiziger zelf hebben genomen of in voorkomend geval zouden kunnen nemen om de betrokken reis te kunnen uitvoeren ondanks gezondheidsrisico’s of andere risico’s als gevolg van de door de organisator aangevoerde onvermijdbare en buitengewone omstandigheden, met dien verstande dat van de organisator niet kan worden verlangd dat hij, wanneer dergelijke risico’s bestaan bij het uitvoeren van die reis, kosten draagt die onevenredig hoog zijn rekening houdend met de waarde van de betrokken reisdiensten.
52 Daarentegen is het enkele feit dat de reiziger heeft verklaard die reis ondanks de vastgestelde risico’s toch te willen ondernemen irrelevant, aangezien de vraag of de organisator de betrokken reisovereenkomst niet kon uitvoeren, objectief moet worden onderzocht en niet aan de hand van zuiver subjectieve beoordelingen (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punten 54 en 69 ).
53 Ten tweede is de beoordeling van de belemmering om een pakketreisovereenkomst uit te voeren noodzakelijkerwijze prospectief, aangezien deze maar definitief tot uiting komt op het tijdstip waarop de betrokken reis had moeten plaatsvinden en dus na de beëindiging van die reisovereenkomst (zie in die zin arresten van 29 februari 2024, Kiwi Tours, C‑584/22, EU:C:2024:188, punt 30 , en 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 66 ).
54 Hieruit volgt dat die beoordeling moet berusten op een prognose aangaande de waarschijnlijkheid dat de organisator „de overeenkomst niet [zal kunnen] uitvoeren” in de zin van artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 als gevolg van de door hem ingeroepen onvermijdbare en buitengewone omstandigheden (zie in die zin arresten van 29 februari 2024, Kiwi Tours, C‑584/22, EU:C:2024:188, punt 31 , en 29 februari 2024, Tez Tour, C‑299/22, EU:C:2024:181, punt 67 ).
55 In deze context is het niet van belang of de situatie ten tijde van de geplande reis de uitvoering van de betrokken overeenkomst uiteindelijk al dan niet mogelijk zou hebben gemaakt (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Kiwi Tours, C‑584/22, EU:C:2024:188, punt 49 ).
56 In casu zal het aan de verwijzende rechter staan om te beoordelen of Schauinsland-Reisen zich op het tijdstip van de beëindiging van de pakketreisovereenkomst redelijkerwijze op het standpunt kon stellen – met name op basis van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde reisadvies – dat zij die reisovereenkomst waarschijnlijk niet zou kunnen uitvoeren als gevolg van de gezondheidsrisico’s die de COVID-19-pandemie met zich meebracht, aangezien die pandemie, zonder de uitvoering van die reisovereenkomst noodzakelijkerwijs objectief onmogelijk te maken, de voorwaarden voor die uitvoering toch aanzienlijk zou hebben gewijzigd, zonder dat de vaststelling van evenredige kostenmaatregelen deze situatie had kunnen verhelpen.
57 Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn 2015/2302 aldus moet worden uitgelegd dat een reisorganisator, om aan te tonen dat hij een pakketreisovereenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van die bepaling, zich mag baseren op de publicatie door de bevoegde autoriteiten van een officieel negatief reisadvies voor het betrokken gebied, ook al heeft de reiziger verklaard zijn reis toch te willen ondernemen en ook al was het voor de organisator objectief gezien niet onmogelijk geweest om die reisovereenkomst uit te voeren. Een dergelijk advies kan in dat verband echter geen onweerlegbaar bewijs vormen.
Kosten
58 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Artikel 12, lid 3, onder b), van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
een reisorganisator, om aan te tonen dat hij een pakketreisovereenkomst niet kan uitvoeren als gevolg van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden in de zin van die bepaling, zich mag baseren op de publicatie door de bevoegde autoriteiten van een officieel negatief reisadvies voor het betrokken gebied, ook al heeft de reiziger verklaard zijn reis toch te willen ondernemen en ook al was het voor de organisator objectief gezien niet onmogelijk geweest om die reisovereenkomst uit te voeren. Een dergelijk advies kan in dat verband echter geen onweerlegbaar bewijs vormen.
ondertekeningen