Home

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 november 2024

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 14 november 2024

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
14 november 2024

Uitspraak

Arrest van het Hof (Vijfde kamer)

14 november 2024(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Richtlijn 2005/29/EG - Artikel 2, onder j), artikelen 5, 8 en 9 - Begrip gemiddelde consument - Oneerlijke praktijken van ondernemingen jegens consumenten - Begrip agressieve handelspraktijk - Koppelverkoop van een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct - Oriëntatie van de informatie die aan de consument wordt verstrekt - Begrip framing - Handelspraktijk waarbij aan een consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden - Geen bedenktijd tussen de ondertekening van de leningsovereenkomst en de ondertekening van de verzekeringsovereenkomst - Richtlijn (EU) 2016/97 - Artikel 24”"

In zaak C‑646/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 10 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2022, in de procedure

Compass Banca SpA

tegen

Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato,

in tegenwoordigheid van:

MetLife Europe Dac,

MetLife Europe Insurance Dac,

Europ Assistance Italia SpA,

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, E. Regan en Z. Csehi (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • Compass Banca SpA, vertegenwoordigd door F. Caronna, D. Gallo, E. A. Raffaelli, M. Siragusa, E. Teti, G. Vercillo en A. Zoppini, avvocati,

  • Europ Assistance Italia SpA, vertegenwoordigd door P. Fattori, A. Lirosi en A. Pera, avvocati,

  • de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door A. Collabolletta en P. Gentili, avvocati dello Stato,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia, N. Ruiz García en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2024,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder j), en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22), alsmede van artikel 24, lid 3, van richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (PB 2016, L 26, blz. 19).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Compass Banca SpA en de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (mededingings- en marktautoriteit, Italië) (hierna: „AGCM”) betreffende besluiten van deze autoriteit inzake een handelspraktijk van deze vennootschap.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2005/29

3 De overwegingen 7, 11, 13, 14, 17, 18 en 21 van richtlijn 2005/29 luiden als volgt:

„(7) Deze richtlijn betreft handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument over transacties met betrekking tot producten. […]

[…]

(11) Het hoge niveau van convergentie dat door de onderlinge afstemming van de nationale bepalingen door deze richtlijn wordt bereikt, zorgt voor een hoog gemeenschappelijk niveau van consumentenbescherming. Deze richtlijn voorziet in één algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. De richtlijn geeft ook regels inzake agressieve handelspraktijken, die momenteel niet op communautair niveau gereglementeerd zijn.

[…]

(13) Om de doelstellingen van de Gemeenschap te kunnen verwezenlijken door belemmeringen voor de interne markt weg te nemen, moeten de bestaande, uiteenlopende algemene bepalingen en rechtsbeginselen van de lidstaten worden vervangen. Het bij deze richtlijn ingestelde ene gemeenschappelijke, algemene verbod geldt voor oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van consumenten verstoren. Teneinde het consumentenvertrouwen te versterken, dient het algemene verbod evenzeer van toepassing te zijn op oneerlijke handelspraktijken die buiten een contractuele relatie tussen een handelaar en een consument staan of na de sluiting van een contract en gedurende de uitvoering daarvan worden toegepast. Dit algemene verbod wordt verder uitgewerkt in regels betreffende de twee soorten handelspraktijken die veruit het meeste voorkomen, namelijk misleidende handelspraktijken en agressieve handelspraktijken.

(14) Het is wenselijk dat onder misleidende handelspraktijken die praktijken worden verstaan waarbij de consument wordt bedrogen en hem wordt belet een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, inclusief misleidende reclame. […] De in deze richtlijn gehanteerde aanpak van volledige harmonisatie belet niet dat de lidstaten in hun nationale wetgeving van bepaalde producten, zoals verzamelobjecten of elektrische apparaten, de hoofdkenmerken specifiëren, die in een uitnodiging tot aankoop niet mogen worden weggelaten. […]

[…]

(17) Met het oog op een grotere rechtszekerheid is het wenselijk te bepalen welke handelspraktijken in alle omstandigheden oneerlijk zijn. Bijlage I bevat daarom een uitputtende lijst van deze praktijken. Alleen deze handelspraktijken worden verondersteld oneerlijk te zijn zonder een individuele toetsing aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9. De lijst mag alleen worden aangepast door herziening van deze richtlijn.

(18) Alle consumenten moeten tegen oneerlijke handelspraktijken worden beschermd; het Hof van Justitie heeft het sinds de inwerkingtreding van richtlijn 84/450/EEG [van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (PB 1984, L 250, blz. 17)] evenwel noodzakelijk geacht om bij uitspraken in zaken over reclamekwesties na te gaan wat de gevolgen voor een fictieve doorsneeconsument zijn. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de uit hoofde van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, wordt in deze richtlijn het door het Hof van Justitie ontwikkelde criterium van de gemiddelde – dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende – consument als maatstaf genomen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren, maar wordt er tevens voorzien in bepalingen die voorkomen dat wordt geprofiteerd van consumenten die bijzonder vatbaar zijn voor oneerlijke handelspraktijken. […] Het criterium van de gemiddelde consument is geen statistisch criterium. Nationale rechtbanken en autoriteiten moeten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, hun eigen oordeel volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is.

[…]

(21) Personen of organisaties die krachtens de nationale wetgeving in dezen een rechtmatig belang hebben, moeten over rechtsmiddelen beschikken om tegen oneerlijke handelspraktijken stappen te ondernemen, hetzij voor een rechterlijke instantie, hetzij bij een administratieve instantie die bevoegd is zelf een uitspraak te doen over een klacht of een passende gerechtelijke procedure in te leiden. Ofschoon de bewijslast op grond van de nationale wetgeving wordt vastgesteld, is het wenselijk om rechterlijke en administratieve autoriteiten de bevoegdheid te geven om van handelaren te verlangen dat zij bewijzen aandragen voor de juistheid van hun feitelijke beweringen.”

4 Artikel 1 („Doel”) van deze richtlijn bepaalt:

„Het doel van deze richtlijn is om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.”

5 In artikel 2 („Definities”) van die richtlijn is bepaald:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

  1. handelaar: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die die handelspraktijken verricht die onder deze richtlijn vallen en die betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook degene die in naam van of voor rekenschap van hem optreedt;

[…]

  1. handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (hierna ‚de handelspraktijken’ genoemd): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;

  2. het economische gedrag van consumenten wezenlijk verstoren: een handelspraktijk gebruiken om het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar te beperken, waardoor de consument tot een transactie besluit waartoe hij anders niet had besloten;

[…]

  1. ongepaste beïnvloeding: het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt;

  2. besluit over een transactie: een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument wel of niet tot handelen overgaat;

[…]”

6 In artikel 3 („Toepassingsgebied”) van diezelfde richtlijn is in de leden 4 en 9 het volgende bepaald:

„4.

In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere communautaire voorschriften betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, prevaleren laatstgenoemde voorschriften en zijn deze van toepassing op deze specifieke aspecten.

[…]

9.

Wat ‚financiële diensten’ in de zin van richtlijn 2002/65/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB 2002, L 271, blz. 16)] en onroerend goed betreft, mogen de lidstaten vereisten opleggen die voor het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.”

7 Artikel 4 („Interne markt”) van richtlijn 2005/29 bepaalt:

„De lidstaten mogen geen beperkingen opleggen aan het vrij verrichten van diensten of aan het vrije verkeer van goederen om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied.”

8 Artikel 5 („Verbod op oneerlijke handelspraktijken”) van deze richtlijn, dat staat in hoofdstuk 2 („Oneerlijke handelspraktijken”), luidt als volgt:

„1.

Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.

2.

Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:

  1. in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,

    en

  2. het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economische gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.

[…]

4.

Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:

  1. misleidend zijn in de zin van de artikelen 6 en 7,

    of

  2. agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.

5.

Bijlage I bevat de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Deze lijst is van toepassing in alle lidstaten en mag alleen worden aangepast door wijziging van deze richtlijn.”

9 Deel 1 („Misleidende handelspraktijken”) van dit hoofdstuk 2 bevat de artikelen 6 en 7 van die richtlijn. Artikel 6 („Misleidende handelingen”) bepaalt in lid 1, onder e):

„Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

[…]

  1. de noodzaak van een dienst, […]”.

10 In artikel 7 („Misleidende omissies”) van diezelfde richtlijn is in de leden 1 en 2 het volgende bepaald:

„1.

Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

2.

Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.”

11 Deel 2 („Agressieve handelspraktijken”) van hoofdstuk 2 van richtlijn 2005/29 bevat de artikelen 8 en 9 van die richtlijn.

12 Artikel 8 („Agressieve handelspraktijken”) van die richtlijn luidt als volgt:

„Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.”

13 Artikel 9 („Gebruik van intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding”) van diezelfde richtlijn bepaalt:

„Om te bepalen of er bij een handelspraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, wordt rekening gehouden met:

  1. het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de handelspraktijk;

  2. het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;

  3. het uitbuiten door de handelaar van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen de handelaar bekend is, met het oogmerk het besluit van de consument met betrekking tot het product te beïnvloeden;

  4. door de handelaar opgelegde, kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere handelaar te kiezen;

  5. het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen.”

14 Artikel 11 („Handhaving”) van diezelfde richtlijn bepaalt in lid 1, eerste alinea, het volgende:

„De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.”

15 In bijlage I („Handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd”) bij richtlijn 2005/29 worden in de punten 24 tot en met 31 de „agressieve handelspraktijken” opgesomd en als volgt omschreven:

  • De indruk geven dat de consument het pand niet mag verlaten alvorens er een overeenkomst is opgesteld.

  • De consument thuis opzoeken en zijn verzoek om weg te gaan of niet meer terug te komen, negeren, behalve indien, en voor zover gerechtvaardigd volgens de nationale wetgeving, wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven.

  • Hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon, fax, e-mail of andere afstandsmedia behalve indien er, voor zover gerechtvaardigd volgens de nationale wetgeving, wordt beoogd een contractuele verplichting te doen naleven. Dit doet geen afbreuk aan artikel 10 van richtlijn 97/7/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB 1997, L 144, blz. 19)] en [aan richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31) en richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37)].

  • Een consument die op grond van een verzekeringspolis een vordering indient, om documenten vragen die redelijkerwijs niet relevant kunnen worden geacht om de geldigheid van de vordering te beoordelen, dan wel systematisch weigeren antwoord te geven op daaromtrent gevoerde correspondentie met de bedoeling de consument ervan te weerhouden zijn contractuele rechten uit te oefenen.

  • Kinderen er in reclame rechtstreeks toe aanzetten om geadverteerde producten te kopen of om hun ouders of andere volwassenen ertoe over te halen die producten voor hen te kopen. Deze bepaling laat artikel 16 van richtlijn 89/552/EEG [van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23)] onverlet.

  • Vragen om onmiddellijke dan wel uitgestelde betaling of om terugzending of bewaring van producten die de handelaar heeft geleverd, maar waar de consument niet om heeft gevraagd, tenzij het product een vervangingsgoed is zoals bedoeld in artikel 7, lid 3, van richtlijn 97/7/EG (niet-gevraagde leveringen).

  • De consument uitdrukkelijk meedelen dat, als hij het product of de dienst niet koopt, de baan of de bestaansmiddelen van de handelaar in het gedrang komen.

  • De bedrieglijke indruk wekken dat de consument al een prijs heeft gewonnen of zal winnen dan wel door een bepaalde handeling te verrichten een prijs zal winnen of een ander soortgelijk voordeel zal behalen, als er in feite:

    • geen sprake is van een prijs of een ander soortgelijk voordeel,

      dan wel

    • als het ondernemen van stappen om in aanmerking te kunnen komen voor de prijs of voor een ander soortgelijk voordeel afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de consument of indien daaraan voor hem kosten zijn verbonden.”

Richtlijn 2016/97

16 Artikel 24 („Koppelverkoop”) van richtlijn 2016/97 bepaalt in de leden 3 en 7 het volgende:

„3.

Indien een verzekeringsproduct een nevenproduct is bij een goed dat of dienst die geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, biedt de verzekeringsdistributeur de klant de mogelijkheid om het goed of de dienst afzonderlijk aan te schaffen. Dit lid is niet van toepassing indien een verzekeringsproduct een nevenproduct is bij een beleggingsdienst of -activiteit als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 2, van richtlijn 2014/65/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 349)], een kredietovereenkomst als gedefinieerd in artikel 4, punt 3, van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad [van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34)], of een betaalrekening als gedefinieerd in artikel 2, punt 3, van richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad [van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB 2014, L 257, blz. 214)].

[…]

7.

De lidstaten mogen strengere bijkomende maatregelen aannemen of handhaven of in individuele gevallen ingrijpen om de verkoop van een verzekering samen met een nevendienst of -product die geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, te verbieden wanneer zij kunnen aantonen dat deze praktijken nadelig zijn voor de consument.”

Italiaans recht

Consumentenwetboek

17 Artikel 20 van decreto legislativo n. 206, recante codice del consumo a norma dell’articolo 7 della legge di 29 luglio 2003, n. 229 (wetsbesluit nr. 206 tot vaststelling van het consumentenwetboek op grond van artikel 7 van wet nr. 229 van 29 juli 2003) van 6 september 2005 (gewoon supplement bij GURI nr. 235 van 8 oktober 2005; hierna: „consumentenwetboek”), waarbij richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) is omgezet in nationaal recht, bepaalt:

„Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij in strijd is met de vereisten van professionele toewijding en zij het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is, of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economische gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.”

18 Artikel 24 („Agressieve handelspraktijken”) van dit wetboek, dat de in artikel 8 van richtlijn 2005/29 opgenomen voorschriften omzet in nationaal recht, is als volgt verwoord:

„1.

Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.

[…]”

Wetsbesluit nr. 209 van 7 september 2005

19 In artikel 120 quinquies („Koppelverkoop”) van decreto legislativo n. 209 – codice delle assicurazioni private (wetsbesluit nr. 209 houdende het wetboek particuliere verzekeringen) van 7 september 2005 (gewoon supplement bij GURI nr. 239 van 13 oktober 2005) is bepaald:

„1.

Wanneer een verzekeringsdistributeur een verzekeringsproduct aanbiedt samen met een nevenproduct dat of -dienst die geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, deelt hij de wederpartij mee of de verschillende componenten van het pakket afzonderlijk kunnen worden gekocht en verstrekt hij een adequate beschrijving van de verschillende componenten van de overeenkomst of het pakket, alsmede afzonderlijke informatie over de kosten en lasten van elke component.

2.

In het in lid 1 bedoelde geval en indien het risico of de verzekeringsdekking die uit de aan een wederpartij aangeboden overeenkomst of het hem aangeboden pakket voortvloeien, verschillen van het risico of de dekking die aan de verschillende componenten afzonderlijk verbonden zijn, geeft de verzekeringsdistributeur een adequate beschrijving van de verschillende componenten van de overeenkomst of het pakket en van de wijze waarop de interactie ervan het risico en de verzekeringsdekking wijzigt.

3.

Indien een verzekeringsproduct een nevenproduct is bij een goed dat of dienst die geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, biedt de verzekeringsdistributeur de wederpartij de mogelijkheid om het goed of de dienst afzonderlijk aan te schaffen. Dit lid is niet van toepassing als het verzekeringsproduct een aanvulling is op een beleggingsdienst of -activiteit in de zin van artikel 1, lid 5, van de gecoördineerde tekst van de wetten inzake financiële intermediairs, op een kredietovereenkomst in de zin van artikel 120 quinquies, lid 1, onder c), van de gecoördineerde tekst van de wetten inzake het bank- en kredietwezen of op een betaalrekening in de zin van artikel 126 decies van laatstgenoemde regeling.

4.

In de in de leden 1 en 3 bedoelde gevallen deelt de distributeur van verzekeringsproducten de wederpartij mee waarom het verzekeringsproduct dat deel uitmaakt van het totaalpakket of van dezelfde overeenkomst, geschikt wordt geacht om aan diens behoeften en verlangens te voldoen.

5.

In de in de leden 1 en 3 bedoelde gevallen kan het [Istituto per la vigilanza sulle assicurazioni (IVASS) (toezichthoudende autoriteit voor het verzekeringswezen, Italië)], met het oog op de bescherming van de verzekerden, met betrekking tot de activiteit van verzekeringsdistributie de voorlopige maatregelen en verbodsmaatregelen toepassen waarin dit wetboek voorziet, met inbegrip van de bevoegdheid om de verkoop van een verzekering, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, samen met een andere dienst of een ander product dan een verzekering te verbieden, ongeacht of de verzekering dan wel het andere product of de andere dienst een nevenactiviteit is, wanneer deze praktijk nadelig is voor de consument. In het geval van verzekeringsbeleggingsproducten worden deze bevoegdheden uitgeoefend door IVASS en de [Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (Consob) (nationale commissie voor het vennootschaps- en beurswezen, Italië)] naargelang van hun respectieve bevoegdheden.

6.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de distributie van verzekeringsproducten die andere soorten risico’s dekken.

7.

De huidige bepalingen laten de eventuele toepassing van de bepalingen van het consumentenwetboek, onverlet […].”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20 Tussen januari 2015 en juli 2018 heeft Compass Banca, gevestigd in Italië, haar klanten aangeboden om verschillende persoonlijke leningen alsmede verzekeringsproducten die dekking boden voor bepaalde risico’s die niet noodzakelijkerwijs verband hielden met deze leningen, af te sluiten. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het afsluiten van een verzekering weliswaar geen voorwaarde was voor de toekenning van een persoonlijke lening, maar dat deze verzekering desalniettemin in combinatie met die lening werd aangeboden.

21 Op 13 september 2018 heeft de AGCM een onderzoek geopend om vast te stellen of deze handelspraktijk „oneerlijk” was in de zin van richtlijn 2005/29.

22 Tijdens dit onderzoek heeft Compass Banca een voorstel met toezeggingen ingediend dat een reeks specifieke maatregelen inhield om aan de consument te verduidelijken dat het afsluiten van een niet met een persoonlijke lening verwante verzekering facultatief is. Een van deze maatregelen bestond erin om een onvoorwaardelijk recht van klanten om hun verzekeringsovereenkomst op te zeggen, zonder dat dit gevolgen had voor hun leningsovereenkomst, uit te breiden tot alle klanten. Compass Banca is daarentegen niet ingegaan op de eis van de AGCM dat er ten gunste van de klanten moest worden voorzien in een bedenktijd van zeven dagen tussen de datum van ondertekening van de leningsovereenkomst en die van ondertekening van de verzekeringsovereenkomst. Zij heeft deze maatregel als onevenredig en asymmetrisch opgevat voor zover deze maatregel niet op alle concurrenten van toepassing was.

23 Op 11 maart 2019 heeft Compass Banca een nieuw voorstel met toezeggingen ingediend dat andere maatregelen bevatte die volgens haar een vergelijkbaar effect als de instelling van de door de AGCM geëiste een bedenktijd van zeven dagen zouden creëren, zoals de verplichting om haar klanten zeven dagen na het ondertekenen van hun verzekeringsovereenkomst te benaderen teneinde een bevestiging te verkrijgen dat zij de in het kader van deze overeenkomst afgesloten verzekeringspolis nog wensten te behouden, waarbij zij heeft aangegeven dat zij de verzekeringspremie voor die periode van zeven dagen zou betalen.

24 Bij besluit van 2 april 2019, bevestigd op 3 juli 2019, heeft de AGCM dit voorstel met toezeggingen verworpen.

25 Bij besluit van 27 november 2019, dat op 23 december 2019 aan Compass Banca is meegedeeld, heeft de AGCM vastgesteld dat deze vennootschap een „agressieve” en dus „oneerlijke” handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29 had toegepast, die bestond in de „verplichte combinatie van overeenkomsten voor persoonlijke financiering en niet daaraan verwante verzekeringsproducten, bij de afsluiting ervan”. Zij heeft de voortzetting van deze praktijk verboden en Compass Banca een geldboete van 4 700 000 EUR opgelegd.

26 Compass Banca heeft bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) beroep ingesteld tegen de in de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest genoemde besluiten van de AGCM. Die rechter heeft dat beroep bij vonnis nr. 9516 van 2021 verworpen.

27 Compass Banca is tegen dat vonnis opgekomen bij de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië), de verwijzende rechter.

28 Compass Banca stelt dat haar handelspraktijk door de AGCM als „agressief” en dus als „oneerlijk” in de zin van richtlijn 2005/29 is aangemerkt op de enkele grond dat deze praktijk bestond in de koppelverkoop van persoonlijke leningen en verzekeringsproducten, zonder dat concreet bewijs is aangedragen van dit „agressieve” karakter, gelet op de specifieke kenmerken van deze praktijk of de omstandigheden van de zaak. Compass Banca leidt hieruit af dat de AGCM de bewijslast onterecht en op onaanvaardbare wijze heeft omgekeerd, waarbij zij wordt verplicht om aan te tonen dat haar handelspraktijk in werkelijkheid niet „agressief” is in de zin van deze richtlijn.

29 De AGCM betoogt dat Compass Banca, door haar praktijk van koppelverkoop van persoonlijke leningen en verzekeringsproducten, de keuzevrijheid van haar klanten aanzienlijk heeft beïnvloed en beperkt. Zij merkt op dat Compass Banca met name heeft nagelaten haar klanten erover te informeren dat de verzekeringsproducten facultatief zijn en voegt hieraan toe dat een dergelijke praktijk niet als „agressief” zou zijn aangemerkt indien aan de betrokken klanten een bedenktijd van zeven dagen was verleend tussen de datum van ondertekening van de overeenkomst voor de persoonlijke lening en die van ondertekening van de overeenkomst met betrekking tot het verzekeringsproduct.

30 De verwijzende rechter vraagt zich om te beginnen af of het begrip „gemiddelde consument” in de zin van richtlijn 2005/29 voldoende gewicht toekent aan de theorie van de „beperkte rationaliteit”, die een hoger niveau van consumentenbescherming eist. Volgens deze theorie handelen personen vaak zonder over alle noodzakelijke informatie te beschikken. Voor zover consumenten met name onderhevig zijn aan vertekeningen, die in de cognitieve wetenschap bekend staan als „framing”, is het dus waarschijnlijk dat zij hun voorkeuren aanpassen aan de manier waarop contractuele aanbiedingen aan hen worden voorgeschoteld en, als gevolg daarvan, beslissingen nemen die irrationeel zijn in vergelijking met de beslissingen die zouden zijn genomen door een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende persoon.

31 Vervolgens vraagt hij zich af of de praktijk die in het hoofdgeding aan de orde is moet worden aangemerkt als een „agressieve” en dus „oneerlijke” praktijk in de zin van richtlijn 2005/29 voor zover de aan de consument gedane commerciële aanbiedingen voor een leningsovereenkomst en een verzekeringsproduct, middels „framing”, worden voorgesteld op een wijze die hen doet geloven dat het verstrekken van een persoonlijke lening ondergeschikt is aan het aangaan van een verzekering.

32 Tot slot vraagt de verwijzende rechter of artikel 24, lid 3, van richtlijn 2016/97 betreffende de koppelverkoop van verzekeringsproducten en andere producten, zich ertegen verzet dat de AGCM een handelspraktijk als die van Compass Banca verbiedt.

33 Tegen deze achtergrond heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet het in richtlijn 2005/29 gebruikte begrip ‚gemiddelde consument’, opgevat als een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument, wegens de rekbaarheid en vaagheid ervan worden geformuleerd in het licht van de beste wetenschappelijke kennis en ervaring, en bijgevolg verwijzen naar niet alleen het traditionele begrip van de homo economicus, maar ook naar [de theorie van de] beperkte rationaliteit, die [heeft] aangetoond dat personen bij hun handelen de noodzakelijke informatie vaak beperken en beslissingen nemen die ‚irrationeel’ zijn in vergelijking met de beslissingen die een hypothetische omzichtige en oplettende persoon zou hebben genomen, uit welke [theorie] volgt dat de betrokken consumenten beter moeten worden beschermd tegen het – in de moderne marktdynamieken steeds vaker voorkomende – gevaar van cognitieve beïnvloeding?

  • Kan een handelspraktijk waarbij het, als gevolg van ‚framing’ van informatie, kan lijken dat een keuze verplicht is en er geen alternatieven zijn, zonder meer als ‚agressief’ worden aangemerkt, gelet op artikel 6, lid 1, van richtlijn 2005/29, waarin is bepaald dat als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die de gemiddelde consument – ‚inclusief door de algemene presentatie’ – bedriegt of kan bedriegen?

  • Rechtvaardigt richtlijn 2005/29 dat de nationale mededingingsautoriteit de bevoegdheid heeft om (als eenmaal is vastgesteld dat het gevaar van psychologische beïnvloeding bestaat, gezien [ten eerste] het feit dat de persoon die om financiering vraagt, die financiering doorgaans nodig heeft[, ten tweede] de complexiteit van de overeenkomsten die de consument moet ondertekenen[, ten derde] het feit dat de aanbiedingen gezamenlijk worden aangeboden, en [ten vierde] het feit dat voor de ondertekening van de aanbieding weinig tijd wordt gegeven) af te wijken van het beginsel dat verzekeringsproducten en niet-verwante financiële producten samen kunnen worden verkocht (koppelverkoop), door te voorzien in een bedenktijd van zeven dagen tussen de ondertekening van de twee overeenkomsten?

  • Staat, in verband met deze bevoegdheid om agressieve handelspraktijken tegen te gaan, [richtlijn 2016/97], en met name artikel 24, lid 3, daarvan, eraan in de weg dat de AGCM op grond van artikel 2, onder d) en j), en de artikelen 4, 8 en 9 van richtlijn 2005/29 en de regeling waarbij die richtlijn in nationaal recht is omgezet, een maatregel vaststelt na afwijzing van een voorstel voor toezeggingen dat een beleggingsmaatschappij had geformuleerd na andere toezeggingen te hebben geweigerd, in geval van koppelverkoop van een financieel product en een verzekeringsproduct dat geen verband houdt met dit financiële product – en indien het gevaar van beïnvloeding van de consument bestaat wegens de omstandigheden van het specifieke geval, die ook kunnen worden afgeleid uit de complexiteit van de te onderzoeken documentatie – waarbij de consument een bedenktijd van zeven dagen wordt toegekend tussen de formulering van het gekoppelde voorstel en de ondertekening van de verzekeringsovereenkomst?

  • Kan het feit dat de koppeling van een financieel en een verzekeringsproduct zonder meer als een agressieve praktijk wordt aangemerkt ertoe leiden dat een regelgevingshandeling niet is toegestaan, en zou dit feit er niet toe leiden dat de (moeilijk te vervullen) verplichting om aan te tonen dat er geen sprake is van een met richtlijn 2005/29 strijdige agressieve handelspraktijk op de handelaar (en niet op de AGCM, zoals het zou moeten zijn) komt te rusten (te meer daar voornoemde richtlijn de lidstaten niet toestaat om strengere maatregelen vast te stellen dan die welke daarin zijn omschreven, zelfs niet om een hoger niveau van consumentenbescherming te verzekeren)? Of is er integendeel geen sprake van een dergelijke omkering van de bewijslast, mits op basis van objectieve elementen wordt geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat dat de consument die financiering nodig heeft, door een complex gezamenlijk aanbod wordt beïnvloed?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

Ontvankelijkheid

34 Volgens Compass Banca is de eerste vraag niet-ontvankelijk omdat in deze vraag de definitie van het begrip „gemiddelde consument” afwijkt van de doorgaans gebruikte definitie omdat deze het risico van cognitieve beïnvloeding van de consument in aanmerking neemt, wat de vraag hypothetisch maakt. Aangezien de bestreden besluiten in het hoofdgeding zijn vastgesteld op grond van de nationale bepalingen waarbij artikel 8 van richtlijn 2005/29 en niet artikel 6 ervan is omgezet, is het immers niet relevant om een dergelijk risico in aanmerking te nemen.

35 In dit verband zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak, in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 7 februari 2023, Confédération paysanne e.a. (Willekeurige in-vitromutagenese), C‑688/21, EU:C:2023:75, punt 32 ].

36 Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 7 februari 2023, Confédération paysanne e.a. (Willekeurige in-vitromutagenese), C‑688/21, EU:C:2023:75, punt 33 ].

37 Met zijn eerste vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof om het begrip „gemiddelde consument” uit te leggen teneinde te bepalen of een vorm van „framing” die bestaat in het gelijktijdig aanbieden van een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct, zonder de consument een bedenktijd te geven tussen de datums van de ondertekening van de overeenkomsten voor deze aanbiedingen, wat, wegens een vertekening door framing, een gemiddelde consument de indruk kan geven dat hij verplicht is om op deze twee aanbiedingen in te gaan (hierna: „framing”), aldus moet worden opgevat dat dit een agressieve handelspraktijk is in de zin van met name de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 en dus oneerlijk is in de zin van artikel 5 van deze richtlijn.

38 Om te bepalen of een handelspraktijk „agressief” is in de zin van die richtlijn, verwijst artikel 8 ervan uitdrukkelijk naar het begrip „gemiddelde consument”.

39 Bijgevolg blijkt niet dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het door de verwijzende rechter opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. Bovendien beschikt het Hof over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens om een zinvol antwoord te geven op de eerste vraag.

40 Hieruit volgt dat de eerste vraag ontvankelijk is.

Ten gronde

41 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat het, volgens vaste rechtspraak, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vraag indien nodig te herformuleren (arrest van 8 september 2022, IRnova, C‑399/21, EU:C:2022:648, punt 22 ).

42 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag wenst te vernemen of, voor de uitlegging van het begrip „gemiddelde consument” in de zin van richtlijn 2005/29, met name artikel 8, niet enkel moet worden uitgegaan van de „homo economicus”, te weten in wezen een economische actor die in zijn besluitvorming perfect rationeel is, maar evenzeer van de meest recente onderzoeken betreffende de theorie van de „beperkte rationaliteit”, volgens welke de besluitvaardigheid van een consument „wordt beperkt door de grenzen die aan de cognitieve capaciteit worden gesteld door het aantal ontvangen stimuli, het vermogen om de aandacht erbij te houden en het vermogen om alle ontvangen informatie in het geheugen vast te houden”.

43 In deze omstandigheden dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „gemiddelde consument” in de zin van deze richtlijn niet enkel moet worden gedefinieerd door uit te gaan van een consument die normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend is, maar tevens door rekening te houden met het feit dat de besluitvaardigheid van een individu wordt verstoord door vormen van dwang, zoals cognitieve vertekeningen.

44 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat artikel 5, lid 2, van richtlijn 2005/29 verwijst naar het begrip „gemiddelde consument” om te bepalen of een handelspraktijk die in strijd is met de vereisten van professionele toewijding, genoeg effect teweegbrengt om het verbod ervan als oneerlijke handelspraktijk te rechtvaardigen dan wel of zij, aangezien zij waarschijnlijk slechts zeer lichtgelovige of naïeve consumenten zal kunnen misleiden, niet onder dat verbod valt.

45 Ditzelfde begrip is ook overgenomen in de artikelen 6 tot en met 8 van deze richtlijn die, zoals blijkt uit artikel 5, lid 4, van die richtlijn, verduidelijken hoe de twee in artikel 5, lid 2, van die richtlijn geformuleerde criteria om een praktijk als oneerlijk aan te merken van toepassing zijn op bepaalde specifieke vormen van oneerlijke handelspraktijken.

46 Met betrekking tot de uitlegging die aan dit begrip moet worden gegeven, volgt uit overweging 18 van diezelfde richtlijn dat, hoewel alle consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken moeten worden beschermd, het Hof in zaken over reclamekwesties sinds de inwerkingtreding van richtlijn 84/450 heeft geoordeeld dat moet worden nagegaan wat de gevolgen zijn van handelspraktijken voor een „fictieve doorsneeconsument”.

47 Uit diezelfde overweging volgt tevens dat in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, en om de uit hoofde van dat beginsel geboden bescherming ook effectief te kunnen toepassen, in richtlijn 2005/29 het criterium van de gemiddelde – dit wil zeggen redelijk geïnformeerde, omzichtige en oplettende – consument als maatstaf wordt genomen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren.

48 Hieruit volgt, zoals het Hof heeft geoordeeld in de context van richtlijn 93/13, dat deze verwijzing naar de gemiddelde consument een objectief criterium vormt en dat het begrip „gemiddelde consument” losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt. Bovendien voldoet noch een consument die slechter geïnformeerd is dan de gemiddelde consument, noch een consument die beter geïnformeerd is dan de gemiddelde consument aan dit objectieve criterium [zie in die zin arrest van 21 september 2023, mBank (Pools register van oneerlijk bevonden bedingen), C‑139/22, EU:C:2023:692, punten 60, 61 en 66].

49 In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2005/29 ertoe strekt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen door de onderlinge afstemming van de bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van consumenten aantasten (arrest van 19 december 2013, Trento Sviluppo en Centrale Adriatica, C‑281/12, EU:C:2013:859, punt 31 ). Deze doelstelling wordt bevestigd door de overwegingen 7, 11, 13 en 14 van deze richtlijn volgens welke handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met het beïnvloeden van beslissingen van de consument, die hun economische gedrag verstoren of die hun beletten een geïnformeerde en dus efficiënte keuze te maken, verboden zijn.

50 Voorts verduidelijkt overweging 18 van deze richtlijn weliswaar het begrip „gemiddelde consument”, doch volgt uit die overweging ook dat dit begrip niet statisch is en dat de nationale rechtbanken en autoriteiten, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof, hun eigen oordeel moeten volgen om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is.

51 Bijgevolg mag, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, de vaststelling van de reactie van de gemiddelde consument met betrekking tot een bepaalde handelspraktijk, dus geen louter theoretische aangelegenheid zijn. Ook realistischere overwegingen moeten in aanmerking worden genomen, voor zover deze verenigbaar zijn met de in overweging 18 van richtlijn 2005/29 weergegeven verduidelijkingen van dit begrip.

52 Volgens die overweging is de gemiddelde consument, ten eerste, normaal geïnformeerd en, ten tweede, redelijk omzichtig en oplettend. Aangezien het overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 2005/29 echter de verantwoordelijkheid van de handelaar is om de consumenten de wezenlijke informatie te verstrekken die zij, gelet op de context, nodig hebben om hun beslissing te nemen, moet deze „normalee geïnformeerdheid” van de gemiddelde consument aldus worden begrepen dat zij betrekking heeft op informatie waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die bij elke consument bekend is, gelet op de relevante maatschappelijke, culturele en taalkundige factoren, en niet op informatie die specifiek is voor de transactie in kwestie. Bijgevolg sluit die redelijke geïnformeerdheid niet uit dat een handelspraktijk het economische gedrag van deze fictieve consument aanzienlijk kan verstoren omdat die consument niet over alle informatie beschikt.

53 Evenzo sluit het feit dat het begrip „gemiddelde consument” moet worden begrepen op basis van een „redelijk omzichtige en oplettende” consument niet uit dat rekening wordt gehouden met de invloed die cognitieve vertekeningen op de gemiddelde consument kunnen hebben, voor zover wordt aangetoond dat een dergelijke vertekening een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende persoon in zodanige mate kan raken dat zijn gedrag daardoor wezenlijk zou worden verstoord.

54 Overigens heeft het Hof er reeds op gewezen dat een gemiddelde consument kan worden bedrogen en dat hij bijgevolg zijn commerciële keuzes niet met kennis van zaken of doeltreffend kan maken (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Trento Sviluppo en Centrale Adriatica, C‑281/12, EU:C:2013:859, punten 34 en 38 ).

55 Voorts heeft het Hof op het gebied van Uniemerken geoordeeld dat er rekening mee dient te worden gehouden dat het aandachtsniveau van de gemiddelde consument kan variëren naargelang van het soort waren of diensten waarom het gaat (zie in die zin arrest van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C‑342/97, EU:C:1999:323, punten 25 en 26 ).

56 Bovendien heeft het Hof reeds de mogelijkheid gehad om vast te stellen dat aan de gemiddelde consument mogelijkerwijs een verkeerd beeld van de informatie is voorgeschoteld (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, Canal Digital Danmark, C‑611/14, EU:C:2016:800, punten 40 en 41 ) en dat het onwaarschijnlijk is dat de gemiddelde consument op bepaalde gebieden de technische expertise heeft om alle elementen van een aanbod te begrijpen om een volledig rationele keuze te kunnen maken (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Wind Tre en Vodafone Italia, C‑54/17 en C‑55/17, EU:C:2018:710, punten 50‑52 ).

57 Hoewel de besluitvaardigheid van een consument kan worden aangetast door vormen van dwang, zoals cognitieve vertekeningen, betekent dit echter nog niet dat noodzakelijkerwijs moet worden aangenomen dat elk risico van cognitieve vertekening door een handelspraktijk onvermijdelijk tot gevolg heeft dat het gedrag van die fictieve consument wezenlijk wordt verstoord. Daartoe moet ook nog worden aangetoond dat, in de bijzondere omstandigheden van een specifiek geval, een dergelijke praktijk de instemming van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende persoon op zodanige wijze kan beïnvloeden dat zijn gedrag daarmee wezenlijk wordt verstoord.

58 Het staat namelijk in elk geval aan de nationale rechterlijke instanties om vast te stellen wat de typische reactie van de gemiddelde consument in een bepaald geval is (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, Canal Digital Danmark, C‑611/14, EU:C:2016:800, punt 39 ).

59 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „gemiddelde consument” in de zin van deze richtlijn moet worden gedefinieerd door uit te gaan van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. Een dergelijke definitie sluit echter niet uit dat de besluitvaardigheid van een persoon kan worden verstoord door vormen van dwang, zoals cognitieve vertekeningen.

Tweede vraag

60 Vooraf moet worden opgemerkt dat, zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, de verwijzende rechter met zijn tweede vraag wenst te vernemen of „framing” onder alle omstandigheden als „agressief” kan worden aangemerkt in de zin van richtlijn 2005/29 en louter op basis hiervan daarmee strijdig kan zijn. In zijn tweede vraag verwijst de verwijzende rechter echter tevens naar het begrip „misleidende” handelspraktijk. Zoals blijkt uit artikel 5, lid 2, van deze richtlijn zijn agressieve en misleidende handelspraktijken twee categorieën van oneerlijke handelspraktijken. Bovendien is het begrip „[handelspraktijk] die onder alle omstandigheden als oneerlijk [wordt] beschouwd” opgenomen in artikel 5, lid 5, van die richtlijn.

61 Bijgevolg dient, overeenkomstig de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof, te worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 2, onder j), artikel 5, leden 2 en 5, en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat een handelspraktijk waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, onder alle omstandigheden een agressieve handelspraktijk is of op zijn minst een handelspraktijk die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn.

62 In de eerste plaats dient in herinnering te worden gebracht dat hoofdstuk 2, van richtlijn 2005/29, met als opschrift „Oneerlijke handelspraktijken”, twee delen bevat, te weten deel 1, betreffende misleidende handelspraktijken, en deel 2, betreffende agressieve handelspraktijken.

63 Artikel 5 van die richtlijn, dat in hoofdstuk 2 staat, verbiedt in lid 1 oneerlijke handelspraktijken en stelt in lid 2 de criteria vast om te bepalen of een handelspraktijk oneerlijk is.

64 Dat artikel 5, lid 4, preciseert dat meer in het bijzonder handelspraktijken die „misleidend” zijn in de zin van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2005/29 of „agressief” in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn, oneerlijk zijn.

65 Voorts is in artikel 5, lid 5, bepaald dat bijlage I bij richtlijn 2005/29 de lijst van handelspraktijken bevat die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd en dat deze lijst, die van toepassing is in alle lidstaten, alleen mag worden aangepast door wijziging van die richtlijn.

66 In dat verband preciseert overweging 17 van richtlijn 2005/29 dat met het oog op een grotere rechtszekerheid alleen de in deze bijlage I opgesomde praktijken worden verondersteld onder alle omstandigheden oneerlijk te zijn zonder dat zij individueel aan het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 9 van die richtlijn hoeven te worden getoetst.

67 Aangezien bijlage I bij richtlijn 2005/29 een uitputtende en limitatieve lijst van handelspraktijken bevat die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd, kan een handelspraktijk zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde „framing” slechts worden aangemerkt als een handelspraktijk die onder alle omstandigheden agressief is of zelfs, meer algemeen, als een handelspraktijk die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn, indien deze praktijk overeenstemt met een van de in deze bijlage opgenomen situaties.

68 Bij lezing van deze bijlage blijkt evenwel dat een dergelijke overeenstemming ontbreekt, die overigens in het hoofdgeding niet is aangevoerd.

69 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat een handelspraktijk zoals de „framing” als aan de orde in het hoofdgeding, waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, niet kan worden aangemerkt als een handelspraktijk die onder alle omstandigheden agressief is en zelfs niet een handelspraktijk die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van die richtlijn.

70 Aangezien, gelet op de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier, niet kan worden uitgesloten dat de AGCM de in het hoofdgeding aan de orde zijnde praktijk als „agressief” heeft aangemerkt na een grondige analyse van de betrokken handelspraktijk die is verricht met inachtneming van de omstandigheden van de zaak, is het, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, in de tweede plaats van belang om te onderzoeken of „framing” een agressieve handelspraktijk kan vormen in de zin van richtlijn 2005/29, op de enkele grond dat deze erin bestaat aan een consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct aan te bieden zonder dat de consument bedenktijd krijgt tussen de ondertekening van de twee overeenkomsten voor deze aanbiedingen en terwijl deze praktijk tot vertekening door framing kan leiden, waardoor deze consument de indruk krijgt dat hij voor het verkrijgen van een persoonlijke lening een verzekering moet afsluiten.

71 Uit artikel 8 van richtlijn 2005/29 volgt dat als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.

72 Daar de begrippen „intimidatie” en „dwang” in de zin van dit artikel 8 niet zijn gedefinieerd, en om deze begrippen te kunnen definiëren, dient te worden afgegaan op de gebruikelijke betekenis ervan in de omgangstaal, die uitsluit dat een handelspraktijk leidt tot intimidatie of dwang op de enkele grond dat zij kenmerken vertoont van framing.

73 Wat de mogelijkheid betreft dat een handelspraktijk gebruik kan maken van „ongepaste beïnvloeding” in de zin van dat artikel 8, dient in herinnering te worden gebracht dat dit begrip, dat in artikel 2, onder j), van richtlijn 2005/29 is gedefinieerd, ziet op het uitbuiten van een machtspositie ten aanzien van de consument om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, pressie uit te oefenen op een wijze die het vermogen van de consument om een geïnformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof is ongepaste beïnvloeding niet noodzakelijk onrechtmatige beïnvloeding, maar beïnvloeding die, hoewel zij niet onrechtmatig is, er op actieve wijze – door een bepaalde pressie – toe leidt dat de wil van de consument gedwongen wordt geconditioneerd (arrest van 12 juni 2019, Orange Polska, C‑628/17, EU:C:2019:480, punt 33 ).

74 Zo kan de toepassing door een handelaar van een methode voor het sluiten of wijzigen van overeenkomsten worden gekwalificeerd als een „agressieve handelspraktijk” vanwege de uitoefening van ongepaste beïnvloeding door het aannemen van oneerlijk gedrag dat tot gevolg heeft dat de consument zodanig onder druk wordt gezet dat zijn keuzevrijheid aanzienlijk wordt beperkt, zoals gedrag waardoor de consument zich ongemakkelijk kan voelen of gedrag dat zijn gedachten kan verstoren (zie in die zin arrest van 12 juni 2019, Orange Polska, C‑628/17, EU:C:2019:480, punt 47 ).

75 Een praktijk waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, zonder dat hem bedenktijd wordt gegeven tussen de ondertekening van de overeenkomsten met betrekking tot deze aanbiedingen, betekent niet zonder meer dat er druk wordt uitgeoefend, zelfs indien deze praktijk kan leiden tot vertekening door framing. Bijgevolg kan een dergelijke praktijk op zichzelf niet als „ongepaste beïnvloeding” worden beschouwd in de zin van artikel 8 van richtlijn 2005/29.

76 Niettemin dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 2005/29 onder oneerlijke handelspraktijken niet alleen agressieve handelspraktijken noemt, maar eveneens misleidende handelspraktijken, die in artikel 6, lid 1, onder e), van deze richtlijn aldus zijn gedefinieerd dat daaronder handelspraktijken vallen die op de een of andere manier de gemiddelde consument bedriegen of kunnen bedriegen ten aanzien van onder meer de noodzaak van een dienst, en die hem ertoe brengen of kunnen brengen over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.

77 In de zaak in het hoofdgeding kan de praktijk in kwestie dus alleen als „agressief” in de zin van artikel 8 van richtlijn 2005/29 worden aangemerkt indien de handelaar in het kader van de betrokken praktijk de consument niet alleen geen bedenktijd heeft gegeven tussen de ondertekening van de leningsovereenkomst en de ondertekening van de verzekeringsovereenkomst, maar bovendien ook intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding heeft toegepast. Daarentegen kan een dergelijke praktijk, zelfs als er geen sprake is van intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding, wel worden aangemerkt als een „misleidende handelspraktijk” en dus als een „oneerlijke handelspraktijk”, als deze voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn.

78 In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat het essentieel is om de consument, zelfs vóór de sluiting van de overeenkomst, duidelijke en passende informatie te verschaffen (zie in die zin arrest van 12 juni 2019, Orange Polska, C‑628/17, EU:C:2019:480, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 De omstandigheid dat er gelijktijdig twee aanbiedingen voor afzonderlijke diensten worden gedaan, hoewel deze aanbiedingen juridisch niet met elkaar verbonden zijn, kan vereisen dat aanvullende informatie aan de consument wordt meegedeeld, juist om te voorkomen dat deze wordt misleid over het feit dat er geen verband bestaat tussen die aanbiedingen.

80 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het doen van de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanbiedingen bij de consument de indruk heeft kunnen wekken dat het niet mogelijk was de lening te verkrijgen zonder het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringsproduct af te sluiten, te meer daar bepaalde risico’s in verband met de lening door die verzekeringspolis werden gedekt, zoals met name een verslechtering van de gezondheidstoestand die de nakoming van de contractuele verplichtingen in verband met de lening kan verhinderen.

81 Bovendien verwijst de verwijzende rechter in zijn derde vraag naar de situatie van behoefte waarin de persoon die om financiering verzoekt zich normaliter bevindt, naar de complexiteit van de door de consument ondertekende overeenkomsten, naar het gelijktijdig voorleggen van de gekoppelde aanbiedingen en naar de korte termijn om in te gaan op het aanbod.

82 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter tevens dat Compass Banca stelt dat zij de betrokken consumenten naar behoren heeft geïnformeerd over het feit dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzekeringsproduct geen verband hield met de persoonlijke lening en dat zij deze consumenten de relevante documenten heeft verstrekt, ook in de precontractuele fase.

83 Uiteindelijk staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelspraktijk een „oneerlijke handelspraktijk” kan vormen, met name voor zover deze kan worden aangemerkt als „misleidende handelspraktijk” in de zin van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 2005/29, dan wel als „agressieve handelspraktijk” in de zin van de artikelen 8 en 9 van deze richtlijn.

84 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 2, onder j), artikel 5, leden 2 en 5, en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 aldus moeten worden uitgelegd dat de handelspraktijk waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet aan die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden agressief is en zelfs niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn.

Derde vraag

85 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale maatregel op grond waarvan een nationale autoriteit, zodra is vastgesteld dat een handelspraktijk van een gegeven handelaar „agressief” of, meer algemeen, „oneerlijk” is, van die handelaar kan vereisen dat hij de consument een redelijke bedenktijd geeft tussen de datum van ondertekening van de verzekeringsovereenkomst en die van ondertekening van de leningsovereenkomst.

86 In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2005/29, krachtens artikel 1 ervan, tot doel heeft om bij te dragen aan de goede werking van de interne markt en om een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consumenten schaden, te harmoniseren.

87 Aangezien deze benadering blijkens overweging 14 van richtlijn 2005/29 de vorm aanneemt van een volledige harmonisatie van deze bepalingen van de lidstaten, moet worden vastgesteld dat deze richtlijn de lidstaten verbiedt om binnen dit geharmoniseerde gebied maatregelen vast te stellen of te handhaven die richtlijn 2005/29 niet voorschrijft of toestaat, zelfs wanneer deze een hoger niveau van consumentenbescherming beogen tot stand te brengen (zie in die zin arrest van 9 november 2010, Mediaprint Zeitungs- und Zeitschriftenverlag, C‑540/08, EU:C:2010:660, punt 37 ).

88 Zoals blijkt uit het antwoord op de tweede vraag is een handelspraktijk zoals de „framing” die in het hoofdgeding aan de orde is, geen handelspraktijk die onder alle omstandigheden agressief is en zelfs geen handelspraktijk die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van richtlijn 2005/29.

89 Wat financiële diensten in de zin van richtlijn 2002/65 betreft, waaronder elke dienst in verband met kredietverstrekking of verzekering valt, is het juist dat de lidstaten krachtens artikel 3, lid 9, van deze richtlijn vereisten mogen opleggen die voor het bij richtlijn 2005/29 geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

90 Evenwel moet, ten eerste, een dergelijke bevoegdheid worden uitgeoefend met inachtneming van de dwingende bepalingen van het Unierecht of, in voorkomend geval, met ieder ander relevant rechtsinstrument. Wil een autoriteit op grond van deze bevoegdheid strengere of prescriptievere vereisten dan de bepalingen van richtlijn 2005/29 kunnen opleggen, dan moet, ten tweede, die bevoegdheid door de betrokken lidstaat worden uitgeoefend met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die het vereiste van rechtszekerheid verlangt [zie naar analogie arrest van 3 september 2020, Subdelegación del Gobierno en Barcelona (Langdurig ingezetenen), C‑503/19 en C‑592/19, EU:C:2020:629, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

91 Bijgevolg verzet richtlijn 2005/29 zich ertegen dat een nationale autoriteit, om de consument te beschermen, een algemene of preventieve verplichting tot inachtneming van een bepaalde bedenktijd kan invoeren voor een handelspraktijk waarbij gelijktijdig een verzekeringsproduct en een leningsovereenkomst worden aangeboden, wanneer noch een dergelijke verplichting noch de bevoegdheid van deze autoriteit om een dergelijke verplichting in te voeren, uitdrukkelijk in de nationale regeling is opgenomen.

92 Daarentegen verzet richtlijn 2005/29 zich er niet tegen dat de lidstaten in hun nationale wettelijke regeling bepalen dat een nationale autoriteit, wanneer zij eenmaal – na een uitvoerig onderzoek van de handelspraktijk van een bepaalde handelaar – heeft vastgesteld dat deze praktijk „agressief” en dus, meer algemeen, „oneerlijk” is in de zin van deze richtlijn, ten aanzien van die handelaar bevelen kan uitvaardigen.

93 Volgens artikel 11, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2005/29 moeten de lidstaten namelijk zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn kan worden afgedwongen.

94 Niettemin dient in dat verband ten eerste te worden gewezen op het feit dat artikel 4 van richtlijn 2005/29 uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaten geen beperkingen mogen opleggen aan het vrij verrichten van diensten om redenen die vallen binnen het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied. Ten tweede moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de door het Handvest gewaarborgde rechten eerbiedigen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen.

95 Een maatregel van een nationale autoriteit die, om een einde te maken aan een agressieve handelspraktijk, de inachtneming van een redelijke bedenktijd oplegt tussen de datum van ondertekening van een overeenkomst voor persoonlijke financiering en die van ondertekening van een verzekeringsovereenkomst, zou de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van ondernemerschap van de betrokken handelaar kunnen beperken.

96 Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel kan een nationale autoriteit een dergelijke maatregel dus slechts toepassen indien vaststaat dat, gelet op de redenen die deze autoriteit ertoe hebben gebracht de handelspraktijk in kwestie als „agressief” of althans als „oneerlijk” aan te merken, er geen andere middelen bestaan die even doeltreffend zijn om een einde te maken aan deze praktijk en die de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van ondernemerschap van de betrokken handelaar minder aantasten.

97 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale maatregel op grond waarvan een nationale autoriteit, zodra is vastgesteld dat een handelspraktijk van een bepaalde handelaar „agressief” of, meer algemeen, „oneerlijk” is, die handelaar kan verplichten om aan de consument een redelijke bedenktijd te geven tussen de datum van ondertekening van de verzekeringsovereenkomst en die van ondertekening van de leningsovereenkomst, tenzij er andere middelen bestaan die de vrijheid van ondernemerschap minder aantasten en even doeltreffend zijn om een einde te maken aan die „agressieve” of „oneerlijke” praktijk.

Vierde vraag

98 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, lid 3, van richtlijn 2016/97 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale autoriteit van een handelaar wiens framing als „agressief” is aangemerkt in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 of, meer algemeen, als „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, vereist dat hij, om een einde te maken aan die praktijk, de consument een redelijke bedenktijd geeft tussen de datums van ondertekening van de twee betrokken overeenkomsten.

99 Meteen dient te worden opgemerkt dat de vierde vraag betrekking heeft op de koppelverkoop van een persoonlijke lening en een verzekeringsproduct, en dat de distributie van verzekeringsproducten is geregeld door richtlijn 2016/97.

100 In dit verband dient te worden opgemerkt dat volgens artikel 3, lid 4, van richtlijn 2005/29 in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze richtlijn en andere voorschriften van de Unie betreffende specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken, laatstgenoemde voorschriften prevaleren en van toepassing zijn op deze specifieke aspecten.

101 Artikel 24 van richtlijn 2016/97 legt specifieke verplichtingen op aan distributeurs van verzekeringsproducten die samen met andere producten in koppelverkoop worden verkocht.

102 Volgens artikel 24, lid 3, van richtlijn 2016/97, de enige bepaling waarnaar de verwijzende rechter in de vierde prejudiciële vraag verwijst, moet de verzekeringsdistributeur, indien een verzekeringsproduct een nevenproduct is bij een goed dat of dienst die geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, de klant de mogelijkheid bieden om het goed of de dienst afzonderlijk aan te schaffen.

103 Volgens artikel 24, lid 7, van richtlijn 2016/97 mogen de lidstaten strengere bijkomende maatregelen aannemen of handhaven of in individuele gevallen ingrijpen om de verkoop van een verzekering samen met een nevendienst die of -product dat geen verzekering is, als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst, te verbieden wanneer zij kunnen aantonen dat deze praktijken nadelig zijn voor de consument. Zoals de advocaat-generaal in punt 92 van zijn conclusie heeft opgemerkt is deze bepaling slechts van toepassing indien, ten eerste, het verzekeringsproduct kan worden beschouwd als het „hoofdproduct” of „belangrijkste product” en het andere product of de andere dienst daaraan „ondergeschikt” of „bijkomend” is, en, ten tweede, beide producten worden aangeboden „als onderdeel van een pakket of dezelfde overeenkomst”.

104 Niettemin moet worden opgemerkt dat de regel van artikel 24, lid 3, van richtlijn 2016/97 geen specifieke aspecten van oneerlijke handelspraktijken regelt, maar enkel vereist, los van overwegingen betreffende de eerlijkheid van de betrokken handelspraktijk, dat wanneer dergelijke producten en/of diensten het voorwerp zijn van een „koppelverkoop” aan de consument, hij de mogelijkheid moet hebben om deze afzonderlijk aan te schaffen.

105 Dit artikel 24, lid 3, verplicht de bevoegde nationale autoriteiten dus niet om verder te gaan dan dat wat richtlijn 2005/29 vereist. Deze bepaling vereist immers enkel dat, indien dergelijke producten en/of diensten via „koppelverkoop” worden verkocht, consumenten ook de mogelijkheid hebben om deze afzonderlijk aan te schaffen.

106 Bovendien verplicht deze bepaling, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie heeft opgemerkt, die autoriteiten evenmin om minder te doen dan dat waartoe zij op grond van richtlijn 2005/29 gerechtigd zijn.

107 Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 24, lid 3, van richtlijn 2016/97 aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een nationale autoriteit van een handelaar wiens framing als „agressief” is aangemerkt in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 of, meer algemeen, als „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, vereist dat hij, om een einde te maken aan die praktijk, de consument een redelijke bedenktijd geeft tussen de datums van ondertekening van de betrokken overeenkomsten.

Vijfde vraag

108 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een type handelspraktijk wordt aangemerkt als onder alle omstandigheden „agressief” in de zin van de artikelen 8 en 9 van deze richtlijn of, meer algemeen, als onder alle omstandigheden „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, ertoe leidt dat de bewijslast voor de handelaar in strijd met het Unierecht wordt omgekeerd.

109 Zoals blijkt uit het in punt 84 van het onderhavige arrest gegeven antwoord op de tweede vraag wordt een handelspraktijk als aan de orde in het hoofdgeding niet aangemerkt als een handelspraktijk die onder alle omstandigheden agressief is of, meer algemeen, een handelspraktijk die onder alle omstandigheden oneerlijk is in de zin van richtlijn 2005/29.

110 Gelet op het antwoord op deze vraag, behoeft de vijfde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

111 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
  1. Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het begrip „gemiddelde consument” in de zin van deze richtlijn moet worden gedefinieerd door uit te gaan van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument. Een dergelijke definitie sluit echter niet uit dat de besluitvaardigheid van een persoon kan worden verstoord door vormen van dwang, zoals cognitieve vertekeningen.

  2. Artikel 2, onder j), artikel 5, leden 2 en 5, en de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29

    moeten aldus worden uitgelegd dat

    de handelspraktijk waarbij aan de consument gelijktijdig een persoonlijke lening en een niet met die lening verwant verzekeringsproduct worden aangeboden, niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden agressief is en zelfs niet een handelspraktijk is die onder alle omstandigheden als oneerlijk wordt beschouwd in de zin van deze richtlijn.

  3. Richtlijn 2005/29

    moet aldus worden uitgelegd dat

    zij zich niet verzet tegen een nationale maatregel op grond waarvan een nationale autoriteit, zodra is vastgesteld dat een handelspraktijk van een bepaalde handelaar „agressief” of, meer algemeen, „oneerlijk” is, die handelaar kan verplichten om aan de consument een redelijke bedenktijd te geven tussen de datum van ondertekening van de verzekeringsovereenkomst en die van ondertekening van de leningsovereenkomst, tenzij er andere middelen bestaan die de vrijheid van ondernemerschap minder aantasten en even doeltreffend zijn om een einde te maken aan die „agressieve” of „oneerlijke” praktijk.

  4. Artikel 24, lid 3, van richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het zich er niet tegen verzet dat een nationale autoriteit van een handelaar wiens framing als „agressief” is aangemerkt in de zin van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2005/29 of, meer algemeen, als „oneerlijk” in de zin van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn, vereist dat hij, om een einde te maken aan die praktijk, de consument een redelijke bedenktijd geeft tussen de datums van ondertekening van de betrokken overeenkomsten.

ondertekeningen